id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.757 Rolnummer: A. 125433/XIV-11321 Zaak: Arrest 143757 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 11:59 Fiche Arrest nr 143.757 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.757 van 27 april 2005 in de zaak A. 125.433/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Liberiaanse nationaliteit, op 14 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 25 juni 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 27 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.321-1/11 Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX komt op 20 december 2000 België binnen en vraagt op 4 januari 2001 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 18 februari 2002 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 6 maart 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op de zitting van 18 juni 2002 wordt verzoeker, bijgestaan door advocaat J. DEREYMAEKER, loco advocaat R. JESPERS, gehoord. 1.
- Op 25 juni 2002 neemt de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de bestreden beslissing de feiten als volgt stelt: “Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal op 29 januan 2002 bezit u de Liberiaanse nationaliteit, bent u van Amerikaans-Afrikaanse origine en afkomstig uit Monrovia. Uw vader, M. C. G., professor aan de Liberiaanse universiteit, was een voormalig medestander van huidig president Charles Taylor. Hij was lid van MOJA (Movement for Justice in Africa), een oppositiebeweging tegen het vroegere bewind van William Tolbert. Tevens was hij stichtend lid van het NPFL (National Patriotic Front of Liberia) van Charles Taylor, gericht tegen het regime van Samuel Doe. Na een splitsing binnen het NPFL vluchtte uw vader naar Amerika. In 1990 werd uw moeder door aanhangers van Taylor gedood als wraak voor het feit dat uw vader zich van Taylors partij, het NPFL, had afgesplitst. Later in 1990 werd u, samen met uw oom, tante en neef gearresteerd en gemarteld door de troepen van Samuel Doe. In het najaar van 1990 vluchtte u per schip naar Gambia, waar u in november van datzelfde jaar uw vader terugvond. Toen vond in Banjul (Gambia) een XIV-11.321-2/11 vredesconferentie over Liberia plaats waarbij een regering van nationale eenheid werd gevormd. Uw vader werd er benoemd tot deputy-director van de State Security Service en samen keerden jullie naar Liberia terug. In de aanloop naar de verkiezingen van juli 1997 voerde u campagne voor de Liberia Action Party van Ellen Johnson-Sirleaf. De verkiezingen werden gewonnen door Charles Taylor en uw vader vluchtte hierop naar de Verenigde Staten, waar hij later tot vluchteling werd erkend. Hij kon u niet meenemen en drong erop aan dat u naar Ghana zou vluchten. U vluchtte echter naar Nsérékoré in Guinee waar u in een vluchtelingenkamp terechtkwam. Begin 1998 reisde u naar Conakry (Guinee) waar u hulp kreeg van een vriend van uw vader, meneer J.. In 2000 werd u door de Guinese autoriteiten gearresteerd op verdenking van rebel te zijn. U verbleef tot november 2000 in de gevangenis. Dan werd iedereen vrijgelaten door tussenkomst van de Kelly Release Organisation. Een aartsbisschop die u in de gevangenis regelmatig had bezocht, besliste om u verder te helpen en regelde uw reis naar het buitenland. Op 4 december 2000 vertrok u per schip vanuit Guinee. Op 20 december 2000 kwam u in België aan en op 4 januari 2001 vroeg u in België asiel aan. U bent niet in het bezit van enig document om uw identiteit te staven.”; Overwegende dat appellant tijdens het dringend beroep ondervraagd werd over zijn reisweg; dat zijn verklaringen vaag en onbeduidend waren; dat hij in verband met zijn reisweg onvolledige en vage verklaringen aflegt en aldus vrijwillig de controle van zijn reisweg onmogelijk maakt; Overwegende dat uit de lezing van het administratief dossier blijkt dat de verklaringen van appellant tijdens zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en in dringend beroep onverzoenbaar zijn met de verklaringen afgelegd ten gronde bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Dat verzoeker, met name tijdens het dringend beroep, uitdrukkelijk stelde dat zijn vader, net voor zijn vlucht in 1997, er bij hem op aandrong om naar Conakry in Guinee te vluchten; dat appellant