id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.762 Rolnummer: A. 103956/XIV-4004 Zaak: Arrest 143762 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-09 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 12:00 Fiche Arrest nr 143.762 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.762 van 27 april 2005 in de zaak A. 103.956/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A.-C. DE RIDDER, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 december 1981 en van Ethiopische nationaliteit, op 26 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 3 april 2001; Gelet op de beschikking van 18 mei 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-4004-1/7 Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A.-C. DE RIDDER, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 13 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 17 augustus
- 1.
- Op 19 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 15 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 14 februari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Amhaarse taal machtig is. Betrokkene verklaarde dat ze de Ethiopische nationaliteit bezit en behoort tot de Amhara- etnie. Haar moeder is geboren in Eritrea en behoort tot de Tigray-etnie. Tijdens de machtswissel in 1983 (Ethiopische kalender) kwam haar vader, die beroepsmilitair was in het leger van het voormalige communistische regime, in Ambo om het leven. Op de 12de dag van de maand Gimbot (Ethiopische kalender) werden betrokkene en haar moeder wegens vermeende steun aan de Eritrese autoriteiten in hun woning in Dire Dawa opgepakt door de Ethiopische politie en samen met een honderdtal andere mensen van Eritrese origine opgesloten. Na vijf dagen werd betrokkene apart genomen en aangerand door een politieman. Twee dagen later slaagde de tante van betrokkene erin haar na omkoping vrij te krijgen. Betrokkene verschuilde zich gedurende één maand en 25 dagen in een woning buiten Dire Dawa en reisde vervolgens in het gezelschap van haar tante per trein naar de grens met Djibouti. Daarna reisde ze zes dagen te voet tot ze in de hoofdstad aankwam. Van daaruit nam ze in het gezelschap van een begeleider drie dagen later een vliegtuig naar Frankrijk, met transit in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten). Na dertien dagen in een huis van een andere, Europese begeleider te hebben verbleven, vergezelde deze haar op haar treinreis naar België, waar ze 13 augustus 2000 aankwam en op 17 augustus 2000 (Europese kalender) asiel aanvroeg. XIV-4004-2/7 Vooreerst dient te worden vastgesteld dat betrokkene het op geen enkele manier aannemelijk maakt dat haar moeder van Eritrese afkomst is. Zo brengt ze geen enkel document aan waaruit haar Eritrese afkomst blijkt, noch enig ander begin van bewijs voor haar vermeende Eritrese origine. Verder verklaarde betrokkene niet eens te weten waar in Eritrea haar moeder geboren werd en stelde ze geen Tigrinya te spreken, hoewel dit de taal was die haar moeder sprak (p. 1). Gezien het feit dat de asielmotieven van betrokkene net betrekking hebben op de afkomst van haar moeder, doen deze vaststellingen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de motieven voor haar asielaanvraag. Hoedanook nam het conflict tussen Ethiopië en Eritrea, dat aan de grondslag lag van de gedwongen deportaties van etnische Eritreërs, reeds in mei 1998 een aanvang ("Mondes Rebelles", 1999). Het is dan ook weinig aannemelijk dat de familie van betrokkene pas midden 2000 door de Ethiopische autoriteiten vervolgd werd wegens hun etnische origine. Ook dient te worden opgemerkt dat Ethiopië en Eritrea in het voorjaar van 2000 een wapenstilstand sloten en beide landen op 12 december 2000 in Algerije een vredesverdrag ondertekenden (cf. The Horn of Africa Bulletin. 