← België

Arrest 143635 - - 26/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.635 Rolnummer: A. 128503/XIV-12291 Zaak: Arrest 143635 - - 26/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-31 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 11:43 Fiche Arrest nr 143.635 van 26 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.635 van 26 april 2005 in de zaak A. 128.503/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 24 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 september2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005; XIV-12.291-1/15 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Iraanse nationaliteit, is België binnengekomen op 9 juli 2000 en heeft zich op 10 juli 2000 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 8 mei 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 24 september 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissing luidt als volgt : “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Ahvaz. Tijdens uw gehoor in dringend beroep verklaart u tijdens uw studententijd – u bent afgestudeerd in 1365 (Perzische kalender; komt overeen met 1981-1982) – twee jaar en half geschorst te zijn omwille van uw sympathieën voor de Tudeh-partij. Sedert 1377 (1998-1999) werkte u als ingenieur in een fabriek die deel uitmaakt van een project en instaat voor het installeren van eenheden die o.a. suiker produceren. Gedurende de eerste maand dat u er werkte, merkte u op dat er o.a. reglementeringen niet gevolgd werden en dat er geknoeid werd met geld van investeerders. De eerste maand van 1378 (eind maart-begin april 1999) schreef u hierover een artikel dat u aan de krant “Arya” gaf. Het was een reactie op een eerder gepubliceerd artikel over het project, waarbij enkel positieve elementen werden aangehaald. Het dagblad wou uw artikel echter niet publiceren. Een tweede versie schreef u de elfde maand van 1378 (eind januari-begin februari 2000). Dit artikel was bestemd voor president Khatami, doch u werd niet toegelaten tijdens zijn bezoek aan het project. Op 1/2/1379 (21/4/2000) gaf u een derde versie van het artikel (waarin u voornamelijk praatte over de corruptie op alle niveaus met betrekking tot het project) aan een student, genaamd Farzad Babakouhi, die stage liep bij de fabriek. Het was de bedoeling dat hij het artikel onder pamfletvorm zou verspreiden aan de universiteit te Ahvaz. Op 13/2/1379 (3/5/2000) vernam u dat Farzad en enkele anderen gearresteerd werden. De volgende dag vernam u op uw werk dat men XIV-12.291-2/15 achter u was komen vragen. U ging vervolgens richting uw appartement en zag dat er licht brandde. Vervolgens verliet u onmiddellijk die plaats. U bracht de nacht door bij uw vriend S. te Ahvaz. U besloot onder te duiken en leefde clandestien gedurende 45 dagen bij uw vriend A. A.-T. te Teheran. Uw broer D. werd tijdens die 45 dagen ondervraagd door de Herassat betreffende u. Uw broer S. kreeg in diezelfde periode problemen omwille van zijn hetgeen u beide deed beslissen Iran te verlaten. U verliet Iran op 1/4/1379 (22/6/2000) samen met uw broer (R. K. S.), en kwam naar België ten einde hier asiel aan te vragen. U bent in het bezit van uw boekje burgerlijke stand, uw rijbewijs, een toegangskaart betreffende een vorige job, uw boekje van de mutualiteit, uw diploma, certificaat taal Engels, twee bewijzen betreffende vorige jobs, certificaat einde studies, kopij van een waarschuwing van de Rechtbank van Esfahan dd. 11/7/1379 en een van de Rechtbank van Abadan dd. 10/8/
  6. Er dient te worden vastgesteld dat er geen geloof kan worden gehecht aan de bewering dat u in Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft zoals bedoeld in de Conventie. U beweert immers precies omwille van het bestaan van de politieke antecedenten van u en uw familie vervolgd te worden voor het schrijven van dat artikel waarin u corruptie aanklaagt. Uw verklaringen omtrent die politieke activiteiten zijn echter niet coherent. Zo beweerde u op Dienst Vreemdelingenzaken tijdens uw studentenjaren sympathisant geweest te zijn van de “Fadaïn Khalgh” (zie DVZ, vraag 42). Als sympathisant van deze partij zou u indertijd hebben deelgenomen aan het protest tegen de Revolutie en tijdelijk het recht op studeren ontzegd zijn. Tijdens uw gehoor op het Commissariaat- generaal zegt u daarentegen dat u gedurende 2,5 jaar verboden werd te studeren omdat u behoorde tot de “Tudeh-partij” (zie CGVS, p. 13). Naast het feit dat er omwille van deze tegenstrijdigheid nog weinig geloof kan worden gehecht aan uw politiek activisme van weleer, dient tevens te worden vastgesteld dat de problemen die u op grond daarvan zou gekend hebben onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van daden van vervolging. U zou moeilijkheden gekend hebben op het niveau van uw studies en bij het vinden van een job maar uit uw verklaringen blijkt niet dat u ooit door de autoriteiten werd beschuldigd van of gerechtelijk vervolgd omwille van subversieve politieke activiteiten. Daarnaast beweerde u tijdens uw eerste interview dat uw zus Fariba en uw broer Djalil beiden eveneens aanhangers waren van de “Fadaïn Khalgh”. Uw zus Faridokht zou zich geëngageerd hebben voor de “Moudjahedin el Khalq” en ongeveer één jaar hebben vastgezeten. (zie verslag DVZ, p.10) In dringend beroep vermeldt u niets over deze specifieke sympathieën maar plaatst u een zus bij “Nezat-é Azadi” en als activist voor vrouwenrechten en uw twee broers zouden aanhangers zijn van de hervormingsgezinden. Op grond van deze vaststellingen kan geen geloof gehecht worden aan de bewering dat u omwille van politieke antecedenten momenteel in Iran wordt vervolgd. Voorts zei u tijdens uw interview op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u, in de periode dat u onderdook bij uw vriend A., uit