← België

Arrest 143699 - - 27/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.699 Rolnummer: A. 140918/XIV-16536 Zaak: Arrest 143699 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 11:56 Fiche Arrest nr 143.699 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.699 van 27 april 2005 in de zaak A. 140.918/XIV-16.

  1. In zake : XXX, wonende te 2520 BROECHEM, . tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, op 28 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 31 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 8 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.536-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MOSSELMANS, in opvolging van advocaat J-P. VIDICK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 26 mei 2003 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 10 juni 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 16 juli 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten, tot de Haussa-etnie te behoren, christen te zijn en afkomstig te zijn uit Gusau, Zamfara State. Na uw lager onderwijs hebt u tot 1998 gestudeerd aan een seminarie in Abia State. Uw problemen zijn begonnen in november 1999 'op de dag dat u mee opstapte in een anti-sharia betoging voor het huis van de gouverneur van Zamfara State, Sani Ahmed. Tijdens deze betoging werd u geslagen door de moslims omdat ze u kenden als een streng christen en u ervan verdachten één van de organisatoren van de betoging te zijn. In december 1999 verliet u Gusau en ging u studeren aan een seminarieschoot in de stad Kaduna (Kaduna State) maar in februari 2000 braken er rellen uit tussen moslims en christenen waardoor uw school door moslims werd vernield. In april 2000 keerde u terug naar Gusau waar u een handeltje begon in religieuze artikelen. Toen u op 14 februari 2003 naar uw huis ging, waar u samenleefde met uw moeder die eetwaren verkocht, stonden er een heleboel ‘Almajiris’ Gongé.moslimkinderen), ‘Dogare’ en ‘Enagadi’ (vigilante groepen) voor uw huis. De ‘Almajiris’ begonnen u heel hard te slaan en ze hadden olie op uw zus gegooid. Toen u naast uw zus op de grond lag vertelde ze u dat ze uw moeder meegenomen hadden naar de ‘Magaji’ (districthoofd) omdat ze haar eetwaren had ingepakt in een bladzijde uit de Koran. Uw moeder had tegen de ‘Magaji’ vertelt dat u haar het papier bezorgd had om haar etenswaren mee in te pakken en de ‘Magaji’ had hiervoor een ‘fatwa’ (religieuze gezaghebbende uitspraak) uitgesproken. Toen uzelf verklaarde niet te weten hoe u aan de bladzijde uit de Koran geraakt was, heeft men uw moeder en zus vermoord en uw hele huis vernield. Uw been werd gebroken. U werd vervolgens meegenomen door de ‘Almajiris’ en men zou u op dezelfde wijze behandelen als Gideon Akaluka, een man die in Kano is omgebracht omdat hij de Koran gebruikte als toiletpapier. Toch slaagde u erin om te ontsnappen naar een vriend van u, J. S., die ook christen was. J. nam u mee naar het ‘Federal government girls college’ in Gusau en bracht uw priester, P. D., op de hoogte. Uw priester kwam u vervolgens halen en nam u mee naar het politiekantoor in Sabon Gari. Vervolgens werd u naar het hoofdpolitiekantoor in Gusau meegenomen maar daar vertelde men u dat men u niet kon helpen. U ging vervolgens samen met uw priester naar Tsafe waar u zich één week diende te verbergen in het huis van een andere priester. Op 21 februari 2003 kwam uw priester terug en nam u mee naar een ziekenhuis in Plateau state waar u geopereerd werd. Na uw operatie kwam u in contact met priester B. K. die u vertelde dat hij u zou helpen. Op 18 mei 2003 diende u een andere priester te volgen die u met de auto naar Taraba state bracht, waar u één week alleen in een kamer verbleef. Toen deze priester terugkwam bracht hij u naar Douala in Kameroen waar u op 25 mei 2003 het vliegtuig nam naar België. Op 26 mei 2003 startte u tenslotte uw asielprocedure bij de Belgische autoriteiten. B. Motivering XIV-16.536-2/6 Er dient te worden opgemerkt dat u tijdens het gehoor door het Commissariaat-generaal (hierna CGVS) niet aannemelijk heeft kunnen maken dat u een etnische Haussa bent (CdVS p. 2) die in Gusau (Zamfara state) zou hebben gewoond (CGVS p. 2). Voor wat uw etnische afkomst betreft verklaarde u tot de Haussa stam te behoren maar wanneer u door de interviewer van het Commissariaat-generaal werd gevraagd of u de Haussa- taal spreekt, wat toch binnen de verwachtingen ligt, gezien uw beweerde Haussa-afkomst, antwoordde u ontkennend en stelde u slechts het lbo en Fulfulde te spreken (CGVS p. 2). U kon geen enkele (overtuigende) verklaring geven voor het feit dat u de Haussa-taal niet machtig bent (CGVS p. 2). