id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.849 Rolnummer: A. 76525/VII-16152 Zaak: Arrest 143849 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 12:15 Fiche Arrest nr 143.849 van 28 april 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.849 van 28 april 2005 in de zaak A. 76.525/VII-16.152. In zake : de v.z.w. PAROCHIALE VERENIGING ONZE LIEVE VROUW MIDDELARES, die woonplaats kiest bij Advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te TURNHOUT, Gemeentestraat 4/6 tegen : de burgemeester van de stad TURNHOUT, die woonplaats kiest bij Advocaat J. SURMONT, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei 112. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. PAROCHIALE VERENIGING ONZE LIEVE VROUW MIDDELARES op 28 november 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de burgemees- ter van de stad Turnhout van 27 oktober 1997 waarbij hij aan de verzoekende partij voor wat betreft de exploitatie van de zaal "DE GILDEN" beveelt volgende maatregelen te nemen : "1. Voor elk evenement wordt vanaf heden schriftelijk toelating gevraagd aan ondergetekende. Elke vraag om toelating omvat minimaal volgende gegevens : datum van het evenement, beginuur en verwacht einduur, organisator, naam en adres van de verantwoordelijke van de organisator voor het evenement. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen evenementen met privaat dan wel met publiek karakter. Enkel voor de normale werking van het jeugdhuis, d.w.z. zonder dat er bijzondere gebeurtenissen (fuif, optreden, feest, e.d.) plaatsvinden, is geen toelating vereist. De vraag voor toelating wordt minstens 3 werkdagen voor organisatie van het evenement ingediend. 2. Elke gebruiker van de inrichting dient bij elektronisch versterkt geluid, gebruik te maken van een geluidsbegrenzer, welke is afgesteld op 92 dB(A). Het eventueel kortsluiten of intern storen van electronische circuits in de begrenzer, met het oog op het verhogen van het toegelaten geluidsdrukniveau zal correctioneel vervolgd worden. VII-16.152-1/21 3. De exploitant legt ondergetekende een veiligheidsplan ter goedkeuring voor, uiterlijk 1 werkdag voorafgaand de organisatie van het eerstvolgende evenement. Dit plan vermeldt minimum de te nemen maatregelen om abnormale burenhinder te voorkomen en dit tot in een straal van 100 meter rond de inrichting, én het aantal veiligheidsmensen dat dient ingezet om deze maatregelen uit te voeren. De veiligheidsmensen dienen in ieder geval nominatief aangeduid, ze dienen herkenbaar te zijn op het evenement en ze dienen schriftelijke instructies over hun takenpakket te verkrijgen. 4. De exploitant zal uiterlijk 17 november 1997 aan ondergetekende een voorstel doen over de wijze dat de inrichting desgevallend verder akoestisch zal geïsoleerd worden, rekening houdend met de bevindingen van het akoestisch onderzoek"; Gelet op het arrest nr. 72.031 van 25 februari 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 15 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 3 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. BROECKX die, loco Advocaat J. PEETERS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat L. JANSEN die, loco Advocaat J. SURMONT verschijnt voor de verwerende partij; VII-16.152-2/21 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij heeft het volgende maatschappelijk doel (zoals goedgekeurd op 20 december 1958) : "De vereniging heeft voor doel : 1/ Het bevorderen van de katholieke eredienst en het verspreiden van het katholiek geloof en de katholieke zeden. 2/ Het inrichten, beheren en bevorderen van alle katholieke parochiewerken en, onder meer :
- a)Werken van katholieke actie.
- b)Alle vormen van katholiek onderwijs en opvoeding.
- c)Alle werken van jeugd- en familiezorg, patronaten, openlucht- en vacantiewerken.
- d)Alle werken van christelijke naastenliefde, voorzorg, bijstand, onderlinge bijstand, verzekering, samenwerking.
- c)Alle werken van zieken, -wezen, -ouden- en armenzorg.
- f)Alle arbeidersverenigingen en andere sociale of professionele werken en verenigingen.
- g)Katholieke vermaak- en sportgelegenheden, kringen en verenigingen.
