id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.822 Rolnummer: A. 74552/XII-730 Zaak: Arrest 143822 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-17 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 12:05 Fiche Arrest nr 143.822 van 28 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.822 van 28 april 2005 in de zaak A. 74.552/XII-
- In zake : Etienne DE VALCK, wonende te Kapelle-op-den-Bos, Ferdinand Van Guchtstraat 12 tegen :
- de GEMEENTE KAPELLE-OP-DEN-BOS,
- het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Etienne De Valck op 4 juni 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 april 1997 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden waarbij het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Kapelle-op-den-Bos van 13 januari 1997, houdende het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege aan verzoeker, wordt goedgekeurd; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 22 mei 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2004; XII-730-1/8 Gelet op het uitstel van de zaak tot de terechtzitting van 21 december 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Pauwels en van advocaat O. Van Den Bergh die, loco advocaat D. Pauwels verschijnt voor verzoeker, en van advocaat E. De Bock en van advocaat A. Croonenberghs die, loco advocaat E. De Bock verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker is hoofdinspecteur eerste klasse bij de politie van Kapelle-op-den-Bos. Op 11 maart 1996 stelt de commissaris van politie van de gemeente ten aanzien van de burgemeester lastens verzoeker een bestuurlijk verslag op, dat als volgt luidt : “Betreft : - Vaststellingen inzake een bouwdossier. - Mededeling van feiten dd. 2/1/
- Aansluitend op mijn mededelingen van vrijdag, 1 maart 1996 kan ik het volgende ter kennis brengen : Het dossier van de illegale aanleg van een parking door de firma AL-AL met nr. 66.38.3159/89, dd. 14/8/1989 kwam recent opnieuw naar onze dienst voor het verifiëren van de huidige toestand. De laatste controle gebeurde door mij op 10/6/1994 : ongeveer 1/3de werd gesaneerd De vordering van Stedebouw luidde om de parking op percelen 124a (de weide) en 125m (waar de fabricatiehall van AL-AL op staat) volledig te saneren. Dit houdt in : het verwijderen van de bouw- en sloopafval en vervanging door teeltaarde. Enkel het gedeelte van de vroegere weide werd aangepast. Op 28/2/1996 akteerde HIK DE VALCK in zijn proces-verbaal van vaststellingen dat gans de plaats was gesaneerd. Dit is niet juist. Aan het XII-730-2/8 bouwdossier werd door mij een navolgend P.V. gemaakt met de werkelijke toestand. Om polemieken te vermijden contacteerde ik de dienst Milieuinspectie. Het hoofd van de dienst, de heer VAN DE MAELE kwam persoonlijk op maandag, 4/3/96 : hij stelde met zijn medewerker vast 'dat het nog steeds dezelfde afval betreft als in 1989.' Zij noteerden : 'Het bedrijf nam blijkbaar geen initiatief om de bouw- en sloopafval te verwijderen van de strook op perceel nr. 125 m.'. In acht genomen deze flagrante foute vaststellingen in een proces-verbaal dat tenslotte een authentieke akte is, contacteerde ik mevr. DIEUDONNE, substituut procureur des Konings te Brussel - Bureau D. Tevens lichtte ik de heer VAN HERCK in, verbonden aan het Comité P - Dienst Enquêtes (verplicht in te lichten in toepassing op de wet op de controle van de politiediensten). Naar aanleiding van de feiten werd door mij ten laste van HIK DE VALCK proces-verbaal nr. 25.38.027/96 dd. 4/3/1996 opgesteld hoofdens valsheid in geschrifte, toegezonden aan het parket, met afschrift aan het Comité P. Het verder onderzoek zal door deze dienst gebeuren. De tweede zaak, namelijk de diefstal van winkelwaren, die dateert van 2/1/1996 ten nadele van de gemeente, waarvan dezelfde HIK verdacht wordt is U inmiddels genoegzaam bekend. Ik kan ter kennis brengen dat mevr. DIEUDONNE van Bureau D en het Comité P - Dienst Enquêtes hier eveneens van in kennis gesteld werden. Ter zake werd door mij ten laste van HIK DE