veiligheidsoverwegingen helemaal geen contact onderhield met uw familie. U zou wel enkele keren D. hebben ontmoet, de schoonvader van uw broer en zou tevens via telefoon met R. gesproken hebben. Het zou tevens Djafari geweest zijn die u liet weten dat uw broer Shahram in beschuldiging was gesteld. (verslag DVZ, p.9) Uit uw verklaringen in dringend beroep blijkt daarentegen dat u in die periode contact had met uw broer D. en met twee vrienden, R. en S. P., zonder dat u vermeldt contact te hebben gehad met de schoonvader van uw broer. D. zou u toen hebben laten weten dat hij over u werd ondervraagd door de geheime dienst (verslag CGVS, p.6), een element dat u dan weer volledig onvermeld liet tijdens uw eerste interview. Tot slot vermeldt u op het Commissariaat-generaal niet dat vier Ettelaat-agenten in de nacht volgend op 16 of 17/11/1378 binnen vielen in uw appartement, u bedreigden en boeken van u meenamen. Deze feiten haalde u nochtans aan tijdens uw eerste interview als onderdeel van de daden van vervolging die tegen u zouden zijn gepleegd. (verslag DVZ, p.9). Door deze omissies en incoherente verklaringen wordt de geloofwaardigheid van uw relaas en de oprechtheid van uw asielaanvraag ernstig aangetast. Daarnaast dient te worden gewezen op het feit dat u zelf uitdrukkelijk verklaart dat u pas besloot Iran te verlaten nadat u hoorde dat uw broer Shahram problemen had gekregen met de autoriteiten. U dacht er eerst niet aan het land te verlaten hetgeen merkwaardig is daar u precies beweerde onder andere door uw eigen vroegere politieke XIV-12.291-3/15 activiteiten problemen te zullen hebben nu (verslag CGVS, p.7). U maakt verder niet aannemelijk dat de problemen die uw broer zou hebben gekregen omwille van zijn politiek activisme eveneens gevolgen voor u zouden hebben, eens te meer daar deze totaal los staan van uw klachten tegen de corruptie. Bovendien werd in hoofde van uw broer een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen omwille van de bedrieglijkheid van zijn relaas. Deze feiten ondermijnen enigszins uw beweerde gegronde vrees voor vervolging. Ten slotte dient wat betreft de twee documenten van de rechtbank (dd. 11/7/1379 (3/10/2000) en 10/8/1379 (1/11/2000)) die u voorlegt in het kader van uw asielaanvraag gewezen te worden op het feit dat sterk getwijfeld kan worden aan hun echtheid. Uit de - in het administratief dossier beschikbare - resultaten van het onderzoek naar de authenticiteit van deze documenten blijkt immers dat beiden een aantal inconsistenties bevatten en eerder ongewoon lijken, waardoor er ernstige vragen kunnen gesteld worden bij de authenticiteit ervan. Zij kunnen dan ook niet bijdragen tot de ondersteuning van uw asielmotieven. De overige documenten zijn verder niet van die aard dat zij afbreuk kunnen doen aan bovenstaande vaststellingen, daar zij enkel uw identiteit en studies bevestigen. (...).”.
  7. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  8. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “Eerste en enige middel: Manifest gebrekkige en onredelijke motivering en machtsoverschrijding: Schending van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen evenals als van het artikel 1, A, 2 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de aanvraag van de eiser bedrieglijk zou zijn; Dat dit middel kan worden onderverdeeld in vijf onderdelen, gelet op de motivering van de bestreden beslissing;
  9. Eerste onderdeel: Wat betreft de politieke sympathi(e)ën van de eiser en die van zijn broers en zussen.; Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat er geen geloof zou kunnen worden gehecht aan de politieke activiteiten van de eiser en van die van zijn broers en zussen omdat hij zich zou hebben tegengesproken daaromtrent; Dat wat betreft de politieke activiteiten van de eiser zelf de bestreden beslissing als volgt is gemotiveerd: “Er dient te worden vastgesteld dat er geen geloof kan worden gehecht aan de bewering dat u in Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft zoals bedoelt in de Conventie. U beweert immers precies omwille van het bestaan van de politieke antecedenten van u en uw familie vervolgd te worden voor het schrijven van dat artikel waarin u corruptie aanklaagt. Uw verklaringen omtrent de politieke activiteiten zijn echter niet coherent. Zo beweerde u op Dienst Vreemdelingenzaken tijdens uw studentenjaren sympathisant te zijn geweest van de “FadaIn Khalqh” (zie DVZ, vraag 42). Als sympathisant van deze partij zou u indertijd hebben deelgenomen aan het protest tegen de Revolutie en tijdelijk het recht op studeren ontzegd zijn. Tijdens u gehoor op het Commissariaat- generaal zegt u daarentegen dat u gedurende 2,5 jaar verboden werd te studeren omdat u behoorde tot de “Tudeh-partij” (zie CGVS, p. 10). Naast het feit dat er omwille van deze tegenstrijdigheid nog weinig geloof kan worden gehecht aan uw politiek activisme van weleer, dient tevens te worden vastgesteld dat de problemen die u op grond daarvan zou gekend hebben onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van daden van vervolging. U zou moeilijkheden gekend hebben op het niveau van uw studies en bij het vinden van een job, maar uit uw verklaringen blijkt niet dat u ooit door de autoriteiten werd beschuldigd van of gerechtelijk vervolgd omwille van subversieve politieke activiteiten.”; XIV-12.291-4/15 A. Betreffende de machtsoverschrijding en een manifest gebrekkige motivering. Overwegende dat er eerst en vooral moet worden opgemerkt dat de bestreden beslissing in realiteit tot een onderzoek ten gronde is overgegaan van de asielaanvraag van de eiser, wat al blijkt uit de eerste zin van de motivering, die stelt dat de eiser geen gegronde vrees voor vervolging zou hebben; Dat de tegenpartij in dit stadium van de asielaanvraag enkel de bevoegdheid heeft