← België

Arrest 143823 - - 28/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.823 Rolnummer: A. 108578/XII-3239 Zaak: Arrest 143823 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-13 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 12:06 Fiche Arrest nr 143.823 van 28 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.823 van 28 april 2005 in de zaak A. 108.578/XII-

  1. In zake : Peter ASMA, die woonplaats kiest bij advocaten R. Beeken en K. Minne, kantoor houdende te Tielt-Winge, Kraasbeekstraat 41 tegen :
  2. de STAD AARSCHOT, die woonplaats kiest bij advocaat B. Van Tongelen, kantoor houdende te Aarschot, Statiestraat 2,
  3. het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter Asma op 7 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 28 maart 2001 van de gemeenteraad van de stad Aarschot waarbij hem de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd en van de beslissing van 8 juni 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, houdende goedkeuring van voornoemd gemeenteraadsbesluit; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 4 november 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gezien de voortzetting van de procedure van verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; XII-3239-1/22 Gelet op de beschikking van 5 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2004; Gehoord het verslag van auditeur H. Colin; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. Goossens, die loco advocaat R. Verbeeken verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. Van Aerschot, die loco advocaat B. Van Tongelen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De gegevens van de zaak. 1.
  5. Bij besluit van 23 augustus 1992 van de gemeenteraad van de stad Aarschot wordt verzoeker benoemd tot agent-brigadier bij de stedelijke politie. 1.
  6. Op 22 september 2000 stelt de korpschef een verslag op betreffende een ordemaatregel ten laste van verzoeker. In dat verslag wordt vastgesteld

(1)dat verzoeker op 21 september 2000, buiten zijn diensturen, betrokken was bij een verkeersongeval met kleine stoffelijke schade, dat de rijkswacht vaststelde dat hij zich daarbij onder invloed van alcoholintoxicatie bevond, dat de procureur des Konings op 22 september 2000 zijn rijbewijs introk,
(2)dat verzoeker op 22 september 2000, buiten dienst maar op een ogenblik dat hij niet meer over zijn rijbewijs beschikte, een vuilniszak omverreed, dat de politie vaststelde dat hij daarop opnieuw aanstalten maakte om te sturen en tekens van dronkenschap vertoonde,
(3)dat een intern onderzoek loopt over het gedrag van verzoeker op 20 september 2000, met name het buiten de dienst aanwezig zijn, in uniform en met zijn dienstwapen, in de herberg “De Living”, waarbij hij tot tweemaal toe zijn dienstwapen uit het holster zou gehaald hebben om dit aan omstaanders te tonen, en XII-3239-2/22
(4)dat tevens een intern onderzoek loopt over het gedrag van verzoeker op 19 augustus 2000 in de stadsfeestzaal, waar hij met zijn dienstkaart zou gezwaaid hebben om gratis bier te eisen en tevens meisjes zou lastig gevallen hebben. Wat betreft de feiten sub 1 en 2, wordt in het verslag gesteld dat betrokkene strafrechtelijk zal worden vervolgd. Voorts wordt aangegeven dat één of meer verslagen betreffende de inbreuk op de tucht zullen opgesteld worden van zodra de voormelde feiten sub 3 en 4 voldoende onderzocht zijn. De korpschef stelt voor, met toepassing van de artikelen 310 en 312 van de nieuwe gemeentewet, verzoeker de ordemaatregel van de preventieve schorsing voor vier maanden op te leggen. Hij zendt zijn verslag aan de burgemeester op 23 september 2000. 1.3. In een brief van 26 september 2000 brengt de korpschef de burgemeester in kennis van de volgende feiten betreffende verzoeker :
(1)op 21 september 2000 was verzoeker, buiten zijn diensturen, betrokken in een verkeersongeval; de rijkswacht stelde vast dat hij zich in staat van dronkenschap bevond; het parket trok zijn rijbewijs in;
(2)op 22 september 2000 reed verzoeker een vuilniszak omver; de politie stelde vast dat hij tekens van dronkenschap vertoonde;
(3)op 23 september 2000 ondernam verzoeker pogingen om zijn voertuig te laten starten; in opdracht van het parket werd het voertuig geïmmobiliseerd door middel van een wielklem; diezelfde avond bleek het voertuig verdwenen inclusief de wielklem; het werd later in de omgeving van de woning van verzoeker teruggevonden. Volgens de korpschef is het duidelijk dat het hier om tuchtfeiten gaat waarvoor hij een effectieve bestraffing vraagt, met name een verwijdering uit de dienst. 1.
  1. Eveneens op 26 september 2000 stelt de korpschef “verslag betreffende een inbreuk op de tucht” op ten laste van verzoeker, dat hij nog dezelfde dag aan de burgemeester zendt. Dat verslag betreft de feiten die zich voordeden op 20 september 2000 in de herberg “Living”, en bevat als bijlagen het verslag van het intern onderzoek en vier getuigenverklaringen. De korpschef leidt uit deze stukken af dat XII-3239-3/22 verzoeker zich, buiten zijn diensturen en in politie-uniform met dienstwapens, namelijk pistool, wapenstok en handboeien, in de herberg bevond, dat hij tot driemaal toe zijn dienstvuurwapen uit de holster nam, dat hij dat wapen de eerste maal op een persoon richtte zonder enige veiligheidshandeling uit te voeren, dat hij een tweede maal wel veiligheidshandelingen stelde en vervolgens een demonstratie gaf om liggend te vuren, en dat hij een derde maal zonder enige veiligheidshandeling zijn wapen richtte op voorwerpen achter de toog. De korpschef stelt voor, verzoeker de tuchtstraf op te leggen van de schorsing voor twee maanden. 1.
  2. Op 27 oktober 2000 bezorgt de korpschef aan de burgemeester een verslag van de verantwoordelijke officier voor intern toezicht, over het gedrag van verzoeker in de stadsfeestzaal op 18 en 19 augustus
  3. Bij dat verslag is de getuigenverklaring gevoegd van de organisator van de betrokken fuif Geert L., die verklaart dat verzoeker een dienstkaart toonde teneinde gratis binnen te komen, en aan de toog gratis bier vroeg, van Gunter D., lid van het vrijwillig brandweerkorps, die verklaart dat verzoeker bij het buitengaan zijn arm rond een dansend meisje sloeg de jongen met wie zij danste zijn portefeuille toonde en “politie” zegde, en de verklaring van Eddy C., lid van de stedelijke politie, die op 18 augustus 2000 de dienst dispatching verzekerde, stellende dat een persoon vanuit de stadsfeestzaal hem telefonisch contacteerde om na te gaan of verzoeker bij de politie werkzaam was en de voormelde problemen meldde, dat er nadien een andere persoon hem opzocht om mee te delen dat verzoeker zijn dienstkaart toonde waarop hij gratis bier eiste, dat nog een andere persoon hem nadien kwam melden dat verzoeker meisjes lastig viel en hij, wanneer de liefjes van de meisjes wilden tussenkomen, met één van zijn dienstkaarten zwaaide, dat de voornoemde brandweerman Gunter D. kwam meedelen dat verzoeker hem vroeg te beamen dat hij niet dronken was en ervoor zou zorgen dat de fuiven werden afgeschaft, en dat al deze personen hem gevraagd hebben hun identiteit niet bekend te maken. De korpschef leidt uit het verslag met zijn bijlagen af dat verzoeker op de avond van 18 op 19 augustus 2000 buiten zijn diensturen misbruik maakte van zijn dienstkaart om giften of voordelen te eisen. Volgens de korpschef is het duidelijk dat het hier om tuchtfeiten gaat, waarvoor hij een effectieve bestraffing vraagt. 1.
