id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.825 Rolnummer: A. 72239/XII-2837 Zaak: Arrest 143825 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 12:06 Fiche Arrest nr 143.825 van 28 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.825 van 28 april 2005 in de zaak A. 72.239/XII-
- In zake : Emmanuel BOURGUIGNON, die woonplaats kiest bij advocaat P. Luypaers, kantoor houdende te Heverlee, Ijzerenmolenstraat 105 tegen :
- de STAD MECHELEN, die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie A. Houtekier, kantoor houdende te Mechelen, Battelsesteenweg 95
- het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emmanuel Bourguignon op 26 november 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Ministerieel Besluit van 27 september 1996 houdende goedkeuring van het besluit van de gemeenteraad van Mechelen van 27 juni 1996 houdende het opleggen van een tuchtstraf van het ontslag van ambtswege”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 21 november 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2837-1/12 Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2004, datum waarop de zaak is uitgesteld tot de terechtzitting van 21 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H.-K. Carême die, loco advocaat P. Luypaers verschijnt voor verzoeker, en van advocaten A. Haegeman en M. Stommels die, loco advocaat A. Houtekier verschijnen voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen op 21 mei 1991 beslist de zesmaandelijkse openbare verkoop van verloren voorwerpen aan de regie van de Mechelse Vrije Groentemarkt toe te vertrouwen; dat verzoeker directeur van de groentemarkt is; dat hij, op verdenking van zich zekere verloren voorwerpen wederrechtelijk te hebben toegeëigend, op 2 februari 1996 door de correctionele rechtbank te Mechelen veroordeeld wordt wegens verduistering van een damesfiets, een horloge en een semadigit RTT en wegens belangenneming; dat in het tuchtverslag van 18 april 1996 de stadssecretaris schrijft dat verzoeker toegeeft dat hij zich de fiets, het horloge en de semadigit ten onrechte heeft toegeëigend, dat uit een onderhoud met zijn beide medewerkers A. S. en L. B. blijkt dat hij hen heeft aangemoedigd om zich eveneens een aantal voorwerpen toe te eigenen, dat hij eerder al zes weken schorsing met verlies van wedde opliep en dat de feiten ingaan tegen het statuut van het stadspersoneel en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen; dat de stadssecretaris voorstelt verzoeker van ambtswege te ontslaan; Overwegende dat verzoeker met brief van 25 april 1996 wordt opgeroepen om door de gemeenteraad te worden gehoord over “de volgende, U ten laste gelegde feiten: - gerechtelijke veroordeling wegens verduistering van een damesfiets Bermuda, een horloge Cartier en een semadigit RTT, alle eigendommen XII-2837-2/12 van de stad[;] - als diensthoofd niet er over te hebben gewaakt dat de personeelsleden niet de kans zouden krijgen om tijdens de uitoefening van hun ambt stadseigendom te verduisteren, maar hen te hebben aangezet tot verduistering”; dat verzoeker op 20 mei 1996 door de gemeenteraad wordt gehoord; dat hij twee verweernota’s neerlegt; dat hij onder meer de wraking vraagt “van het voltallige huidige schepencollege, evenals van ieder gemeenteraadslid dat burgemeester is geweest of schepen gedurende de laatste 15 jaar”; dat met een schrijven van 15 juni 1996 verzoekers raadsman “een voortzetting van de hoorzitting” vraagt om op een aantal “voorbehouden nader te kunnen ingaan in functie van het door de gemeente voorafgaandelijk aangevulde onderzoek en dossier”; Overwegende dat de gemeenteraad op 27 juni 1996 beslist niet in te gaan op de vraag tot verderzetting van de hoorzitting; dat de raad vervolgens besluit verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen; dat de straf als volgt gemotiveerd wordt : “Gelet op het verslag van 18 april 1996 van de stadssecretaris, waaruit blijkt dat Emmanuel Bourguignon, beheerder markten, op 2 februari 1996 door de rechtbank van eerste aanleg werd veroordeeld wegens verduistering en dat hij als diensthoofd er niet over heeft gewaakt dat personeelsleden niet de kans zouden krijgen om tijdens de uitoefening van hun ambt stadseigendommen te verduisteren, maar hen heeft aangezet tot verduistering; Gelet op het feit dat betrokkene tijdens het gerechtelijk geding de verduistering van een fiets en een horloge heeft bekend; Gelet op het gerechtelijk dossier dat is opgenomen in het voorgelegde tuchtdossier; Overwegende dat uit de verklaringen van [S.], opgenomen in het gerechtelijk dossier, blijkt dat Bourguignon hem heeft aangemoedigd om zich eveneens een aantal zaken toe te eigenen (verklaring van [S.] aan de onderzoeksrechter op 23 maart 1995). Overwegende dat uit de verklaringen van [B.], opgenomen