om te oordelen over de ontvankelijkheid en het al dan niet kennelijk ongegrond karakter van de asielaanvraag en aldus door de bestreden beslissing te nemen aan machtsoverschrijding doet; Dat de machtsoverschrijding van de tegenpartij ook blijkt uit de verdere motivering van de bestreden beslissing wanneer deze stelt dat de problemen die de eiser heeft gekend omwille van het artikel waarin hij corruptie aanklaagde, niet voldoende zwaarwichtig zouden zijn; Dat het beoordelen van het al dan niet voldoende zwaarwichtig karakter van de ondergane vervolgingen thuishoort in een onderzoek ten gronde van de vrees van de eiser in geval van terugkeer, vermits bij de beoordeling van de gegrondheid van de vrees tal van andere elementen in aanmerking moeten genomen en onderzocht worden, die niet tot de bevoegdheid horen van de tegenpartij in het kader van een onderzoek van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, zoals daar zijn : de algemene situatie in het land van herkomst van de eiser, de familiale kenmerken die de vrees om vervolgingen te ondergaan eventueel zouden versterken, de frequentie van de ondergane vervolgingen en een onderzoek van de vrees voor vervolging die daaruit redelijkerwijze kan resulteren, rekening houdend met de psychologie en persoonlijke elementen eigen aan de eiser, de mogelijkheid van een beroep op de overheden van zijn land van herkomst enzovoorts; Dat een onderzoek van de ontvankelijkheid, het al dan niet kennelijk ongegrond karakter van de asielaanvraag van de eiser of het bedrieglijk karakter ervan niet toelaat het al dan niet zwaarwichtig karakter van de ondergane vervolgingen in aanmerking te nemen; Dat de asielaanvraag van de eiser als bedrieglijk wordt beschouwd door de bestreden beslissing in toepassing van het artikel 52 van de wet van 15 december 1980; Dat uit de beweerde vaststelling door de tegenpartij van het onvoldoende zwaarwichtig karakter van de ondergane vervolgingen bezwaarlijk het bedrieglijk karakter kan worden afgeleid en aldus de vaststelling van de bestreden beslissing als zou de asielaanvraag van de eiser bedrieglijk zijn manifest niet kan worden gemotiveerd door het feit dat de ondergane vervolgingen door de eiser niet voldoende zwaarwichtig zouden zijn om van vervolgingen te kunnen spreken in de zin van de Conventie van Genève; Dat zelfs indien men zou aanvaarden om het al dan niet voldoende zwaarwichtig karakter van de ondergane vervolgingen van de eiser te onderzoeken, ook al is dit niet relevant en niet toegestaan in het kader van het ontvankelijkheidsstadium van de asielaanvraag, dan nog is de bestreden beslissing manifest gebrekkig gemotiveerd door te stellen dat de eiser nooit is beschuldigd of gerechtelijk vervolgd omwille van zijn politieke activiteiten zodat er niet zou kunnen worden gesproken van vervolgingen in de zin van de Conventie; Dat in het kader van de asielprocedure de betrokkene niet noodzakelijk moet aanhalen dat hij al in beschuldiging is gesteld of gerechtelijk vervolgd om überhaupt aanspraak te kunnen maken op het vluchtelingenstatuut, maar enkel dat hij een gegronde vrees heeft dat er vervolgingen zullen plaatsvinden indien hij zou moeten terugkeren; Dat een kandidaat-vluchteling dus perfect zijn land kan ontvlucht zijn zonder dat er concrete inbeschuldigingstellingen of "gerechtelijke" vervolgingen zijn gebeurd, omdat er nu eenmaal talrijke manieren zijn van vervolgen en ook talrijke handelingen en indicaties kunnen zijn die uitgaan van de overheden die in hoofde van de kandidaat- vluchteling een vrees kunnen doen ontstaan voor vervolging, wat het enige criterium is van het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève; Dat de asielinstanties dus moeten onderzoeken, krachtens het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève of de kandidaat-vluchteling, in eerste instantie, in het kader van het ontvankelijkheidsonderzoek, voldoende elementen aanhaalt die aannemelijk maken dat hij een gegronde vrees voor vervolging kan hebben, zodat een verder onderzoek ten gronde zich(t) opdringt, en dan in tweede instantie, in het kader van een XIV-12.291-5/15 gegrondheidsonderzoek. of in hoofde van de kandidaat-vluchteling een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen; Dat er manifest niet kan besloten worden tot de bedrieglijkheid van een asielaanvraag op basis van de bewering dat de ondergane vervolgingen niet voldoende zwaarwichtig zouden zijn omdat er nooit sprake is geweest van een inbeschuldigingstelling of een gerechtelijke vervolging; Dat de eiser het slachtoffer is geweest van andere handelingen die kunnen worden gekwalificeerd als vervolgingen en die op hun beurt een vrees voor verdere vervolgingen kunnen doen ontstaan; Dat de eiser aldus gedurende twee jaar en een half is verboden geweest om te studeren omwille van zijn politieke sympathi(e)ën, dat hij moeilijkheden heeft ondervonden om werk te vinden en het is gebleken dat de overheden ( de Etellaat) naar hem op zoek waren en zelfs al binnengedrongen waren in zijn appartement, hem bedreigd hebben en boeken van de eiser hebben meegenomen, zodat er wel degelijk vervolgingen hebben plaatsgevonden die in hoofde van de eiser een vrees voor vervolging hebben doen ontstaan; Dat de eiser trouwens ook twee oproepingen heeft gekregen van de revolutionaire rechtbank, waaruit kan worden afgeleid dat hij waarschijnlijk wel zal worden vervolgd, zodat er moet worden aangenomen dat het redelijk is dat de eiser een vrees voor vervolging heeft; Dat de tegenpartij op dit punt dus duidelijk haar bevoegdheid heeft overschreden en zich schuldig heeft gemaakt aan machtsoverschrijding door in realiteit de grond van de asielaanvraag van de eiser te willen onderzoeken B. Wat betreft de manifest gebrekkige motivering van de bestreden beslissing betreffende de politieke sympathi(e)ën van de eiser. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat er geen geloof zou kunnen worden gehecht aan de politieke activiteiten van de eiser van weleer omdat hij daaromtrent geen coherente verklaringen zou hebben afgelegd; Dat er eerst en vooral moet worden opgemerkt dat de eiser Iran niet heeft verlaten omwille van de problemen die hij heeft gekend omwille van zijn sympathi(e)ën voor de Tudeh-partij en de Fedaian-Khalq, omdat deze dateren van in zijn studententijd en dat hij als sympathisant van deze partijen achter de Iraanse Revolutie stond in 1979, dus meer dan 23 jaar geleden; Dat zelfs indien men de verklaringen van de eiser in verband met zijn toenmalige politieke sympathi(e)ën in acht neemt, dan moet er nog vastgesteld worden dat zijn verklaringen helemaal niet incoherent zijn, nu hij zowel van de Tudeh-partij als van de Fedaian-Khalq sympathisant was, gelet op de gemeenschappelijke doelstellingen van deze twee bewegingen; Dat er aan de eiser geen vragen zijn gesteld omtrent deze beweerde incoherentie en dat de eiser ook meende dat dit niet van groot belang was, gelet op het feit dat deze sympathi(e)ën voor deze twee partijen moeten gekaderd worden in de activiteiten die hij heeft gehad ter gelegenheid van de Iraanse Revolutie in 1979, waardoor hij ook niet spontaan de noodzaak heeft aangevoeld om uit te leggen dat hij oorspronkelijk sympathisant was van de Fedaian-Khalq, maar dat er een splitsing is gekomen in deze beweging, zodat er twee bewegingen ontstonden, namelijk de Fedaian-Aksariat (meerderheid) en de Fedaian-aghaliat (minderheid), waarbij de Fedaian- aghaliat de zijde koos van de Tudeh-partij, één van de grootste partijen in Iran met communistische inslag, die aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van vele vakbonden in Iran in de aanloop naar de Revolutie; Dat de Fedaian-aghaliat (minderheid) zich onderscheidde van de Fedaian-Aksariat (meerderheid) door een radicaler karakter en deze afsplitsing van de Fedaian-Khalq leverde kritiek op de Fedaian-Aksariat (meerderheid) en de Tudeh-partij omdat deze niet radicaal genoeg zouden zijn, terwijl de Fedaian-Aksariat (meerderheid) een zuivering wilde in de oorspronkelijke Fedaian-Khalq omdat er een ernstig probleem was doordat er nogal wat leden de gewelddadige toer opgingen en er beschuldigingen van terrorisme waren (stukken 4, 6 en 7); Dat de eiser aanvankelijk sympathisant was van de Fedaian-Khalq en na de splitsing ervan van de Fedaian-Aksariat (meerderheid), zodat hij ook automatisch sympathisant was van de Tudeh-partij, gelet op hun gemeenschappelijke doelstellingen en het feit dat die twee partijen zelfs gemeenschappelijke activiteiten hadden; XIV-12.291-6/15 Dat de eiser nooit officieel lid is geweest van deze of gene partij, maar enkel sympathisant, wat betekent dat hij achter de ideeën van de partijen staat die hij heeft vernoemd; Dat indien de tegenpartij zich zou hebben geïnformeerd over de inhoud van het programma en de geschiedenis van de Fedaian-halq, de Fedaian-Aksariat (meerderheid) en de Tudeh-partij, dan was men noodzakelijkerwijze tot de vaststelling gekomen dat het de verklaring van de eiser dat hij sympathisant was van de Fedaian-Khalq en van de Tudeh-partij niet incoherent waren, gelet op de gemeenschappelijke programma's, doelstellingen en activiteiten van deze bewegingen in de tijd van de Iraanse Revolutie, het tijdstip waarop de eiser de bepaalde politieke sympathi(e)ën situeerde en ook nadien; Dat een document op de internetsite van de Iraanse Tudeh-partij die de geschiedenis vertelt van de partij op overvloedige wijze de gemeenschappelijke activiteiten en doelstellingen van de Tudeh-partij en de Fedaian-Khalq en later de Fedaian-aksariat (meerderheid) aantoont: “In spite of the accusations ans slanders made against the TPI (Tudeh Pary of Iran) by these guerrila-irganisations,our Party chose the path of serious, rational and cstructive dialogue with them, which later proved fruitful in the positive development of the organisations, in particular with the Organisations for the Iranian Peoples’ Fadaian Guerillas (OIPFG). During that period the TPI reletlessly called for the unity of all forces fighting the reactionary regime of the Shah,while at the same time engaging in ideological struggle defending working class ideology within the movement.” (stuk 4 : OMIDVAR, M. “Brief history of the Tudeh Party of Iran” www.tudehpartyiran.org/history.htm,. 16); Dat dit rapport in verband met de Revolutie eraan herinnert: “the political forces which participated in the revolution were the Tudeh Party of Iran, the Iranaian Peoples’s Fedaian Guerillas, Organisation of the Peoples’ Mojahedin of Iran, the National Front, the Freedom Movement, Pro-Khmeini clergies ans some other political organisations and individuals. Despite heavy blows to the TPI, the Iranian Peoples’ Fadaian Guerillas and the Organisation of Iranian Peoples’ Mojahedin during the years of oppression, they actively participated in the revolution” (ibidem, p. 19); Dat naargelang de jaren van politieke strijd verstrijken, de tudeh-partij en de Fedaian nog dichter naar elkaar toegroeien : “After repressing the organisation of the Peoples” Mojahedin, and other left groups, the only barriers remaining in the way of the reactionary withdrawal of all the achievments of the revolution, were the Tudeh Party of Iran and the Organisation of Iranian Peoples’ Fedaian (Majority)” (stuk 4, ibidem, p. 23); Dat uit dit rapport ook blijkt dat de tudeh-partij en de Fedaian-aksariat (meerderheid) gemeenschappelijke doelstellingen en ideeën hebben, die uiteindelijk leidde tot een gezamenlijke verklaring in 1985, die werd afgelegd door de Tudeh-Partij, samen met de Fedaian)aksariat (meerderheid) waarmee werd opgeroepen tot het omvergooien van