- h)Missiewerken 3/ Het materieel en moreel steunen en bijstaan van de personen die zich bezighouden met een of meer van deze activiteiten. 4/ Het verwerven en bezitten in eigendom of anderszins, alsmede het onderhouden van de goederen, met inbegrip van het bouwen, herstellen of wederbouwen van de onroerende goederen en het aanmaken of herstellen van de roerende goederen die tot een of meer van de voormelde activiteiten worden aangewend". De partijen zijn het erover eens dat de verzoekende partij eigenares is van de zaal "DE GILDEN" alwaar regelmatig evenementen worden georganiseerd. Die evenementen betreffen onder andere cursussen, begrafeniskoffies, "kienavonden" en danslessen voor bejaarden, vergaderingen van allerhande plaatselijke verenigingen, maar ook fuiven en dansavonden. VII-16.152-3/21 1.2. Op 21 juni 1994 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout aan de verzoekende partij een milieuvergunning om een inrichting te exploiteren gevestigd aan de Gildenstraat te Turnhout, toegerust met : - lokalen met dansgelegenheid met een totale oppervlakte groter dan 300 m²; - een schouwburg/feestzaal met speelruimte; - een stookinstallatie met warmtevermogen van 402 kW; - het lozen van normaal huisafvalwater in de openbare riolen. De vergunning is afhankelijk van de naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, alsook van een bijzondere voorwaarde die betrekking heeft op het sluitingsuur. 1.3. Blijkbaar beklagen de omwonenden zich over de hinder die de inrichting zou veroorzaken naar aanleiding van de organisatie van bepaalde fuiven - het gaat vooral over geluidshinder en vandalisme- en op 11 december 1996 wordt een vergadering georganiseerd waarop onder meer vertegenwoordigers van de verzoekende partij, het gemeentebestuur, en omwonenden aanwezig zijn. Aldaar wordt afgesproken om met de betrokken partijen nogmaals bijeen te komen om tot een overeenkomst te komen. Na deze bijkomende bijeenkomst tracht een afvaardiging van de verschillende partijen een overeenkomst uit te werken. In een "bewonersbrief" van 24 december 1996 deelt de burgemeester van de stad Turnhout aan de bewoners mee dat die overeenkomst nog niet op papier staat maar dat er wel op korte termijn een aantal afspraken zijn gemaakt zoals onder meer : - binnen de maand wordt een geluidsbegrenzer voorzien, zowel voor de eigen organisaties als voor die van anderen; - elke huurder voorziet in een veiligheidsploeg; - er wordt een geluidsonderzoek gedaan om informatie te krijgen over de geluidsdruk bij de mensen, buiten en in de zaal. 1.4. Met een schrijven van 20 januari 1997 geeft de burgemeester aan de verzoekende partij een aantal onderrichtingen op basis van de bevoegdheden die hij stelt te putten uit het milieuvergunningsdecreet, Vlarem I en Vlarem II. In de brief staat onder meer te lezen : "Gezien de huidige problematiek wordt u bij deze opgelegd dat u een volledig akoestisch onderzoek dient uit te laten voeren door een milieudeskundige erkend in de discipline geluid en trillingen en dit voor 1 maart 1997 (...) VII-16.152-4/21 De resultaten van betreffende onderzoeken en controles dienen onverwijld aan mij te worden overgemaakt. (...)". 1.5. Met een brief van 20 februari 1997 deelt de verzoekende partij aan het stadsbestuur van Turnhout mee dat zij beslist heeft het geluidsonderzoek te laten uitvoeren door de firma LISEC, dat deze firma hiertoe opdracht werd gegeven, en dat die firma tevens gevraagd werd om met het stadsbestuur contact op te nemen omtrent de praktische schikkingen van dit onderzoek. 1.6. Met een schrijven van 10 maart 1997 bezorgt de verzoekende partij aan de milieudienst van de stad Turnhout een kopie van het akoestisch onderzoek betreffende de zaal "DE GILDEN", opgemaakt door de firma LISEC v.z.w. In de geluidsstudie staat onder meer te lezen : "Teneinde te voldoen aan de streefwaarde dient het binnenniveau verminderd te worden tot gemiddeld 96 dB(A). Deze waarde is tamelijk laag voor dit type van inrichting. Actueel voldoet de zaal bijgevolg bij binnenniveaus tot 106 dB(A) aan Vlarem. Vanaf 31/07/2000 moet ofwel het niveau worden beperkt tot 96 dB(A), ofwel moeten er verbeteringen worden aangebracht bij vooral de deuren en ramen. Afhankelijk van de ingrepen moet het niveau dan beperkt worden tot ongeveer 102 dB(A). Om verdere controle van het binnenniveau toe te laten, kan men een begrenzer plaatsen die een signaal geeft bij overschrijding van de toegelaten waarde. In de handel zijn toestellen te verkrijgen die een signaallamp doen branden bij overschrijding". 1.7. In een zgn. "bewonersbrief", uitgaande van de stad Turnhout en gericht aan de betrokkenen bij de problematiek van fuiven in "DE GILDEN", staat onder meer te lezen : "Het schepencollege heeft op 28 april ll. over de problematiek van de fuiven in De Gilden beslist om in te gaan op de vragen voor een regeling van minder fuiven, controle, meldingsplicht voor de fuiven, een duidelijk aanspreekpunt en de opmaak van richtlijnen voor fuiven in de stad. Zo zullen de fuiven steeds gemeld moeten worden op het politiesecretariaat en is blijvend controle voorzien. ( ... ) De Gilden heeft ondertussen in haar reglement het plaatsen van een geluidbegrenzer voorzien, het voorzien in een security-ploeg, het melden van onregelmatigheden aan de politie. De Parochiale vereniging O.L.V. Middelares zal een gezamenlijk voorstel opmaken over het aantal verhuringen vanaf september 1997. De vereniging wordt in kennis gesteld van de beperking van het aantal fuiven (ong. 25/jaar).