← België

Arrest 143706 - - 27/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.706 Rolnummer: A. 141449/XIV-16697 Zaak: Arrest 143706 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-04 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 11:57 Fiche Arrest nr 143.706 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.706 van 27 april 2005 in de zaak A. 141.449/XIV-16.697 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. DELVAUX, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Stationsstraat 10 A. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 11 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 11 augustus 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 18 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 8 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 februari 2005; XIV-16.697-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DELVAUX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 1 juni 2003 en zich vluchteling verklaart op 2 juni 2003; dat op 19 juni 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 7 augustus 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaarde voor de dienst Vreemdelingenzaken (gehoor van 17 juni 2003) de Kameroense nationaliteit te bezitten, en afkomstig te zijn uit Bali Nyonga. In augustus 2002 begon u de zaken van uw vader te behartigen omdat hij ziek was. Hij verkoos u hiervoor en niet uw oudere halfbroer Eric omdat u een betere opleiding had genoten, dit tot onvrede van uw stiefmoeder lvonne. Omdat naderhand bleek dat lvonne een affaire had met een andere man dan uw vader, wijzigde deze zijn testament en werd u in februari 2003 als zijn erfgenaam aangewezen. Ook al het geld van uw vader werd op de rekening van uw moeder overgeschreven, waardoor u verantwoordelijk werd om voor de gehele familie te zorgen. Een maand na de dood van uw vader op 10 februari 2003 werd zijn testament bekendgemaakt in uw dorp Bali. Toen daaruit bleek dat u de enige erfgenaam was liep uw stiefmoeder boos weg. Toen u daarop terugkeerde naar uw woning bleek ondermeer de inboedel vernield, en zag u in en rondom het huis tekenen van zwarte magie. Omdat u de plaats niet durfde te betreden trok u in bij uw oom in Bamenda. Op 1 april 2003 werd u in het hotel van uw vader in Limbé in elkaar geslagen door een bende onder leiding van uw stiefmoeder en uw stiefbroer. Op uw klacht bij de politie zei men dat u deze familiekwestie zelf diende op te lossen. Omdat uw stiefmoeder evenmin inging op de vraag tot overleg vanwege het hoofd van uw dorp. werd ze uit Bali verbannen. Op 30 april 2003 werd uw oom door uw stiefbroer het ziekenhuis ingeslagen waar hij overleed. Op 1 mei 2003 werd uw boederij in brand gestoken, en op 20 mei werd uw moeder in elkaar geslagen. Omdat u vreesde dat uw leven in gevaar was dook u onder bij uw neef Ni Edwin. Op 30 mei 2003 reisde u naar Douala, waar u via ene Che Kevin in contact kwam met Mr. Raymond. Voor 2.500.000 CFA regelde deze uw vertrek uit Kameroen. Op 1 juni 2003 vertrok u in zijn gezelschap vanuit Douala naar België, waar u een dag later asiel aanvroeg., B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat u terecht beroep doet op internationale bescherming, zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie van Genève. U werd door uw familie en uw gemeenschap blijkbaar beschouwd als de rechtmatige erfgenaam van uw vader, aangezien noch uw stiefmoeder, noch uw stiefbroer ooit een rechtszaak bij de overheid of bij uw dorpshoofd hebben aangespannen om te bewijzen dat het niet zo was. Meer nog, het dorpshoofd van Bali besloot uw stiefmoeder uit zijn dorp te verbannen omdat zij zich niet neerlegde bij het testament van uw vader en u niet als diens erfgenaam erkende, waaruit blijkt dat u de steun en (desgevallend) de bescherming genoot van het hoofd van uw dorp. Behalve op 1 april 2003, toen u na door uw stiefmoeder en haar zoon te zijn geslagen in uw hotel in Limbé naar de politie ging en er de boodschap kreeg dat u uw familiale problemen zelf moest oplossen, heeft u nagelaten de hulp in te roepen van de overheid tegen de bedreigingen en acties vanwege Ivonne en Eric. Het feit dat uw oom overleed na slagen van Eric en zijn handlangers is doodslag en is gemeenrechtelijk van aard, XIV-16.697-2/6 en een veel zwaarder vergrijp dan de slagen die zij u hadden toegebracht. Hetzelfde geldt voor uw bewering dat uw moeder op een zodanige wijze door hen zou zijn geslagen dat ze in het ziekenhuis belandde. Men zou dan ook verwachten dat u voor deze zwaarwichtige feiten beroep zou hebben gedaan op de autoriteiten (politie, gendarmerie), máár u maakte daar tijdens het gehoor door de dienst Vreemdelingenzaken geen melding van. Het is weinig aannemelijk dat u, die het recht aan uw kant had (mede door het feit dat u beschermd werd door uw dorpshoofd), niet veeleer de Kameroense autoriteiten om hulp zou hebben verzocht eerder dan om internationale bescherming te vragen. Het feit dat de politie u in eerste instantie had gezegd uw familiale problemen zelf op te lossen wil niet zeggen dat zij zouden geweigerd hebben hulp te bieden als u in een later (erger) stadium om hulp had gevraagd. Voor wat uw bewering ,betreft dat de inboedel van uw huis in Bali door uw stiefmoeder zou zijn vernield en dat