hieraan toevoegde dat ook zijn tante, de zus van zijn vader, in Guinee verbleef en van daaruit naar de Verenigde Staten is vertrokken; dat zijn vader hem naar deze tante stuurde om bij haar te kunnen telefoneren naar zijn vader in de Verenigde Staten; dat deze verklaringen tijdens het dringend beroep uitgebreid en gemotiveerd zijn; dat het dan ook in deze context niet geloofwaardig is dat appellants vader hem zou vragen om naar Ghana te gaan (zie verhoor ten gronde) en dat de bestreden beslissing er terecht op wijst dat de logica van de beide versies anders is; dat appellant in zijn verzoekschrift stelt dat: “... hij misbegrepen werd. De realiteit is dat zijn vader hem inderdaad aanspoorde naar Ghana te vluchten, maar dat verzoeker die raad niet heeft kunnen volgen en naar Guinee is gevlucht...”, dat deze toelichtingen niet onmogelijk zijn doch niet overtuigen omdat ze incoherent zijn met de uitgebreide toelichtingen waarom zijn vader wilde dat hij naar Guinee vertrok; Overwegende dat de bestreden beslissing wijst op de tegenstellingen in appellants verklaringen in verband met zijn pogingen om naar de Verenigde Staten te emigreren; dat uit het administratief dossier blijkt dat appellant inderdaad zowel bij de Dienst Vreemdelingenzaken als tijdens het dringend beroep uitvoerig beschrijft hoe hij vanuit Guinee tezamen met de UNHCR en een Amerikaanse organisatie de interviews aflegde en de nodige administratieve stappen ondernam om te emigreren naar de Verenigde Staten; dat zijn vader geld opstuurde en hij na drie interviews met het UNHCR nog slechts een medische test moest afleggen die hij miste omdat hij in de gevangenis terechtkwam; Dat appellant deze uitvoerige verklaringen ter zitting gewoon ontkent; dat deze ontkenning niet kan worden losgezien van hetgeen gesteld wordt in de bestreden beslissing; dat met name verwezen wordt naar de opzoekingen van de documentatiedienst van de Belgische asielinstanties (Cedoca) waaruit blijkt dat appellant niet geregistreerd stond bij het UNHCR-kantoor in Conakry waar alle gegevens uit de verschillende “field offices” wordt gecentraliseerd; Dat het niet ernstig is en appellant ook ter zitting geenszins kan toelichten waarom hij leugenachtige verklaringen aflegde bij de Dienst Vreemdelingenzaken en tijdens het dringend beroep bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat dergelijke ontkenningen appellants geloofwaardigheid sterk aantasten; dat appellant met name niet aantoont waar hij heeft verbleven voor zijn komst naar België; XIV-11.321-3/11 Overwegende dat appellant stelt dat zijn vader medeoprichter was van de NPLF; dat zijn vader in 1990 de partij verliet en daarna Deputy Director van de SSS (State Security Service) werd; dat zijn vader in 1990 in Gambia zou hebben deelgenomen aan de vredesconferentie in de hoedanigheid van Deputy Director van de Special Security Service; dat appellant ter zitting hiervan niets aanbrengt; dat zijn vader aldus een publieke en bekende persoon zou zijn en dat het dan redelijk is te verwachten dat appellant hieromtrent objectieve/officiële elementen neerlegt; dat appellant bovendien in contact staat met zijn vader; Overwegende dat appellant ter zitting verwijst naar de neergelegde affidavit van zijn vader; dat een affidavit een eenzijdige verklaring is; dat hiermee de identiteit van de ondertekenaar wordt gegarandeerd doch dit niet impliceert dat de afgelegde verklaringen overeenstemmen met de werkelijkheid; dat hieraan geen bewijswaarde kan worden gehecht; Dat er ter zitting ten slotte nog gewezen wordt op de reputatie van de SSS die bekend stond voor zijn extreem en brutaal optreden en voor de vele buitenrechtelijke executies (zie stuk 7); dat appellant na de zitting wel een aantal kopieën van documenten neerlegt over G. C. M.; dat deze documenten een begin van bewijs kunnen zijn van de functies van Goe C. Mason als lid van het speciale veiligheidseskader van de president; Overwegende dat appellant die bij de informatiebronnen zat en onder meer stelde dat hij tijdelijk in het presidentieel paleis gewoond heeft, onbekend blijkt met de reële situatie van Monrovia en Liberia; dat het niet aannemelijk is dat een politieke activist de spanningen en gewelddaden en zware gevechten van de jaren 1991-1997 niet kent (zie publieke rapporten