( ... )". VII-16.152-5/21 1.8. In een brief van 12 mei 1997 aan de uitbaters van de zaal "DE GILDEN" en uitgaande van de stad Turnhout staat onder meer te lezen wat volgt : "Het Schepencollege waardeert de inspanningen die al geleverd werden sedert onze laatste contacten. Toch willen wij u de afspraak in herinnering brengen het aantal fuiven, zoals besproken, vanaf september bewust te beperken tot ong. 25 per jaar". 1.9. In een brief van 2 juni 1997, gericht aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout, deelt de verzoekende partij mee dat zij niet akkoord kan gaan met het verslag en de brieven waarin vermeld staat dat de verzoekende partij het aantal fuiven zou beperken tot 25 per jaar. Voorts staat in de brief te lezen : "Alle gemaakte afspraken (aanpassingen contract, eisen van security-ploeg en geluidsbegrenzer) hebben wij onmiddellijk uitgevoerd zoals afgesproken en al onze huurders hiervan schriftelijk in kennis gesteld en hen tevens gewezen op het politiereglement alsook meegedeeld dat zij hun fuiven tijdig moeten aangeven bij de politie". 1.10. Op 25 juni 1997 wordt een aangepast eindverslag inzake het akoestisch onderzoek opgemaakt, waarin onder meer te lezen staat wat volgt : "Teneinde te voldoen aan de streefwaarde dient het binnenniveau verminderd te worden tot gemiddeld 96 dB(A) bestaande inrichting) of 92 dB(A) (nieuwe inrichting). Deze waarde is zeer laag voor de geplande activiteiten. Voor een bestaande inrichting voldoet de zaal actueel bijgevolg bij binnenni- veaus tot 106 dB(A) aan Vlarem. Vanaf 31/07/2000 moet ofwel het niveau worden beperkt tot 96 db(A) ofwel moeten er verbeteringen worden aangebracht bij vooral de deuren, ramen en de dakconstructie. Voor een nieuwe exploitatie is steeds reductie vereist. Om verdere controle van het binnenniveau toe te laten, kan men een begrenzer plaatsen die een signaal geeft bij overschrijding van de toegelaten waarde. In de handel zijn toestellen te verkrijgen die een signaallamp doen branden bij overschrijding. Maximale niveaus bij jeugdfuiven bedragen 115 dB(A). Bij dit niveau is er voor een bestaande inrichting een overschrijding van ongeveer 10 dB(A) en in de toekomst wordt dit bijna 20 dB(A). Voor een nieuwe inrichting is de overschrijding ongeveer 25 dB(A) Om de zaal conform met deze binnenniveau te exploiteren, zijn er een aantal ingrepen nodig. De zwakke delen in de geluidsoverdracht zijn de deuren. De toegang bestaat uit een sas met twee glazen deuren en de toegangsdeur tot de zaal. Bij activiteiten bij hogere buitentemperatuur kan worden verwacht dat deze deuren geopend zijn. Men kan de huurder van de zaal contractueel verplichten om toe te zien dat de deuren gesloten blijven. De deur blijft evenwel een zwak punt omdat het publiek regelmatig de deuren opent bij toegang en verlaten van de zaal. Door in de hal een absorberende wand aan te brengen tussen de toegang tot de zaal en de uitgang is een verbetering met ongeveer 5 dB(A) mogelijk. VII-16.152-6/21 Hierdoor benadert dit voorlopig de toegelaten waarde op voorwaarde dat de deuren dicht zijn. Verdere beperking is alleen mogelijk door aanpassingen aan het bestaande sas. Deze ingreep is zo drastisch dat dit alleen in overleg met een architect uit te werken is. De nooduitgangen aan de achterzijde zijn akoestisch zeer zwak. Het is wenselijk de deuren te vervangen door akoestische deuren. De realiseerbare verbetering door deze ingreep bedraagt 5 tot 10 dB(A) aan de achterzijde van de zaal. Hierdoor wordt de situatie vergelijkbaar met deze aan de voorzijde na sanering. Om de buitenniveaus in alle gevallen te beperken tot de vereiste niveau(
- s)die vanaf 31/07/2000 van toepassing zijn of tot de voorwaarde voor nieuwe inrichtingen, is verdere reductie nodig. Om het buitenniveau te beperken tot 26 à 30 dB(A) bij 115 dB(A) in de zaal moet de toegang volledig worden aangepast. Er moet in dit geval worden gedacht aan een toegang dwars op de overdrachtrichting. De bekleding van de wanden en plafonds van de hal moet absorberend worden uitgevoerd. Door de hal uit te voeren met een grote lengte en beperkte breedte, verbetert de afname van het geluid. De ingrepen aan de achterzijde moeten verder op hun totaal rendement worden onderzocht. De ruimte tussen de zaal (
