id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.754 Rolnummer: A. 122933/XIV-21281 Zaak: Arrest 143754 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 11:58 Fiche Arrest nr 143.754 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.754 van 27 april 2005 in de zaak A. 122.933/XIV-21.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. VANDOOLAEGHE, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Noordlaan 82-84 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 25 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 12 juni 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 108.876 van 4 juli 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-21.281-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 27 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat P. VANDOOLAEGHE verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX komt op 21 oktober 2001 België binnen en vraagt op 31 oktober 2001 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 26 maart 2002 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 10 april 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op 7 mei 2002 beslist de gemachtigde bijzitter van de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit beroep, “dat kennelijk ongegrond voorkomt”, zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen. 1.
- Op de zitting van 29 mei 2002 wordt verzoeker, bijgestaan door advocaat P. VANDOOLAEGHE, gehoord. XIV-21.281-2/7 1.
- Op 12 juni 2002 neemt de gemachtigde bijzitter van de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep onontvankelijk wordt verklaard. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat overeenkomstig art 4, eerste lid, 5/ van het koninklijk besluit van 15 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en middelen dient te bevatten; Overwegende dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn van substantiële aard is; dat de niet-naleving van deze vereiste de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft; dat het rechtscollege de onontvankelijkheid ambtshalve moet vaststellen daar de ontvankelijkheid van een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt (R.v.St., nr. 96.142, 5 juni 2001); Overwegende dat het verzoekschrift verzonden op 10 april 2002 geen uiteenzetting van feiten en middelen bevat en bijgevolg niet voldoet aan voormelde substantiële vormvereiste; Overwegende dat indien een verzoekschrift dergelijke uiteenzetting van feiten en middelen niet bevat, dit vormgebrek niet kan worden rechtgezet door een relaas van de feiten en een uiteenzetting van de middelen vervat in een stuk dat eerst na het verstrijken van de termijn gesteld voor het indienen van het beroep wordt overgemaakt (R.v.St., nr. 10.740, 30 juni 1964); dat het aanvullend verzoekschrift dat buiten de beroepstermijn wordt ingediend immers als onontvankelijk beschouwd wordt wegens laattijdigheid (R.v.St., nr. 101.683, 10 december 2001); Overwegende dat uit het dossier blijkt dat de bestreden beslissing werd verstuurd op 26 maart 2002 naar de door appellant gekozen woonplaats; Overwegende dat luidens artikel 57/11, par. 1, tweede lid van de wet van 15 december 1980 een beroep moet worden ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht; dat het stuk verzonden op 30 april 2002 buiten de termijn valt en derhalve niet in overweging kan genomen worden,”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en van de artikelen 57/11 en 57/12, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), verzoeker aanvoert dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 mei 1993 blijkt dat de onontvankelijkheid van een beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen enkel kan worden uitgesproken bij laattijdigheid van het beroepschrift, maar niet bij gebrek aan motivering, dat nergens uit de lezing van artikel 4 van voormeld koninklijk besluit blijkt dat de vereiste vermeldingen van het beroep op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, “zodat de ambtshalve opwerping van de onontvankelijkheid niet voor recht kan worden uitgesproken, wanneer deze gesteund is op een gebrek aan motivering”; XIV-21.281-3/7 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat de Raad van State er reeds herhaaldelijk op gewezen heeft dat het wettelijk of reglementair voorschrift volgens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn van substantiële aard is, dat de niet-naleving van deze vereiste de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft, dat deze onontvankelijkheid desnoods ambtshalve dient te worden vastgesteld daar de ontvankelijkheid van een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt, dat de rechter zijn bevoegdheid te buiten zou gaan mocht hij een onregelmatig bij hem aangebracht beroep ten gronde behandelen, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in casu terecht heeft geoordeeld dat het ontbreken in het beroepschrift van een uiteenzetting van de feiten en middelen de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker hierop repliceert dat de door de verwerende partij aangehaalde rechtspraak geen betrekking heeft op zijn zaak, dat immers op het ogenblik dat een procedure voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt opgestart de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure reeds lang voorbij is, dat deze een einde nam op het ogenblik dat de asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard zoals in casu, hetzij door de Dienst Vreemdelingenzaken hetzij door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in geval van dringend beroep, dat precies de vraag of de geschonden wetsbepaling van substantiële aard is, ter discussie staat, en dat de substantiële aard van de geschonden wetsbepaling in casu zowel door de parlementaire voorbereiding bij de wet als door de rechtsleer wordt tegengesproken; 2.1.