van de verschillende mensenrechtenorganisaties); dat appellants verklaringen dermate lacunair zijn dat hij het niet aannemelijk maakt dat hij de gebeurtenissen in Liberia heeft beleefd; Dat ter zitting onder meer gewezen werd op de verklaringen van appellant in verband met zijn verblijf in Liberia in de periode na zijn terugkeer uit Gambia in 1990 en tot zijn vertrek in 1997; dat deze bijzonder summier zijn en niet overeenstemmen met de reële situatie ter plaatse; dat hij onder meer stelde dat de situatie toen 'vrij kalm' was in Liberia en hijzelf geen echte problemen had tot 1997 (zie dringend beroep); dat het niet geloofwaardig is dat appellant de zoon is van een veiligheidsagent van de president die van 1991 tot 1997 in Liberia verbleef en politieke propaganda voerde tijdens de verkiezingen van 1997; Overwegende dat appellant stelt dat zijn vader als vluchteling werd erkend in de Verenigde Staten; dat hij een fax-brief neerlegt en een affidavit; Dat appellant na de zitting documenten neerlegt over de asielprocedure van zijn vader; dat deze documenten getuigen van een verblijf in de Verenigde Staten op basis van het vluchtelingenschap; dat onder meer een aanvraag voor een reisdocument wordt neergelegd; Dat hoe dan ook gesteld kan worden dat appellant toegeeft dat de naam M. zeer veel voorkomt in Liberia; dat G. M. geen documenten neerlegt waaruit het asielrelaas kan blijken waarop de Verenigde Staten van zijn vluchtelingenstatus erkende; Overwegende dat appellants verklaringen over het tijdstip waarop zijn vader vertrok naar de Verenigde Staten niet overeenstemt met datum op de neergelegde fax; dat appellant zowel bij de Dienst Vreemdelingenzaken als tijdens het dringend beroep stelde dat zijn vader vertrok naar USA nadat zijn partij de verkiezingen in 1997 verloor; dat hij ten gronde herhaalde dat zijn vader in 1997 naar de USA vertrok; Dat het niet mogelijk is dat zijn vader reeds in 1995 als vluchteling werd erkend terwijl hij nog in Liberia was en niet in de Verenigde Staten; dat appellant hiervoor ter zitting geen verklaring heeft en slechts stelt dat hij zich vergist moet hebben en zijn vader reeds in 1995 in de Verenigde Staten was; dat deze toelichting echter alle vroegere verklaringen in verband met zijn vaders en zijn eigen connecties en functies tijdens de verkiezingen tegenspreekt; dat appellants verklaringen over de gebeurtenissen tijdens de verkiezingen niet aannemelijk zijn; Overwegende dat uit de documenten van zijn vader blijkt dat hij in april 1995 een asielaanvraag heeft ingediend en in de Verenigde staten woont; dat appellants vader aldus niet meer in Liberia was na 1995; Overwegende dat uit de verklaringen van appellant in het administratief dossier en ter zitting blijkt dat het vertrek van zijn vader in 1995 geen specifieke moeilijkheden heeft meegebracht; dat hij dan ook zijn asielaanvraag niet koppelt aan deze van zijn vader; XIV-11.321-4/11 dat de bestreden beslissing er reeds op wees dat de erkenning tot vluchteling op individuele basis gebeurt; dat de documenten geen bewijs zijn van de moeilijkheden van appellant; Dat appellant immers zijn eigen vluchtmotieven verbond aan zijn inzet tijdens de verkiezingscampagne voor de Liberia Action Party van Ellen Johnson-Sirleaf; dat appellant steeds uitdrukkelijk stelde dat hij vóór 1997 geen problemen had; dat hij dit ook ter zitting herhaalt; dat appellant geen elementen neerlegt in dit verband met zijn politieke activiteiten in Liberia; Overwegende ten slotte dat appellant stelt dat hij gehuwd is met een Franse onderdaan; dat ze samen een kind hebben; dat uit het document neergelegd door zijn echtgenote (zie administratief dossier) blijkt dat ze in Abidjan is geboren; dat ze korte tijd in Togo heeft gewoond en daarna in Abidjan; dat ze geen melding maakt van een verblijfplaats in Guinee; dat appellant reeds bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde dat hij de huwelijksakte zou neerleggen; dat hij dit niet deed en ook ter zitting geen stukken neerlegt; dat appellant niet aantoont waar, in Afrika of Europa, hij met zijn vrouw heeft verbleven; Overwegende dat uit voorgaande volgt dat appellant zijn identiteit en zijn nationaliteit niet bewijst; dat hij evenmin bewijst waar hij de laatste jaren heeft doorgebracht; dat zijn