de middeleeuwse islamitische regime (stuk 4, ibidem, p. 24); Dat ook een document van de internetsite van de Fedaian-aksanat (meerderheid) de langdurige en volgehouden samenwerking met de Tudeh-partij aanhaalt (stuk 6, The Organisation Of Iranian People's Fadaian (Majority) 1971-2001 (8 february), www.doraee.com, p. 2); Dat de bestreden beslissing dus ten onrechte stelt dat de eiser incoherent zou geweest zijn in zijn verklaringen omtrent zijn politieke sympathi(e)ën, nu zijn sympathie voor de Fedaianbeweging noodzakelijk een sympathie voor de Tudeh-partij met zich meebracht, gelet op de gemeenschappelijke politieke strijd die ze voerden in de aanloop naar de Iraanse Revolutie en zelfs tot op heden; Dat om die reden de bestreden beslissing een manifest gebrekkige motivering vertoont, doordat er absoluut geen bedrieglijk karakter van de asielaanvraag van de eiser kan worden afgeleid uit zijn verklaringen omtrent zijn politieke sympathi(e)ën van weleer; C. Wat betreft de politieke sympathi(e)ën van de broers en zussen van de eiser. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt: “Daarnaast beweerde u tijdens uw eerste interview dat uw zus Fariba en uw broer Djalil beiden eveneens aanhangers waren van de Fadaïn-Khalqh”. Uw zus Fardokht zou zich geëngageerd hebben voor de “Moudjaheddin el Khalq” en ongeveer één jaar hebben vastgezeten, (zie verslag DVZ, p.10). In dringend beroep vermeldt u niets over deze specifieke sympathi(e)ën maar plaatst u een zus bij de “Nezat-é Azadi” en als activist XIV-12.291-7/15 voor vrouwenrechten en uw twee broers zouden aanhangers zijn van de hervormingsgezinden”; Dat er moet vastgesteld worden dat aan de eiser op de Dienst Vreemdelingenzaken enkel werd gevraagd naar de politieke sympathi(e)ën van zijn broers en zussen tijdens hun studiejaren, waardoor hij verklaarde dat Djalil en Fariba ook sympathiseerden met de Fedaian en om die reden ook problemen hebben gekend in hun studies, net als de eiser; Dat de eiser enkel op de vraag heeft geantwoord die hem op de Dienst Vreemdelingenzaken werd gesteld, namelijk of er familieleden waren die in gelijkaardige omstandigheden vervolgingen hebben ondergaan (wat één van de vaste vragen is op DVZ), maar dat er hem geen vragen zijn gesteld naar de recentste politieke sympathi(e)ën van zijn broers en zussen; Dat de zus van de eiser Fariba op het moment van zijn verhoor op Dienst Vreemdelingenzaken zelfs nog niet in België was gekomen, zodat het niet ongewoon is dat er geen vraag werd gesteld naar de huidige politieke activiteiten van een zus van de eiser die nog in Iran was en waarvan de recente politieke activiteiten een totaal verschillend karakter hadden van deze van de eiser; Wat betreft de verklaringen van de eiser op het Commissariaat-generaal betreffende de politieke sympathi(e)ën van zijn broers en zussen, moet er worden opgemerkt dat deze helemaal niet tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken, nu hij in zijn eerste interview de politieke sympathi(e)ën van elk van zijn broers en zussen situeerde in relatie met de problemen die ze elk hebben gekend ten tijde van hun studies, bijna twintig jaar geleden, terwijl hij op het Commissariaat-generaal uitlegde wat de huidige politieke sympathi(e)ën van zijn broers en zussen zijn, na twintig jaar en die tot de vervolgingen hebben geleid die hen er hebben toe gebracht het land te verlaten; Dat de eiser heeft verklaard op het Commissariaat dat zijn zus F. lid was van de Nezat-é Azadi als activiste voor de vrouwenrechten, waardoor ze het land heeft moeten verlaten en het is toch vreemd dat de waarachtigheid van de verklaring van de eiser in twijfel wordt getrokken, terwijl de asielaanvraag van de zus van de eiser ontvankelijk is verklaard, wat noodzakelijkerwijze inhoudt dat de verklaringen van zijn zus als geloofwaardig en coherent moeten worden beschouwd en dat er aanwijzingen zijn dat er, wat haar betreft, kan aangenomen worden dat er een gegronde vrees voor vervolging zou kunnen bestaan, wat nog moet onderzocht worden gronde (stuk 2); Dat de bestreden beslissing dus een manifest gebrekkige motivering vertoont door te beweren dat de verklaringen van de eiser ongeloofwaardig zouden zijn betreffende de politieke sympathi(e)ën van zijn broers en zussen, terwijl de geloofwaardigheid van de politieke activiteiten van de zus van de eiser F., niet in twijfel wordt getrokken door de beslissing tot verder onderzoek van de asielaanvraag van die laatste (stuk 2); Dat uit de nota's van het Commissariaat blijkt dat er aan de eiser enkel werd gevraagd naar de redenen van de komst van familieleden naar België, waarop de eiser uitlegde dat dit om politieke redenen was en de recente politieke sympathi(e)ën van zijn broers en zussen duidde, niet deze van twintig jaar geleden, nu er hem werd gevraagd naar de politieke problemen van zijn broers en zussen die ertoe hebben geleid dat ze naar België zijn gekomen (sic verhoorverslag CGVS, p. 4); Dat het trouwens blijkt uit het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken dat de eiser heeft gewag gemaakt van de activiteiten van zijn broer voor reformistische bewegingen, wat tot zijn vlucht leidde (zie verhoorverslag DVZ, p. 10); Dat om die reden de verklaringen van de eiser omtrent de poltieke activiteiten van zijn broers en zussen helemaal niet tegenstrijdig zijn en op manifeste wijze niet het beweerde bedrieglijke karakter aantonen van zijn asielaanvraag; Dat de bestreden beslissing op dit punt dus een manifest gebrekkige motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991; 2 Tweede onderdeel: Wat betreft de personen waarmee de eiser contact heeft gehad tijdens de periode dat hij ondergedoken leefde. Overwegende dat de bestreden beslissing aanhaalt dat de eiser verklaarde tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij gedurende de periode dat hij onderdook bij zijn vriend A., geen contact had met zijn familie uit veiligheidsoverwegingen en dat hij wel enkele keren D. had ontmoet, de schoonvader van zijn broer, dat hij aan de telefoon met zijn vriend R. had gesproken en dat het D. XIV-12.291-8/15 was die de eiser ervan informeerde dat zijn broer Shahram in verdenking was gesteld, terwijl de eiser op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij contact had met zijn broer J. en twee vrienden, R. en S. P., zonder te vermelden dat hij contact had met Djafari, de schoonvader van zijn broer en dat hij eveneens verklaarde dat J. hem vertelde dat hij over de eiser werd ondervraagd door de geheime dienst, wat hij niet vermeldde voor de Dienst Vreemdelingenzaken; Dat de eiser tijdens zijn ondergedoken verblijf bij A. contact heeft gehad met J., D., R. en S. P. en hij heeft effectief enkel vergeten te vermelden op het Commissariaat dat hij eveneens contacten had met Djafari, maar dit is te verklaren door het feit dat hij via Djafari niet vernam dat er familieleden problemen had een (hadden) omwille van hem, zoals hem werd gevraagd op het Commissariaat ( zie verhoorverslag CGVS, p. 6-7 ); Dat de eiser de namen van de personen heeft gegeven met wie hij in contact stond en die hem hebben ge(ï)nformeerd over de problemen van familieleden omwille van hem, terwijl hij op de Dienst Vreemdelingenzaken de vraag kreeg hoe hij wist dat Shahram in gevaar was, waarop hij antwoordde dat hij D. had gebeld en het zo te weten kwam en dat aan de eiser eveneens werd gevraagd hoe hijzelf in gevaar was, waarop hij antwoordde dat R. hem dit duidelijk maakte; Dat in ieder geval dit element niet als een belangrijke tegenstrijdigheid kan worden beschouwd die de bedrieglijkheid van de verklaringen van de eiser zou kunnen aantonen, zodat er sprake is van een manifest gebrekkige motivering, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991;
  10. Derde onderdeel: Betreffende de inval van de Ettelaat-agenten in de woning van de eiser; Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de eiser op zijn interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft vermeld dat vier Ettelaat-agenten zijn binnengevallen in zijn woning, hem hebben bedreigd en boeken hebben meegenomen, wat hij niet vermeldde tijdens het tweede verhoor voor het Commissariaat-generaal; Dat er moet opgemerkt worden dat het verhoor op het Commissaniaat-generaal op dergelijke wijze is verlopen dat de eiser dit simpelweg heeft vergeten te vermelden, nu er aan hem werd gevraagd uitleg te geven over de drie versies van het artikel dat hij heeft geschreven, waarna er onmiddellijk werd verder ingegaan op de derde versie van het artikel, door de vraag aan welke student hij dat artikel had gegeven en betreffende de arrestatie van die student ( zie verhoorverslag CGVS, p. 8-12 en inzonderheid de pagina's 11-12); Dat er niet kan worden aangetoond dat de verklaringen van de eiser bedrieglijk zouden zijn doordat hij heeft vergeten te vermelden dat vier Ettelaat-agenten zijn woning zijn binnengevallen in 1378, een jaar voor hij de laatste problemen heeft gekend, doordat er onmiddellijk werd verder ingegaan of de finale etappe van zijn relaas die de aanleiding was van zijn vertrek, namelijk de arrestatie van de studenten en het feit dat bleek dat de overheden naar helm (hem) ook op zoek waren; Dat een dergelijke vergetelheid menselijk is er manifest niet kan dienen om de beweerde bedrieglijkheid van het asielrelaas van de eiser aan te tonen; Dat uit het geheel van de bestreden beslissing en de bestrijding ervan door dit verzoekschrift blijkt dat er geen voldoende elementen van de bestreden beslissing overeind blijven die de beweerde bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de eiser zouden kunnen aantonen, zodat er een manifest gebrek aan motivering is, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991;
  11. Vierde onderdeel: Wat betreft het vertrek van de eiser uit Iran na de problemen van zijn broer S.. Overwegende dat de bestreden beslissing het “merkwaardig” vindt dat de eiser Iran pas heeft verlaten nadat zijn broer S. problemen kende omwille van zijn politieke activiteiten en niet daarvóór besloot het land te verlaten; Dat de bestreden beslissing ook stelt dat de eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de politieke activiteiten van de broer van de eiser gevolgen zouden kunnen hebben voor de eiser, gezien ze helemaal los staan van de zijne en dat er trouwens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen; Dat het inderdaad zo is dat er ten aanzien van de broer van de eiser een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, maar daar werden verzoekschriften tot nietigverklaring en tot schorsing tegen ingediend; XIV-12.291-9/15 Dat het inderdaad zo is dat de aard van de politieke activiteiten van de broer van de eiser heel anders was dan die van de eiser, wat daarom automatisch moet leiden tot de conclusie dat het feit dat er een negatieve beslissing is genomen ten aanzien van de broer van de eiser op geen enkele wijze het al dan niet ontvankelijk karakter of bedrieglijk karakter van de asielaanvraag van de eiser kan staven, gelet op de totaal verschillende asielmotieven; Dat de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen ten aanzien van de broer van de eiser daarom de bestreden beslissing niet kan motiveren; Dat aan de andere kant, hoewel de aard van de politieke activiteiten van de broer van de eiser totaal verschillend was, het daarom niet uitgesloten is dat de Iraanse overheden de familie van de eiser in zijn geheel gaat zien als een familie van politieke opposanten, zeker gelet op het feit dat de zussen van de eiser, F. en F. en de andere broer van de eiser, J., eveneens gekend zijn omwille van hun