id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.771 Rolnummer: A. 118507/XIV-9203 Zaak: Arrest 143771 - - 27/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 12:01 Fiche Arrest nr 143.771 van 27 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.771 van 27 april 2005 in de zaak A. 118.507/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MATTHIJS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 54 - 57 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 september 1945 en van XXX nationaliteit, op 21 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 25 februari 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; XIV-9203-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die loco Advocaat A. MATTHIJS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat uit het faxbericht van Advocaat A. MATTHIJS dd. 8 maart 2005 blijkt dat hij aan de Advocaat die verschijnt, drager der stukken ter terechtzit- ting, de opdracht geeft om namens hem te verschijnen; dat bijgevolg met de brief van Advocaat K. VERSTREPEN dd. 26 januari 2005 geen rekening wordt gehouden, gelet op het feit dat zij niet verschijnt ter terechtzitting en op de inhoud van voornoemd faxbericht;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 25 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op 30 oktober
- 1.
- Op 28 mei 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 februari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, die verklaart de XXX nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van T. U zou zijn gehuwd met S. (CG 00/39116B). U zou sinds het vertrek van de S. uit XXX in de tiende maand van 1357 (P. kalender, k.o.m. dec-jan. 1998/99) actief lid zijn van de royalistische "S. " die u samen met anderen zou hebben opgericht. U zou vergaderingen hebben bijgewoond, pamfletten hebben verspreid en artikels hebben geschreven. Met het verspreiden van XIV-9203-2/8 pamfletten zou uw schoonzoon u, sinds zijn huwelijk met uw dochter, hebben geholpen. In de elfde maand van 1362 (Jan-febr.1984) zou u zijn gearresteerd omwille van uw politieke activiteiten. U zou, zonder proces, acht maanden en tien dagen zijn vastgehouden. In de tiende maand van 1371 (dec-jan.1992/93) zou u opnieuw zijn gearresteerd. Deze keer zou u, op beschuldiging van activi(ti)sme tegen het regime en poging tot omverwerping van het regime, zijn veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. Op 31/4/1378 (22/7/1999) zou u een derde maal zijn gearresteerd nadat u een redevoering had gehouden over corrupte praktijken van de zoon van R. in verband met de export van een archeologische schat. Tweeënzeventig dagen na uw arrestatie zou u zijn veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. De beschuldiging zou ditmaal poging tot omverwerping van het regime, activisme tegen het regime en "mohareb" (= wie strijdt tegen God) zijn geweest. Uw schoonzoon, Morteza, zou u in de gevangenis hebben gewaarschuwd dat hij van uw neef, D., zou zijn te weten gekomen dat de autoriteiten u wilden elimineren. Daarop zou u hebben besloten XXX te verlaten. U zou, met de hulp van D. en parlementsafgevaardigde P., één week penitentiair verlof hebben gekregen, met ingang vanaf 20/6/1379 (11/9/2000). Uw echtgenote en uw schoonzoon zouden borg hebben gestaan. Vier dagen later zou u, samen met uw echtgenote, uit T. zijn vertrokken om XXX te verlaten. Uw schoonzoon zou één dag later zijn vertrokken. Op 25 oktober 2000 zou u in België zijn aangekomen en op 30 oktober 2000 heeft u hier asiel aangevraagd. Uw dochter N. en haar echtgenoot, M. (CG 00/42630+B) hebben eveneens asiel aangevraagd in België. Vooreerst dient te worden (opgemerkt) dat u en uw schoonzoon M. tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd waardoor de oprechtheid van uw asielaanvraag in twijfel kan worden getrokken. Zo verklaart u dat u na uw laatste arrestatie bent veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Deze veroordeling zou zijn uitgesproken door de "S." (= gerechtelijke organisatie van gewapende troepen) (CG p.15 en DVZ bijl.p.10). Uw schoonzoon verklaart echter dat u na uw laatste arrestatie ter dood veroordeeld bent door de revolutionaire rechtbank (CG 00/42630, p. 13). Vervolgens dient te worden vastgesteld dat u uw verklaringen in de loop van uw asielprocedure heeft aangedikt. Zo verklaart u in dringend beroep dat uw schoonzoon u, bij één van zijn bezoekjes in de gevangenis, heeft gewaarschuwd dat men u wou elimineren. Daarop zou u zijn beginnen zoeken naar een manier om de gevangenis te verlaten om vervolgens het land te verlaten (CG p. 17). Van de waarschuwing van uw schoonzoon dat men u wou elimeren, heeft u echter helemaal geen melding (van) gemaakt tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken. Daar zegt u alleen dat niemand tien jaar gevangenis overleeft, zelfs al ben je sterk. Bovendien maakte u tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken zelfs geen melding van D. U haalt alleen P. aan als degene met wiens hulp u penitentiair verlof zou hebben verkregen DVZ bijl.p.7). Daarenboven maakt uw schoonzoon zelf ook helemaal geen melding van deze waarschu- wing in de loop van zijn asielprocedure, noch van het feit dat hij u zou hebben voorzien van een stukje koperdraad om de medische apparatuur te manipuleren, zoals u zelf verklaart (CG p l7). Daarnaast is uw verklaring in dringend beroep als zou u penitentiair verlof hebben gekregen voor één week (CG p. 19) tegenstrijdig met uw verklaringen tegenover de Dienst Vreemdelin-genzaken waar u beweerde tien dagen penitentiair verlof te hebben gekregen (DVZ bijl.p.7) Verder legt u tegenstrijdige verklaringen af met betrekking tot de datum van uw laatste arrestatie. Volgens uw verklaringen in dringend beroep was dit op 31/4/1378 (22/7/1999) terwijl u tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde dat u in de zesde maand van 1378 (aug-sept. 1999) werd gearresteerd. Bovendien geeft u in dringend beroep en tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken een andere aanleiding op voor uw laatste arrestatie. Zo verklaart u in dringend beroep dat u werd opgepakt op het moment dat u vertrok van een plaats waar u net een redevoering had gegeven over illegale praktijken van de zoon van R. in verband met de export van een archeologische schat (CG p. 14). Tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken heeft u echter niets gezegd over deze redevoering die u zou hebben gehouden. U doet er uitschijnen te zijn gearresteerd omwille van propaganda die u zou hebben gemaakt voor P. in de aanloop van de parlementaire verkiezingen in
- U zou immers zijn veroordeeld omwille van propaganda (DVZ bijl.p.7). Vervolgens verklaart u dat u op 24/6/1379 (15/9/2000) samen met uw echtgenote uit T. bent vertrokken. Uw schoonzoon zou één dag later uit T. zijn vertrokken en zou de reis alleen hebben afgelegd (CG p.20). Uw schoonzoon beweert echter, in tegenstelling tot uw bewering, dat hij samen met jullie is gereisd tot in S. (CG schoonzoon, p. 17). Gezien bovenstaande vaststellingen kan er geen geloof worden gehecht aan uw vluchtrelaas. Tot slot zijn de documenten die u heeft neergelegd ter ondersteuning van uw asielaanvraag, niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier kunnen wijzigen. Deze documenten zijn uw boekje burgerlijke stand en dat van uw echtgenote, uw rijbewijs, documenten met betrekking tot uw kwekerij, werkkaart voor S., de ontslagbrief van het ministerie van financiën en uw lidkaart van "N.". Met betrekking tot deze lidkaart dient te XIV-9203-3/8 worden opgemerkt dat u deze kaart op eigen aanvraag heeft verkregen toen u reeds in België was. Bijgevolg zegt deze kaart niets over activiteiten die u in XXX voor deze partij zou hebben gehad. (...).”.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert waarin hij de motieven van de bestreden beslissing betwist; dat hij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht inroept; 2.
- Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvank- elijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvan-kelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker, geput uit de gegevens van het dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van de motieven die integraal worden weergegeven onder punt 1.
- van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden: - verzoekers verklaringen stemmen niet overeen met de verklaringen van zijn schoonzoon, de heer M. Hierdoor kan de oprechtheid van verzoekers asielrelaas in twijfel worden getrokken. Het gaat meerbepaald om de straf waartoe verzoeker werd veroordeeld en om de rechtbank die ze uitsprak; - verzoeker dikt zijn verklaringen in de loop van de procedure aan. Zo maakt hij op het Commissariaat-generaal melding van de waarschuwing dat hij zou worden geëlimineerd, en van M. Bovendien maakt verzoekers schoonzoon geen melding van de waarschuwing noch van het stukje koperdraad om de medische apparatuur te manipuleren; - verzoeker legt tegenstrijdige verklaringen af over de duur van zijn penitentiair verlof en de datum van zijn laatste arrestatie; - verzoeker geeft in dringend beroep en tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken een andere verklaring voor zijn laatste arrestatie; XIV-9203-4/8 - verzoekers bewering dat hij en zijn echtgenote samen met hun schoonzoon de reis naar België aanvatten, is tegenstrijdig met die van de schoonzoon; - verzoekers voorgelegde documenten kunnen bovenstaande appreciatie niet wijzigen; 2.
