← België

Arrest 143752 - - 27/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.752 Rolnummer: A. 128136/VII-34259 Zaak: Arrest 143752 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 11:58 Fiche Arrest nr 143.752 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 143.752 van 27 april 2005 in de zaak A. 128.136/XIV-12.

  1. In zake : XXX, wonende te 8890 MOORSLEDE, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 16 oktober 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005; XIV-12.189-1/5 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HULPIAU die, loco Advocaat C. ONRAET verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX bezit de Iraanse nationaliteit. Zij is op 4 november 2000 in België binnengekomen waar zij zich op 7 november 2000 vluchteling heeft verklaard. 1.
  4. Op 23 juli 2001 wordt aan verzoekster een beslissing betekend van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 11 oktober 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf van 23 juli
  6. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U bent een Iraans staatsburger afkomstig uit Isfahan. U bent getrouwd met XXX en verklaarde Iran te zijn ontvlucht omwille van de problemen van uw man. Op 30/07/1379 (22/10/2000) werd uw man opgepakt en drie dagen vastgehouden omwille van zijn politieke activiteiten. Na zijn vrijlating heeft hij u een cd gegeven die u moest bewaren tot alles veilig was. Op 05/08/1379 (27/10/2000) had u de cd op zak, toen u samen met uw moeder op stap ging. Onderweg werd u tegengehouden door de Monkarat (zedenpolitie) omdat u geschminkt was en ongepaste kleding droeg. U werd meegenomen naar het centrum Seyed Ali Khan, waar de cd gevonden werd. Tijdens de overbrenging naar de gevangenis kon uw man u bevrijden. Hij sloeg een agent van de Bassidj-e Mostazafan (mobilisatie van de verdrukten) neer en kon net als u ontsnappen. Omdat u man voor zijn leven vreesde, hebt u samen met hem hem Iran verlaten op 06/08/1379 (28/10/2000). U kwam aan in België, waar u asiel heeft aangevraagd aan de Belgische autoriteiten. Sinds één jaar leven u en uw echtgenote feitelijk gescheiden. U vreest bij terugkeer naar Iran niet van uw echtgenoot te kunnen scheiden. XIV-12.189-2/5 Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag steunt op de motieven aangebracht door uw echtgenoot. Zowel uw man als u verklaarden immers Iran te zijn ontvlucht omwille van zijn problemen (gehoorverslag Dringend Beroep p. 1 en gehoorverslag Dringend Beroep man p. 6). Wat betreft het door hem ingestelde dringend beroep werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen, daar zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is. Uit vergelijking van de verklaringen van u en uw echtgenoot blijkt dat de geloofwaardigheid in het gedrang komt door een aantal tegenstrijdigheden. Deze tegenstrijdigheden werden uitgebreid en gedetailleerd opgesomd in de beslissing van uw man. Wat betreft uw persoonlijke problemen die u aanbracht ter staving van uw asielrelaas dient te worden opgemerkt dat u één keer werd opgepakt door de zedenpolitie wegens van schending van de kledingsvoorschriften en het dragen van make-up. Dit éénmalig incident is echter onvoldoende zwaarwichtig om te worden beschouwd als het slachtoffer van een persoonsgerichte en systematische vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Bovendien verklaren zowel uw man als u dat jullie Iran zijn ontvlucht omwille van zijn problemen (gehoorverslag Dringend Beroep p. 1 & 4; gehoorverslag Dringend Beroep man p. 6). Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing van weigering van verblijf te worden genomen. Wat betreft uw vrees om bij terugkeer naar Iran niet te kunnen scheiden van uw man dient het volgende te worden opgemerkt. Uit informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt, en waarvan kopies bij het administratief dossier zijn gevoegd, blijkt dat vrouwen wel degelijk de scheiding kunnen aanvragen. In scheidingen omwille van huishoudelijk geweld , zoals bij u het geval is, zal het dossier wel moeten gestaafd zijn met bewijsmateriaal (medische attesten en/of getuigen). Verder blijkt ook uit de informatie dat een wetsontwerp dat vrouwen gelijke rechten geeft in echtscheidingen is reeds goedgekeurd door het Iraanse parlement en wacht nu nog enkel op goedkeuring van de Raad der Wachters. Dit toont duidelijk aan dat de huidige Iraanse context op het vlak van vrouwen en echtscheidingen in gunstige zin aan het evolueren is. De door u voorgelegde documenten, studentenkaart, diploma’s met vertaling en krantenartikels zijn niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier kunnen wijzigen. De krantenartikels handelen over de algemene situatie in Iran, maar zeggen niets over uw persoonlijke problemen. De overige documenten betreffen enkel persoons- en studiegegevens, waar niet wordt aan getwijfeld. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli
  7. Derhalve kunnen we besluiten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. (...)”.
  8. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. 2.
  9. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  10. Overwegende dat verzoekster een enig middel formuleert dat luidt als volgt: XIV-12.189-3/5 “
  11. Ernstige middelen Verzoekers kunnen zich geenszins akkoord verklaren met de beslissing dd. 11 oktober 2002, meer bepaald omwille van het feit dat haar asielaanvraag als bedrieglijk werd gekwalificeerd, wegens beweerde tegenstrijdigheden in haar verklaring en die van haar echtgenoot. De beslissing wordt volledig gebaseerd op de verklaringen en het dossier van haar echtgenoot, van wie zij reeds geruime tijd feitelijk gescheiden leeft. Verzoekster heeft aldus geen kennis van de verklaringen van haar echtgenoot, noch van zijn dossier. In haar weigeringsbeslissing wordt echter voortdurend verwezen naar het dossier van haar echtgenoot, zonder nadere specificatie en zonder toevoeging van een kopie van de beslissing en de motivatie in zijn dossier. Concluante kan zich derhalve niet verweren op het argument van de tegenstrijdigheden. De schending van haar rechten van verdediging vormt een overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, ov. art. 14 W. Raad van State.”; 2.
  12. Overwegende dat het middel feitelijke grondslag mist; dat het administratief dossier van verzoekster niet alleen haar eigen documenten bevat, maar eveneens de verhoorverslagen (Dienst Vreemdelingen Zaken en het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen) en de bevestigende beslissing die genomen werd in het dossier van haar echtgenoot; dat verzoeksters raadsvrouw door een eenvoudige raadpleging van het dossier van haar cliënte kennis kon nemen van de verklaringen van verzoeksters echtgenoot en van zijn dossier; dat het enige middel niet ernstig is; 2.
  13. Overwegende dat niet is voldaan aan één van de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten worden voorbehouden. XIV-12.189-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.189-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.752 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.