- en)een buitenwand in de richting van de school is akoestisch zeer zwak. De kwaliteit van de aan te brengen akoestische deur is zeer belangrijk. De nooduitgang bij het toneel stelt hetzelfde probleem. De transmissie via het gedeelte van het gebouw met een plat dak wordt belangrijk bij de voorwaarde van 2000 of deze voor nieuwe inrichtingen. Door een goed gedimensioneerde voorzetconstructie aan te brengen is een gevoelige verbetering mogelijk. Voor het dak bij de toiletten is deze aanpak moeilijker omwille van de beperkte hoogte. Het is aan te raden dit probleem in combinatie met de verbetering van de toegang te behandelen in overleg met een architect". 1.11. Op 27 oktober 1997 wordt de thans bestreden beslissing genomen door de burgemeester van de stad Turnhout. Zij luidt als volgt : "PRO JUSTITIA Heden. zevenentwintig oktober negentienhonderdzevenennegentig; Wij, Marcel Hendrickx, burgemeester van de stad Turnhout, handelend in uitvoering van de bijzondere handhavingsbevoegdheden welke ons worden toegekend bij Decreet betreffende de Milieuvergunning d.d. 28.06.1985 en bij het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning, Titel I d.d. 06.02.1991; Overwegende de hinderproblemen die zich voordoen rond de inrichting met dansgelegenheid gekend als Gelet op het feit dat voor bedoelde inrichting een milieuvergunning werd afgeleverd bij Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen op 21.06.1994; Gelet op het feit dat deze Milieuvergunning werd afgeleverd aan de Parochiale Werken O.L. Vrouw Middelares V.Z.W. voor de inrichting genoemd hierboven en dit op het kadastraal perceel Afdeling 4, sectie P, perceelsnummer 247k5 en dat de inrichting omvat : • lokalen met dansgelegenheid met een totale oppervlakte groter dan 300 m² (463 m²) • een schouwburg/feestzaal met speelruimte • een stookinstallatie met warmtevermogen van 402 kW • het lozen van normaal huishoudelijk afvalwater in de riolering; VII-16.152-7/21 Overwegende dat ingevolge de administratieve gegevens beschikbaar bij stad Turnhout, de heer Van Rompuy Jan, in hoedanigheid van voorzitter van de vereniging, verantwoordelijk is voor het naleven van de milieuvergunningsvoor- waarden; Overwegende de veelvuldige klachten van omwonenden betreffende abnormale burenhinder in de omgeving en dat deze klachten vooral betrekking hebben op geluidshinder afkomstig van de inrichting enerzijds en van aankomend en weggaand publiek anderzijds; Overwegende dat de klachten eveneens betrekking hebben op vandalisme in de buurt, veroorzaakt door aankomend en weggaand publiek; Overwegende dat deze klachten onder andere voortdurend werden geuit bij gelegenheid van de publieke Commissie Leefmilieu, waarbij er heden een escalatie van de hinderproblemen blijkt; Overwegende dat getracht werd met de exploitant mondelinge afspraken te maken over de wijze waarop de exploitatie diende gevoerd en dat deze afspraken tot op heden niet werden nageleefd; Gelet op het akoestisch onderzoek, voor de inrichting uitgevoerd door het LISEC, Studiecentrum voor ecologie en bosbouw V.Z.W., Craenevenne 140 te 3600 Genk; Overwegende dat de eindresultaten van deze studie ons pas heden 27 oktober 1997 ter kennis worden gebracht; Overwegende dat het maximum geluidsdrukniveau in de inrichting beperkt dient te worden tot 92 dB(A) om te voldoen aan wettelijke bepalingen opgenomen in het VLAREM II d.d. 01.06.1996; Overwegende dat dit geluidsdrukniveau blijkens literatuurgegevens Overwegende dat het daarom aanbevolen is voor de inrichting bijkomende saneringsmaatregelen inzake geluid te nemen; Gelet op artikel 30 van het Decreet van de Vlaamse Raad d.d. 28.06.1985 betreffende de Milieuvergunning en artikel 64 van het Besluit van de Vlaamse Executieve d.d. 06 02.1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning, die beiden stellen dat de burgemeester mondeling of schriftelijk raadgevingen, aanmaningen en bevelen kan geven; Overwegende dat de burgemeester van deze bevoegdheden gebruik kan maken indien hij vaststelt dat een inrichting van klasse 2 wordt geëxploiteerd in strijd met de vergunningsvoorwaarden; Overwegende dat het aanbevolen is, in ieder geval in afwachting van een evaluatie ten gronde, waarvoor bijkomende informatie van de exploitant dient verkregen, schriftelijke bevelen te formuleren ten aanzien van de inrichting; Bevelen we hierbij volgende maatregelen te nemen. 1. Voor elk evenement wordt vanaf heden schriftelijk toelating gevraagd aan ondergetekende. Elke vraag om toelating omvat minimaal volgende gegevens : datum van het evenement beginuur en verwacht einduur, organisator, naam en adres van de verantwoordelijke van de organisator voor het evenement. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen evenementen met privaat dan wel met publiek karakter. Enkel voor de normale werking van het jeugdhuis, d.w.z. zonder dat er bijzondere gebeurtenissen (fuif, optreden, feest, e.d.) plaatsvinden, is geen toelating vereist. De vraag voor toelating wordt minstens 3 werkdagen voor organisatie van het evenement ingediend. VII-16.152-8/21 2. Elke gebruiker van de inrichting dient bij elektronisch versterkt geluid gebruik te maken van een geluidsbegrenzer welke is afgesteld op 92 dB(A). Het eventueel kortsluiten of intern storen van electronische circuits in de begrenzer, met het oog op het verhogen van het toegelaten geluidsdrukniveau, zal correctioneel vervolgd worden. 3. De exploitant legt ondergetekende een veiligheidsplan ter goedkeuring voor uiterlijk 1 werkdag voorafgaand de organisatie van het eerstvolgende evene- ment. Dit plan vermeldt minimum de te nemen maatregelen om abnormale burenhinder te voorkomen en dit tot in een straal van 100 meter rond de inrichting, én het aantal veiligheidsmensen dat dient ingezet om deze maatregelen uit te voeren. De veiligheidsmensen dienen in ieder geval nominatief aangeduid, ze dienen herkenbaar te zijn op het evenement en ze dienen schriftelijke instructie(
