id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.660 Rolnummer: A. 82949/X-8775 Zaak: Arrest 143660 - - 26/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-11 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 11:45 Fiche Arrest nr 143.660 van 26 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.660 van 26 april 2005 in de zaak A. 82.949/X-
- In zake :
- Noël HOUTHAEVE,
- Germain VANDENBERGHE, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : de stad MENEN, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Loofstraat
- tussenkomende partij : de n.v. TEXTILES DE WITTE LIETAER, die woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Noël HOUTHAEVE en Germain VANDENBERGHE op 15 maart 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 november 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Menen waarbij aan de n.v. DE WITTE LIETAER de bouwvergunning wordt verleend tot "het bouwen van een ververij (regularisatiedos- sier)" te Menen, Koningin Astridlaan 48-50, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr.215 Y; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; X-8775-1/9 Gelet op de beschikking van 5 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 februari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen, van Advocaat B. VAN DORPE, die verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat, J. JOOS die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, Hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de tussenkomende partij eigenares is van een ververij gelegen te Menen, Koningin Astridlaan 48-50, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr.215 Y; dat het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoor- schriften van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgesteld gewestplan Kortrijk is gelegen deels in woongebied, deels in natuurgebied; dat bij besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2001 een wijziging aan voormeld gewestplan, waarbij de woonzone wordt gewijzigd in transportzone, definitief werd vastgesteld; dat verzoeker tegen laatstgenoemd besluit een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld (zaak A 111.762/X-10.613); dat dit beroep nog hangende is; dat het perceel tevens was gelegen binnen het beheersingsgebied van het door de Vlaamse regering op 8 juli 1998 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg nr. 15 "Leiestraat (Lauwe)" van de stad Menen; dat dit bijzonder plan van aanleg het gedeelte van het betrokken gebied waarop de bestaande ververij is gelegen bestemt tot "zone voor industriële activiteiten - productie" en de er rond liggende gronden bestemt deels tot "zone voor industriële activiteiten - met bouwverbod", deels tot "zone voor groenscherm", deels tot "zone voor wonen met nabestemming groenscherm", deels tot "zone voor X-8775-2/9 voetgangers - en fietsdoorgang - het jaagpad" en deels tot "zone voor waterzuive- ring"; dat de bouwvergunning die op 15 oktober 1986 aan de tussenkomende partij werd verleend voor het bouwen van de ververij werd vernietigd wegens onverenig- baarheid van de ververij met de gewestplanbestemming woongebied; dat de tussenkomende partij op 4 november 1998 een aanvraag heeft ingediend bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Menen tot het verkrijgen van de regularisatiebouwvergunning voor de bestaande ververij; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Menen bij besluit van 9 november 1998 de thans bestreden regularisatievergunning heeft verleend; dat op 25 november 1998 door het Vlaamse gewest aan de tussenkomende partij een vergelijk wordt aangeboden met akkoord van het college van burgemeester en schepenen van de stad Menen; dat de tussenkomende partij dit vergelijk heeft aanvaard; dat de Raad van State bij arrest nr. 109.617 van 31 juli 2002 voormeld besluit van 8 juli 1998 houdende de goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg nr. 15 "Leiestraat (Lauwe)" van de stad Menen heeft vernietigd; Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van ontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat zij stelt dat zij in de schorsingsproce- dure tegen het bijzonder plan van aanleg een nota heeft neergelegd waarin uitdrukkelijk en ondubbelzinnig melding werd gemaakt van de nieuwe bouwvergun- ning van 9 november 1998, dat deze nota door de griffie van de Raad van State bij gewone brief van 8 december 1998 werd overgemaakt aan de verzoekende partijen, dat de beroepstermijn aldus een aanvang heeft genomen op 9 december 1998 en dat de laatste nuttige dag om een beroep in te dienen 7 februari 1999 was, dat het beroep pas werd ingesteld op 15 maart 1999, dat zelfs aangenomen dat de kennisgeving in de nota geen voldoende kennis is, er in casu dient te worden aangestipt dat de redelijke termijn om gebruik te maken van het recht om op het gemeentehuis inzage te nemen is verstreken, dat er van 9 december 1998 tot 14 januari 1999 vijf