  4. Met een brief van 28 december 2000 wordt verzoeker een “oproeping tot verhoor in het kader van een tuchtrechtelijk onderzoek” gezonden waarbij hij wordt verzocht voor de burgemeester te verschijnen teneinde te worden XII-3239-4/22 gehoord in zijn verweermiddelen met betrekking tot de volgende hem ten laste gelegde feiten : “• Plaats der feiten : Aarschot, in de stadsfeestzaal, Demervallei 14 • Dag, datum en uur der feiten : Avond van vrijdag 18.08.2000 op zaterdag 19.08.2000 • Buiten de diensturen - tijdens privé-leven : misbruik maken van dienstkaart om giften of voordelen te eisen tijdens een jongerenfuif in de stadsfeestzaal • Plaats der feiten : Aarschot, Schaluinevest, herberg De Living • Dag, datum en uur der feiten : Woensdag 20.09.2000 omstreeks 17u15 • Buiten de diensturen - tijdens privé-leven : onveilige manipulaties van dienstvuurwapen in een herberg in aanwezigheid van andere personen, dragen van dienstwapens, dragen van uniform • Plaats der feiten : Aarschot, Schaluinevest ter hoogte van herberg De Living • Dag, datum en uur der feiten : Donderdag 21.09.2000 omstreeks 22u55 • Buiten de diensturen : verkeersongeval met stoffelijke schade waarbij u betrokken was. Tijdens de vaststellingen bleek u onder invloed van alcoholintoxicatie. • Aanverwante feiten : - Buiten de diensturen : Vrijdag 22.09.2000 omstreeks 18u30 : omver rijden van vuilniszak op ogenblik dat u niet meer beschikte over uw rijbewijs (intrekking van ten minste 15 dagen) - vertonen van tekens van dronkenschap - Buiten de diensturen : Op zaterdag 23.09.2000 vernemen de politie- diensten dat u pogingen ondernam om uw voertuig, dat in de Amerstraat stond, te laten starten om ermee te rijden. In opdracht van het parket wordt het voertuig geïmmobiliseerd door middel van een wielklem. Later wordt uw voertuig teruggevonden in de omgeving van uw woning”. 1.
  5. Op 17 januari 2001 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de burgemeester gehoord. De raadsman van verzoeker verwijst daarbij naar de door hem neergelegde pleitnota, die gevoegd wordt bij het proces-verbaal van de hoorzitting. In die pleitnota laat verzoekers raadsman onder meer gelden dat het dossier ook gewag maakt van een ordemaatregel, dat zijn cliënt enkel opgeroepen werd voor verhoor in verband met een tuchtrechtelijk onderzoek, dat het dan ook noodzakelijk is dat de stukken met betrekking tot de ordemaatregel geweerd worden uit het tuchtrechtelijk dossier, dit “om vermenging te voorkomen”, en dat de stukken met betrekking tot het verkeersongeval met stoffelijke schade van 21 september 2000 aldus niet in acht mogen worden genomen ter gelegenheid van de behandeling van het tuchtrechtelijk dossier. De raadsman verklaart tevens dat verzoeker “in openbare vergadering” Ronny W. als getuige wenst te laten horen. Hij stelt ten slotte dat verzoeker alle tenlasteleggingen betwist. XII-3239-5/22 1.
  6. Met brieven van 29 januari 2001 deelt de burgemeester aan verzoeker en diens raadsman mee dat het getuigenverhoor van Ronny W. zal plaatsvinden op 16 februari 2001, en dat dit verhoor door de burgemeester wordt afgenomen met gesloten deuren. In voetnoot wordt daaromtrent verwezen naar de omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992, waarin de toezichthoudende overheid toelichtingen verschaft inzake de toepassing van onder meer de wet van 24 mei 1991 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling betreft. 1.
  7. Op 16 februari 2001 wordt Ronny W., in aanwezigheid van verzoeker en diens raadsman, gehoord. Blijkens het proces-verbaal van verhoor vraagt de raadsman van verzoeker, “zoals vermeld in zijn schrijven” -bedoeld wordt waarschijnlijk : zijn schriftelijk verweer-, de openbaarheid van de zitting, en legt getuige Ronny W. de volgende verklaring af : “Ik heb Peter Asma nog nooit in uniform met dienstwapen gezien in een café. Ik was die dag in de Living. Peter Asma zat daar aan de toog in gewone kledij”. 1.