- s)over hun takenpakket te verkrijgen. 4. De exploitant zal uiterlijk 17 november 1997 aan ondergetekende een voorstel doen over de wijze dat de inrichting desgevallend verder akoestisch (...) zal geïsoleerd worden rekening houdend met de bevindingen van het akoestisch onderzoek. Aldus opgemaakt te Turnhout op 27 oktober 1997". 1.12. Na de thans bestreden beslissing zijn nog volgende feiten de melden : 1.12.1. De verzoekende partij vraagt aan de burgemeester van Turnhout toelating voor bepaalde activiteiten. Met een schrijven van 29 oktober 1997 maakt de verzoekende partij aan de burgemeester van de stad Turnhout een veiligheidsplan over. In dit veiligheidsplan staat onder meer te lezen : "De dj dient zich op te stellen op het podium voor het gordijn. Het gordijn dient gedurende de ganse activiteit gesloten te blijven. Hij dient de geluidsbe- grenzer constant afgesteld te laten op maximum 92 dB(A)". Dit veiligheidsplan wordt op 5 november 1997 goedgekeurd. 1.12.2. In een brief van 30 oktober 1997, uitgaande van de verzoekende partij en gericht aan de burgemeester, doet de verzoekende partij een voorstel over de wijze waarop de inrichting verder akoestisch zal geïsoleerd worden, en zij schrijft onder meer : "Daarenboven onderzoeken wij momenteel de manier waarop een geluidsbe- grenzer op de electrische installatie van onze zaal door onszelf kan aangebracht worden en die door de huurder verplicht zal worden te gebruiken (momenteel dient de huurder zelf een begrenzer mee te brengen). Wij zouden dan deze afstellen volgens de voorziene bepalingen en aan uw bevoegde diensten willen vragen deze te willen verzegelen zodat het voor ons eenvoudig wordt om inbreuken onmiddellijk vast te stellen. Het ligt in onze bedoeling om bij overschrijding van het geluid het electrische circuit te onderbreken gedurende een bepaalde periode (bv. één minuut) waardoor het maken van muziek VII-16.152-9/21 gedurende die tijd onmogelijk wordt. Wij hopen U één der komende dagen definitief uitsluitsel te kunnen geven alsook de datum waarop dit toestel kan geplaatst worden". 1.12.3. Met een schrijven van 6 november 1997 deelt de verzoekende partij aan de burgemeester van de stad Turnhout mee dat de geluidsbegrenzer werd geleverd en geïnstalleerd, en dat deze is afgesteld op 92 dB(A). 1.12.4. In een schrijven van 13 november 1997, gericht aan de burgemees- ter van de stad Turnhout, stelt de verzoekende partij onder meer wat volgt : "Het totale geluidsniveau dat gemeten wordt binnen in de zaal is dus niet alleen afkomstig van de geluidsinstallatie maar wordt dus ook geproduceerd door alle andere geluidsbronnen die zich in de zaal bevinden, dus ook stemgelui- den van de aanwezigen. Dat betekent dus dat, hoe meer mensen er zich in de zaal bevinden (die geluid maken), hoe stiller de geluidsinstallatie moet staan om de ingestelde limiet niet te overschrijden. Wij hebben zelf kunnen ondervinden dat, wanneer de zaal vol volk is, de muziek bijna niet te horen is in de zaal. De limiet van 92 dB(A) is dus zeer laag. ( ... ) Wanneer de limiet op 92 dB(A) gehandhaafd blijft, is een normale uitbating van onze zaal niet meer mogelijk en kunnen wij dus ook niet meer concurreren met andere zalen. Mogen wij U vragen te overwegen om de limiet aan te passen zodat een normale uitbating en concurrentie opnieuw mogelijk wordt zonder dat er evenwel geluidsoverlast buiten de zaal wordt gemeten". 1.12.5. Op 10 november 1997 gaat het college van burgemeester en schepenen over tot een ambtshalve aanvulling van de voorwaarden van de vergunning van 21 juni 1994. Volgende bijkomende bijzondere voorwaarden worden opgelegd : - het aantal evenementen waarbij wordt gedanst in de inrichting is beperkt tot maximum 25 per jaar en dit met een maximum van 2 per week; - het gebruik van een geluidsbegrenzer die is afgesteld op 92 dB(A) is verplicht; - de exploitant legt aan de burgemeester een veiligheidsplan voor dat er op is gericht abnormale burenhinder te voorkomen en dit in een straal van 100 meter rond de inrichting; - er wordt een register voor de registratie van elk evenement bijgehouden; - de exploitant zal met het oog op een betere akoestische isolatie van de inrichting aan de burgemeester een voorstel doen over de wijze waarop de inrichting desgevallend bijkomend akoestisch geïsoleerd zal worden. Tegen het besluit van 10 november 1997 worden twee administratieve beroepen ingesteld, enerzijds door de buurtbewoners rond de feestzaal "DE GILDEN", anderzijds door de verzoekende partij. VII-16.152-10/21 1.12.6. Met een besluit van 22 januari 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen wordt het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 10 november 1997 bevestigd en aangevuld met volgende bijkomende bijzondere voorwaarde : "Tijdens de organisatie van fuiven moeten de ramen en deuren van de inrichting gesloten blijven". Dit besluit wordt bij de Raad van State aangevochten met een annulatieberoep, gekend onder het nr. A. 78.130/VII-16.574. 