familiebanden onduidelijk zijn en niet bewezen worden; dat appellant evenmin zijn politieke activiteiten staaft; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951,”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van het recht van verdediging en van de motiveringsplicht, verzoeker aanvoert dat de vermelding van een correcte en verifieerbare datum van de bestreden beslissing een substantieel vormvoorschrift uitmaakt, dat in casu de datum van de bestreden beslissing in tegenspraak is met de motivering ervan, vermits de bestreden beslissing dateert van 25 juni 2002, doch verwijst naar documenten die haar pas op 28 juni 2002 werden toegezonden; dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van “het recht van verdediging door een gebrek, onduidelijkheid en dubbelzinnigheid in de motivering”, van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 149 van de Grondwet, verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing een onderscheid maakt tussen “kopieën van documenten” en “documenten”, dat de zogenaamde “kopieën van documenten” strikt genomen niet ná de zitting werden neergelegd maar wel óp de zitting, dat het onderscheid tussen beide termen belangrijk is omdat de originelen van de documenten die getuigen van het verblijf van zijn vader in de Verenigde Staten op basis van zijn vluchtelingenschap, niet na de zitting werden neergelegd, maar per brief van 28 juni 2002 werden opgestuurd, zodat de motivering “na de zitting” op zijn minst dubbelzinnig is, dat uit het eerste middel blijkt dat de datum van in beraadneming en het nemen van de bestreden beslissing, met name 25 juni 2002, niet correct kan zijn, en dat bijgevolg niet te verklaren valt waarom de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet heeft XIV-11.321-5/11 geantwoord op de aangetekende brief van 28 juni 2002 waarbij onder meer originele paspoorten werden opgestuurd; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt, wat het eerste middel betreft, dat verzoeker geen bewijs bijbrengt waaruit blijkt dat de bestreden beslissing niet zou zijn genomen op de vermelde datum, dat het kwestieuze motief niet determinerend is en kritiek daarop niet dienend is, vermits de bestreden beslissing duidelijk stelt dat de asielaanvraag van verzoeker niet verbonden is aan die van zijn vader en de erkenning van politiek vluchteling op individuele basis gebeurt, dat, bijkomend, de gegeven omschrijving van het eerste middel niet kan worden beschouwd als voldoende duidelijk en precies, en, wat het tweede middel betreft, dat de bestreden beslissing zowel in feite als in rechte genoegzaam is gemotiveerd, dat zij immers een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en van de gemaakte overwegingen bevat om te besluiten dat er in casu geen vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag blijkt, dat de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen, en dat de verwijzing naar artikel 149 van de Grondwet overbodig voorkomt, gelet op het bestaan van artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord voor beide middelen verwijst naar hetgeen werd uiteengezet in zijn inleidend verzoekschrift; 2.1.
- Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de stukken waarvan sprake in de bestreden beslissing van 25 juni 2004 door verzoeker werden neergelegd op 23 juni 2002 (stuk 11 van het administratief dossier en de vermelding in de inventaris (op de map) van neerlegging van bijkomende documenten op “23 juni 2002”), dit is vóórdat de bestreden beslissing werd genomen; dat deze stukken nog eens (samen met nog andere, nieuwe documenten, waarover de bestreden beslissing géén uitspraak doet noch hoefde te doen, vermits zij -zoals blijkt uit wat volgt- werden opgestuurd nadat de bestreden beslissing reeds was genomen) op 28 juni 2002 bij aangetekende brief aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen werden toegezonden (stuk 13 van het administratief dossier), doch dit niet belet dat de stukken waarover de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het in haar beslissing heeft, reeds in haar bezit waren op het ogenblik van haar uitspraak; dat van een vergissing in verband met de datum van uitspraak dan ook geen sprake is; dat het eerste en het tweede middel feitelijke grondslag missen; XIV-11.321-6/11 2.2.