  8. Op 9 maart 2001 besluit de burgemeester aan de gemeenteraad voor te stellen om aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dat besluit luidt als volgt : “De Burgemeester, Overwegende dat aan de heer Peter Asma de feiten worden ten laste gelegd, zoals omschreven in de aangetekende brief dd. 28 december 2000 waarbij de betrokkene werd opgeroepen voor een tuchtrechtelijk verhoor en o.m. werd gewezen op de mogelijkheid tot inzage van het dossier en bijstand van een verdediger; Gelet op het tuchtdossier, ingezien door de heer Peter Asma en zijn verdediger de heer Rudi Beeken; Overwegende dat de stukken met betrekking tot de ordemaatregel namelijk het verkeersongeval met stoffelijke schade dd. 21 september 2000 geweerd worden uit het tuchtrechtelijk dossier; Gelet op het verhoor dat op 17 januari 2001 in besloten zitting plaats vond en waarvan ter zitting proces-verbaal werd opgemaakt, voorgelezen en ondertekend door de tuchtoverheid en door de verschijner; Gelet op het verzoek van de heer Peter ASMA, om de heer Ronny W.[...], te laten horen als getuige betreffende de hem ten laste gelegde feiten in de herberg 'De Living' op woensdag 20 september 2000 omstreeks 17u15; Gelet op het getuigenverhoor van de heer Ronny W.[...] dat op 16 februari 2001 plaatsvond en waarvan ter zitting proces-verbaal werd opgemaakt, voorgelezen en ondertekend door de tuchtoverheid en door de getuige; Gelet op getuigenverklaringen van : - [J.V.] XII-3239-6/22 - [R.V.] - [W.V.] - [V.W.] bijgevoegd bij het verslag betreffende een inbreuk op de tucht opgemaakt ten laste van betrokkene door de korpschef, de heer Erwin Tambeur, dd. 26 september 2000; Overwegende dat betrokkene in toepassing van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, tekort komt aan de beroepsplichten vermeld in de volgende bepaling : 'Artikel 132 : Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is'. Overwegende dat betrokkene in toepassing van het besluit van de gemeenteraad dd. 29 december 1997 houdende vaststelling van de rechten en plichten, tuchtregeling, administratieve standen, verlof, afwezigheid, disponibiliteit voor gemeentesecretaris en -ontvanger, technisch, werklieden- en veiligheidspersoneel, tekort komt aan de beroepsplichten vermeld in de volgende bepalingen : - Deel 1 artikel 1 : De personeelsleden moeten in alles de belangen van de gemeente behartigen. Zij zijn gehouden persoonlijk en gewetensvol de dienstverrichtingen na te komen. Zij voeren stipt de dienstorders uit en vervullen hun taak met vlijt en nauwgezetheid. - Deel 1, artikel 2 : De personeelsleden zijn gehouden met de meest volstrekte beleefdheid zowel in hun betrekkingen met hun meerderen, collega's of minderen, als in hun omgang met het publiek. Bovendien zijn ze tegenover het publiek tevens gehouden tot de meeste wellevendheid en de grootste dienstvaardigheid. Zij moeten elkander bijstaan in de mate waarin het dienstverband zulks vereist. In hun particulier leven, zowel als in de dienst, moeten zij alles vermijden wat hun vertrouwen van het publiek zou kunnen schaden en er over waken dat geen afbreuk kan gedaan worden aan hun eer of aan de waardigheid van hun ambt. - Deel 1, artikel 8 : De personeelsleden die er reglementair toe gehouden zijn bij de uitoefening van hun ambt een uniform te dragen, evenals diegenen die uit hoofde van hun functie of ambt of wegens de aard van de hun opgelegde taken zekere kledingstukken of herkenningstekens moeten dragen, waardoor zij door buitenstaanders duidelijk identificeerbaar zijn, zijn verplicht deze uniformen of herkenningstekens te dragen bij de uitoefening van hun functie. Voor wat de politie betreft, wordt het dragen van het uniform geregeld door het Koninklijk Besluit van 24 april 1995..... Buiten de uitoefening van de normale functie is het echter verboden het uniform of herkenningsteken te dragen. Overwegende dat betrokkene in toepassing van de korpsnota nummer 82 van 23 augustus 2000 in overtreding is met volgende bepalingen : 'Alle wapens (zowel individuele als collectieve) worden bewaard in het wapenlokaal op het gelijkvloers. Individuele wapens en collectieve wapens worden bij het einde van de dienst of wanneer ze voor onbepaalde tijd niet gebruikt, gedragen of vervoerd worden, opgeborgen in het wapenlokaal. Er worden geen wapens bewaard in bureelmeubelen of kleerkasten of voertuigen. Iedereen dient ervoor te zorgen dat de dienstwapens steeds op een veilige manier en plaats opgeborgen worden, buiten het bereik van burgers en derden, zodat mogelijk misbruik kan voorkomen worden. Elke politieambtenaar is verantwoordelijk voor de hem/haar toevertrouwde bewapening. Hij/zij dient alle nodige maatregelen te nemen om diefstal, verlies, beschadiging en misbruik te voorkomen en ze in het wapenlokaal te bewaren. XII-3239-7/22 Onder geen enkel voorwendsel worden wapens mee naar huis genomen. Elke politieambtenaar heeft een wapenkastje in het wapenlokaal waarin de individuele wapens dienen opgeborgen te worden'. Overwegende dat betrokkene in toepassing van het gemeentereglement van 27 mei 1999 inzake het uniform en de toekenning van een uniformvergoeding aan de leden van de gemeentepolitie, in overtreding was met de volgende bepalingen 'Artikel 12 : Buiten dienst mag geen enkel uniform- uitrustings- of bewapeningsstuk zonder toelating van de korpschef gedragen worden'. Overwegende daarenboven dat betrokkene tijdens zijn privé-leven en rekening houdend met :
  9. de mate waarin zijn ambt of hijzelf naar buiten toe gekend zijn, namelijk : als lid van de interventiedienst komt hij dagelijks in contact met het publiek. Hierdoor is hij gekend bij verscheidene burger.
  10. de plaats en het tijdstip waarop de feiten zijn gepleegd, namelijk : na de diensturen, in een herberg in aanwezigheid van meerdere personen.
  11. de al dan niet nauwe band die de gepleegde feiten met het ambt vertonen, namelijk - niet elke handelswijze vermeden die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten - de belangen van de dienst geschaad en de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht. Overwegende dat zowel uit de stukken van het tuchtdossier als uit het verhoor blijkt dat de feiten zich hebben voorgedaan zoals omschreven in de voormelde brief; Overwegende dat voor geen enkele van de ten laste gelegde tekortkomingen reeds een tuchtstraf werd uitgesproken; Gelet op de gegevens met betrekking tot de feiten, namelijk : - de ernst van de feiten; - de plaats en het tijdstip waarop de feiten zijn gepleegd; - de omstandigheden waarin de feiten werden gepleegd; - de weerslag van de feiten op het aanzien van de dienst bij het publiek, want rekening houdend met de taak en de goede werking van de politie gaat het vertrouwen dat de overheid in haar politieambtenaren stelt en het vertrouwen dat de politie naar haar klanten moet uitstralen volledig teloor zo men niet blindelings en zonder twijfel op de integriteit van de personeelsleden mag vertrouwen; Gelet op de gegevens eigen aan de persoon die ze beging, namelijk het tuchtrechtelijk verleden, de graad en de functie die hij bekleedt, vorige ongunstige verslagen, zijn bedenkelijke staat van dienst; Overwegende dat uit de ten laste gelegde feiten blijkt dat de betrokkene zijn taak niet op correcte wijze uitoefent, en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt; Gelet op het feit dat het treffen van een tuchtmaatregel noodzakelijk wordt geacht; Gelet op titel XIV De Tuchtregeling van de Nieuwe Gemeentewet; Besluit : Enig Artikel : De Burgemeester stelt voor aan de Gemeenteraad om aan de heer Peter Asma, agent-brigadier bij de Lokale Politie van Aarschot, de volgende tuchtstraf op te leggen nl. 'Het ontslag van ambtswege'”. XII-3239-8/22 1.