in het gerechtelijk dossier, blijkt dat hij zich een zaak heeft toegeëigend met toestemming van Bourguignon (verklaring van [B.] aan de adjunct-commissaris op 9 januari 1995). Overwegende dat genoemde feiten kunnen worden gekwalificeerd als handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen en die strijdig zijn met de artikelen 14, 16 en 17 van het administratief statuut; Overwegende dat betrokkene, behoorlijk opgeroepen met brief van 25 april 1996, werd gehoord in zijn middelen van verdediging, zoals die werden naar voor gebracht op 20 mei 1996; Gelet op het proces-verbaal van verhoor, dat na de zitting werd opgesteld en aan betrokkene ter ondertekening werd toegezonden met brief van 23 mei 1996; Gelet op het feit dat E. Bourguignon het P.V. van verhoor niet heeft terugbezorgd; Gelet op het P.V. van niet-verschijnen van de opgeroepen getuigen; Gelet op de brief van 15 juni 1996 waarin de raadsman van betrokkene onder meer een verderzetting van de hoorzitting vraagt; XII-2837-3/12 Gelet op het besluit van 27 juni 1996 van de gemeenteraad om niet in te gaan op de vraag tot verderzetting van de hoorzitting; Gelet op de artikelen 282 en 283 van de nieuwe gemeentewet; Overwegende dat de ernst van de feiten een maximum straf verantwoordt, rekening houdend met het feit dat E. Bourguignon reeds eerder een sanctie opliep onder meer wegens niet-officiële verrichtingen tijdens de diensturen die aanleiding hebben gegeven tot winstvorming”; dat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting de gemeenteraadsbeslissing van 27 juni 1996 op 29 september 1996 goedkeurt;
- Overwegende dat er reden is, hoofdzakelijk gelet op de aangevoerde middelen, om het beroep tot nietigverklaring te interpreteren als zijnde gericht én tegen het besluit van 27 september 1996 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting tot goedkeuring van de beslissing van 27 juni 1996 van de gemeenteraad van Mechelen om verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen, én tegen de gemeenteraadsbeslissing van 27 juni 1996 zelf; 3.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel afleidt uit “de schending van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand rechter in eigen zaak kan zijn (nemo iudex in causa sua) en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de plicht tot onpartijdigheid van het bestuur, en uit machtsoverschrijding”; dat wordt betoogd en toegelicht dat de gemeenteraad van Mechelen ten onrechte heeft gemeend niet te moeten ingaan op de vraag tot wraking van een aantal van zijn leden, dat het voltallige huidige schepencollege, evenals ieder gemeenteraadslid dat burgemeester is geweest of schepen gedurende de laatste vijftien jaar, zich had moeten wraken en de vergadering van de gemeenteraad, zoals uitdrukkelijk gevorderd, had dienen te verlaten, dat immers verzoeker heeft gehandeld “overeenkomstig een sinds meer dan tien jaren bestaand systeem”, dat dit systeem door de opeenvolgende schepencolleges zonder onderbreking in stand werd gehouden, minstens met kennis van zaken werd gedoogd en dat het stadsbestuur zelf in ernstige mate medeverantwoordelijk en medeaansprakelijk is “voor ondermeer de omstandigheden, het klimaat en het juridische referentiekader waarin de weerhouden feiten zich hebben voorgedaan”; Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker opmerkt “dat tijdens de periode van de voorganger(s) van de heer Bourguignon genoegzaam algemeen bekend was dat het eenvoudig was om gevonden voorwerpen XII-2837-4/12 in zijn bezit te krijgen”, dat het volstond contact op te nemen met de politiecommissaris die het voorwerp inschreef in de verkooplijst tegen een prijs die ver beneden de werkelijke waarde lag, dat de verkoop vanaf 1991 van de gemeentepolitie naar de regiediensten is overgeheveld, dat de “gemeenteraden en schepencolleges in al die jaren nalieten ook maar enige richtlijn op papier te zetten om iets aan de bestaande situatie te veranderen”, dat de betrokkenheid van de leden van het schepencollege vaststond op het moment waarop verzoeker in zijn verdediging werd gehoord, dat bijgevolg wraking van de betreffende leden de enige mogelijkheid was voor verzoeker om zijn rechten van verdediging te vrijwaren; Overwegende dat in de laatste memorie verzoeker daar nog aan toevoegt dat de eerste verwerende partij een systeem heeft opgezet waarbij de roerende goederen die worden gevonden op het openbaar domein vervreemd worden buiten de veiling om, dat gevonden voorwerpen werden overgedragen aan diverse stedelijke diensten en dat aan de gemeentelijke ambtenaren de mogelijkheid werd geboden om buiten de veiling bepaalde verloren goederen aan te kopen; dat verzoeker tevens enige elementen opsomt die “minstens als een begin van bewijs van het opgezette systeem [kunnen] worden beschouwd”; 3.