politieke sympathi(e)ën sinds hun studentenjaren, zodat het op manifeste wijze niet kan uitgesloten worden dat het een redelijke gedachtengang is geweest van de eiser tijdens zijn ondergedoken bestaan dat hij in paniek is geraakt toen hij vernam dat ook zijn broer S. zijn eigen politieke problemen kende, ondanks het feit dat de eiser zelf al gewend was aan vervolgingen in zijn studententijd en ook recent omwille van dat artikel; Dat het manifest niet als onredelijk kan worden bestempeld dat dit de eiser ertoe heeft aangezet te beslissen om het land te verlaten samen met zijn broer S., nu deze toch ook ernstige problemen had, omdat het vanaf het moment dat de eiser kennis had van die problemen, duidelijk was voor de eiser dat het er niet naar uitzag dat zijn eigen problemen binnen afzienbare tijd zouden verdwijnen en dat de overheden zouden bereid zijn om er de spons over te vegen, gelet op de politieke antecedenten van zijn familie, waarvan verschillende leden ook recent nog blijk gaven van politieke oppositie, namelijk zijn zus F. en zijn broers J. en S.; Dat de bestreden beslissing zich daarom niet tevreden kan stellen met te stellen dat het toch merkwaardig is dat de eiser pas besliste om te vertrekken nadat S. problemen kreeg, nu dit geen geldig motief kan zijn om tot het besluit te komen dat de asielaanvraag van de eiser bedrieglijk zou zijn; Dat men zich hoogstens de vraag kan stellen waarom de eiser er niet eerder aan gedacht heeft of niet eerder beslist heeft om het land te verlaten, maar dat de persoonlijke appreciatie van die aspect van de vrees van de eiser en van zijn asielrelaas op manifeste wijze niet tot gevolg kan hebben dat men oordeelt dat zijn asielaanvraag bedrieglijk zou zijn; Dat om die redenen de bestreden beslissing eveneens een manifest gebrek aan motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991;
  12. Wat betreft de twijfels aan de authenticiteit van de twee documenten van de rechtbank, neergelegd door de eiser. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat er sterk getwijfeld zou moeten worden aan de authenticiteit van de documenten die de eiser heeft neergelegd, namelijk de documenten van de rechtbank, omdat uit informatie van de Commissaris-generaal betreffende een onderzoek naar de echtheid ervan zou blijken dat deze een aantal inconsistenties zouden bevatten en eerder ongewoon lijken; Dat de bestreden beslissing nalaat uit te leggen waarom de neergelegde documenten “eerder ongewoon” zouden lijken en wat precies die inconsistenties zouden zijn, wat een manifest gebrek aan motivering uitmaakt; Dat de bestreden beslissing verwijst naar een zogenaamd "onderzoek van de authenticiteit" van de twee door de eiser neergelegde documente(n), waarvan op geen enkele wijze kan worden nagegaan of dit onderzoek de nodige waarborgen van objectiviteit en professionalisme bieden, nu het blijkbaar twee anonieme advocaten uit Iran zijn die hun beweerde expertise aanbieden; Dat er niets bekend is omtrent die zelfverklaarde "experts", zodat niet kan worden nagegaan of het onderzoek naar de authenticiteit van de documenten voldoende objectief en betrouwbaar is; Dat in het algemeen er ook moet op gewezen worden dat men zich kan afvragen of er wel duidelijke wettelijke criteria zijn die de authenticiteit van dergelijke documenten van de revolutionaire rechtbanken garanderen, gelet op het feit dat het gaat om vervolging van politieke misdrijven, waarvan de "onderzoeksprocedure" en de "berechtiging" totaal in strijd is met internationale standaarden betreffende de rechten XIV-12.291-10/15 van verdediging, de vrijheid van meningsuiting en andere mensenrechten en fundamentele vrijheden en dat in dergelijke proc(e)dures tegen politieke opposanten zelden de correcte procedures worden gevolgd, nu het algemeen geweten is dat het aantal buitengerechtelijke executies om politieke redenen en de martelingen tijdens verhoren en in gevangenissen in Iran alleen maar gestegen zijn; Dat om die redenen de enkele "twijfel" omtrent de authenticiteit van bepaalde documenten gebruikt in het kader van vervolgingen omwille van politieke redenen en dat dan nog op basis van een totaal onbetrouwbaar, onverifieerbaar verslag van anonieme zelfverklaarde experts, manifest niet volstaan om de bewijskracht van de aangebrachte documenten zomaar buiten beschouwing te laten en dat er alleszins niet op die basis tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de eiser kan worden besloten, u dit enkel kan als men met zekerheid kan aantonen en bewijzen door onafhankelijk, verifieerbaar onderzoek dat de documenten met alle zekerheid vals zijn; Dat om die redenen de bestreden beslissing een manifest gebrek aan motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991;”; 2.2.
  13. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de artikelen 48, 52, 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1-3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 1, (A), 2 van de Conventie van Genève; 2.2.
  14. Overwegende dat uit de analyse van de bestreden beslissing blijkt dat in een eerste deel de feiten nauwkeurig worden weergegeven die resulteren uit de neerslag van de verklaringen van verzoeker tijdens het verhoor voor het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat in een tweede deel de verklaringen van verzoeker op objectieve wijze worden onderzocht in de globale context van de asielaanvraag; dat dit zorgvuldig onderzoek de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ertoe heeft gebracht te besluiten dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond is en dit om de motieven vermeld in het bestreden besluit; dat ten overvloede dient aangestipt dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht, rekening moet worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; 2.2.