  12. Met een brief van 9 maart 2001 wordt het besluit van dezelfde datum van de burgemeester houdende een voorstel tot tuchtstraf aan verzoeker betekend. Er wordt hem meegedeeld dat hij de gelegenheid heeft zijn verweermiddelen tegen dat voorstel voor te dragen aan de gemeenteraad in besloten zitting op 28 maart 2001, dat hij, indien hij voor de gemeenteraad moet verschijnen, het recht heeft de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, dat hij ook het recht heeft het horen van getuigen te vragen, dat het verhoor van de getuigen plaats heeft in zijn aanwezigheid en, wanneer de getuige door de gemeenteraad wordt gehoord, op zijn verzoek en met instemming van de tuchtoverheid in het openbaar, en dat de opgeroepen getuige zich ertegen kan verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. Met een brief van 21 maart 2001 deelt de raadsman van verzoeker mee dat zijn cliënt wenst gebruik te maken van zijn recht om de openbaarheid van de hoorzitting te vragen. 1.
  13. Op 28 maart 2001 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de gemeenteraad gehoord. Blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting verklaart verzoeker dat hij het verhoor wil laten plaatsvinden in openbaarheid, en verwijst zijn raadsman naar het door hem neergelegd schriftelijk verweer, dat bij het proces-verbaal wordt gevoegd. In dat schriftelijk verweer laat zijn raadsman onder meer gelden dat men na studie van het dossier niet anders kan dan tot de conclusie komen dat er ernstige twijfels zijn omtrent de feiten waarvoor verzoeker zich moet verantwoorden, vermits alle getuigenverklaringen die werden afgelegd naar aanleiding van de feiten in de herberg “De Living” tegenstrijdig zijn met elkaar, dat, indien de gemeenteraad zulks wenst, verzoeker niet afkerig is van het verhoor tijdens de vergadering van de betrokken getuigen, en dat ook de feiten in de stadsfeestzaal van 18 augustus 2000 betwistbaar en dubieus zijn. 1.
  14. Bij besluit van 28 maart 2001 van de gemeenteraad van de stad Aarschot wordt aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd. XII-3239-9/22 In dat besluit, dat het eerste voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep, wordt vooreerst de tekst van het besluit van 9 maart 2001 van de burgemeester houdende gemotiveerd voorstel aan de gemeenteraad om aan verzoeker een tuchtstraf op te leggen integraal overgenomen. Vervolgens wordt in dat besluit gesteld wat volgt : “Gelet op het verhoor dat op woensdag 28 maart 2001 in openbare zitting plaats vond; Overwegende dat voor geen enkele van de ten laste gelegde tekortkomingen reeds een tuchtstraf werd uitgesproken; Gelet op de gegevens met betrekking tot de feiten, namelijk : - de ernst van de feiten; - de plaats en het tijdstip waarop de feiten zijn gepleegd; - de omstandigheden waarin de feiten werden gepleegd; - de weerslag van de feiten op het aanzien van de dienst bij het publiek, want rekening houdend met de taak en de goede werking van de politie gaat het vertrouwen dat de overheid in haar politieambtenaren stelt en het vertrouwen dat de politie naar haar klanten moet uitstralen volledig teloor zo men niet blindelings en zonder twijfel op de integriteit van de personeelsleden mag vertrouwen; Gelet op de gegevens eigen aan de persoon die ze beging, namelijk het tuchtrechtelijk verleden, de graad en de functie die hij bekleedt, vorige ongunstige verslagen, zijn bedenkelijke staat van dienst; Overwegende dat uit de ten laste gelegde feiten blijkt dat de betrokkene zijn taak niet op correcte wijze uitoefent, en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt; Gelet op het feit dat het treffen van een tuchtmaatregel noodzakelijk wordt geacht; Gelet op titel XIV De Tuchtregeling van de Nieuwe Gemeentewet; Gelet op het amendement, ingediend door de heer Bob Verstraete, houdende oplegging van de tuchtstraf 'schorsing'; Gelet op de uitslag van de stemming over dit amendement nl. 1 onthouding (Agalev), 10 stemmen voor (VLD en Vlaams Blok) en 16 stemmen tegen (CVP en SP); Aangezien de voorzitter de openbare zitting afsluit om in besloten zitting te kunnen overgaan tot de stemming omtrent de oplegging van een eventuele tuchtstraf; Gelet op de stembrieven die aan de aanwezige leden van de Gemeenteraad werden bezorgd, waarbij hen de keuze wordt gelaten voor de toepassing van : - geen tuchtstraf - lichte, zware of maximum straf, zoals voorzien in artikel 283 Nieuwe Gemeentewet; Gelet op de geheime stemming met volgend stemresultaat : - aantal uitgedeelde stembiljetten : 27 - aantal blanco stemmen : 2 - aantal ongeldige stemmen : nihil - aantal stemmen voor toekenning van de tuchtstraf : berisping : 1 stem inhouding van wedde 3 maanden : 1 stem schorsing 3 maanden : 7 stemmen ontslag van ambtswege : 16 stemmen Besluit : XII-3239-10/22 Artikel 1 : Aan de heer Peter Asma, agent-brigadier bij de Lokale Politie van Aarschot wordt volgende tuchtstraf opgelegd : het ontslag van ambtswege”. 1.
  15. Op 9 april 2001 dient de raadsman van verzoeker namens zijn cliënt bij de toezichthoudende overheid een beroepsschrift in tegen het gemeente- raadsbesluit van 28 maart
  16. 1.
  17. Op 30 mei 2001 worden verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, en de stad Aarschot, vertegenwoordigd door haar raadsman, gehoord. De raadsman van de stad Aarschot legt ter zitting een verweer- schrift neer. 1.
  18. Bij besluit van 8 juni 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken wordt het besluit van 28 maart 2001 van de gemeenteraad van de stad Aarschot houdende het opleggen van de tuchtsanctie van ontslag van ambtswege aan verzoeker, goedgekeurd. Dat besluit maakt het tweede voorwerp uit van het voorliggende beroep;
  19. De ontvankelijkheid. 2.
  20. Overwegende dat de eerste verwerende partij in een eerste exceptie opwerpt dat de vordering van verzoeker onontvankelijk moet worden verklaard omdat verzoeker de nietigverklaring vordert van het besluit van de gemeenteraad van 28 maart 2001, dat dit besluit hem werd betekend op 29 maart 2001, dat de termijn van zestig dagen om beroep aan te tekenen bij de Raad van State derhalve verstreken was op 29 mei 2001, zodat het beroep laattijdig is; Overwegende dat artikel 5 van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet, een georganiseerd administratief beroep instelt tegen tuchtstraffen die de gemeentelijke overheid oplegt; dat artikel 6 van datzelfde decreet er de toezichthoudende overheid toe verplicht om in geval van beroep de tuchtstrafbeslissing goed te keuren of niet goed te keuren; dat XII-3239-11/22 te dezen verzoeker dat beroep instelde en daardoor het voormelde goedkeuringstoezicht activeerde; dat dientengevolge het beroep tegen de in het geding zijnde gemeenteraadsbeslissing ratione materiae slechts ontvankelijk is zodra de beslissing definitief uitvoerbaar is geworden doordat zij de goedkeuring heeft verkregen; dat die goedkeuring te dezen is gegeven op 8 juni 2001; dat het annulatieberoep op 7 augustus 2001 is ingesteld en bijgevolg tijdig is; dat de exceptie wordt verworpen; 2.