- Overwegende dat, zoals gezien, verzoeker belast is geworden met de zesmaandelijkse openbare verkoop van verloren voorwerpen, ten voordele van de stadskas, en het ontslag van ambtswege hem straft omdat hij, ten eigen bate, goederen aan die publieke verkoop heeft onttrokken en omdat hij ondergeschikten heeft aangemoedigd hetzelfde te doen, minstens er mee heeft ingestemd dat zij het ook deden; dat het eerste middel er van uitgaat dat de verkoop van gevonden goederen buiten de veiling, deel uitmaakt van een “systeem” waarvoor de leden van het schepencollege mee verantwoordelijk zijn, weze het doordat zij het stilzwijgend gedoogd hebben; dat vanwege die betrokkenheid zij zich volgens het middel bij de besluitvorming over de tuchtstraf moesten hebben onthouden; Overwegende dat verzoeker ter bewijs van de bedoelde (gedoog)praktijk in de eerste plaats verwijst naar twee processen-verbaal van de gerechtelijke politie uit 1984 en naar een beslissing van 10 mei 1985 van de gouverneur van de provincie Antwerpen; dat de processen-verbaal en de beslissing betrekking hebben op het “beheerssysteem” van de Mechelse Vrije Groentemarkt en, meer bepaald, de zogenaamde praktijk in verband met een consignatiedepot van inpakmateriaal; dat bedoeld “beheerssysteem” volstrekt niets te maken heeft met het XII-2837-5/12 aan de orde zijnde, beweerde gebruik om gemeentelijke ambtenaren toe te laten verloren voorwerpen te kopen buiten de openbare verkoop; Overwegende dat ook het verslag van 6 mei 1991 van de commissaris van politie en de beslissing van 21 mei 1991 van het college van burgemeester en schepenen, in antwoord er op, kennelijk volkomen vreemd zijn aan die beweerde gewoonte; dat in het voormeld verslag de commissaris zijn beklag er over doet dat de politie dient in te staan voor de openbare verkoop en dat er daarenboven geen afgevaardigde van de stadskas aanwezig was bij de openbare verkoop van 27 april 1991; dat het college daarop, op 21 mei 1991, beslist dat de “verkoop voortaan zal geschieden door de regie der Vrije Mechelse Groentemarkt”; Overwegende dat voor het overige verzoeker nog alleen verschillende beslissingen van het schepencollege bijbrengt waarin wordt besloten om gevonden voorwerpen -(brom)fietsen- die in principe voor de openbare verkoop bestemd zijn, ter beschikking te stellen van scholen, het cultureel centrum, de dienst stadseigendommen; dat stuk voor stuk de beslissingen er van doen blijken dat iedere toewijzing van een gevonden voorwerp buiten de openbare verkoop, kennelijk een uitdrukkelijke toestemming vanwege het college vergt; dat zij aldus juist tegenspreken dat verzoeker en zijn ondergeschikten gerechtigd waren eigener beweging, zonder enige machtiging, gevonden voorwerpen aan de openbare verkoop te onttrekken en dat dergelijke handelwijze zelfs gangbaar zou zijn; Overwegende overigens dat in verband met het al dan niet bestaan van het door verzoeker beweerde systeem, de Vlaamse minister in zijn goedkeuringsbesluit terecht opmerkt wat volgt : “Overwegende dat, wanneer inderdaad zoals betrokkene beweert dat er een bepaald systeem zou bestaan hebben waardoor de mogelijkheid zou worden geschapen om zich voor de eigenlijke openbare verkoop van verloren en gevonden voorwerpen bepaalde zaken aan te schaffen, men