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt nochthans dat het Haussa ! gesproken wordt als eerste taal in Zamfara State, zijnde de staat waar u verklaarde van afkomstig te zijn en er te hebben gewoond (CGVS p. 2 en informatie in administratief dossier). Verder blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt dat het ‘homeland’ van de I(g)bo's in het zuidoosten van Nigeria is gesitueerd, zodat het bevreemdend is dat u als etnische Haussaeen taal machtig bent uit het zuidoosten van Nigeria, terwijl u beweert te zijn geboren en getogen in het noorden van Nigeria, in Zamfara State, waar voornamelijk het Haussa als omgangstaal wordt gebruikt (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Wanneer u door het Commissariaat-generaal wordt gevraagd welke etnische groepen er in Gusau voorkomen, antwoordt u verkeerdelijk dat er alleen Haussa zouden zijn (CGVS p. 9 en informatie in administratief dossier). Verder moet worden opgemerkt dat u tijdens uw onderhoud voor het Commissariaat- generaal niet aannemelijk kon maken uit Gusau afkomstig te zijn en de stad goed te kennen, zoals u beweerde tijdens uw verhoor in dringend beroep (CGVS p. 3). Zo is het bevreemdend dat u buiten Tsafe en Bungudu geen enkel dorp in de buurt van Gusau kon opnoemen. Toen u tijdens uw onderhoud voor het Commissariaat-generaal andere dorpen werden voorgelegd in de nabije omtrek van , Gusau bleek geen enkel dorp u bekend te zijn (CGVS p. 6 en informatie in administratief dossier). Het is erg merkwaardig dat u verklaarde dat de ‘Gusau Guest lnns’ in Tudun Wada gelegen zijn (CGVS p.5), terwijl uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat deze in Sabon Gari gelegen zijn, zijnde de wijk waar u in Gusau beweerde te hebben gewoond (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). De straat waarin deze ‘Gusau Guest lnns’ gelegen zijn, met name Stadium Road, bleek zelfs volgens uw verklaringen niet in Sabon Gari1e liggen (CGVS pp. 2 en 5 en informatie in administratief dossier). Het is erg bevreemdend dat u niet wist wat het specifieke zonenummer is van uw stad Gusau. Uw verklaring dat u nog nooit een telefoon hebt gebruikt is niet ernstig te noemen aangezien u verklaarde zelfstandige te zijn (CGVS p. 9 en informatie in administratief dossier). Evenmin slaagde u èrin om de naam van een rivier, een meer, een heuvel of een berg in Gusau op te noemen (CGVS p. 7). Verder stelde u in strijd met de werkelijkheid dat er in Gusau geen luchthaven noch een treinstation aanwezig zijn (CGVS p. 7 en informatie in administratief dossier). Daarenboven verklaarde u niet te weten hoe de immatriculatieplaten er in Gusau uitzien (CGVS p. 7). Voorts slaagde u er niet in om aan te duiden waar het huis van de gouverneur zich in Gusau bevindt en bleek u niet te weten wie de Emir is. Gusau (CGVS p. 3-4). Toen u gevraagd werd of u hotels kende in uw wijk Sabon Gari beweerde u dat de ‘Handala Guest House’ daar gesitueerd is. Deze informatie stemt echter niet overeen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt waaruit blijkt dat dit hotel zich in G.R.A. Gusau bevindt (CGVS p. 4-5 en informatie in administratief dossier). U kon voorts op het ‘Gusau hotel’ na geen enkele ander hotel noemen. Daarbij komt nog dat u dit hotel niet eens kon situeren (CGVS p. 4). Verder beweerde u de 'Food Palace’, ‘Ahmadu Bello way’ en ‘Anka Rqad’ niet te kennen en slaagde u er niet in om het ziekenhuis de ‘Federal Medical Centre’ en de ‘Sani Abacha way’ te situeren in Gusau (CGVS p.5 en 6). Tenslotte slaagde u er niet in om ook maar één traditioneel festival in Gusau op te noemen (CGVS p. 8). U legde geen documenten voor waaruit uw identiteit (waaronder afkomst) of reisweg zouden kunnen blijken. De door uw raadsman, Meester Alexis Van Cutsem, gefaxte documenten, met name een artikel van Human Rights Watch, Report Nigeria 2001, p.4; een internetartikel van Human Rights Watch, ‘Nigeria: President must end impunity for human rights abusers’, dd. 3 juli 2003; een artikel van Amnesty International, Report 2003, Nigeria en een rapport van het US Department of State, f, International Religious Freedom Report 2002, doen geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen aangezien deze slechts algemene informatie bevatten. Tenslotte bevatten uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep en het schrijven van uw raadsman, Meester Alexis Van Cutsem, (dd. 