← België

Arrest 143705 - - 27/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.705 Rolnummer: A. 112977/XIV-7360 Zaak: Arrest 143705 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-04 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 11:56 Fiche Arrest nr 143.705 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 143.705 van 27 april 2005 in de zaak A. 112.977/XIV-7.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, wonende te 4000 LUIK, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  4. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  5. de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Russische nationaliteit, op 16 oktober 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 september 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 7 december 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 januari 2005; XIV-7.360-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. FEYS, die loco advocaat E. TARICCO, verschijnt voor de verzoekende partijen, van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 9 december 2000 en zich vluchteling verklaren op 12 december 2000; dat op 27 april 2001 ten aanzien van beiden de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 13 september 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd: - Inzake de eerste verzoekende partij: “U verklaart een Russisch staatsburger te zijn van Russische origine. U verliet uw land op 5 december 2000 samen met uw echtgenote XXX. Op 9 december 2000 bent u in België aangekomen waar u op 12 december 2000 het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U verklaart dat uw vader sedert november 1996 tot mei 1997 hulp bood aan een Tsjetsjeens gezin en hen onderdak verschafte. U verklaart dat de nationalistische organisatie RNE hiervan op de hoogte was en uw vader beschuldigde van illegale wapentransporten. Uzelf studeerde tijdens die periode aan de maritieme academie. De academie ontving voor mei 1997 een brief (geschreven door de RNE of de wijkagent die lid was van de RNE) waarin stond dat uw vader aan Tsjetsjenen onderdak bood. U werd vervolgens op de academie streng gecontroleerd. Ondertussen werden er huiszoekingen bij u thuis uitgevoerd. U verklaart dat in oktober, november 1998 opnieuw een Tsjetsjeen (familieled van het andere Tsjetsjeens gezin) bij uw vader logeerde voor een periode van viertien dagen. De academie waar u verbleef kreeg hier opnieuw bericht van. Op de academie werd een brief opgesteld waarin stond dat u de academie moest verlaten met als reden dat u niet intelligent genoeg was. Hierna verbleef u vanaf begin 1999 thuis. U verbleef ook vaak bij uw huidige echtgenote XXX omdat u thuis vaak bezoek kreeg van afgevaardigden van het militair commissariaat die u wilden oproepen voor uw legerdienst. U ontving al convocaties sedert de lente van
  7. U verklaart uw legerdienst niet te willen uitvoeren, omwille van gewetensbezwaren en omdat u de oorlog in Tsjetsjenië niet gerechtvaardigd vond. U verklaart wel ingegaan te zijn op enkele convocaties en aan de commissie de mogelijkheid tot alternatieve dienst gevraagd te hebben. Later trachtte men u thuis te komen ophalen; er werd dan ook allusies gemaakt op het feit dat uw vader Tsjetsjenen hielp. Volgens u gebeurde dit onder druk van de RNE. U was echter nooit thuis tijdens deze bezoeken. U verklaart dat uw vader zwanger werd in november 1999 en u hierdoor vrijgesteld werd van uw legerdienst. Toen u dit meldde aan commissariaat, stopten de convocaties, maar de wijkagent viel uw ouders nog steeds lastig. In april 2000 volgde u een opleiding in Novorassisk. Op 10 juli 2000 was u thuis bij uw ouders; uw echtgenote woonde ook bij hen in. Rond 19.00 u kwam de wijkagent met twee RNE-leden binnen. U verklaart in elkaar geslagen te zijn door de twee RNE-leden en het bewustzijn te hebben verloren. De volgende morgen ging u samen met uw moeder naar het ziekenhuis. Op 11 juli 2000 ging u naar de politie samen met uw moeder om een verklaring af te leggen. Op 14 of 15 augustus XIV-7.360-2/7 kwam u de wijkagent tegen die u bedreigde. Eind november, begin december 2000 kreeg uw schoonvader telefoon van de regionale administratie. Er