1/2001), hetgeen de vrees van betrokkene voor een mogelijke gedwongen deportatie naar Eritrea in sterke mate relativeert. Verder wordt de geloofwaardigheid van het relaas van betrokkene ondermijnd door een aantal tegenstrijdigheden en hiaten in de door haar afgelegde opeenvolgende verklaringen. Zo verklaarde betrokkene voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat ze na haar vrijlating uit de gevangenis een brief van de regering kreeg waarin stond dat ze het huis moest verkopen en het land verlaten. Ze stelde dat haar tante haar vervolgens adviseerde het huis inderdaad het (te) verkopen en het land te ontvluchten (punt 42 van het verhoorverslag, dd. 4 september 2000). Tijdens het verhoor door het Commissariaat-generaal stelde ze enkel dat na haar vrijlating het huis verzegeld bleek te zijn en dat er een papier op de deur hing waarop stond dat het huis aangeslagen was door de overheid en verkocht zou worden (p. 3). Ook vermeldde ze pas in haar verzoekschrift tot het instellen van een dringend beroep (dd. 4 oktober 2000) voor de eerste keer dat ze werd vrijgelaten na omkoping. Daarenboven is betrokkene niet in het bezit van enig document (zelfs geen instapkaart of bagageticket) dat een controle van haar reisweg mogelijk maakt. Aangezien het in casu gaat om twee treinreizen en twee intercontinentale vliegreizen, getuigt dit van een gebrek aan medewerking om de reisweg vast te stellen en houdt dit dientengevolge eveneens een negatieve indicatie in voor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas. De studentenkaart van de Dire Dawa Comprehensive Secondary School, die door betrokkene wordt voorgelegd ter ondersteuning van haar relaas, doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen, gezien genoemd document niet relevant is voor haar asielaanvraag. Tenslotte bevat het verzoekschrift van betrokkene geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem (haar) betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 19 september
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat verzoekster aanvoert dat de onmogelijkheid om de Eritrese XIV-4004-3/7 afkomst van haar moeder te bewijzen en dat zij de taal van haar moeder niet spreekt, niet noodzakelijk betekent dat er dient getwijfeld te worden aan verzoeksters asielrelaas; dat verzoekster een korte herhaling geeft van haar asielrelaas; dat verzoekster een rapport citeert van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland van 1 augustus 2000 waaruit blijkt dat er nog gevechten waren in haar land van herkomst op 24 februari 2000 waarbij honderden doden zijn gevallen; dat verzoekster stelt dat er op 12 mei 2000 een oorlog uitbrak en dat de Veiligheidsraad op 13 mei 2000 Resolutie 1297 aannam, waarin het conflict werd veroordeeld, en dat bij Resolutie 1298 een wapenembargo werd opgelegd; dat verzoekster aanvoert dat zij “wat het bewijs betreft (...) wel haar medewerking heeft verleend” omdat zij haar studentenkaart voorlegde en dat de Commissaris-generaal ten onrechte heeft gesteld dat dit document niet relevant is voor haar asielaanvraag; dat zij daaraan toevoegt dat de bewijslast niet te streng mag worden opgevat; 2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat verzoekster geen poging onderneemt om de talrijke tegenstrijdigheden op basis waarvan haar asielaanvraag bedrieglijk werd verklaard, te weerleggen, en dat de bestreden beslissing als een geheel dient te worden gelezen; dat de verwerende partij uiteenzet dat het rapport dat verzoekster aanhaalt, haar bekend is, maar dat dit de bestreden beslissing niet weerlegt; dat dit rapport bevestigt wat in de bestreden beslissing wordt vastgesteld, namelijk dat het weinig aannemelijk is dat de familie van verzoekster pas midden 2000 door de Ethiopische autoriteiten zou worden vervolgd; dat de verwerende partij uiteenzet dat de bestreden beslissing correct is gemotiveerd en een feitenuiteenzetting bevat, evenals gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord stelt dat zij haar argumenten handhaaft en daaraan toevoegt dat het moeilijk is om bewijzen te verzamelen door de chaotische onstabiele situatie in Ethiopië; 2.