- Overwegende dat in een derde middel, afgeleid uit de schending van “het recht van verdediging door een gebrek, onduidelijkheid en dubbelzinnigheid in de motivering”, van artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet en van artikel 149 van de Grondwet, verzoeker aanvoert dat de motivering gebaseerd op de beweerde vaagheid en/of tegenstrijdigheid van zijn verklaringen faalt, dat
(1)hij, wat zijn reisweg betreft, duidelijk heeft uitgelegd dat hij van Monrovia (Liberia) naar een grensgemeente Nsérékoré (Guinee) vluchtte en nadien verder reisde naar Conakry, waar hij eerst in de wijk Besia verbleef en nadien meermaals in de gevangenis terecht kwam, dat
(2)zijn verklaringen in verband met het land waarheen hij vluchtte logisch zijn “in de zin dat ze zowel Ghana (“aangeraden”) als Guinee (“werkelijke”) als bestemming kunnen bevatten zonder enige tegenstrijdigheid”, dat
(3)ook zijn verklaringen met betrekking tot zijn contacten met zijn vader en de interviews die hij aflegde teneinde te emigreren te wijten zijn aan een misverstand, dat
(4)hij naar het verhoor van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ging “in de veronderstelling dat hem niets meer ging gevraagd worden in verband met de vluchtelingenstatus van zijn vader” omdat in de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de politieke achtergrond en de huidige vluchtelingenstatus van zijn vader niet werden betwist, zodat hij niet voorbereid was op de ondervraging die bijna geheel over zijn vader ging en hij geen extra bewijsstukken hieromtrent verzameld had, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van mening was dat de kopies van de documenten die zich reeds in het administratief dossier bevonden niet volstonden omdat ze vervalst konden zijn en op zijn vraag “of de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen niet door een eenvoudige fax of telefoon naar de USA de status van zijn vader kon verifiëren, (...) bruusk (werd) geantwoord: “België heeft niet gevraagd dat U hier asiel komt vragen, dus moeten wij niets zelf onderzoeken””, dat
(5)hij van de voorzitter nog enkele dagen de tijd kreeg om stukken op te sturen en hij hiervan gebruik maakte om niet alleen de originelen van de reeds neergelegde kopies te laten overkomen maar ook nog andere stukken (onder andere het originele vluchtelingenpaspoort van zijn vader), dat
(6), enerzijds, de echtheid van de vluchtelingenstatus van zijn vader in twijfel wordt getrokken om er, anderzijds, geen belang aan te hechten, dat het motief dat hij zou hebben toegegeven dat de naam M. een veel voorkomende naam in Liberia is, onaanvaardbaar is omdat dit totaal irrelevant en naast de kwestie is, aangezien M. slechts een voornaam en geen familienaam is, dat zijn identiteit blijkt uit de door hem neergelegde geboorteakte en hem door zijn vader originele documenten werden opgestuurd die hij nooit naar iemand anders dan naar zijn eigen zoon zou hebben gestuurd, en dat
(7)hij zeer duidelijk is geweest over de situatie in Liberia en tijdens zijn verhoor bleek dat hij zéér goed op de hoogte was van alle mogelijke vredesbesprekingen; XIV-11.321-7/11 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing zowel in feite als in rechte genoegzaam is gemotiveerd, dat zij immers een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en van de gemaakte overwegingen bevat om te besluiten dat er in casu geen vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag blijkt, dat de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn om aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen, en dat de verwijzing naar artikel 149 van de Grondwet overbodig voorkomt, gelet op het bestaan van artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar hetgeen werd uiteengezet in zijn inleidend verzoekschrift; 2.2.4.
- Overwegende dat het motief, ontleend aan verzoekers vage en onbeduidende verklaringen omtrent zijn reisweg, slechts van bijkomstige aard is; dat de eventuele ondeugdelijkheid ervan op zich niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing vermag te leiden, daar deze genoegzaam wordt geschraagd door de overige motieven; 2.2.4.