VALCK proces-verbaal nummer 17.38.041/96 dd. 8/3/1996 opgesteld hoofdens huisdiefstal. Het verdere onderzoek zal eveneens door het Comité P gebeuren. Het lijkt mij duidelijk dat dergelijke feiten, afgezien van een eventuele vervolging en/of veroordeling door de correctionele rechtbank te Brussel (op valsheid in geschrifte door een ambtenaar in functie en huisdiefstal staan correctionele straffen) ook aanleiding geven tot een administratieve tuchtprocedure. In acht genomen de zwaarwichtigheid van de feiten en afgezien van een eventuele veroordeling door de correctionele rechtbank, adviseer ik de afzetting van betrokken hoofdinspecteur door de gemeenteraad. Deze beslissing is zeer zwaar; anderzijds is het onverzoenbaar dat een politieambtenaar een bouwdossier door foute vaststellingen een andere richting krijgt dan wanneer de werkelijkheid wordt weergegeven. Daarbij komt dat een politieambtenaar integer en onbesproken hoort te zijn; wat gebeurde op 2 januari 1996 is een politieman onwaardig, onverenigbaar en onverzoenbaar met het ambt.”. De burgemeester verzoekt de procureur-generaal bij schrijven van 17 juni 1996 om diens instemming voor een tuchtrechtelijk optreden ten aanzien van verzoeker, onder verwijzing naar artikel 293 van de nieuwe gemeentewet. Bij brief van 25 juni 1996 betuigt de procureur-generaal zijn instemming met “passende disciplinaire maatregelen”. Op 13 januari 1997 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de gemeenteraad gehoord. XII-730-3/8 Op diezelfde dag beslist de gemeenteraad verzoeker met onmiddellijke ingang de tuchtstraf van "het ontslag van ambtswege" op te leggen. Bij aangetekend schrijven van 17 januari 1997 wordt de voornoemde tuchtstraf aan verzoeker medegedeeld. Bij brief van 14 februari 1997 stelt verzoeker bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden beroep in tegen de hem opgelegde tuchtstraf. Op 11 maart 1997 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn vakbondsafgevaardigde, gehoord door een ambtenaar van de Vlaamse Gemeenschap. Op 18 april 1997 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden het besluit van 13 januari 1997 van de gemeenteraad van de gemeente Kapelle-op-den-Bos, houdende het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege aan verzoeker, goed te keuren;
- De gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift in een enig middel de schending inroept van het evenredigheidsbeginsel, doordat de feiten die hem ten laste worden gelegd niet van aard zijn de opgelegde sanctie te rechtvaardigen terwijl het evenredigheidsbeginsel inhoudt dat in tuchtzaken de straf in een redelijke verhouding moet staan tot de fout; dat hij daartoe nader betoogt hetgeen volgt : “Verzoeker wil evenwel benadrukken dat met de door hem aangevoerde argumentatie geen rekening werd gehouden; meer bepaald dat de toch bestaande verplichting om rekening te houden met verzachtende omstandigheden niet werd ingevuld. Verzoeker houdt derhalve staande dat de omschrijving van de ten laste gelegde feiten veel ernstiger klinkt dan de werkelijke toedracht. Ter staving kan gerefereerd worden naar het arrest Kostermans, nr. 18.258 van 4.05.77 waarin gesteld wordt dat enkel een rechter een strafrechtelijke kwalificatie kan geven. 'Wanneer het bestuur bepaalde feiten strafrechtelijk kwalificeert, heeft dit tot doel of ten minste tot gevolg dat aan die feiten de graad van morele afkeuring wordt gegeven die strafrechtelijk beteugelde feiten hebben en die uiteraard verder gaat dan de afkeuring gehecht aan niet strafrechtelijk beteugelde misdragingen die alleen maar een tuchtfout uitmaken'. Hierbij weerlegt verzoeker ook het standpunt als zou hij geen bezwaar hebben ingesteld tegen de term 'valsheid in geschrifte'. XII-730-4/8 In casu meent verzoeker dat de kwalificatie 'valsheid in geschrifte' ten onrechte is. Verzoeker geeft toe fouten te hebben gemaakt; hij betwist evenwel het opzettelijk karakter ervan; noch enig kwaad opzicht in zijnen hoofde. Hij wenst te herinneren aan het feit van