  21. Overwegende dat de eerste verwerende partij in een tweede exceptie betoogt dat verzoeker er destijds voor gekozen heeft om administratief beroep in te stellen bij de toezichthoudende overheid, die het gemeenteraadsbesluit van 28 maart 2001 bij besluit van 8 juni 2001 heeft goedgekeurd, dat het tegen dit besluit is dat het annulatieberoep had moeten worden ingesteld, dat het beroep dan ook had moeten zijn gericht tegen “de Vlaamse Gemeenschap” en niet tegen de stad Aarschot, vermits alleen in laatste aanleg genomen beslissingen vatbaar zijn voor beroep bij de Raad van State, en de in lagere aanleg genomen beslissing over de grond van de zaak niet meer kan worden aangevochten en dat, in zoverre het beroep enkel gericht is tegen de stad Aarschot, het dan ook onontvankelijk moet worden verklaard; Overwegende dat het voormelde decreet van 24 juli 1991 aan de Vlaamse regering geen hervormingsbevoegdheid, maar een goedkeurings- bevoegdheid heeft gegeven; dat, vermits een goedkeuringsbesluit niet tot gevolg heeft dat het goedgekeurde besluit uit het rechtsverkeer verdwijnt , de beslissing van 8 juni 2001 van de toezichthoudende overheid niet in de plaats gekomen is van het gemeenteraadsbesluit van 28 maart 2001 maar er zich aan toevoegt; dat voorts verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift formeel enkel de stad Aarschot aanwijst als verwerende partij, maar onmiddellijk daarop aansluitend verklaart dat zijn beroep een beslissing van 28 maart 2001 van de stad Aarschot én het ministerieel besluit van 8 juni 2001 houdende goedkeuring van dat gemeenteraadsbesluit betreft; dat hij in fine van zijn verzoekschrift formeel ook slechts de nietigverklaring vraagt van “de met redenen omklede beslissing van de gemeenteraad van de stad Aarschot d.d. 28 maart 2001”; dat echter uit de door hem aangevoerde middelen blijkt dat die middelen in elk geval ook tegen het goedgekeurde besluit zijn gericht; dat het beroep dan ook moet worden geïnterpreteerd als zijnde gericht tegen beide besluiten; dat ook de tweede exceptie moet worden verworpen; XII-3239-12/22
  22. De gegrondheid van het beroep. 3.1.
  23. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel laat gelden dat de nieuwe gemeentewet op straffe van nietigheid een aantal vermeldingen in de oproepingsbrief voorschrijft, waaronder de mogelijkheid om de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, dat verzoeker geen kans heeft gekregen om de openbaarheid van de hoorzitting door de burgemeester te vragen, dat de burgemeester en nadien de toezichthoudende overheid een omzendbrief inroepen als verantwoording voor de beslotenheid van dat verhoor, dat die omzendbrief echter een onderscheid maakt dat men niet in de nieuwe gemeentewet kan terugvinden, dat ook de getuige Ronny W. de openbaarheid van het verhoor wenste, dat men in de oproepingsbrief echter stelde dat het verhoor achter gesloten deuren zou plaatsvinden, dat de burgemeester geen enkele motivering heeft gegeven om het verhoor achter gesloten deuren te houden, dat hierdoor aan verzoeker en de getuige een kans werd ontnomen om de openbaarheid van het verhoor te vorderen, dat hieruit minstens een schending van de artikelen 301, 6/ en 304 van de nieuwe gemeentewet volgt, en dat “de rechten van verdediging” en “de beginselen van behoorlijk bestuur” hierdoor met de voeten werden getreden, zodat de tuchtoverheid te dezen geen sanctie mocht treffen; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord bijkomend laat gelden dat de nieuwe gemeentewet uitdrukkelijk bepaalt dat de zittingen van de gemeenteraad principieel “kosteloos” (lees : openbaar) zijn terwijl deze van het college van burgemeester en schepenen besloten zijn, dat nergens het statuut van een zitting van de burgemeester geregeld wordt, dat het niet aan de minister is om tot beslotenheid te besluiten, en dat zijn omzendbrief een onderscheid maakt dat men niet in de nieuwe gemeentewet kan terugvinden; 3.1.
  24. Overwegende dat naar luid van artikel 299, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, geen enkele tuchtstraf mag worden opgelegd dan nadat het personeelslid in zijn middelen van verdediging gehoord is over alle feiten die hem ten laste gelegd worden door de overheid die haar uitspreekt; dat de bij dat artikel bedoelde overheid de overheid is die de tuchtstraf uitspreekt; dat te dezen niet de burgemeester, maar wel de gemeenteraad die overheid is; dat de burgemeester zich, na verzoeker en een getuige te hebben gehoord, beperkte tot een voorstel tot tuchtstraf, meer bepaald omdat hij, op grond van het toenmalige artikel 292, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, enkel bevoegd was om de tuchtstraffen waarschuwing, berisping, inhouding van wedde en schorsing voor een termijn van ten hoogste één maand op te leggen, en hij van oordeel was dat de ten laste gelegde XII-3239-13/22 tuchtfeiten een zwaardere straf verdienden; dat overeenkomstig artikel 301 van de nieuwe gemeentewet de betrokkene ten minste twaalf werkdagen vóór zijn verschijning opgeroepen wordt voor de hoorzitting, en de oproeping onder meer melding dient te maken van het recht van de betrokkene de openbaarheid van de hoorzitting te vragen indien hij voor de gemeenteraad dient te verschijnen en van het recht om het horen van getuigen te vragen alsmede de openbaarheid van dat getuigenverhoor; dat naar luid van artikel 304 van de nieuwe gemeentewet de tuchtoverheid ambtshalve of op verzoek van de betrokkene of van zijn verdediger getuigen kan horen, het verhoor van de getuigen in dat geval plaats heeft in aanwezigheid van de betrokkene en, op diens verzoek en met instemming van de tuchtoverheid, in het openbaar, en de opgeroepen getuige zich ertegen kan verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord; Overwegende dat aldus, nu de burgemeester besloten had het uitspreken van een tuchtstraf aan de gemeenteraad over te laten, de gemeenteraad er krachtens artikel 299 toe verplicht was om verzoeker opnieuw in zijn middelen van verdediging te horen alvorens hem een tuchtstraf op te leggen; dat verzoeker derhalve opnieuw moest worden opgeroepen voor een hoorzitting, ditmaal om zijn verweermiddelen voor te dragen aan de gemeenteraad, en deze, teneinde volledig de rechten van de verdediging te waarborgen, verplicht was verzoeker te wijzen op zijn recht de openbaarheid van de hoorzitting te vragen en op zijn recht om het horen van getuigen te vragen alsmede de openbaarheid van dat verhoor; dat te dezen dan ook niet nader onderzocht moet worden of het recht om de openbaarheid van de hoorzitting en het openbaar verhoor van getuigen te vragen al dan niet geldt indien de betrokkene voor een andere tuchtoverheid dan de gemeenteraad, zoals bijvoorbeeld de burgemeester, dient te verschijnen, vermits verzoeker zich te dezen enkel