- Overwegende dat verzoeker betwist dat het motief over de tegenstrijdighe- den tussen zijn verklaringen en die van zijn schoonzoon (volgens verzoeker het “hoofdelement” waarop de bestreden beslissing is gebaseerd) draagkrachtig is; dat hij vooreerst aanvoert dat hij en zijn schoonzoon niet “alles van elkaar tot in de details weten”, dat hun beider verklaringen slechts “in een aantal kleine details” verschillen en dat het niet uitgesloten is dat één van hen de waarheid spreekt; dat verzoeker de eerste tegenstrijdigheid toeschrijft aan een vertaalprobleem; dat hij het verder logisch noemt dat bepaalde zaken worden aangedikt, zodat dit geen relevant motief kan uitmaken; dat hij hierbij ook wijst op vertaalproblemen; dat hij aanvoert dat het feit dat zijn schoonzoon bepaalde personen wel vermeldde, niet van aard is om te twijfelen aan zijn asielaanvraag; dat hij de tegenstrijdigheid in verband met de duur van het penitentiair verlof beschouwt als een detail; dat hij het argument over de “andere aanleidingen” die hij in dringend beroep zou hebben gegeven voor zijn “vraag tot asiel”, wijt aan het taalverschil tussen hem en de tolk, waardoor belangrijke nuances verloren zijn gegaan; dat hij ten slotte opmerkt dat de Commissaris-generaal op zijn minst bepaalde beweringen bij de XXX. instanties had kunnen nagaan; Overwegende dat de bestreden beslissing in haar totaliteit moet worden gelezen; dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard op grond van het geheel van motieven, opgenomen in de bestreden beslissing; dat het motief omtrent de tegenstrijdighe- den tussen verzoekers relaas en dat van zijn schoonzoon niet het “hoofdelement” is van de bestreden beslissing: dat de Commissaris-generaal tevens opmerkt dat verzoekers opeenvol- gende verklaringen niet eensluidend zijn en dat hij zijn verklaringen heeft “aangedikt”; Overwegende dat verzoeker niet kan worden gevolgd wanneer hij stelt dat sommige motieven slechts “kleine details” betreffen; dat de straf waartoe verzoeker werd veroordeeld en de rechtbank die ze uitsprak immers een essentieel element vormen in verzoekers asielrelaas, net als zijn vertrek uit zijn land van herkomst; dat mag worden verwacht dat zowel verzoeker als zijn schoonzoon hierover eensluidende verklaringen (kunnen) afleggen; dat de Commissaris-generaal terecht in de verklaringen van verzoeker en zijn schoonzoon die tegenstrijdigheden ontwaarde, aangezien hun verklaringen terzake duidelijk zijn; Overwegende dat verzoeker erkent dat hij feiten heeft aangedikt maar deze werkwijze tracht te vergoelijken; dat van een kandidaat-vluchteling evenwel mag worden verwacht dat hij de feiten die aan de basis liggen van zijn vlucht uit zijn land van herkomst op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de bevoegde asielinstanties, zodat zij in staat zijn om op grond van die gegevens de asielaanvraag correct te beoordelen; dat XIV-9203-5/8 verzoekers opeenvolgende verklaringen niet coherent zijn; dat ze zowel “aangedikt” zijn als tegenstrijdig, zodat de Commissaris-generaal kan twijfelen aan de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas; Overwegende dat het argument van verzoeker omtrent het feit dat zijn schoonzoon bepaalde personen (M.) wel vermeldde en hij niet, voorspruit uit een verkeerde lezing van de bestreden beslissing; dat het immers een lacune betreft, gedistilleerd uit de opeenvolgende verklaringen van verzoeker voor de verschillende asielinstanties; dat hetzelfde geldt voor verzoekers argument in verband met de duur van zijn penitentiair verlof; dat deze tegenstrijdigheid afgeleid werd uit een vergelijking van verzoekers opeenvolgende verklaringen en niet uit een vergelijking van zijn relaas met dat van zijn schoonzoon; dat deze tegenstrijdig- heid steun vindt in het administratief dossier en duidelijk is; dat de bestreden beslissing overigens niet alleen steunt op dit motief maar op een geheel van motieven die de Commissaris-generaal hebben doen besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag; Overwegende dat verzoeker tevens opwerpt dat de tolk zijn verklarin-gen niet correct zou hebben weergegeven; dat verzoekers grief feitelijke grondslag mist; dat uit het administratief dossier immers blijkt dat verzoeker om de bijstand vroeg van een P. tolk; dat hij zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal werd bijgestaan door een P. tolk; dat verzoekers relaas hem op de Dienst Vreemdelingenzaken werd voorgelezen en dat hij door het plaatsen van zijn handtekening erkende dat het verhoorverslag overeenstemt met de inlichtingen die hij heeft gegeven; dat aan verzoeker bij de aanvang van het interview op het Commissariaat-generaal werd gevraagd of hij de tolk begreep, waarop hij bevestigend antwoordde; dat tevens werd afgesproken om problemen met het begrijpen van de (P.) tolk tijdens het interview onmiddellijk te melden; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker desbetreffend opmerkingen heeft gemaakt; dat daaraan wordt toegevoegd dat in de bestreden beslissing, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, geen sprake is van een wijziging van het motief om asiel te vragen, wel wordt vastgesteld dat de aanleiding die verzoeker gaf voor zijn laatste arrestatie, veranderd is; Overwegende dat verzoeker ten slotte aanvoert dat de Commissaris- generaal bepaalde beweringen bij de XXX instanties kan laten nagaan; dat geen wetsbepaling de Commissaris-generaal verplicht om de feiten die een kandidaat-vluchteling aanhaalt, te gaan controleren bij instanties in het land van herkomst; dat de bewijslast in de eerste plaats bij de kandidaat-vluchteling ligt; dat het hem toekomt om de feiten die aan de basis liggen van zijn vlucht uit zijn land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weer te geven aan de bevoegde asielinstanties; 2.
- Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat hij geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het XIV-9203-6/8 bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-9203-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-9203-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.