id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.755 Rolnummer: A. 125341/XIV-11267 Zaak: Arrest 143755 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 11:59 Fiche Arrest nr 143.755 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.755 van 27 april 2005 in de zaak A. 125.341/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. COESEMANS, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 12 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 28 juni 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 27 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.267-1/7 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt van Advocaat C. COESEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX komt op 12 april 1999 België binnen en vraagt op 19 april 1999 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 5 maart 2002 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen op grond van artikel 57/10 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 19 maart 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op de zitting van 28 juni 2002 wordt verzoeker, bijgestaan door advocaat C. COESEMANS, gehoord. 1.
- Op 28 juni 2002 neemt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat appellant verklaart de Angolese nationaliteit te bezitten; dat appellant en zijn familie afkomstig zijn uit Huambo en in 1996 verhuisden naar Mbanza Congo; dat de UNITA op 26 januari 1999 Mbanza Congo binnenviel en de stad bezette; dat appellant en zijn broer J. K. verplicht ingelijfd werden bij de UNITA; dat op 16 februari 1999 de MPLA de stad binnenviel en er gevechten ontstonden; dat appellant en zijn broer samen andere jongeren tijdens de gevechten tussen MPLA en UNITA konden ontsnappen; dat appellant in een hinderlaag liep en samen met andere jongeren gevangen werd genomen door de MPLA; dat appellants vader op de luchthaven van Mbanza Congo, generaal Joao de Matos trachtte te overtuigen dat appellant gedwongen was ingelijfd bij de UNITA en nooit vrijwillig was toegetreden; dat appellants vader werd doodgeschoten en appellant werd overgebracht naar de gevangenis van Viana in XIV-11.267-2/7 Luanda; dat hij voor een rechtbank diende te verschijnen waarvan één van de drie rechters een familielid was; dat hij de volgende dag op 20 maart 1999 door een militair uit de gevangenis werd gehaald en gebracht naar het familielid voor wie hij de dag ervoor in de rechtbank was verschenen; dat deze hem op 2 april 1999 naar de luchthaven bracht waar hij begeleid werd tot in Portugal; dat hij op 19 april 1999 een asielaanvraag in België indiende; Overwegende dat appellant zijn reisweg niet bewijst; dat hij niet aantoont wanneer hij het land verlaten heeft, noch wanneer hij in België aankwam; dat hij stelt dat hij zijn paspoort afgaf aan de begeleider; dat dergelijke verklaring onvoldoende wordt geacht om appellant te ontslaan van de verplichting optimale medewerking te verlenen aan de instanties die zijn asielrelaas beoordelen; dat hij op zijn minst in het bezit moet zijn geweest van een vliegtuigticket, instapkaart of bagageticket waaruit kan blijken met welke vlucht en wanneer hij in Europa aangekomen; dat hij geen enkel reisbescheiden kan voorleggen en aldus op vrijwillige wijze iedere controle van zijn reisweg onmogelijk maakt; dat hij bovendien tegenstrijdige verklaringen aflegt over zijn reisweg; dat hij immers bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij Angola verliet op 2 april 1999, in Portugal verbleef van 3 april 1999 tot 19 april 1999 en tenslotte in België aankwam op 20 april 1999; dat hij tijdens het verhoor van 23 augustus 1999 evenwel verklaarde dat hij van 9 tot 11 april 1999 in Portugal verbleef en in Brussel aankwam op 11 april 1999; dat dergelijke vaststellingen een negatieve indicatie voor de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas inhoudt; Overwegende dat appellants asielrelaas in hoofdzaak berust op de problemen die hij ondervond in Mbanza Congo; dat hij, afkomstig zijnde uit Huambo met zijn familie verhuisde naar Mbanza Congo nadat zijn vader er -volgens zijn verklaringen- door de regering als overheidsambtenaar werd overgeplaatst; Dat uit het verhoor ter zitting evenwel blijkt dat appellant niet bekend lijkt te zijn met de stad waar hij volgens zijn verklaringen meer dan drie jaar woonde en school liep; dat hij aldus niet op de hoogte is van het bestaan van de monumentale zestiende-eeuwse kathedraal in de stad en zegt dat hij als protestant enkel de protestantse kerken kent; dat de Commissie evenwel vaststelt dat appellant school liep op de "Ecole Catholique de Divina Provincia" en het bijgevolg weinig overtuigend overkomt dat hij