dan nuttig op de schending van de artikelen 301 en 304 van de nieuwe gemeentewet en van de rechten van verdediging kan beroepen, indien de gemeente- raad, die de overheid is die hem de thans bestreden tuchtmaatregel heeft opgelegd, niet volledig zijn rechten van verdediging heeft gewaarborgd; Overwegende voorts dat verzoeker bij de uiteenzetting van zijn eerste middel enkel de oproepingsbrieven uitgaande van de burgemeester en de door de burgemeester afgenomen verhoren te berde brengt, terwijl uit de stukken van het administratief dossier blijkt : - dat de brief van 9 maart 2001 waarbij verzoeker wordt opgeroepen om voor de gemeenteraad te verschijnen wel degelijk melding maakt van het recht van XII-3239-14/22 verzoeker om de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, én van zijn recht het horen van getuigen in het openbaar te vragen en - dat de raadsman van verzoeker met een brief van 21 maart 2001 meedeelde dat zijn cliënt gebruik wenste te maken van zijn recht om de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, maar niet dat zijn cliënt tevens gebruik wenste te maken van zijn recht het horen van getuigen in het openbaar te vragen; dat aldus de gemeenteraad, alvorens aan verzoeker een tuchtstraf op te leggen, hem op generlei wijze de kans heeft ontnomen om de openbaarheid van zijn verhoor en van dat van één of meer getuigen te vragen; Overwegende dat aldus de aangevoerde schendingen van de in het middel bedoelde bepaling van de nieuwe gemeentewet en van de rechten van de verdediging niet zijn aangetoond; dat in zoverre het middel niet gegrond is; dat verzoeker voorts niet aangeeft welke van de “beginselen van behoorlijk bestuur” hij nog geschonden weet; dat in zoverre het middel geen ontvankelijk rechtsmiddel is; 3.2.
  25. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel laat gelden dat de brief van 9 maart 2001, waarbij hij werd opgeroepen om voor de gemeenteraad te verschijnen, enkel melding maakt van het besluit van de burgemeester van dezelfde datum, dat deze tweede oproeping, in strijd met artikel 301, 1/, van de nieuwe gemeentewet, geen gewag maakte van de feiten waarvoor verzoeker zich diende te verantwoorden, dat voorts de wet geschonden werd door de “dubbele procedure” die lastens hem werd gevoerd “op grond van dezelfde feiten (non bis in idem)” en door de wijze waarop de gemeenteraad te dezen werd gevat, dat de tweede verwerende partij deze argumenten van tafel veegde door te stellen dat de burgemeester het recht had verzoeker een tweede maal op te roepen omdat zijn bevoegdheden niet zover reikten dat hij de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege kon opleggen, dat er van een dubbele procedure dan ook geen sprake zou zijn en dat het feit dat het besluit van de burgemeester bijgevoegd was bij de oproepingsbrief van 12 maart 2001 voldoende was opdat verzoeker de feiten zou kennen waarover hij zou worden verhoord; dat verzoeker betoogt dat hieruit wel degelijk een schending van artikel 301, 1/, van de nieuwe gemeentewet kan afgeleid worden; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord woordelijk de argumentatie van zijn verzoekschrift herneemt en bijkomend slechts laat gelden dat hij “telkens zeer duidelijk de vraag heeft gesteld betreffende welke feiten hij zich moest verantwoorden “en” dat hierop nooit een antwoord gevolgd is”; XII-3239-15/22 3.2.
  26. Overwegende dat overeenkomstig artikel 301, 1/, van de nieuwe gemeentewet, de oproeping van de betrokkene voor de hoorzitting melding dient te maken van al de ten laste gelegde feiten; dat te dezen verzoeker met een brief van 28 december 2000 werd opgeroepen om voor de burgemeester te verschijnen, teneinde in zijn verweermiddelen te worden gehoord met betrekking tot de hierboven onder randnummer 1.
  27. aangehaalde feiten; dat de raadsman van verzoeker in zijn schriftelijk verweer daarbij betoogde dat de stukken met betrekking tot het verkeersongeval met stoffelijke schade niet mochten worden in aanmerking genomen ter gelegenheid van de behandeling van het tuchtrechtelijk dossier; dat met een brief van 9 maart 2001 verzoeker werd opgeroepen om voor de gemeenteraad te verschijnen; dat bij die oproepingsbrief, die zelf geen melding maakt van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, in bijlage wel het besluit van 9 maart 2001 houdende voorstel tot tuchtstraf was gevoegd; dat die bijlage te dezen mag worden beschouwd als deel uitmakende van de oproeping; dat in het laatstgenoemde besluit enerzijds verwezen wordt naar de feiten zoals omschreven in de oproepingsbrief van 28 december 2000, en anderzijds uitdrukkelijk wordt overwogen dat de stukken met betrekking tot het verkeersongeval met stoffelijke schade geweerd worden uit het tuchtrechtelijk dossier; dat verzoeker aldus uit dat besluit genoegzaam kon afleiden dat het voorstel van de burgemeester aan de gemeenteraad om aan verzoeker een tuchtstraf op te leggen enkel nog kon zijn gesteund op de feiten die zich voordeden in de stadsfeestzaal en in de herberg De Living; dat verzoeker overigens slecht geplaatst is om thans alsnog het tegendeel voor te houden, vermits het schriftelijk verweer dat tijdens de voormelde hoorzitting van 28 maart 2001 voor de gemeenteraad werd neergelegd een luik “over de feiten” bevat, waarin wordt aangevoerd dat men na studie van het dossier niet anders dan tot de conclusie kan komen dat er ernstige twijfels zijn omtrent de feiten waarvoor verzoeker zich moet verantwoorden, omdat alle getuigenverklaringen die werden afgelegd naar aanleiding van de feiten in herberg “De Living” tegenstrijdig zijn met elkaar en dat ook de feiten in de stadsfeestzaal betwistbaar en dubieus zijn, zodat verzoeker dan ook “alle tenlasteleggingen” betwist; dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat geen schending is aangetoond van artikel 301, 1/, van de nieuwe gemeentewet; Overwegende voorts, wat het rechtsbeginsel “non bis in idem” betreft, dat te dezen de burgemeester zich beperkte tot het formuleren van een voorstel van tuchtstraf en de aan verzoeker ten laste gelegde feiten slechts éénmaal tuchtrechtelijk werden gesanctioneerd, meer bepaald met de door de gemeenteraad opgelegde tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege; dat de procedure van de XII-3239-16/22 burgemeester geenszins uitmondde in het opleggen van een tuchtstraf, zodat verzoeker voor dezelfde feiten niet tweemaal werd gesanctioneerd; Overwegende dat verzoeker ten slotte nog doet gelden dat “ de wet” geschonden werd door “de wijze waarop de gemeenteraad in deze werd gevat”; dat verzoeker in gebreke blijft aan te geven welke wetsbepaling daarbij zou geschonden zijn zodat dit onderdeel van het middel geen ontvankelijk rechtsmiddel is; dat aldus het tweede middel deels niet gegrond, deels niet ontvankelijk is; 3.3.
