← België

Arrest 143763 - - 27/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.763 Rolnummer: A. 127978/XIV-12121 Zaak: Arrest 143763 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-09 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 12:00 Fiche Arrest nr 143.763 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.763 van 27 april 2005 in de zaak A. 127.978/XIV-12.

  1. In zake : XXX, wonende te 7000 MONS, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 juni 1976 en van Oezbeekse nationaliteit, op 18 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 augustus 2002 waarbij het beroep tegen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, niet in aanmerking wordt genomen, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 29 augustus 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 21 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.121-1/5 Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat F.A. NIANG verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché V. HOEF- NAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 27 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 30 augustus
  4. 1.
  5. Op 4 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 29 juli 2002 dient verzoekster een dringend beroep in tegen deze beslissing. 1.
  6. Op 29 augustus 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing dat het dringend beroep van verzoekster niet in aanmerking wordt genomen wegens laattijdigheid. Dit is de bestreden beslissing die als volgt luidt: “(...) Op 29 juli 2002 heeft u een dringend beroep ingediend tegen de beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van de gemachtigde van de Minister inzake uw aanvraag tot het bekomen van het statuut van vluchteling. De beslissing van de gemachtigde van de Minister werd u op 09 oktober 2000 ter kennis gebracht. Uw beroep werd niet binnen de drie werkdagen ingediend zoals voorgeschreven door artikel 63/2, 2/ van de Vreemdelingenwet van 15 december
  7. U brengt evenmin een geldige reden aan die de laattijdigheid kan verklaren. Bijgevolg wordt uw beroep niet in aanmerking genomen en blijft de termijn om het grondgebied te verlaten die desgevallend werd vermeld in de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken geldig. (...).”. 2.
  8. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke XIV-12.121-2/5 motivering van de bestuurshandelingen; van de artikelen 3, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); van artikel 149 van de Grondwet; dat verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd; dat zij doet gelden dat ze duidelijk heeft uiteengezet dat zij wordt vervolgd in haar land van herkomst omwille van haar etnische afkomst; dat verzoekster stelt dat de bestreden beslissing daar niet op ingaat en dat het beroep wordt verworpen omdat dit laattijdig zou zijn ingediend, terwijl verzoekster nochtans haar adreswijziging had meegedeeld; 2.
  9. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing uiteenzet dat de beslissing tot weigering van verblijf aan verzoekster ter kennis werd gebracht op 9 oktober 2000; dat zij haar beroep niet heeft ingediend binnen de drie werkdagen zoals voorgeschreven door artikel 63/2, § 2 van de Vreemdelingenwet en dat zij evenmin een geldige reden aanbrengt die de laattijdigheid kan verklaren; Overwegende dat artikel 63/2, § 2 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat het dringend beroep moet worden ingediend binnen drie werkdagen na de kennisgeving van de weigering van verblijf; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, op 6 oktober 2000 aangetekend werd verstuurd naar het adres waar verzoekster naar aanleiding van haar asielaanvraag keuze van woonplaats had gedaan, met name te 1030 Schaarbeek; dat op maandag 9 oktober 2000 een bericht in de bus werd achtergelaten; dat deze zending niet werd afgehaald; dat zich in het administratief dossier geen bericht van adreswijziging bevindt; dat bijgevolg de beslissing tot weigering van verblijf rechtsgeldig werd ter kennis gebracht; dat verzoekster op 29 juli 2002 een dringend beroep indient; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dit dringend beroep niet in aanmerking XIV-12.121-3/5 neemt omdat het niet binnen de drie werkdagen werd ingediend en omdat verzoekster geen geldige reden aanbrengt die deze laattijdigheid kan verklaren; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft vastgesteld dat het dringend beroep van verzoekster laattijdig is; dat de Commissaris-generaal in dit geval het beroep niet in aanmerking neemt en bijgevolg niet ingaat op de inhoudelijke aspecten van het beroep; dat de beslissing steunt op pertinente, deugdelijke, afdoende en terzake dienende motieven; Overwegende dat verzoekster de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet uiteenzet, dat hetzelfde geldt voor de schending van artikel 3 van de Vreemdelingenwet, en dat artikel 149 van de Grondwet niet van toepassing is op administratiefrechtelijke beslissingen; dat het enig middel ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-12.121-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.121-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.763 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.