zijn negentien jaren onberispelijke dienst, tevens wenst hij te verwijzen naar het feit dat hij een goede werkkracht is (van de 582 kantschriften die in 1996 werden gemaakt werden er 162 door hem gemaakt, het korps bestaat uit 5 agenten). Van groot belang is tevens het feit dat het parket de zaak heeft geseponeerd, waarbij men enkel kan konkluderen dat de aantijging niet gegrond bevonden werd, minstens niet zo zwaarwichtig als de tuchtoverheid wil laten uitschijnen. Ongeacht hoe men deze seponering ook interpreteert; het blijft een feit dat het niet wijst op een zeer zwaarwichtig karakter van de feiten. Feit blijft dat niet of onvoldoende rekening werd gehouden met deze elementen en dat aan ondergetekende een in verhouding te zware sanctie werd opgelegd. [...] Verzoeker meent dan ook dat 'de beslissing; eveneens als het tot stand komen van deze beslissing getuigt van een zeer grote willekeur'”; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog beklemtoont zich wel degelijk van meet af aan verzet te hebben tegen het gebruik van de term “valsheid in geschrifte” bij de behandeling van zijn tuchtdossier en het evenredigheidsbeginsel te dezen op manifeste wijze geschonden te achten; dat hij in zijn laatste memorie bij het feit van de “beweerde valsheid in geschrifte” stelt dat het “enkel en alleen gekwalificeerd kan worden als een onnauwkeurige vaststelling” en dat betreffende de ontvreemding van eetwaren “zeer ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de omstandigheden waarin het feit is gebeurd”; Overwegende dat verzoeker zich op een aantal “verzachtende omstandigheden” beroept waarmee geen rekening zou zijn gehouden -de onjuiste “kwalificatie” van de feiten, de seponering in het strafonderzoek, zijn jarenlange onberispelijke staat van dienst en het feit dat hij een goede werkkracht was; dat hij zich in zijn grieven evenzeer blijkt te richten tegen de bestreden goedkeurings- beslissing als tegen de goedgekeurde beslissing van de gemeenteraad; dat deze laatste zijn oordeel steunt op een belangrijke verzwarende omstandigheid en wel als volgt : “Overwegende dat de feiten gepleegd zijn door een politieambtenaar, tevens officier van gerechtelijke politie, hetgeen uiteraard de ernst ervan nog verzwaren. Overwegende dat een dergelijk personeelslid steeds van onbesproken gedrag moet zijn, en duidelijk een voorbeeldfunctie heeft naar de bevolking toe. Overwegende dat een officier van gerechtelijke politie een integere persoon dient te zijn, ten einde te beschikken over de nodige autoriteit bij de behandeling van delicate aangelegenheden (o.a. verhoren van personen enz.). Overwegende dat de feiten zoals deze gepleegd door de betrokkene, wanneer ze werden begaan door een politieambtenaar extra zwaar doorwegen; XII-730-5/8 dat een politieambtenaar die zich aan zulke feiten schuldig maakt onmogelijk nog het vertrouwen van de bevolking en van zijn collega's kan genieten; Overwegende dat door het plegen van de feiten, om die reden, er een onherstelbare breuk is tot stand gekomen in de relatie tussen het bestuur en de betrokkene; dat het bestuur in geen enkel opzicht nog enig vertrouwen kan hebben in betrokkene, in welke graad of functie hij ook als personeelslid van de gemeente zou behouden blijven; Overwegende dat derhalve alleen de verwijdering van betrokkene uit het personeelsbestand van de gemeente als enige mogelijke oplossing overblijft; dat deze oplossing enkel en alleen kan worden bereikt door het opleggen van een maximum-tuchtstraf”; dat voorts een verzachtende omstandigheid als volgt in overweging is genomen : “Overwegende dat weliswaar dient rekening gehouden te worden met het goede verleden van betrokkene hetgeen als een verzachtende omstandigheid kan in aanmerking worden genomen”; dat ten slotte ook de strafrechtelijke seponering als volgt ter sprake komt : “Overwegende dat het feit dat de Procureur des Konings geoordeeld heeft de zaak strafrechtelijk te moeten seponeren vanzelfsprekend geen afbreuk doet aan de ernst van de tenlastelegging; dat