  28. Overwegende dat verzoeker in een derde middel betoogt dat er tijdens de procedure voor de gemeenteraad “fouten werden gemaakt tegen de stemming in besloten zitting”, dat een gedeelte van de stemming, namelijk het deel over het amendement dat door gemeenteraadslid Verstraete werd ingediend over het opleggen van de tuchtstraf “schorsing” openbaar verliep, dat die stemming in openbare zitting en bij handopsteking geschiedde, dat slechts na deze stemming over het amendement de vergadering werd gesloten om in besloten zitting over te gaan tot de stemming omtrent de oplegging van een eventuele tuchtstraf, waarbij de raadsleden zich met een individuele stembrief dienden uit te spreken over het al dan niet opleggen van een tuchtsanctie, alsmede over de strafmaat, dat een gedeelte van de stemming evenwel in openbare zitting is verlopen, en dat aldus het beginsel van de geheimhouding van de stemming geschonden is, hetgeen een zoveelste schending is van de “rechten van de verdediging en de beginselen van behoorlijk bestuur”; 3.3.
  29. Overwegende dat het beginsel van de geheimhouding van de stemming waarnaar verzoeker verwijst, uitdrukkelijk is opgenomen in artikel 100 van de nieuwe gemeentewet; dat luidens dat artikel de leden van de gemeenteraad mondeling stemmen, of, indien het reglement van orde daarin voorziet, volgens een gelijkwaardige regeling, zoals mechanisch uitgebrachte naamstemming, stemming bij zitten en opstaan of handopsteking; dat artikel 100, vierde lid, stelt dat voordrachten van kandidaten, benoemingen tot ambten, terbeschikkingstellingen, preventieve schorsingen in het belang van de dienst en tuchtstraffen, bij geheime stemming gebeuren; Overwegende dat te dezen uit de notulen van de vergadering van 28 maart 2001 van de gemeenteraad blijkt dat er in openbare zitting werd gestemd over een amendement, ingediend door een gemeenteraadslid, houdende oplegging van de tuchtstraf “schorsing”, dat dit amendement werd verworpen met 16 stemmen XII-3239-17/22 tegen, 10 stemmen voor en 1 onthouding, dat de voorzitter van de gemeenteraad vervolgens de openbare zitting hief om in besloten zitting te kunnen overgaan tot de stemming omtrent de oplegging van een eventuele tuchtstraf, dat aan de gemeenteraadsleden stembrieven werden bezorgd waarbij hun de keuze werd gelaten voor de toepassing van hetzij geen tuchtstraf, hetzij een lichte, zware of maximum- straf zoals bepaald in artikel 283 van de nieuwe gemeentewet, en dat de geheime stemming het volgende stemresultaat opleverde : aantal blanco stemmen : 2; aantal stemmen voor toekenning van de tuchtstraf “berisping” : 1; aantal stemmen voor toekenning van de tuchtstraf “inhouding van wedde 3 maanden” : 1; aantal stemmen voor toekenning van de tuchtstraf “schorsing 3 maanden”: 7; aantal stemmen voor toekenning van de tuchtstraf “ontslag van ambtswege” : 16; Overwegende dat de stemming, in openbare zitting en bij handopsteking, over een amendement houdende oplegging van de tuchtstraf “schorsing”, onwettig was; dat echter niet die stemming de vereiste volstrekte meerderheid voor het opleggen van een tuchtstraf opleverde, maar wel de daaropvolgende stemming, stemming die wel degelijk geheim was, en waardoor de gemeenteraadsleden in staat werden gesteld om zich alsnog in volkomen vrijheid en onafhankelijkheid, want anoniem, uit te spreken over de vraag of aan verzoeker een tuchtstraf diende te worden opgelegd en, zo ja, dewelke; dat aldus geen schending is aangetoond van het “beginsel van de geheimhouding van de stemming” zoals verwoord in artikel 100, vierde lid, van de nieuwe gemeentewet; dat in zoverre het middel niet gegrond is; dat, waar verzoeker schending inroept van “de beginselen van behoorlijk bestuur” hij geen rechtsmiddel aanbrengt, want niet specificeert welk beginsel hij geschonden acht; dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; 3.4.
  30. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel laat gelden : - dat één van de tenlasteleggingen luidt dat hij onveilige manipulaties van het dienstvuurwapen heeft uitgeoefend in een herberg, dat de minister het in zijn besluit heeft over “dienstvuurwapens”, dat de minister zich in zijn feitelijke appreciatie dus vergist door te spreken over meer dan een dienstvuurwapen zonder dat het dossier daartoe aanleiding geeft, en dat de beslissing van de minister dan ook machts- overschrijding inhoudt, nu de motieven van die beslissing hetzij aangetast zijn door feitelijke dwaling, hetzij geen steun vinden in het dossier; - dat de getuigenverklaringen die werden afgelegd naar aanleiding van de feiten in de herberg De Living tegenstrijdig zijn met elkaar, dat sommige getuigen verklaren dat zij alleen in de herberg aanwezig waren, maar dat anderen verklaren dat het mogelijk XII-3239-18/22 is dat er nog andere mensen aanwezig waren in de herberg op het ogenblik van de beweerde feiten, dat er eveneens wisselende versies bestaan over het uniform dat verzoeker zou gedragen hebben, over diens wapen en over het aantal keren dat het pistool zou getoond zijn, dat een aantal getuigen spreken over slechts één incident dat zich zou hebben voorgedaan met het dienstvuurwapen van verzoeker, dat hij éénmaal zou gericht hebben op het buffet van de herberg, dat een andere getuige spreekt over een tweede incident met het vuurwapen, waarbij verzoeker een demonstratie zou gegeven hebben van het liggend schieten, na het in acht nemen van de nodige veiligheidsmaatregelen, dat dit tweede incident door geen enkele van de andere getuigen kan worden bevestigd of ontkend, dat verzoeker om deze redenen een bijkomende getuige liet verhoren, die op het ogenblik van de vermeende feiten eveneens in de herberg aanwezig was, dat uit diens getuigenis bleek dat verzoeker geen uniform zou hebben gedragen, zijn wapen nooit getrokken heeft en er ook nog andere personen aanwezig bleken te zijn in de herberg buiten de vier eerdere getuigen, en dat deze vier eerdere getuigen echter nooit werden geconfronteerd met de door verzoeker opgeroepen getuige, hoewel verzoeker hier niet afkerig tegenover stond; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord bijkomend laat gelden dat er door de tweede verwerende partij enkel belang wordt gehecht aan de getuigen- verklaring van Jan V. en niet aan deze van verzoeker, dat er hier wordt gemeten met twee maten en gewichten en dat er partijdigheid blijkt uit deze stellingname, nu men de getuigenis van Ronny W., hoewel niet met zoveel woorden gezegd, als vals bestempelt; 3.4.