weken zijn verstreken, dat dit een onredelijk lange termijn is om kennis te nemen, dat het feit dat verzoekers bij brief van 29 december 1998 hebben geïnformeerd naar de vergunning en die pas van de verwerende partij op 14 januari 1999 hebben ontvangen, geen rol speelt, dat ze immers eerst 20 dagen hebben gewacht om te informeren daar waar ze ten stadhuize de vergunning hadden kunnen inkijken, dat de redelijke termijn niet kan worden verlengd of vervangen door een brief te richten aan de gemeente om de vergunning te vragen en dan te wachten; X-8775-3/9 Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord repliceren dat zij wel degelijk tijdig inspanningen hebben geleverd om formeel in kennis te worden gesteld van de vergunning, dat de raadsman van de verzoekende partijen per brief op 8 december 1998 een afschrift van de nota van de stad Menen ontving waarin melding wordt gemaakt van een bouwvergunning zonder echter in de inventaris te zijn opgenomen, dat de beroepstermijn echter geen aanvang heeft genomen daar de raadsman van verzoekende partijen geen mandaat had inzake het aanvechten van de bouwvergunning, dat zij hun raadsman pas tussen 20 en 25 december 1998 een bijkomend mandaat hebben verleend, dat hun raadsman met een brief van 29 december 1998 naar de vergunning heeft geïnformeerd, dat ze deze vergunning pas op 14 januari 1999 hebben ontvangen, dat er pas vanaf dat ogenblik kennis was van de wezenlijke bestanddelen van de beslissing en dat de beroepstermijn pas vanaf dit ogenblik begint te lopen, dat zij bovendien bij het indienen van hun verzoekschrift tot nietigverklaring een afschrift dienden te voegen van de bestreden beslissing welke ze slechts ontvingen op 14 januari 1999, dat ten slotte de kennisge- ving van de vergunning door de verwerende partij is geschied zonder melding te maken van de beroepsmogelijkheden; Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat de verzoekende partijen reeds op de hoogte waren van het bestaan van de bouwvergunning op 8 december 1998, dat zij op dat ogenblik zonder problemen naar het gemeentebe- stuur konden gaan om aldaar het volledige bouwdossier in te kijken, dat de verzoekende partijen in casu geen enkele moeite hebben gedaan om het dossier te consulteren, dat zij zich beperkt hebben tot het schriftelijk opvragen van de vergunning, dat indien zij op 29 december 1998 zelf de moeite zouden hebben gedaan om de vergunning op te vragen, zij dan volledig op de hoogte zouden zijn geweest van de inhoud van deze vergunning, dat de verzoekende partijen dan ook niet kunnen stellen dat de termijn slechts is beginnen te lopen vanaf het bekomen van de vergunningen, dat de vordering onontvankelijk is omdat in hoofde van verzoekers de termijn moet geacht worden te beginnen lopen vanaf het ogenblik dat zij op de hoogte hadden kunnen zijn van de inhoud van de vergunning, gesteld dat zij de nodige moeite hadden gedaan; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie verwijzen naar het stuk gevoegd bij hun memorie van wederantwoord waaruit duidelijk blijkt dat hun raadsman op datum van 8 december 1998 nog geen mandaat had om in rechte op te treden met betrekking tot de bouwvergunning, dat de datum X-8775-4/9 waarop de nota van de verwerende partij aan hun raadsman werd meegedeeld geen termijn voor een procedure tot nietigverklaring kon laten ingaan, dat er ten aanzien van hun raadsman geen verplichting bestond om hen direct de nota van de verwerende partij mee te delen, dat op een nota immers niet meer kan geantwoord worden, dat in casu de nota per brief van 17 december 1998 aan de verzoekende partijen werd toegestuurd, dat de kennisgeving van een procedurele nota niet kan worden gelijkgesteld met de kennisgeving van de bouwvergunning waarvan sprake in de nota, dat de griffie van de Raad van State geen mandaat heeft om derden in kennis te stellen van akten vermeld in een kortgeding nota, dat eerst en vooral dient te worden nagegaan of een bekendmaking of betekening heeft plaatsgevonden, dat in casu een bekendmaking vereist was, namelijk via aanplakking van de bouwvergun- ning op het terrein, dat uit niets blijkt dat die aanplakking is gebeurd, dat een betekening ook niet heeft plaatsgevonden, dat de brief van 14 januari 1999 waarbij de stad Menen de bouwvergunning meedeelde aan hun raadsman in elk geval geen betekening is, dat indien noch een betekening, noch een bekendmaking is vereist, de termijn ingaat op het moment dat de verzoeker een voldoende feitelijke kennis heeft van de beslissing, dat de kennis van de bestuurshandeling moet slaan op "volledige inhoud van de beslissing", met andere woorden op alle wezenlijke bestanddelen van de beslissing, dat de verwijzing naar rechtspraak die steunt op het inzagerecht vervat in het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 achterhaald is, in die zin dat voormeld koninklijk besluit steunt op artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, terwijl