1.12.7. Op 27 februari 1998 stelt Willy VANDENBERGH van de firma LISEC zijn eindverslag op ("Controlemeting van het geluidsniveau in de omgeving van een feestzaal"). Daarin leest men onder meer : "Indien de inrichting evenwel als een nieuwe inrichting wordt beschouwd moet het specifiek geluid bij de woningen worden beperkt tot 30 dB(A). Hieraan wordt voldaan zolang het niveau in de zaal beperkt blijft tot 100 dB(A)". 1.12.8. Op 15 april 1998 besluit de burgemeester van de stad Turnhout : "Het bevelschrift d.d. 27 oktober 1997, betrekking hebbende op de inrichting met dansgelegenheid Het bevelschrift wordt opgeheven met ingang van het ogenblik dat de exploitant een origineel register voor evenementen ter beschikking heeft, zoals bepaald in de bijzondere exploitatievoorwaarden opgelegd voor de inrichting door het college van burgemeester en schepenen, in zitting van 10 november 1997". 1.12.9. Met een brief van 17 april 1998 deelt de burgemeester van de stad Turnhout aan de verzoekende partij onder meer mee wat volgt : "Het maximum toegelaten geluidsdrukniveau bedraagt vanaf heden 100 dB(A); de geluidsbegrenzer mag in die zin worden afgesteld"; 2. De ontvankelijkheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord een eerste exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, waarin zij stelt dat de verzoekende partij niet doet blijken van het vereiste rechtstreeks, persoonlijk en actueel belang bij het instellen van het annulatieberoep, gelet op haar statutair doel zoals gewijzigd op 20 december 1958; dat zij doet gelden dat de organisatie van VII-16.152-11/21 fuiven geenszins gelijk te stellen is met katholieke parochiewerken, zodat dit dan ook niet kadert in haar doel; 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord onder meer stelt dat door het verhuren van de zaal voor fuiven aan parochianen en parochiale verenigingen haar statutair doel reeds wordt gerealiseerd en dat haar doel immers zeer algemeen is omschreven als het inrichten, beheren en bevorderen van parochiewerken en het materieel steunen van hen die zich bezighou- den met deze werken; 2.1.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie benadrukt dat niet wordt tegengesproken dat de bewuste fuiven waarop de door haar gegeven bevelen betrekking hebben, mogelijk geen katholiek karakter hebben en als zodanig niet onder het statutair doel van de verzoekende partij vallen, en dat de verzoekende partij een v.z.w. is die blijkbaar een commercieel doel heeft, daar zij winsten nastreeft; 2.1.4. Overwegende dat de inrichting van de verzoekende partij onder meer tot doel heeft : "2. Het inrichten, beheren en bevorderen van alle katholieke parochiewerken, en onder meer : (...)
- g)katholieke vermaak- en sportgelegenheden, kringen en verenigingen"; dat fuiven en danspartijen als vermaakgelegenheden beschouwd kunnen worden; dat door de katholieke scouts en chiro onder meer fuiven worden georganiseerd; dat dienvolgens het verhuren van de zaal voor dergelijke fuiven kan worden beschouwd als kaderend in het statutair doel van de verzoekende partij; dat een bijkomstig commercieel oogmerk, ter ondersteuning van het statutair doel van de verzoekende partij, hieraan geen afbreuk doet; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 2.2.1. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord ook nog doet gelden dat het college van burgemeester en schepenen op 10 november 1997 de vergunningsvoorwaarden wijzigde, en dit besluit door de bestendige deputatie werd bevestigd, dat thans als voorwaarde een maximaal aantal fuiven per jaar van 25 geldt met een maximum van 2 per week, dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij ingevolge de bevolen maatregel in het bestreden besluit, met name dat voor elk evenement voorafgaandelijk toelating moet worden gevraagd, minder fuiven zou kunnen organiseren dan het in de milieuvergunning opgelegde VII-16.152-12/21 maximaal aantal van 25 per jaar, en dat de drie overige maatregelen uit het bestreden besluit (de geluidsbegrenzer, het veiligheidsplan en het voorstel voor akoestische isolatie) ook in de gewijzigde milieuvergunningsvoorwaarden worden opgelegd, zodat de verzoekende partij bijgevolg geen actueel belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord hierop repliceert dat tegen deze beslissing van 10 november 1997 beroep werd ingesteld bij de bestendige deputatie en dat vervolgens een verzoek tot nietigverklaring van de beslissing van de bestendige deputatie bij de Raad van State werd ingediend, dat in de hypothese dat deze laatste beslissing van de bestendige deputatie wordt vernietigd, de voorwaarden van de in onderhavige procedure bestreden beslissing van kracht blijven, hetgeen de verzoekende partij geenszins wenst; 2.2.