- Overwegende dat waar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overweegt “dat deze toelichtingen niet onmogelijk zijn doch niet overtuigen omdat ze incoherent zijn met de uitgebreide toelichtingen waarom zijn vader wilde dat hij naar Guinee vertrok”, zij genoegzaam antwoordt op verzoekers argument in verband met zijn verklaringen over het land waarheen hij voornemens was te vluchten dan wel daadwerkelijk vluchtte; dat hetzelfde geldt voor het in zijn beroepschrift ontwikkelde argument met betrekking tot de vastgestelde tegenstrijdigheid in zijn verklaringen betreffende zijn pogingen om naar de Verenigde Staten te emigreren; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hierop genoegzaam antwoordt “dat appellant deze uitvoerige verklaringen ter zitting gewoon ontkent; dat deze ontkenning niet kan worden los gezien van hetgeen gesteld wordt in de bestreden beslissing; dat met name verwezen wordt naar de opzoekingen van de documentatiedienst van de Belgische asielinstanties (Cedoca) waaruit blijkt dat appellant niet geregistreerd stond bij het UNHCR-kantoor in Conakry waar alle gegevens uit de verschillende “field offices” wordt gecentraliseerd” en “dat het niet ernstig is en appellant ook ter zitting geenszins kan toelichten waarom hij leugenachtige verklaringen aflegde bij de Dienst Vreemdelingenzaken en tijdens het dringend beroep bij het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat dergelijke ontkenningen appellants geloofwaardigheid sterk aantasten; dat appellant met name niet aantoont waar hij heeft verbleven voor zijn komst naar België”; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de verklaringen die verzoeker in zijn beroepschrift geeft voor de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden logisch zijn of te wijten zijn aan een misverstand; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt deze beoordeling van de feitenrechter XIV-11.321-8/11 over te doen; dat de Raad van State enkel kan vaststellen dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam antwoordt op de door verzoeker in zijn beroepschrift ontwikkelde grieven; 2.2.4.
- Overwegende dat door het hoger beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zaak voor een volledig nieuwe beoordeling aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd; dat verzoeker dan ook kon verwachten dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hem nieuwe vragen zou stellen en eventueel andere of originele documenten, dan voorheen in de asielprocedure, zou verlangen; dat verzoeker het uitsluitend aan zichzelf heeft te wijten indien hij onvoldoende voorbereid was op dit verhoor; dat, gelet op verzoekers verklaringen ter zitting dat zijn vader medeoprichter was van de NPLF en daarna Deputy Director werd van de SSS (State Security Service) en zijn vader aldus een publieke en bekende pers, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen terecht vaststelt “dat het dan redelijk is te verwachten dat appellant hieromtrent objectieve/officiële elementen neerlegt”, temeer daar hij in contact staat met zijn vader; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op verzoekers vraag om contact op te nemen met de Verenigde Staten teneinde de status van zijn vader te verifiëren zou hebben gezegd dat “België (...) niet gevraagd heeft dat U hier asiel komt vragen, dus (...) wij niets zelf (moeten) onderzoeken”, een loutere bewering is die niet wordt gestaafd en bovendien geen enkele steun vindt in de stukken van het dossier, waaronder inzonderheid het verslag van de zitting; 2.2.4.
- Overwegende dat verzoeker het ten onrechte voorstelt alsof hem ter zitting van 18 juni 2002 nog een bijkomende termijn werd gegeven om nieuwe stukken neer te leggen; dat deze bewering uit geen enkel stuk van het administratief dossier, ook niet uit het verslag van de zitting, waaruit -integendeel- blijkt dat de debatten na afloop van de zitting onvoorwaardelijk werden gesloten, kan worden afgeleid; 2.2.4.