inmiddels het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en vervolgens het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van toepassing is, dat er geen rekening wordt gehouden met het toen toepasselijke decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid in de diensten en instellingen van de Vlaamse gemeenschap en met de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in provincies en gemeenten, dat artikel 5 van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in provincies en gemeenten, voorziet in een openbaarheid waardoor niet alleen inzage maar ook een afschrift kan worden bekomen, dat dit interessanter is dan het inzagerecht voorzien in het koninklijk besluit van 22 oktober 1971, dat artikel 14 van voormelde wet bepaalt dat "deze wet geen afbreuk doet aan de wetsbepalingen die in een ruimere openbaarheid van bestuur voorzien", dat zij met andere woorden wel afbreuk doet aan wetsbepalingen die een geringere openbaarheid van bestuur voorzien zoals o.m. het koninklijk besluit van 22 oktober 1971, dat artikel 6 van voormelde wet voorziet in een schriftelijke aanvraag, dat de verzoekende partijen van X-8775-5/9 deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt met hun brief van 30 december 1998, dat dit 12 dagen is nadat zij kennis hadden gekregen van het feit dat er een bouwvergun- ning was afgeleverd, namelijk gerekend vanaf 18 december 1998, dat artikel 7 van de voormelde wet de overheid een termijn van 30 dagen verleent om de aanvraag eventueel af te wijzen, dat in casu werd geantwoord binnen de 14 dagen, dat het feit dat men wacht op een antwoord van de overheid wettig is en in casu ook zeer redelijk is, dat hun raadsman zich anders speciaal naar Menen zou moeten verplaatsen om de bouwvergunning te gaan inzien, dat de verzoekende partijen er wettig op mochten vertrouwen dat zij van de ruimere en duidelijkere wetgeving inzake openbaarheid van bestuur mochten gebruik maken, dat wat de redelijke termijn vereiste betreft, het verzoekschrift van 15 maart 1999 als tijdig dient te worden aanzien, dat zelfs als men de aanvangsdatum voor de verplichting om kennis te gaan nemen van de bouwvergunning zou beschouwen als 18 december 1998, er slechts 28 dagen zijn verstreken om de bouwvergunning effectief te kennen, dat dit minder is dan één maand, dat de verzoekende partijen zich wel degelijk redelijk en voldoende snel hebben vergewist van de inhoud van de bouwvergunning; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de kennisgeving van de nota van de verwerende partij door de griffie van de Raad van State bij brief van 8 december 1998 niet is gebeurd aan de raadsman van verzoekers, maar aan verzoekers zelf die woonstkeuze hebben gedaan op het kantoor van hun raadsman, dat de datum van die kennisgeving aan verzoekers door zending op de gekozen woonplaats de datum is van in ontvangstneming, dat de keuze van woonplaats immers een delegatie van bevoegdheid inhoudt om briefwisseling en betekeningen in ontvangst te nemen, dat de vervaltermijn van 60 dagen niet kan worden verlengd door het feit dat verzoekers niet onmiddellijk kennis zouden hebben genomen van de op hun gekozen woonplaats gedane kennisgeving, dat het feit dat hun raadsman hen die nota pas weken later zou hebben overgemaakt irrelevant is aangezien de kennisgeving van de nota niet aan hun raadsman gebeurde, maar aan de verzoekers op hun gekozen woonplaats, dat het feit dat de raadsman van de verzoekers geen mandaat had inzake een nieuwe bouwvergunning zonder belang is, dat men immers een onderscheid moet maken tussen het mandaat van de raadsman om de belangen van verzoekers te behartigen in een welbepaalde procedure en de volmacht om briefwisseling en betekeningen in ontvangst te nemen als gevolg van keuze van woonplaats, dat de bouwvergunning waarvan sprake een regularisatiever- gunning betreft waarvan het voorwerp derhalve volledig bekend was aan verzoekers die op de hoogte zijn van de bestaande toestand, dat verzoekers in elk geval door de X-8775-6/9 kennis van het bestaan van de regularisatievergunning voldoende op de hoogte waren van de draagwijdte van die vergunning om hen in staat te stellen een annulatieberoep in te stellen, dat de rechtspraak van de Raad van State niet vereist dat zij kennis hebben van de volledige tekst van de akte, maar wel dat zij op de hoogte zijn gebracht van de voor hen belangrijke bepalingen, dat de kennisgeving op 9 december 1998 in elk geval de redelijke termijn deed lopen om op de gemeentelijke diensten de bouwvergunning in te zien in toepassing van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971, dat dit koninklijk besluit niet werd opgeheven door het decreet van 22 oktober 1996, noch door het decreet van 18 mei 1999, dat de wetten omtrent de openbaar- heid van bestuur geen afbreuk doen aan het inzagerecht ingevoerd door het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 dat aan derden