zich de vraag kan stellen waarom de betrokkene zo halsstarrig bleef weigeren een verklaring af te leggen wanneer de politie bij hem thuis een huiszoeking kwamen doen naar de verdwenen voorwerpen; Overwegende dat het even merkwaardig is dat in geval van het bestaan van afspraken of een systeem betrokkene het toch nog nodig achtte om, zoals blijkt uit de verschillende verklaringen afgelegd aan de politie, na de verkoop attesten uit te schrijven op naam van derden (waaronder de echtgenote van de betrokkene), alsof de goederen in kwestie zouden verkocht zijn tijdens de openbare verkoop, tenzij om nadien te kunnen aantonen dat de goederen in kwestie inderdaad openbaar werden verkocht aan de meestbiedende, al was de geboden prijs dan belachelijk laag (100 frank voor de damesfiets, 500 frank voor XII-2837-6/12 een Cartier-uurwerk dat blijkens het tuchtverslag van de stadssecretaris door een juwelier werd geschat op 38.000 tot 40.000 frank); Overwegende dat ook de verklaringen van de heren [L. B.] en [A. S.], die samen met de betrokkene strafrechtelijk werden vervolgd, aan duidelijkheid niets te wensen overlaten; Overwegende dat de heer [B.] op 9 januari 1995 aan de politie verklaarde : ‘Ik wist dat het verboden was om de voorwerpen aan te kopen vooraleer de eigenlijke openbare verkoop aanving’, terwijl de heer [S.] op 10 januari 1995 verklaarde : ‘Samen met onze baas hadden wij voor de verkoop deze zaken reeds weggelegd zodat niemand er een bod zou kunnen op doen. Ik weet dat dit verboden is, maar omdat ik de toestemming van mijn baas kreeg en hij hetzelfde deed, heb ik het ook gedaan.’, en verder : ‘Ik wens er nog aan toe te voegen dat mijn baas toen hij na de verkoop mij het attest liet invullen, mij zei dat wanneer er achteraf vragen zouden gesteld worden, ik moest zeggen dat zijn vrouw op de verkoop aanwezig was en dat zij het uurwerk gekocht had.’”; Overwegende dat het bestaan van een “systeem” van verkoop van gevonden voorwerpen buiten de veiling niet is aangetoond; dat het eerste middel op die onbewezen premisse berust; dat het niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de rechten van de verdediging en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, geschonden noemt; dat hij in essentie betoogt dat hij “niet de gelegenheid heeft gekregen om tijdens de hoorzitting van 20 mei 1996 zijn verdediging ten volle naar voren te brengen”, dat, immers, er geen volledig onderzoek is gevoerd, hij uitdrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt voor het antwoorden op bepaalde vragen en geen gevolg is gegeven aan “het gemotiveerde verzoek om voortzetting van de hoorzitting en van de verdediging”; dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog uiteenzet dat het bestuur zijn rechten van verdediging heeft geschonden door de hoorzitting niet te heropenen, dat “niet in redelijkheid kan betwist worden dat de gemeentepolitie die de zaak onderzocht heeft waarschijnlijk zelf betrokken partij was in de zaak daar de gemeentepolitie vo[o]rheen instond voor de dienst verloren voorwerpen”, en dat het bestuur moest hebben nagelaten conclusies te halen uit de resultaten van het strafonderzoek tegen verzoeker, aangezien hij het vonnis van 2 februari 1996 van de correctionele rechtbank in beroep betwist; 4.