nooit over deze kathedraal heeft horen spreken; dat de hoofdstraten in Mbanza-Congo geen namen hebben (stuk 2) en appellant dit ter zitting niet blijkt te weten; Dat appellants identiteitskaart (zie kopie administratief dossier) als woonplaats een adres in Huambo vermeldt; Dat tenslotte uit algemene informatie blijkt dat Mbanza-Congo in 1996 als enige provinciehoofdstad in Angola volledig in handen was van de UNITA (stuk 1); dat het dus weinig waarschijnlijk is dat de Angolese regering ambtenaren, i.c. appellants vader, stuurt naar een stad die op dat ogenblik volledig onder de controle is van de UNITA; Dat appellant niet aantoont dat hij van 1996 tot 1999 in Mbanza-Congo heeft verbleven; Overwegende dat appellant tegenstrijdige verklaringen aflegt en hier geen aannemelijke verklaring voor geeft; dat hij bij de Dienst Vreemdelingenzaken uitdrukkelijk verklaarde dat zijn vader wist dat hij op de luchthaven door de MPLA gevangen werd gehouden via televisiebeelden (verhoor van 30 april 1999, nr. 42) daar waar hij in latere verklaringen stelt dat het hele dorp, waaronder zijn vader, zich verzamelde op de luchthaven; dat het nieuws zich mondeling via de mensen verspreidde aangezien er geen water noch elektriciteit was in Mbanza-Congo en dus ook geen televisie (verhoor van 23 augustus 1999, p. 7); dat deze tegenstrijdigheid de kern van appellants asielrelaas betreft en bijgevolg ernstige vraagtekens plaats bij de geloofwaardigheid van appellants verklaringen; Overwegende dat de situatie in Angola ondertussen gevoelig gewijzigd is; dat na de dood van rebellenleider Jonas Savimbi op 22 februari 2002 gevolgd enkele dagen later door de dood van de vice-president van de gewapende vleugel van de UNITA, Antonio Dembo, een officiële staakt-het-vuren-overeenkomst werd ondertekend tussen het Angolese leger en de militaire vleugel van de UNITA op 4 april 2002; dat het Angolese parlement een amnestiewet aannam en er in de loop van april 2002 een aanvang werd genomen met de effectieve demilitarisering van de 55.000 UNITA-strijdkrachten, waarvan er 5000 zouden worden geïntegreerd in het Angolese leger; dat zelfs indien wordt aangenomen dat zijn relaas op waarheid berust appellant niet aantoont dat de amnestiewet niet op hem van toepassing zou zijn; XIV-11.267-3/7 Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (HATHAWAY, J.C., The law of refugee status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84); dat de verklaringen plausibel moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel berust bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas; dat hij bij het ontbreken van dergelijke elementen een aannemelijke verklaring dient te geven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide desprocéclures et critères á appliguer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54); dat dit in casu niet het geval is; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren van een sociale groep of zijn politieke overtuiging in de zin van artikel 1 A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951,”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 49, 52, 57/6 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en de rechten van verdediging, inzonderheid het audi et alteram partem-beginsel, verzoeker aanvoert
(1)dat de tegenstrijdigheden die de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vaststelt er eigenlijk geen zijn of minstens zeer miniem zijn, de kern van zijn asielrelaas niet raken en te wijten zijn aan het verschil in ondervragen tijdens de interviews op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
(2)dat hij al zijn reisdocumenten en zijn paspoort aan de reisbegeleider heeft moeten afgeven en verder steeds zijn volledige medewerking heeft verleend aan de Belgische asielinstanties zodat de gevolgtrekking als zou hij iedere controle van zijn reisweg onmogelijk maken “buitensporig en buiten alle redelijkheid” is,
(3)dat het motief als zou hij niet aantonen van 1996 tot 1999 in Mbanza- Congo te hebben verbleven, “op zeer onzorgvuldige en onnauwkeurige wijze (is) opgesteld” omdat uit de bestreden beslissing niet blijkt welke vragen er juist gesteld werden aan verzoeker en omdat, “indien de ter zitting geformuleerde vragen in de beslissing waren opgenomen geworden (...) bovendien (zou) blijken dat de gevolgtrekking foutief en tenminste “tendensieus” is”,
(4)dat hij niet de mogelijkheid heeft gekregen zich te verdedigen omtrent het motief waarin gesteld wordt dat hij niet aantoont dat de amnestiewet niet op hem van toepassing zou zijn, vermits hem op het verhoor slechts zijn oordeel werd gevraagd over het Memorandum of Understanding van 4 april 2002; 2.2.