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog doet gelden dat de bevelen opgenomen in de bestreden beslissing niet alleen gelijklopend zijn met de aanvullende vergunningsvoorwaarden, maar ook een kristallisatie zijn van de afspraken die reeds vóór de beslissing van 27 oktober 1997 tussen de partijen overeengekomen waren en die reeds vóór die datum vrijwillig werden nageleefd door de verzoekende partij, dat tijdens een vergadering van 11 december 1996 immers reeds een reeks afspraken werden gemaakt tussen de partijen en dat die per brief van 24 december 1996 aan de buurtbewoners ter kennis werden gebracht, dat op een vergadering van 27 januari 1997 afspraken werden gemaakt inzake het aantal fuiven dat mocht worden georganiseerd, dat in een brief van 2 juni 1997 de verzoekende partij verklaarde dat zij alle gemaakte afspraken onmiddellijk had uitgevoerd, dat daarenboven aan de beslissing van 27 oktober 1997 onmiddellijk uitvoering werd gegeven door de verzoekende partij, dat aangezien de bestreden beslissing van 27 oktober 1997 slechts een bevestiging was van de tussen de partijen gemaakte afspraken, de verzoekende partij niet het vereiste belang heeft om de nietigverklaring ervan te vorderen; dat zij ook nog betoogt dat het belang van de verzoekende partij inmiddels is teloorgegaan door de besluiten van 15 april 1998 en 17 april 1998, daar het eerste besluit het bestreden besluit opheft onder een bepaalde voorwaarde, met name het houden van een register, en dat de verzoekende partij zelf zegt dat zij zich aan deze voorwaarde houdt en dat met het tweede besluit de geluidsbegrenzer wordt afgesteld op 100 dB(A), terwijl de verzoekende partij zich reeds vrijwillig heeft akkoord verklaard met een begrenzing tot 92 dB(A); VII-16.152-13/21 2.2.4.1. Overwegende dat het gegeven dat het college van burgemeester en schepenen een beslissing nam houdende het opleggen van aanvullende vergun- ningsvoorwaarden die grotendeels parallel lopen met de voorwaarden gesteld middels de thans bestreden maatregel en dat die beslissing werd bevestigd door de bestendige deputatie op 22 januari 1998, het belang van de verzoekende partij bij het bestrijden van de maatregel van 27 oktober 1997 niet ontneemt, nu zij het deputatiebesluit van 22 januari 1998 eveneens heeft aangevochten met een annulatieberoep (zaak A. 78.130/VII-16.574); dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 2.2.4.2. Overwegende, wat betreft de voor het eerst in de laatste memorie aangevoerde exceptie dat de bestreden beslissing een bevestiging zou zijn van eerder gemaakte afspraken, dat de verwerende partij die exceptie reeds had kunnen aanvoeren in haar memorie van antwoord; dat het een exceptie betreft die zich niet zonder meer aan de organen van de Raad van State opdringt, en die onder meer gesteund is op feitelijke gegevens die de Raad niet kent, tenzij ze door de partijen worden aangereikt; dat dergelijke exceptie niet ambtshalve door de Raad van State kan worden onderzocht; dat zij in limine litis door de partijen moet worden opgeworpen; dat dit voor de verwerende partij in casu impliceert in haar memorie van antwoord; dat een behoorlijke procesvoering en het beginsel van de wapengelijkheid immers vereisen dat zulke excepties eerst door de verzoekende partijen kunnen worden beantwoord in de memorie van wederantwoord, en dat de auditeur- verslaggever er een grondig onderzoek kan aan wijden in zijn verslag, waarop dan nogmaals kan gereageerd worden in de laatste memories; dat de exceptie dan ook niet ontvankelijk is; 2.2.4.3. Overwegende dat het actueel belang van de verzoekende partij ten gevolge van het besluit van de burgemeester van 15 april 1998 (zie punt 1.12.8.) houdende de voorwaardelijke opheffing van het bestreden bevelschrift niet is teloorgegaan, aangezien de daarin gestelde voorwaarde, te weten het ter beschikking stellen van een evenementenregister, met het annulatieberoep nr. A. 78.130/VII- 16.574 wordt aangevochten; 2.2.4.4. Overwegende dat hangende de onderhavige annulatieprocedure de burgemeester zijn beslissing tot instelling van de geluidsbegrenzer op 92 dB(A) heeft herzien en dat hij per brief van 17 april 1998 aan de verzoekende partij heeft meegedeeld dat de geluidsbegrenzer op 100 dB(A) mag worden ingesteld; dat op de terechtzitting de verzoekende partij heeft bevestigd dat zij die beslissing niet heeft aangevochten; dat dienvolgens de verzoekende partij geen actueel belang meer heeft VII-16.152-14/21 bij het bestrijden van de door de burgemeester opgelegde voorwaarde om gebruik te maken van een geluidsbegrenzer, welke is ingesteld op 92 dB(A); 3. De gegrondheid van het beroep. 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede middel de schending inroept van artikel 26 van de Grondwet, doordat de burgemeester eist dat voor elk evenement op voorhand een schriftelijke toelating wordt gevraagd, terwijl artikel 26 van de Grondwet uitdrukkelijk voorziet dat Belgen het recht hebben om vreedzaam te vergaderen, en dit recht niet aan een voorafgaand verlof kan worden onderworpen; dat de verzoekende partij, ter adstructie van haar standpunt, verwijst naar 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in essentie betoogt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel, daar het moeten vragen van een toelating geen ernstig probleem kan vormen, dat de verzoekende partij reeds verschillende toelatingen vroeg en ze steeds kreeg, dat zij de toelatingen geruime tijd op voorhand kan vragen, dat zij bovendien enkel haar zaal verhuurt en zich in die hoedanigheid niet op de schending van artikel 26 van