  15. Overwegende dat , wat het eerste onderdeel betreft, verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn bevoegdheid heeft overschreden door in de ontvankelijkheidsfase te beslissen tot de ongegrondheid van zijn asielaanvraag, dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een uitgebreid onderzoek van de gegrondheid heeft gevoerd daar waar slechts een oppervlakkige controle diende te gebeuren; dat verzoeker betwist dat er geen geloof zou kunnen worden gehecht aan zijn politieke activiteiten en die van zijn broers en zussen; dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder betreffende de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat de Belgische wetgever van deze bevoegdheid gebruik maakte in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de XIV-12.291-11/15 Minister of diens gemachtigde op grond van artikel 52, § 2, 2/ van de Vreemdelingenwet kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet zal worden toegestaan in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de vluchteling zich bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 52, § 1, 2/ tot 5/ en 7/ van de Vreemdelingenwet; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen die een dringend beroep tegen een dergelijke beslissing behandelt, moet nagaan of voormelde bepaling op correcte wijze is toegepast; dat hij overeenkomstig artikel 63/3, § 1 van de Vreemdelingenwet de aangevochten beslissing dient te bevestigen of te beslissen dat de betrokkene voorlopig wordt toegelaten tot de binnenkomst, het verblijf of de vestiging in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat voormeld artikel 52 aan de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de kennelijke ongegrondheid is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er wat hem betreft ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in casu op grond van de hem toegekende bevoegdheid in de ontvankelijkheidsfase heeft besloten tot de bedrieglijkheid en kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geenszins overgegaan is tot een onderzoek van de gegrondheid; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het onderzoek van een asielaanvraag over de mogelijkheid beschikt alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om met kennis van zaken een beslissing te nemen; dat hij daartoe elke asielaanvraag afzonderlijk onderzoekt en hij alle dienstige elementen bestudeert, beschikbaar in het administratief dossier, hierbij rekening houdend met de concrete situatie in het land van herkomst zoals deze bestaat op het ogenblik van het nemen van de beslissing; dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat zij vooreerst een gedetailleerde uiteenzetting van de feiten bevat; dat verder de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de verklaringen van verzoeker zorgvuldig heeft onderzocht en getoetst aan de wettelijke criteria, rekening houdend met de situatie in het land van herkomst; dat hij op grond hiervan heeft besloten tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat de bestreden beslissing steunt op omstandige overwegingen; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn bevoegdheid, bepaald door artikel 52 van de Vreemdelingenwet, heeft overschreden door, na een gedetailleerd onderzoek, te beslissen tot de bedrieglijkheid en kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoeker; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot het besluit is gekomen dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is en dit om de redenen uiteengezet in de bestreden beslissing (de aangehaalde feiten wijzen niet op gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, incoherenties en leemten in verzoekers verklaringen, twijfelachtige XIV-12.291-12/15 authenticiteit van de voorgelegde documenten); dat deze vaststellingen steun vinden in het administratief dossier en niet worden weerlegd door verzoeker; dat hij deze elementen enkel interpreteert op een andere en voor hem gunstigere wijze; dat het niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van dit dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij dit correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad zou verplichten kennis te nemen van de feitelijke toedracht van de zaak en deze te beoordelen; dat wanneer de Raad een administratieve beslissing aan de wet toetst, hij niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; 2.2.
  16. Overwegende dat, wat het tweede onderdeel betreft, uit de lezing van de verhoorverslagen blijkt dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen correct zijn en dat er sprake is van tegenstrijdigheden in de verklaringen; dat verzoekers bewering dat hij “via Djafari niet vernam dat er familieleden problemen hadden omwille van hem zoals hem werd gevraagd op het Commissariaat” de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet ontkracht; dat verzoeker poogt het belang van de tegenstrijdigheid af te zwakken; dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats een zaak is van de overheid; dat het niet aan de Raad toekomt om zich bij het beoordelen van de feitelijke gegevens in de plaats te stellen van de vergunnende overheid; dat de Raad van State, belast met de wettigheidscontrole, moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanvaardbare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat het tweede onderdeel niet gegrond is; 2.2.
  17. Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, uit de lezing van de verhoorverslagen blijkt dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen correct zijn en dat er sprake is van omissies en incoherente verklaringen; dat verzoekers verklaring dat hij dit simpelweg heeft vergeten te vermelden doordat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onmiddellijk inging op de laatste etappe van zijn asielrelaas niet wegneemt dat hij in zijn opeenvolgende verklaringen belangrijke elementen niet vertelde; dat, gelet op het belang van de procedure voor de kandidaat-vluchteling van hem mag verwacht worden dat hij de feiten zo XIV-12.291-13/15 nauwkeurig mogelijk uiteenzet; dat bovendien de inval een belangrijk onderdeel vormt van verzoekers asielrelaas en dit eveneens de enige fysieke bedreiging uitmaakt; dat bijgevolg het niet vermelden hiervan tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een tegenstrijdigheid vormt die niet verklaard wordt door verzoekers bewering; dat het derde onderdeel niet gegrond is; 2.2.
  18. Overwegende dat, wat het vierde onderdeel betreft, vooreerst dient opgemerkt dat de bevestigende beslissing niet werd genomen omdat de asielaanvraag van verzoekers broer onontvankelijk werd verklaard omwille van het bedrieglijke karakter; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen enkel vermeldt dat deze vaststelling en het feit dat verzoeker pas zijn land verliet toen zijn broer problemen kreeg met de autoriteiten terwijl verzoeker zijn eigen politieke activiteiten aanhaalt als oorzaak van mogelijke problemen die volledig losstaan van de activiteiten van verzoekers broer, de beweerde vrees voor vervolging ondermijnen; dat verzoekers beweringen dat de autoriteiten zijn gehele familie als politieke opposanten zou beschouwen door geen enkel concreet elementen wordt gestaafd en steunt op hypotheses; dat het vierde onderdeel niet gegrond is; 2.2.
  19. Overwegende dat, wat het vijfde onderdeel betreft, verzoeker stelt dat de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert om tot de twijfelachtige authenticiteit van de door verzoeker neergelegde documenten te besluiten niet objectief zou zijn; dat de documentatie waarover sprake in de bestreden beslissing zich in het administratief dossier bevindt; dat de informatie niet afkomstig is van de Iraanse overheid, maar van 2 onafhankelijke Iraanse advocaten die als betrouwbaar en deskundig bekendstaan en die onafhankelijk van elkaar tot hetzelfde besluit kwamen, namelijk dat de voorgelegde documenten vals zijn; dat de motieven op basis waarvan aan de authenticiteit wordt getwijfeld worden uiteengezet in het antwoorddocument en kunnen worden geraadpleegd door verzoeker; dat deze gegevens inhoudelijk niet worden weerlegd door de verzoekende partij; dat de bewering dat er geen wettelijke criteria voorhanden zijn voor het opstellen van convocaties door verzoeker nergens met concrete elementen wordt aangetoond en bovendien in strijd is met de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat hij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen en de gevolgtrekkingen die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat het vijfde onderdeel niet gegrond is;
  20. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-12.291-14/15 BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.291-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.