het seponeren van een dossier op strafrechtelijk gebied bij voorbeeld kan gebeuren om opportuniteitsredenen en dat bovendien het Parket te allen tijde op een seponering kan terugkomen zodat uit het feit van het seponeren niet kan worden afgeleid dat de strafrechtelijke instanties niet zwaar aan de feiten zouden tillen”; Overwegende dat verzoeker de hem ten laste gelegde feiten in hun materieel element niet betwist want toegeeft “fouten” te hebben gemaakt; dat de hierboven beschreven fouten bestaan in, eensdeels, het niet in overeenstemming met de werkelijkheid opstellen van een proces-verbaal en, anderdeels, de ontvreemding van een fles drank; dat die fouten zijn gemaakt door een politieambtenaar die bekleed is met bijzondere bevoegdheden van gerechtelijke politie en waarvan integriteit en autoriteit mogen worden verwacht; dat verzoekers middel enkel steunt op een aangevoerde onevenredigheid tussen de aldus door de tuchtoverheid in aanmerking genomen feiten en de door haar opgelegde sanctie; dat in dat verband de tuchtoverheid niet enkel rekening blijkt te hebben gehouden met verzwarende maar eveneens met verzachtende omstandigheden en niet de zwaarste tuchtstraf heeft opgelegd; dat de geschetste omstandigheden in rekening brengend en de fouten stellende tegenover de sanctie, de Raad van State niet vaststelt dat de tuchtoverheid bij het opleggen van die sanctie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan; dat daarmee niet gezegd wil zijn dat de tuchtoverheid voor de bedoelde feiten geen lichtere straf had kunnen opleggen die evengoed binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid lag; dat het immers nu eenmaal eigen is aan de XII-730-6/8 uitoefening van discretionaire bevoegdheid, zoals de tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn die nochtans elk de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan; dat evenwel niet blijkt dat te dezen de opgelegde sanctie niet in een evenredige verhouding staat tot de feiten die er aanleiding toe gaven; dat het middel gesteund op schending van het evenredigheidsbeginsel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie en daar voor het eerst het volgende nieuwe middel aanvoert : “III. Betreffende de partijdigheid van de gemeentelijke overheid
- Dat door het auditoraat in overweging wordt genomen het gegeven dat de toezichthoudende overheid naderhand de tuchtstraf van het 'ontslag van ambtswege' goedgekeurd heeft. Dat in casu de toezichthoudende overheid, zijnde de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden Leo Peeters, tevens de hoedanigheid van de burgemeester in de gemeente Kapelle-op-den-Bos heeft, zodat aan zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid dient getwijfeld te worden.
- Overwegende dat de regel volgens welke de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn een algemeen rechtsbeginsel is dat als zodanig van toepassing is op een tuchtcollege. Dat deze regel van openbare orde is, zodat het middel dat erop gesteund is in elke graad van het geding kan worden ingeroepen Dat in casu getwijfeld moet worden aan de onafhankelijk en onpartijdig van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden Leo Peeters, om reden dat hij tevens burgemeester is in de gemeente Kapelle-op-den-Bos, en hij nauw betrokken is bij de gemeentelijke politiek. Dat ten bewijze hiervan door verzoeker uittreksels uit de gemeenteraad van Kapelle o/d Bos dd. 9.12.96 en dd. 17.2.97 wordt voorgelegd, waaruit blijkt dat dhr Peeters aan de vergaderingen heeft deelgenomen.”; Overwegende dat deze grieven betreffende de vermeende onpartijdigheid van de tuchtoverheid reeds in het inleidend verzoekschrift konden en, anders dan verzoeker beweert, niet ontvankelijk voor het eerst in de laatste memorie mochten worden opgeworpen; dat het middel dienvolgens niet ontvankelijk is, XII-730-7/8 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-730-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.822 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.