belanghebbenden inzagerecht verleent van de afgegeven bouwvergunningen zonder voorafgaandelijk schriftelijk verzoek, dat artikel 14 van de wet betreffende de openbaarheid van bestuur in provincies en gemeenten, immers uitdrukkelijk voorziet dat deze wet geen afbreuk doet aan wetsbepalingen die in een ruimere openbaarheid van bestuur voorzien, dat verzoekers als belanghebbenden, gelet op de vervaltermijn van zestig dagen, de plicht hadden om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van het hen wettelijk toegekend inzagerecht, dat het niet past dat de termijn waarbinnen een annulatiebe- roep wordt ingesteld afhangt van de spoed die verzoekers aan de dag leggen, dat de wettelijke mogelijkheid om langs een andere (langere) weg kennis te krijgen van de bouwvergunning hen niet ontsloeg van de plicht om als diligente belanghebbenden inzage te nemen van de bouwvergunning op het gemeentehuis, dat zelfs indien de Raad zou oordelen dat de termijn pas ingaat op 18 december 1998 het annulatiebe- roep dan nog laattijdig is; Overwegende dat, aangezien bouwvergunningen noch bekendge- maakt, noch aan derden betekend dienen te worden, de termijn waarbinnen deze daartegen met een annulatieberoep kunnen opkomen ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of er ten gemeentehuize kennis van hebben kunnen nemen, gebruik makend van de hen krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw geboden mogelijkheid om er aldaar inzage van te nemen; dat, hoewel de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw inmiddels is vervangen door het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dit koninklijk besluit nog steeds gelding heeft; dat noch het X-8775-7/9 decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid in de diensten en instellingen van de Vlaamse Gemeenschap, noch de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in provincies en gemeenten, aan het door het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 voorziene inzagerecht afbreuk doen; dat het feit dat krachtens laatstgenoemde wet ook een afschrift kan worden verkregen op grond van een schriftelijke aanvraag, en dat dit voor verzoekende partijen "interessanter" is dan het inzagerecht voorzien in het koninklijk besluit van 22 oktober 1971, hen niet ontslaat van de verplichting om, van zodra zij kennis hebben van het bestaan van een vergunning, hiervan binnen een redelijke termijn kennis te nemen; dat het anderzijds zaak is van de partij die aanvoert dat de verzoekende partij kennis had of had kunnen hebben van een bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verwerende partij in de door verzoekende partijen ingestelde procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bijzonder plan van aanleg nr. 15 "Leiestraat (Lauwe)" van de stad Menen (zaak A 80.970/X-8.505) een nota heeft neergelegd, waarin op pagina 4 uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van de thans bestreden beslissing: "bij besluit van het college van burgemeester en schepenen d.d. 9 november 1998 werd op grond van het bestreden B.P.A. aan de N.V. DE WITTE LIETAER een bouwvergunning afgeleverd voor de bestaande ververij"; dat door verzoekende partijen evenmin wordt ontkend dat hun raadsman, bij wie zij keuze van woonplaats hadden gedaan, deze nota met een op 8 december 1998 ter post verzonden brief, op 9 december 1998 heeft ontvangen; dat ingeval van woonplaats- keuze de verzending van procedurestukken aan dit adres moet worden geacht aan de verzoekende partijen zelf te zijn gedaan; dat verzoekende partijen dan ook moeten worden geacht op 9 december 1998 kennis te hebben gekregen van voormelde nota; dat het verweer van verzoekende partijen dat hun raadsman geen mandaat had om deze bouwvergunning te bestrijden zonder belang is wat betreft de vraag wanneer verzoekende partijen kennis hadden of konden hebben van het bestreden besluit; dat het verweer dat er geen melding werd gemaakt van de beroepsmogelijkheden evenmin relevant is aangezien het bestreden besluit niet aan hen was gericht en hen dus ook niet diende te worden betekend; dat verzoekende partijen stellen pas op 14 januari 1999 door de ontvangst van een afschrift van het bestreden besluit er een voldoende kennis van te hebben gehad; dat moet worden vastgesteld dat verzoekers, door te wachten op de toezending van een afschrift van het bestreden besluit en aldus vijf weken te hebben laten verstrijken in plaats van gebruik te maken van het door het X-8775-8/9 koninklijk besluit van 22 oktober 1971 geboden inzagerecht, de redelijke termijn om kennis te nemen van dat besluit ruimschoots hebben overschreden; dat het beroep tot nietigverklaring ingesteld op 15 maart 1999 laattijdig is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig april 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : De HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8775-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.