- Overwegende dat het middel aldus wordt begrepen dat verzoeker zich niet naar behoren heeft kunnen verdedigen omdat het gevoerde onderzoek onvolledig en gebrekkig is; XII-2837-7/12 Overwegende, wat de onvolledigheid van het onderzoek betreft, dat verzoeker zich ter gelegenheid van zijn verhoor door de tuchtoverheid bij herhaling heeft voorbehouden nog nadere toelichtingen te verschaffen naar gelang van de evolutie van een eventueel aanvullend onderzoek - aanvullend onderzoek dat er niet gekomen is; dat voor zoveel verzoeker voor de gemeenteraad de redenen voor een bijkomend onderzoek heeft toegelicht, die redenen uitsluitend verband hielden, eensdeels, met de vragen van gemeenteraadslid Verstrepen aangaande de ontvreemding door verzoeker van een semadigit RTT en, anderdeels, met het al dan niet bestaan van het reeds hoger vermelde “systeem” van verkoop van gevonden goederen buiten de veiling; Overwegende dat verzoeker weliswaar tuchtrechtelijk vervolgd is geworden voor de verduistering van een semadigit RTT, maar daar niet voor veroordeeld is geworden; dat, zoals de Vlaamse minister in zijn goedkeuringsbesluit terecht vaststelt “de sanctie niet mede is gebaseerd op de ontvreemding van de semadigit”; dat verzoeker dan ook hoegenaamd niet geschaad is geworden doordat geen bijkomend onderzoek werd verricht met betrekking tot de beschuldiging van de ontvreemding van de semadigit RTT; Overwegende dat verzoeker evenmin in de uitoefening van zijn rechten van verdediging is gehinderd doordat de eerste verwerende partij na de hoorzitting geen verder onderzoek meer heeft gewijd aan het beweerde systeem van verkopen buiten de veiling; dat de enige concrete onderzoeksdaad waarop verzoeker ter zake -in zijn brief van 15 juni 1996 aan de stad- heeft aangedrongen, de neerlegging was van de onderrichtingen die met betrekking tot het bedoelde “systeem” zouden zijn opgesteld; dat hij daarover echter zelf tijdens het verhoor stelde: “Er is geen systeem. Ik ben ook op zoek naar het systeem. Er zijn geen voorschriften, indien ze in het dossier steken, ik ben vragende partij om ze te lezen. Er zijn geen onderrichtingen, er zijn geen collegebeslissingen, er is geen gemeenteraadsverordening” ( p. 14 van het proces-verbaal van het verhoor); dat hij dit in zijn repliek op het eerste middel, in de memorie van wederantwoord vóór de Raad van State herhaalt; dat de tuchtoverheid de bewuste afwezigheid geenszins betwist; dat een bijkomend onderzoek naar de onderrichtingen bijgevolg zinloos was en de gemeenteraad op 27 juni 1996 dan ook terecht kon menen dat verzoeker geen nieuwe elementen aanvoerde die een bijkomend onderzoek vereisen en dat er geen reden was tot verderzetting van het verhoor; XII-2837-8/12 Overwegende, wat de andere beweerde gebreken van het onderzoek betreft, dat verzoeker tijdens de hoorzitting voor de gemeenteraad in de gelegenheid is geweest omstandig -schriftelijk en mondeling- verweer te voeren en zo onder meer te doen gelden dat het onderzoek niet onpartijdig is gebeurd, dat zowel het schepencollege als de politie betrokken partij zouden zijn geweest bij het toegepaste systeem van verkopen buiten de veiling en dat tegen de correctionele veroordeling van 2 februari 1996 beroep werd aangetekend; dat dan ook, met de gemeenteraad, moet worden vastgesteld dat hij “de kans heeft gekregen om de gestelde vragen te beantwoorden en zijn verdediging naar voor te brengen”; dat dit niet wordt tegengesproken door het feit dat, finaal, de tuchtoverheid verzoekers verweer niet is bijgevallen; dat één zaak is de mogelijkheid voor de disciplinair vervolgde om zijn verweer naar voor te brengen, en een geheel andere de overtuigingskracht van het verweer en het geloof dat er door de tuchtoverheid aan gehecht wordt; Overwegende dat het tweede middel verworpen wordt; 5.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doet gelden, de dwaling in de motivering, de afwezigheid van de rechtens vereiste grondslag en de miskenning van het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat wordt toegelicht, ten eerste, dat de feitenvinding onzorgvuldig is geschied, zodat er een dwaling in de motivering is begaan en, ten tweede, dat het onwettig is de beslissing van de gemeenteraad te motiveren op grond van een eerdere tuchtsanctie die voor de Raad van State betwist wordt en niet definitief is; dat in de memorie van wederantwoord verzoeker in herinnering brengt dat hij tegen het vonnis van de correctionele rechtbank beroep heeft aangetekend en dat L. B. uitdrukkelijk en schriftelijk heeft verklaard niet door verzoeker tot verduistering te zijn aangezet; 5.