- Overwegende dat, zoals de verwerende partij op goede gronden aanvoert, het wettelijk of reglementair voorschrift, luidens hetwelk een beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar bevoegdheid zou hebben overschreden, mocht zij een niet regelmatig bij haar aangebracht hoger beroep toch ten gronde hebben behandeld; dat dienvolgens volkomen terecht wordt overwogen dat de verplichting, vervat in artikel 4, eerste lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, om in het beroepsverzoekschrift aan dit rechtscollege “een uiteenzetting van de feiten en middelen” op te nemen een substantiële vormvereiste is; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit machtsoverschrijding (“formaliteiten hoeven niet omwille van zichzelf te worden vervuld maar ter wille van het doel dat zij moeten dienen”), verzoeker aanvoert dat “de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen blijk heeft gegeven de aanvullende motivering nader te onderzoeken”, dat het beroepschrift door een stagiair-advocaat werd ingediend, dat het beroep tijdig werd ingediend en dat “het bijzonder eigenaardig zou voorkomen, een verzoekschrift onontvankelijk te verklaren bij gebrek aan motieven, wanneer het tijdig XIV-21.281-4/7 ingediende verzoekschrift vermeldt dat deze nadien zullen worden gegeven, terwijl het verloop ter zitting van het VBV toelaat dat nota’s, memories of conclusies nog mogen worden ingediend”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen terecht en conform de toepasselijke wetsbepalingen oordeelde dat het bij haar door verzoeker ingestelde beroep niet ontvankelijk is en diende te worden verworpen en dat dit steun vindt in de vaste rechtspraak van de Raad van State; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat hij ter zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft geantwoord op de in het tweede middel aangehaalde inconsistentie (met name dat “het bijzonder eigenaardig zou voorkomen, een verzoekschrift onontvankelijk te verklaren bij gebrek aan motieven, wanneer het tijdig ingediende verzoekschrift vermeldt dat deze nadien zullen worden gegeven, terwijl het verloop ter zitting van het VBV toelaat dat nota’s, memories of conclusies nog mogen worden ingediend”) en ter zitting bleek dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet in het bezit scheen te zijn van de bijkomende motivering waarnaar verzoeker in zijn beroepschrift verwees, maar niet tijdig indiende en dat niet door de verwerende partij wordt tegengesproken dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet in het bezit scheen te zijn van deze bijkomende motivering; 2.2.
- Overwegende dat artikel 57/24 van de Vreemdelingenwet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, de Koning machtigt om de rechtspleging voor en de werking van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen te bepalen; dat artikel 4, eerste lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bepaalt: “Het verzoekschrift ingediend door de vreemdeling of zijn advocaat bevat: (...) 5/ een uiteenzetting van de feiten en middelen”; dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn van substantiële aard is; dat de niet- naleving van deze vereiste de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft; dat deze niet-ontvankelijkheid het rechtscollege desnoods ambtshalve moet vaststellen, daar de ontvankelijkheid van een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt; dat de rechter zijn bevoegdheid zou te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig bij hem aangebracht beroep ten gronde behandelen; dat het beroep slechts aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 voldoet wanneer uit een gewone lezing van de beroepsakte blijkt dat minstens één duidelijke en voldoende nauwkeurige grief tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt aangevoerd; dat het beroepschrift aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in casu niet voldoet aan de verplichting aan te geven wat men de beslissing van de XIV-21.281-5/7 Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen precies verwijt, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen terecht tot de onontvankelijkheid van het beroep heeft besloten; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat in een derde middel, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, verzoeker aanvoert dat geen van de in de bestreden beslissing aangehaalde rechtspraak van de Raad van State de juiste interpretatie van de Vreemdelingenwet op het oog heeft, en dat de door hem op 21 mei 2002 aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen toegezonden aanvullende motivering onbeantwoord bleef; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het derde middel onontvankelijk is omdat het geen duidelijke omschrijving geeft van de geschonden geachte rechtsregel; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat hij op 21 mei 2002 aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen “een aanvullende motivering bij haar (zijn) beroepschrift heeft laten geworden, waarin zij (hij) de motieven uiteenzette waarom de bijkomende motivering dd. 30 april 2002 toch in overweging diende te worden genomen”, “dat deze bijkomende motivering eveneens onbeantwoord bleef terwijl de asielaanvraag zich reeds in de ontvankelijkheidsfase bevond en memories en aanvullende motiveringen (gedurende) later toch nog kunnen worden ingediend voor de VBV (...)”; 2.3.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam aangeeft waarom verzoekers beroep onontvankelijk is, met name omdat het in strijd met artikel 4, eerste lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen uiteenzetting van feiten en middelen bevat; dat, met betrekking tot het op 30 april 2002 verzonden stuk de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op goede gronden overweegt dat dit stuk verzonden werd op 30 april 2002, hetgeen buiten de termijn valt en derhalve niet in overweging kan worden genomen; dat het derde middel niet gegrond is; XIV-21.281-6/7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.281-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.