4 juli 2003) geen andere elementen die de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken vermogen te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. XIV-16.536-3/6 Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par 2, al.2.).”; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Genomen in schending van artikels 52, al 2,2/ van de wet van 16.12.1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijft do vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen, de artikels 1/ tot 3/ van de wet van 29 juli 1991 over de formele motivatie van de administratieve akte, van het generaal principe van een goede administratie en het contradictoire, en de manifeste fout van waardering. Overwegende dat het CGVS uit het oog verloren heeft dat ze belast was met het onderzoeken van de asielaanvraag van de verzoeker In het stadium van ontvankelijkheid. Overwegende dat het inderdaad blijkt dat voor het essentiële van het verhaal, de verzoeker een verhaal gegeven heeft die plausibel en coherent is, Overwegende dat de aangevochten beslissing zich in twee takken verspreidt die de volgende zijn: Dat het CGVS het feit in twijfel trekt dat de verzoeker uit de ‘Hauser’ etnie komt. Dat het CGVS het feit in twijfel trekt dat de verzoeker afkomstig is uit ‘Gusau’. Overwegende dat de argumentatie van het CGVS bestaat uit het beweren dat de verzoeker de ‘haussa’ taal niet spreekt en dat ze er uit afleid dat de verzoeker niet tot de ‘hauser’ etnie behoort. Dat de verzoeker niet op de geografische vragen antwoord relatief aan de plaats vanwaar hij afkomstig is en dat het CGVS er uit afleid dat de verzoeker niet afkomstig is uit de beweerde plaats. Overwegende dat het CGVS geen enkele tegenstrijdigheid ophaalt betreffende het verhaal van de verzoeker. Dat het CGVS niet beweerd dat het gezegde verhaal niet plausibel is. Overwegende dat de motivatie van de aangevochten beslissing niet voldoende is voor de ene of ander tak, het zelfde voor de twee takken samen. Dat inderdaad de onwetendheid van de verzoeker op niveau van kennis van de taal en geografische kennis van de plaats vanwaar hij afkomstig is, wil niet zeggen dat er ten hoofde van de verzoeker bedrog gepleegd werd. Overwegende dat het CGVS de persoonlijkheid van asielaanvrager moet aanhalen alvorens tot een bedrog te besluiten. Overwegende dat het CGVS dit element niet heeft aangehaald in haar aangevochten beslissing. Dat dit manifest een ontbreken aan motivatie is. Dat de aangevochten beslissing om deze redenen nietig moet verklaard worden.”; 2.
  4. Overwegende dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat om de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze redenen kent, doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat aldus aan de voornaamste doelstelling van de uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan zodat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke XIV-16.536-4/6 ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris- generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag ondermeer inhoudt dat de commissaris-generaal de verklaringen van de betrokkene toetst aan de objectieve informatie waarover hij beschikt; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet waarachtig zijn of niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie zijn te brengen, kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende, gelet op het feit dat de verzoekende partij over geen enkel document beschikt waaruit haar identiteit en nationaliteit met zekerheid kan worden afgeleid, dat de commissaris-generaal genoodzaakt was om de kennis van de verzoekende partij over haar beweerde streek van afkomst na te gaan en haar voorgehouden achtergrond te onderzoeken door daar diverse vragen over te stellen; dat uit de door de verzoekende partij verstrekte antwoorden blijkt dat haar kennis daaromtrent ernstig te wensen overlaat zodat de commissaris-generaal redelijkerwijze heeft getwijfeld aan haar beweerde Haussa- etnie en Gusau-afkomst; dat de verzoekende partij met de eenvoudige stellingen dat haar asielrelaas “plausibel en coherent is” en dat de commissaris-generaal “geen enkele tegenstrijdigheid ophaalt”, niet aannemelijk maakt dat deze laatste de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ook in die mate ongegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-16.536-5/6 BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.536-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.699 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.