- Overwegende, met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel, dat blijkens de formele motivering van het ontslag van ambtswege, de tuchtstraf is opgelegd om reden van, ten eerste, de verduistering van een fiets en een horloge, ten tweede, de aanmoediging van A. S. om zich ook een aantal zaken toe te eigenen en, ten derde, het geven van toestemming aan L. B. om zich een zaak toe te eigenen; dat voor het bewijs van die vergrijpen, de sanctie steun zoekt in, respectievelijk, verzoekers bekentenis, een verklaring van 23 maart 1995 van XII-2837-9/12 A. S. aan de onderzoeksrechter en een verklaring van 9 januari 1995 van L. B. aan de adjunct-commissaris van politie; Overwegende dat verzoeker de verduistering van een diefstal en horloge toegeeft; dat hij wel betwist A. S. en L. B. tot toe-eigening van voorwerpen te hebben aangezet; dat dit wat A. S. betreft niet overtuigt en wat L. B. aangaat niet ter zake doet; Overwegende dat volgens verzoeker “het dossier geenszins toe[laat] te besluiten tot de geformuleerde tenlastelegging ‘te hebben aangezet tot verduistering’”; dat hij zich vergist; dat A. S. op 23 maart 1995 aan de onderzoeksrechter verklaarde : “De heer Bourguignon, de directeur, heeft de goederen eigenlijk aangeboden. Zo heb ik een videorecorder, enkele cassettes en de kader van een fiets gekocht”; dat verzoeker aan die verklaring totaal voorbijgaat; dat nochtans de gemeenteraad geacht kan worden er een genoegzame grond in te vinden om de aantijging dat verzoeker A. S. er toe heeft aangemoedigd zich insgelijks een aantal voorwerpen toe te eigenen, voor bewezen te houden; Overwegende, voorts, dat de gemeenteraad niet beweert dat verzoeker ook L. B. tot toe-eigening heeft aangemoedigd; dat de raad alleen in aanmerking heeft genomen dat betrokkene met verzoekers toestemming heeft gehandeld; dat de gemeenteraad zulks rechtmatig kon op grond van de verklaring van 9 januari 1995 van L. B. aan de politie : “De videorecorder kocht ik voor mijzelf voor de som van 200 frank, tijdens de bezichtigingsuren tussen 8 en 12 uur. Hetzelfde gebeurde met de recorder Sharp die door mijn collega [A.S.], in dezelfde omstandigheden werd aangekocht. Deze aankopen vonden plaats met toestemming van Bourg[u]ignon. Ik wist dat het verboden was om voorwerp aan te kopen vooraleer de eigenlijke openbare verkoop aanving”; dat het gepast voorkomt te benadrukken dat L. B. op geen enkel moment op die verklaring is terugkomen, ook niet op 15 mei 1996, toen hij (alleen) bevestigde niet tot verduistering te zijn “aangezet” door verzoeker; XII-2837-10/12 Overwegende dat de bestrafte tuchtfeiten voldoende onderzocht en vaststaand zijn; dat, volledigheidshalve, zij niet in het gedrang worden gebracht doordat verzoeker, na eerst bij vonnis van 2 februari 1996 van de correctionele rechtbank te Mechelen veroordeeld te zijn geworden wegens verduistering van een fiets, een horloge en een semadigit RTT en wegens belangenneming, uiteindelijk bij arrest van 18 november 2004 van het hof van beroep te Antwerpen van elke veroordeling ontslagen is geworden om reden van verjaring van de strafvordering; dat het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond is; 5.
- Overwegende, met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel, dat de eerste verwerende partij bij de bepaling van de strafmaat op 27 juni 1996 rekening heeft gehouden “met het feit dat E. Bourguignon reeds eerder een sanctie opliep onder meer wegens niet-officiële verrichtingen tijdens de diensturen die aanleiding hebben gegeven tot winstvorming”; dat toentertijd tegen die eerdere sanctie van zes weken schorsing zonder wedde nog een procedure bij de Raad van State hangende was; Overwegende dat dit voor de eerste verwerende partij geen reden moest zijn om de vroegere straf niet in aanmerking te nemen; dat die straf immers uitvoerbaar was; dat echter, door met de tuchtstraf rekening te houden, de eerste verwerende partij wel het risico nam dat ten gevolge van een eventuele retroactieve vernietiging ervan, de nieuwe sanctie van het ontslag van ambtswege zou blijken van meet af aan te zijn aangetast; Overwegende dat evenwel het risico zich niet gerealiseerd heeft; dat verzoekers vordering tot nietigverklaring van de tuchtstraf van zes weken schorsing zonder wedde bij arrest nr. 62.590 van 16 oktober 1996 is verworpen geworden; Overwegende dat derhalve ook het tweede onderdeel van het derde middel verworpen dient te worden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XII-2837-11/12 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2837-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.