zij er zwarte magie zou hebben gepleegd kan worden opgemerkt dat dit een veronderstelling van uw kant is aangezien nergens uit uw relaas voor de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat u bewijzen heeft voor deze stelling. Hetzelfde geldt voor wat betreft de brandstichting in uw boerderij, die evengoed een andere oorzaak dan een kwaadwillige kan gehad hebben. Uit het voorgaande kan worden besloten dat er geen aanwijzingen zijn voor het feit dat deze problemen het internationale niveau zouden overstijgen. Aangezien u tijdens het verhoor voor de dienst Vreemdelingenzaken de mogelijkheid werd gegeven een gedetailleerde weergave te geven van uw asielmotieven, meen ik het in de gegeven omstandigheden niet noodzakelijk u te horen. De identiteitskaart met nummer 100498606 op naam van XXX, uitgereikt op 17 maart 1998 en geldig tot 17 maart 2008, die u voorlegt ter ondersteuning van uw relaas, doet geen afbreuk aan de hoger vermelde vaststellingen, omdat uw identiteit niet meteen wordt betwist. Hoe dan ook bent u niet in het bezit van ook maar enig document dat een controle van uw mogelijk maakt. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen andere element naar voren dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993, artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in hetgeen als een enig middel kan worden beschouwd, machtsoverschrijding, de niet-naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en de schending van artikel 1, (A) 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel opwerpt; dat zij aanvoert dat de beslissing op onjuiste of juridisch onaanvaardbare gronden is gesteund, dat de door haar aangebrachte gegevens die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging en het feit dat zij geen bescherming geniet van de Kameroense overheden, niet naar behoren worden geïnterpreteerd, dat er tal van aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, dat de commissaris- XIV-16.697-3/6 generaal deze aanwijzingen ten onrechte ter zijde heeft geschoven, dat de verzoekende partij hierbij verwijst naar de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen en verder aanvoert dat de commissaris-generaal zich niet of niet voldoende heeft geïnformeerd om met kennis van zaken een beslissing te nemen, dat hij zonder gegronde reden de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken heeft bevestigd, dat de motieven van de commissaris-generaal ongenuanceerd en zelfs onjuist zijn en dat de verzoekende partij geen eerlijke behandeling van haar zaak heeft gekregen; dat de verzoekende partij nog verwijst naar bepaalde rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens; 2.
  3. Overwegende dat artikel 6, § 1, van het E.V.R.M. stelt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld; dat deze bepaling enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op administratieve procedures waarbij uitspraak wordt gedaan over een administratief beroep ingesteld tegen een beslissing over een asielaanvraag; dat de verzoekende partij zich niet dienstig op het door haar geciteerde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan beroepen, nu dat arrest betrekking heeft op de Franse administratieve rechtscolleges; dat de commissaris-generaal met de thans bestreden beslissing echter handelt als administratieve overheid en niet als een administratief rechtscollege; dat het enige middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund blijkt te kennen, doch betwist dat deze motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij aldus de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert en dat zij de schending van de bepalingen die betrekking hebben op de formele motiveringsplicht niet dienstig kan opwerpen; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij niet in concreto ingaat op het motief dat er geen aanwijzingen zijn voor het feit dat haar problemen het interfamiliale niveau zouden overstijgen; dat de verzoekende partij de vaststelling van de commissaris- generaal dat zij heeft nagelaten de bescherming in te roepen van de overheid als dusdanig XIV-16.697-4/6 niet betwist, doch zich beperkt tot de algemene bewering dat het feit dat zij geen bescherming geniet van de Kameroense overheden, niet naar behoren wordt geïnterpreteerd door de commissaris-generaal; dat de aangehaalde proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen geen afdwingbare rechtsregels bevat zodat de verzoekende partij er niet op kan steunen om tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te besluiten; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal op kennelijk onredelijke wijze of op grond van onjuiste feitelijke gegevens tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur opwerpt omdat haar aanvraag zonder gegronde reden als bedrieglijk en kennelijk ongegrond is verworpen; dat zij buiten haar hierboven besproken kritiek op de motivering van de bestreden beslissing nalaat aan te tonen welke onzorgvuldigheid zou zijn begaan; dat het enige middel ook in die mate ongegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, XIV-16.697-5/6 staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.697-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.706 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.