werd hem gezegd dat u moest vertrekken, waarna u besloot het land te verlaten samen met uw echtgenote. Vooreerst dient te worden gewezen op enkele tegenstrijdigheden en ongerijmdheden tussen uw opeenvolgende verklaringen, waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas enigszins wordt ondermijnd. Zo verklaarde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat u naar het politiebureau van Kazanska ging, de dag nadat u geslagen werd. Er werd u gezegd dat u later moest terugkomen, wat u deed na uw ontslag uit het ziekenhuis. Na verloop van tijd ging u terug naar het politiekantoor om te vragen hoe het met het onderzoek gesteld was (DVZ, vraag 42). Op het commissariaat-generaal verklaart u echter dat u de volgende dag naar het politiekantoor van Kazanska gegaan bent, maar dat u nooit meer naar hen terug gegaan bent omdat de wijkagent er werkte en het toch niets zou uithalen (CGVS, p 8). Daarnaast is uw bewering dat u uit gewetensbezwaren geen legerdienst wilde doen, in tegenspraak met het feit dat u studeerde als cadet bij de marine. Een vrijwillige loopbaan bij de marine, onderdeel van het leger, valt inderdaad niet te rijmen met gewetensbezwaren tegen actieve legerdienst. Verder is het zeer vreemd dat u zwaarder zou zijn aangepakt dan uw vader, die enkel ontslagen werd, terwijl hij het toch was die de Tsetsjenen onderdak gaf. Vervolgens dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende rechtsmiddelen in uw eigen land hebt uitgeput alvorens uw land te verlaten. U hebt zich slechts één keer tot de Russische autoriteiten gewend om klacht in te dienen. Nadat het wangedrag van deze wijkagent bleef voortduren hebt u verder geen stappen ondernomen, noch bij hiërarchische politie-instanties, noch bij het gerecht. Vermits u zonder geldige reden naliet de beschermingsmogelijkheden in Rusland zelf uit te putten, kan u ook geen aanspraak maken op de bescherming van de Vluchtelingenconventie. Tenslotte dient er te worden opgemerkt dat u vooral melding maakt van problemen met steeds dezelfde lokale RNE-groepering en politieagenten waardoor kan worden gesteld dat de door u ingeroepen feiten eerder plaatselijk van aard zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat u zich niet probleemloos elders in de Russische Federatie zou kunnen vestigen. Uw bewering dat het RNE overal is, neemt niet weg dat het onwaarschijnlijk is dat andere RNE-afdelingen u zouden vervolgen enkel omwille van het feit dat uw vader ooit Tsjetsjenen herbergde, zo ze dit al ooit te weten zouden komen. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Conventie van Genève van 28 juli 1951 worden vastgesteld. De door u neergelegde documenten (geboorteakte, certificaat middelbaar onderwijs, studentenkaart, studie-attest; twee stage-attesten, werkattest, geboorteakte dochter, foto’s dochtertje medisch attest) wijzigen deze conclusie niet. Ook in het kader van de asielaanvraag van uw echtgenote XXX, werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen.”; - Inzake de tweede verzoekende partij: “U verklaart een Russisch staatsburger te zijn van Russische origine. U verliet uw land op 5 december 2000 samen met uw echtgenoot XXX. Op 9 december 2000 verklaart u in België te zijn aangekomen waar u op 12 december 2000 het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U verklaart tot 1999 gestudeerd te hebben voor tandarts en sedert april 2000 bij uw schoonouders te wonen. U was reeds zwanger in april 2000; uw man volgde een opleiding in Novorassisk en kwam zelden naar huis. U verklaart dat de wijkagent meerdere malen langs kwam en vroeg hoe het met de wapenhandel stond. Op 10 juli 2000 werd uw man door de wijkagent en twee RNE-leden in elkaar geslagen bij uw schoonouders thuis. U verklaart dit echter niet gezien te hebben vermits uw schoonmoeder u op het moment dat dit ging gebeuren bij de buurvrouw bracht. Na dit voorval zag u uw man terug. Uw echtgenoot ging de volgende dag naar het ziekenhuis in Kazanska. De nacht na het voorval met uw man had u buikpijn waardoor u de volgende morgen ook naar het Kazanska-ziekenhuis ging, echter niet samen met uw man. Dezelfde dag werd u doorgestuurd naar het Kavkaska-ziekenhuis en moest er veertien dagen verblijven. Na uw verblijf in het ziekenhuis voor uw bevalling (geboorte van dochter op 12 augustus 2000) de wijkagent uw man had bedreigd. Hierdoor besloten u en uw echtgenoot te verhuizen naar uw ouders. In november of december 2000 verklaart u dat uw vader een telefoon ontving waarin gemeld werd dat zijn schoonzoon er niet kon blijven leven. U verbleef toen reeds drie maanden bij uw ouders. Uit uw verklaring blijkt dat uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw man XXX ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd een bevestigende beslissing genomen. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing te worden genomen. De door u neergelegde documenten (certificaat middelbaar onderwijs, diploma tandarts, diploma stomatologie, attest stage, attest specialisatie, werkboekje, rijbewijs, attest rijcursus, medisch attest voor rijbewijs, geboorteakte XIV-7.360-3/7 dochter, foto’s dochtertje) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet, gezien zij enkel uw personalia betreffen en geen enkel verband houden met de door u aangehaalde feiten.”;
  8. Overwegende dat de eerste verwerende partij stelt dat het beroep niet ontvankelijk is ratione temporis; dat de bestreden beslissing aan de verzoekende partijen op hun gekozen woonplaats werd betekend op 17 september 2001 zodat het op 16 oktober 2001 per aangetekende post verzonden verzoekschrift ontvankelijk is; 3.
  9. Overwegende dat de verzoekende partijen in vijf middelen een kennelijke appreciatiefout, machtsmisbruik en de schending van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen opwerpen; dat zij in een eerste middel aanvoeren dat zij betwisten dat zij op de dienst Vreemdelingenzaken verklaard hebben dat zij naar het politiecommissariaat zijn geweest nadat zij werden geslagen en dat zij na hun verblijf in het ziekenhuis zijn teruggekeerd naar het politiecommissariaat, dat zij in werkelijkheid niet zijn teruggekeerd naar het politiecommissariaat, dat zij op het commissariaat-generaal niet hebben verklaard dat zij niet zijn teruggekeerd naar het politiecommissariaat omwille van de aanwezigheid van de heer S., dat zij een klacht hebben neergelegd bij de korpschef terwijl zij de wijkagent pas na de bevalling hebben teruggezien, dat de verwerende partijen weinig belang hebben gehecht aan de verklaringen van de verzoekende partijen, dat de religieuze overtuiging van de verzoekende partijen hen verhindert deel te nemen aan gewapende conflicten, dat hun studies hen niet voorbereidden op een gewapend conflict alhoewel zij lessen volgden in een militaire academie, dat hun vader ontslagen was en teruggetrokken en verborgen leefde en dat de vastgestelde tegenstrijdigheden voldoende belangrijk dienen te zijn om de geloofwaardigheid van het asielrelaas te ondermijnen doch dat dit in casu zeker niet het geval is; dat de verzoekende partijen in een tweede middel aanvoeren dat zij klacht hebben ingediend op het politiecommissariaat, dat hen werd verteld dat er een onderzoek zou worden geopend, dat dit onderzoek geen enkel resultaat heeft opgeleverd, dat de leden van RNE in alle organisaties zijn geïnfiltreerd, ook in de politie en dat zij bewust waren van het feit dat hun klachten zonder gevolg zouden worden geklasseerd of problemen met zich mee zouden brengen voor hun familie; dat de verzoekende partijen in een derde middel aanvoeren dat zij verhuisd waren naar hun schoonouders in een andere regio in Rusland, dat het RNE hen heeft gevonden en opnieuw bedreigingen heeft geuit, dat zij de vervolgingen waarvan zij het slachtoffer zijn niet kunnen ontlopen door voorzichtig te zijn, dat het RNE vertakkingen heeft over het gehele Russische grondgebied, dat het RNE over geïnformatiseerde gegevens beschikt waarin de verzoekende partijen als vrienden van de Tsjetsjenen en als wapenhandelaars bestempeld worden, dat het RNE een machtige organisatie is en dat het niet deelnemen aan de oorlog in Tsjetsjenië in de ogen van het RNE en de Russische bevolking neerkomt op verraad; dat de verzoekende partijen in een vierde en vijfde middel aanvoeren dat zij op het commissariaat-generaal een verslag XIV-7.360-4/7 