  31. Overwegende dat verzoeker het merendeel van de argumenten die hij thans aanvoert om er de Raad van State van te overtuigen dat de hem ten laste gelegde feiten die zich voordeden in de herberg De Living niet voldoende bewezen zijn, reeds aanbracht in zijn verweerschrift voor de gemeenteraad en in het beroepsschrift dat hij bij de toezichthoudende overheid indiende; dat in het tweede bestreden besluit die argumenten als volgt worden ontmoet : “Overwegende dat men zich goed moet voorstellen in welk kader de feiten zich hebben afgespeeld; dat de feiten zich voordeden in een herberg; dat het dan ook niet denkbeeldig is dat een aantal aanwezigen de feiten niet hebben zien plaatsgrijpen; dat bepaalde aanwezigen zich op het ogenblik van de feiten met andere bezigheden kunnen ingelaten hebben of fel in discussie kunnen geweest zijn; dat zij zich eventueel in een bepaalde hoek van de herberg ophielden van waaruit de tuchtfeiten niet of moeilijker konden worden vastgesteld; dat het dan ook evident is dat de getuigenverklaringen niet altijd volledig conform zijn vermits bepaalde aanwezigen alles hebben gezien terwijl anderen misschien helemaal niets hebben opgemerkt; dat het voor betrokkene dan ook een koud XII-3239-19/22 kunstje moet zijn geweest om een aanwezige een verklaring te laten afleggen waarin wordt gesteld dat er helemaal niets is gebeurd; Overwegende dat evenwel vaststaat dat betrokkene zich in de herberg 'De Living' onbetamelijk heeft gedragen; dat de verklaring van de heer [J.V.] zelf politieagent van de stad Leuven, dusdanig nauwkeurig is dat elke twijfel nopens de tuchtfeiten wordt weggenomen; dat de heer [J.V.] verklaart dat betrokkene wel degelijk in uniform was en dat hij zijn wapen heeft getrokken en gericht op de heer [W.V.] dat betrokkene nadien nogmaals zijn wapen heeft getrokken en gedemonstreerd hoe men zijn wapen dient vast te houden om liggend te vuren; dat de heer [V.M.] in zijn verklaring ook uitdrukkelijk vermeldt welke veiligheidsvoorschriften betrokkene daarbij heeft uitgevoerd; dat de heer [V.W.] ook het type wapen beschrijft dat betrokkene bij zich had; Overwegende dat ook de heer [R.V.], barman in de herberg 'De living' verklaart dat betrokkene het etablissement heeft betreden in uniform; dat de barman ook bevestigt dat betrokkene zijn wapen heeft getrokken en gericht op de heer [W.V.]; Overwegende dat ook de heer [W.V.] verklaart dat betrokkene de herberg in uniform heeft betreden en zijn wapen heeft getrokken; Overwegende dat ook mevrouw [V.W.] verklaart dat betrokkene zijn wapen heeft getrokken; Overwegende dat de tuchtfeiten die zich hebben voorgedaan in de herberg 'De Living' daarmee onomstootbaar bewezen zijn en het eerste onderdeel van het tweede middel van betrokkene faalt”; Overwegende dat op grond van de vier getuigenverklaringen die enkele dagen na de feiten werden afgelegd en die, zoals gezien, in het tweede bestreden besluit worden vermeld, de tweede verwerende partij zonder “met twee maten en gewichten te meten” en/of blijk te geven van partijdigheid, tot de bevinding mocht komen dat de tenlastelegging “buiten de diensturen - tijdens privé-leven : onveilige manipulaties van dienstvuurwapen in een herberg in aanwezigheid van andere personen, dragen van dienstwapens, dragen van uniform” als bewezen moest worden beschouwd, ook al verklaarde één -door verzoeker opgeroepen- getuige nadien dat hij verzoeker nog nooit in uniform met dienstwapen heeft gezien in een café, dat hij op 20 september 2000 ook in de herberg De Living was en dat verzoeker aan de toog zat in gewone kledij; dat daarenboven uit de hierboven weergegeven overwegingen blijkt dat de tweede verwerende partij deze vier getuigenverklaringen heeft onderzocht alvorens tot haar goedkeuringsbesluit te komen; dat meer bepaald uit die overwegingen blijkt dat zij de getuigenverklaringen wel degelijk correct heeft gelezen in die zin dat verzoeker onveilige manipulaties heeft uitgevoerd met één dienstvuurwapen; dat enkel uit de vermelding, op bladzijde 2 van het besluit, dat aan verzoeker de tuchtsanctie van ontslag van ambtswege werd opgelegd wegens onder meer het verrichten van onveilige manipulaties van “dienstvuurwapens”, dan ook geenszins mag worden afgeleid dat de tweede verwerende partij zich vergist heeft in de feitelijke appreciatie van de ten laste gelegde feiten; dat integendeel moet worden vastgesteld dat het hier duidelijk een verschrijving betreft, die niet van aard is de XII-3239-20/22 regelmatigheid van het tweede bestreden besluit aan te tasten; dat het vierde middel niet gegrond is; 3.
  32. Overwegende dat verzoeker een vijfde middel als volgt ontwikkelt : “Aangezien verzoeker ontslagen werd op grond van onduidelijke en betwiste feiten; dat in casu het nochtans slechts een eerste tuchtvergrijp van verzoeker ging; dat een ontslag van een personeelslid met heel wat jaren dienst in dergelijke omstandigheden kennelijk onredelijk is”; Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, uit de bespreking van het vierde middel is gebleken dat verzoeker er niet in is geslaagd de feitelijke grondslagen van de bestreden beslissingen te ondergraven; dat hij voorts ten onrechte gewag maakt van “een” tuchtvergrijp terwijl de bestreden tuchtbeslissing steunt op diverse feiten; dat het middel er aldus ten onrechte van uitgaat dat de tuchtsanctie gesteund is op ondeugdelijke feitelijke grondslag; dat overigens “heel wat jaren dienst” op zichzelf niet volstaat om het “kennelijk onredelijk” karakter van de sanctie aan te tonen, BESLUIT: Artikel
  33. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-3239-21/22 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3239-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.