- Overwegende dat , wat de ingeroepen schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie betreft, juncto de schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de formele motiveringplicht tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke XIV-4004-4/7 motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem of haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat het conflict tussen Ethiopië en Eritrea reeds in mei 1998 is begonnen en dat het dan ook weinig aannemelijk is dat de familie van verzoekster pas midden 2000 door de Ethiopische autoriteiten werd vervolgd omwille van haar etnische origine, en dat Ethiopië en Eritrea een wapenstilstand sloten in het voorjaar van 2000 en een vredesverdrag ondertekenden op 12 december 2000; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag eveneens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten op basis van volgende overwegingen: - verzoekster maakt op geen enkele manier aannemelijk dat haar moeder van Eritrese afkomst is: ze brengt geen document aan waaruit dit zou blijken, noch enig ander begin van bewijs, ze weet niet waar in Eritrea haar moeder is geboren en ze stelt geen TIGRINYA te spreken terwijl haar moeder deze taal sprak; - er zijn tegenstrijdigheden en hiaten in het relaas van verzoekster: zij verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat ze na haar vrijlating een brief van de regering kreeg dat ze het huis moest verkopen en dat haar tante het advies gaf om het huis inderdaad te verkopen, terwijl ze op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde dat na haar vrijlating het huis verzegeld bleek te zijn en dat er een papier op de deur hing dat het huis aangeslagen was door de overheid en zou worden verkocht. Pas in haar XIV-4004-5/7 verzoekschrift in dringend beroep verklaarde verzoekster voor het eerst dat ze werd vrijgelaten door omkoping; - verzoekster is niet in het bezit van enig document dat een controle van haar reisweg mogelijk maakt; omdat het gaat over twee treinreizen en twee intercontinentale vliegreizen, getuigt dit van een gebrek aan medewerking om de reisweg vast te stellen en houdt dit een negatieve indicatie in voor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas; - de studentenkaart doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen, omdat dit document niet relevant is voor haar asielaanvraag; - het verzoekschrift in dringend beroep bevat geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen; Overwegende dat uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoekster om verschillende redenen bedrieglijk heeft verklaard, met name omdat verzoekster de Eritrese afkomst van haar moeder niet bewijst, omdat er tegenstrijdigheden en hiaten zijn in haar asielrelaas, en omdat zij niet in het bezit is van enig reisdocument; dat verzoekster deze laatste twee elementen niet betwist; dat bijgevolg alleen reeds hierom kan worden vastgesteld dat de Commissaris- generaal op goede gronden tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten; dat hieraan wordt toegevoegd dat verzoekster haar asielaanvraag hoofdzakelijk steunt op de Eritrese afkomst van haar moeder en op de spanningen tussen Eritrea en Ethiopië; dat omtrent dit essentiële element van haar asielaanvraag mag worden verwacht dat verzoekster enig begin van bewijs verschaft, of enige notie zou hebben van de taal en van de geboorteplaats van haar moeder; Overwegende dat verzoekster in het middel een rapport aanhaalt om aan te tonen dat er op 24 februari 2000 nog gevechten waren, en dat zij verwijst naar Resoluties van de Veiligheidsraad als bewijs van een hernieuwd uitbreken van de oorlog op 12 mei 2000; dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het conflict tussen Eritrea en Ethiopië reeds begon in mei 1998 en dat in het voorjaar van 2000 een wapenstilstand werd gesloten; dat deze gegevens niet onverenigbaar lijken met elkaar; dat verzoekster het verband niet aantoont tussen de gevechten van 24 februari en 12 mei 2000 en haar persoonlijke situatie; dat de vaststelling in de bestreden beslissing dat “het (...) weinig aannemelijk is dat de familie van betrokkene pas midden 2000 door de Ethiopische autoriteiten vervolgd werd” hierdoor niet wordt weerlegd; Overwegende dat verzoekster niet betwist dat zij geen andere documenten heeft voorgelegd dan haar studentenkaart; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoekster geen enkel document heeft voorgelegd dat een controle van haar reisweg mogelijk maakt en dat dit getuigt van een gebrek aan medewerking; dat verzoekster niet verduidelijkt waarom een studentenkaart relevant zou zijn voor haar asielaanvraag die steunt op de afkomst van haar moeder en op XIV-4004-6/7 een gewapend conflict tussen twee landen; dat de Commissaris-generaal in dit verband op correcte wijze tot zijn conclusie is gekomen; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op afdoende, pertinente deugdelijke en terzake dienende motieven; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-4004-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.762 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div