van hun asielrelaas hebben overhandigd, dat de bestreden beslissing verklaringen bevat die tegenstrijdig zijn met het door hen neergelegde verslag, dat de door hen neergelegde documenten hun asielrelaas bevestigen, dat hun asielrelaas geen tegenstrijdigheden bevat die de geloofwaardigheid ondermijnen van het verslag dat zij hebben neergelegd op het commissariaat-generaal en dat de bewijslast in de ontvankelijkheidsfase zeer licht is; dat de verzoekende partijen in een zesde middel aanvoeren dat de tweede verzoekende partij persoonlijk werd vervolgd door het RNE en regelmatig werd bedreigd door de politie, dat ook de familie van de tweede verzoekende partij werd bedreigd en dat de tweede verzoekende partij een miskraam heeft gehad als gevolg van de bedreigingen; 3.
  10. Overwegende dat de eerste verwerende partij zich in de memorie van antwoord beperkt tot het inroepen van de hierboven besproken exceptie van niet- ontvankelijkheid; 3.
  11. Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in de memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 3.
  12. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord verwijzen naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 3.
  13. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissing kennen en die motieven inhoudelijk aanvechten; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpen en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het betoog van de verzoekende partijen met betrekking tot de vastgestelde tegenstrijdigheden betreffende de opeenvolgende bezoeken aan het politiekantoor niet kan worden bijgetreden nu uit het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de eerste verzoekende partij heeft verklaard dat zij de dag na het incident met de twee RNE-leden naar het politiekantoor van Kazanskaja ging, dat zij daarna werd opgenomen in het ziekenhuis en dat zij na haar ontslag uit het ziekenhuis XIV-7.360-5/7 opnieuw naar het politiekantoor ging; dat hun betoog met betrekking tot hun verklaringen op het commissariaat-generaal evenmin kan worden bijgetreden nu uit het verhoorverslag van het commissariaat-generaal blijkt dat de eerste verzoekende partij op de vraag ‘Zelf nog gaan horen?’ heeft geantwoord ‘Nee, s. werkt er’; dat de verzoekende partijen met de verklaringen post factum dat hun studies hen niet voorbereidden op een gewapend conflict en dat hun vader verborgen en teruggetrokken leefde, geen afbreuk doen aan de vaststellingen van de commissaris-generaal betreffende de legerdienst en de problemen van hun vader; dat de verzoekende partijen de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij onvoldoende rechtsmiddelen in hun eigen land hebben uitgeput, niet weerleggen, doch zich beperken tot het herhalen van hun asielrelaas dat zij zonder goed gevolg klacht hebben ingediend bij de politie; dat, wat betreft de vaststelling van de commissaris-generaal dat de ingeroepen feiten eerder van plaatselijke aard zijn, de verzoekende partijen op louter algemene wijze betogen doch niet op concrete wijze aannemelijk maken dat het RNE vertakkingen heeft over het gehele Russische grondgebied en dat het RNE over geïnformatiseerde gegevens beschikt waarin zij als vrienden van de Tsjetsjenen en als wapenhandelaars bestempeld worden; dat de verzoekende partijen met hun betoog geen afbreuk doen aan de vaststelling van de commissaris-generaal dat de asielaanvraag van de tweede verzoekende partij in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door de eerste verzoekende partij; dat, eens de commissaris-generaal afdoende heeft vastgesteld dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is, hij niet gehouden is nader in te gaan op alle ter ondersteuning ervan ingeroepen documenten; dat de verzoekende partijen aldus niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissingen zijn genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat de vijf middelen ongegrond zijn;
  14. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  16. XIV-7.360-6/7 De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-7.360-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.705 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.