- Overwegende dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid, maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat artikel 62 van XIV-11.267-4/7 de Vreemdelingenwet evenmin van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat, gelet op zijn bevoegdheid als administratieve cassatierechter, die beperkt is tot een wettigheidscontrole, de Raad van State enkel acht kan slaan op de stukken die aan het oordeel van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen werden onderworpen, en de stukken, die voor het eerst bij de memorie van wederantwoord worden gevoegd, niet in aanmerking kunnen worden genomen; 2.2.
- Overwegende dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de vastgestelde tegenstrijdigheden in de verklaringen van de kandidaat- vluchteling dermate zwaarwichtig waren dat ze de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnden; dat, als administratief cassatierechter, het de Raad van State niet toekomt de betreffende appreciaties van de feitenrechter over te doen; dat in zoverre het middel daartoe strekt, het niet in aanmerking kan worden genomen; dat in de mate het middel gericht is tegen de handelwijze van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het evenmin in aanmerking kan worden genomen, want niet gericht tegen de thans bestreden beslissing of de wijze waarop deze tot stand is gekomen; dat kritiek op het verschil in ondervragen tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen overigens niet voor het eerst voor de administratieve cassatierechter kan worden aangevoerd; 2.2.
- Overwegende dat het motief, ontleend aan het ontbreken van reisbescheiden en aan de ongeloofwaardigheid van de reisweg, van bijkomstige aard is, zodat de eventuele ondeugdelijkheid van dit motief op zich niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden, daar deze genoegzaam is gemotiveerd door de overige beweegredenen; dat niettemin het niet voorleggen van reisbescheiden een negatieve indicatie met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas kan inhouden en als dusdanig mede door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in aanmerking worden genomen; dat haar derhalve niet kan worden ten grieve geduid op flagrante wijze het redelijkheidsbeginsel te schenden; 2.2.
- Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel in verband met de rechten van de verdediging niet inhoudt dat alle verklaringen afgelegd ter terechtzitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen moeten worden genoteerd, noch dat de secretaris een getrouw verhoorverslag moet opmaken; dat indien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich op de ter zitting afgelegde verklaringen baseert, de strekking hiervan duidelijk moet blijken, hetzij uit haar beslissing zelf, hetzij uit het verslag van de zitting zodat de cassatierechter in staat is zijn wettigheidscontrole op de motieven uit te oefenen; dat het volstaat dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aangeeft waarom verzoeker naar haar mening niet bekend is met de stad waar hij volgens XIV-11.267-5/7 zijn verklaringen meer dan drie jaar woonde en school liep; dat zij in haar beslissing niet moet vermelden welke vragen werden gesteld om naar diens kennis van de stad te peilen; dat uit de bestreden beslissing overigens niet kan worden afgeleid dat de gestelde vragen onvoldoende duidelijk waren opdat verzoeker er kon op antwoorden; dat bovendien het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de door verzoeker verstrekte antwoorden al dan niet aantonen dat hij bekend is met de stad waar hij volgens zijn verklaringen gedurende drie jaar woonde en school liep; dat deze beoordeling niet door de Raad van State als administratieve cassatierechter kan worden overgedaan; 2.2.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er geenszins toe gehouden is de motieven op grond waarvan zij voornemens is de asielaanvraag te verwerpen vooraf ter kennis van de vreemdeling te brengen; dat bovendien nergens uit blijkt dat verzoeker -zoals hij in zijn verzoekschrift beweert- enkel zou gevraagd zijn naar zijn oordeel over het Memorandum of Understanding van 4 april 2002; 2.2.
- Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-11.267-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.267-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.755 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div