- Overwegende dat verzoeker eraan voorbijgaat dat het origineel van zijn vaders paspoort werd toegezonden op het ogenblik dat de bestreden beslissing reeds was genomen, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet ten grieve kan worden geduid met dit origineel geen rekening te hebben gehouden en evenmin met het argument “dat niet iedereen zomaar een origineel van een paspoort van iemand anders kan voorleggen en dat het feit dat verzoeker dat heeft gedaan zijn geloofwaardigheid ondersteunt”; dat, gelet op verzoekers verklaring dat zijn vader als vluchteling werd erkend in de Verenigde Staten en ter ondersteuning hiervan documenten voorlegt, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kennelijk onredelijk is waar zij overweegt dat deze na de zitting voorgelegde documenten “getuigen van een verblijf in de Verenigde Staten op basis van het vluchtelingenschap”, doch “dat G. M. geen documenten neerlegt waaruit het asielrelaas kan blijken waarop de Verenigde Staten (van) zijn vluchtelingenstatus erkende”; dat niet kan worden ingezien waarom het toetsen van verzoekers verklaringen omtrent zijn eigen XIV-11.321-9/11 problemen aan het door hem beweerde door de Verenigde Staten erkend vluchtelingenschap van zijn vader, onaanvaardbaar zou zijn, temeer daar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vaststelt dat verzoekers verklaringen over het tijdstip waarop zijn vader naar de Verenigde Staten vertrok (te weten nadat zijn partij de verkiezingen in 1997 verloor) niet overeenstemmen met het tijdstip waarop laatstgenoemde als vluchteling werd erkend (te weten in april 1995), zodat dit al zijn vroegere verklaringen in verband met zijn vaders en zijn eigen connecties en functies tijdens de verkiezingen tegenspreekt en hij, wat zijn persoonlijke problemen (verbonden aan zijn inzet tijdens de verkeizingscampagne voor de Liberia Action Party van Ellen Johnson-Sirleaf) betreft, geen elementen neerlegt in verband met zijn politieke activiteiten in Liberia en niet aannemelijk maakt dat hij de door hem beweerde gebeurtenissen in Liberia heeft beleefd; dat de feitenrechter soeverein oordeelt of het veel voorkomen van de naam M. relevant is en of verzoekers kennis dermate lacunair is dat hij niet aannemelijk maakt de door hem beweerde problemen te hebben beleefd; dat deze beoordelingen niet door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, kunnen worden overgedaan; dat de kopie van zijn geboorteakte hoe dan ook niet vermocht te verklaren waarom verzoeker zijn familiebanden en zijn politieke activiteiten niet bewijst en evenmin bewijst waar hij de laatste jaren heeft doorgebracht; dat het derde middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat in een vierde middel, afgeleid uit de schending van de rechten van verdediging, van artikel 6 van het E.V.R.M. en van artikel 14 van het B.U.P.O., verzoeker aanvoert dat een getrouw verhoorverslag van de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ontbreekt, vermits van zijn verklaringen ter zitting geen schriftelijke neerslag is, zodat hij niet in staat is na te gaan of wat in de bestreden beslissing als “gezegd” wordt aangehaald, overeenstemt met wat werkelijk ter zitting is gezegd; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 6 van het E.V.R.M. en artikel 14 van het B.U.P.O., die het bestaan van “burgerlijke rechten en verplichtingen” vooropstellen, geen toepassing kunnen vinden in asielzaken, en dat de bestreden beslissing een duidelijke weergave van de feiten en de gemaakte overwegingen bevat, zodat verzoeker de bestreden beslissing ter beoordeling aan de Raad van State kan voorleggen; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar hetgeen werd uiteengezet in zijn inleidend verzoekschrift; 2.3.
- Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. en artikel 14 van het B.U.P.O. in deze niet van toepassing zijn aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen uitspraak doet over burgerlijke rechten noch over de gegrondheid van een strafvervolging; dat het algemeen rechtsbeginsel in verband met de rechten van de XIV-11.321-10/11 verdediging niet inhoudt dat alle verklaringen afgelegd ter terechtzitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen moeten worden genoteerd, noch dat de secretaris een getrouw verhoorverslag moet opmaken; dat indien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich op de ter zitting afgelegde verklaringen baseert, de strekking hiervan duidelijk moet blijken, hetzij uit haar beslissing zelf, hetzij uit het verslag van de zitting zodat de cassatierechter in staat is zijn wettigheidscontrole op de motieven uit te oefenen; dat verzoeker niet betwist dat de strekking van de door hem ter zitting afgelegde verklaringen, die de oordeelsvorming van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hebben beïnvloed, voldoende duidelijk uit de aangevochten beslissing blijkt; dat het vierde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.321-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div