de Grondwet kan beroepen, dat overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie het verbod van preventieve maatregel niet van toepassing is op openbare zang- en dansfeesten in gesloten ruimten, en dat in casu manifest niet is voldaan aan de in artikel 26 van de Grondwet gestelde voorwaarde dat de vergaderingen een vreedzaam karakter moeten hebben : er is immers sprake van geweld, vandalisme en lawaaihinder, wat de openbare orde raakt; 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord betoogt dat zij niet begrijpt dat zij enerzijds om toelating moet vragen voor het organiseren van evenementen, maar anderzijds niet over de hoedanigheid zou beschikken om de schending van artikel 26 van de Grondwet in te roepen, dat voorts de evenementen die zij organiseert openbaar zijn, maar niet in open lucht plaatsvinden, en dat de Cassatierechtspraak uit de periode 1833-1949 naar dewelke de verwerende partij verwijst derhalve niet relevant is; dat de verzoekende partij nog aanvoert dat aan de fuiven geen gewelddadig opzet ten grondslag ligt en zij een vreedzaam verloop kennen, dat milieuhygiënische problemen overigens niet gelijkgeschakeld kunnen worden met problemen van openbare orde en veiligheid; VII-16.152-15/21 3.1.4. Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie ten slotte opnieuw verwijst naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie en ook bij analogie naar de rechtspraak van de Raad van State inzake de toepassing van artikelen 133 en 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet, op grond waarvan het grondwettelijk recht van vergadering kan worden gereglementeerd en beperkt indien er verstoring is van de materiële openbare orde of dreiging daartoe; dat de verwerende partij hierbij nog opwerpt dat er in casu sprake is van ernstige aanwij- zingen dat de fuiven niet vreedzaam verlopen, en dat dit blijkt uit de veelvuldige klachten van buurtbewoners; 3.1.5.1.1. Overwegende dat de stelling van de verwerende partij dat de verzoekende partij geen belang zou hebben bij het middel, niet kan worden aangenomen; dat het vooreerst hoe dan ook een zekere last voor de verzoekende partij meebrengt wanneer zij telkens een toelating moet vragen, zelfs al zou zij die toelating telkens krijgen; dat de verzoekende partij er voorts op voorhand nooit zeker van is dat de toelating zal worden verleend, ook al is dat in het verleden steeds gebeurd; dat ten slotte, zelfs al kan de verzoekende partij de vraag om toelating vrij lang op voorhand indienen, de bestreden beslissing niet stelt dat de burgemeester de toelating, of het weigeren daarvan, ook snel moet meedelen; dat dit het organiseren van evenementen door de verzoekende partij bemoeilijkt; 3.1.5.1.2. Overwegende dat het betoog van de verwerende partij dat de verzoekende partij ook niet over de vereiste hoedanigheid zou beschikken om zich te beroepen op een schending van artikel 26 van de Grondwet niet opgaat, aangezien het de verzoekende partij is die op voorhand om een toelating moet verzoeken om evenementen te mogen organiseren; dat de bestreden beslissing overigens ook betrekking kan hebben op het geval dat de verzoekende partij zelf de organisator is van de bijeenkomsten, en dus niet enkel verhuurster van de zaal, zodat alleen reeds om die reden zij over de vereiste hoedanigheid beschikt om de schending van artikel 26 van de Grondwet in te roepen; 3.1.5.1.3. Overwegende dat de bestreden beslissing onder meer inhoudt dat voor elk evenement een schriftelijke toelating moet worden gevraagd aan de burgemeester, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen evenementen met privaat dan wel met publiek karakter, en dat enkel voor de normale werking van het jeugdhuis, d.w.z. zonder dat er bijzondere gebeurtenissen (fuif, optreden, feest, e.d.) plaatsvinden, geen toelating vereist is; dat artikel 26 van de Grondwet bepaalt : VII-16.152-16/21 "De Belgen hebben het recht vreedzaam en ongewapend te vergaderen, mits zij zich gedragen naar de wetten, die het uitoefenen van dit recht kunnen regelen zonder het echter aan een voorafgaand verlof te onderwerpen. Deze bepaling is niet van toepassing op bijeenkomsten in open lucht, die ten volle aan de politiewetten onderworpen blijven"; dat de fuiven, dansactiviteiten en dergelijke meer die in zaal "DE GILDEN" doorgaan, te beschouwen zijn als openbare vergaderingen in gesloten plaatsen in de zin van artikel 26 van de Grondwet; dat niet kan worden aangenomen dat de fuiven, dansactiviteiten, enz.... die in zaal "DE GILDEN" doorgaan, georganiseerd worden met een niet-vreedzaam opzet; dat er ook geen aanwijzingen zijn dat deze fuiven een gewelddadig karakter zouden hebben of dat zij niet vreedzaam zouden verlopen; dat, wanneer er bij bepaalde fuiven problemen van geluidsoverlast zouden zijn, dit niet inhoudt dat de fuiven daardoor hun vreedzaam karakter verliezen; dat milieuhygiëni- sche problemen immers niet gelijkgeschakeld mogen worden met problemen van openbare orde en openbare veiligheid; dat, indien bepaalde individuen zich bij het verlaten van de zaal zouden bezondigen aan vandalisme, dit niet betekent dat de kwestieuze bijeenkomsten als zodanig een niet-vreedzaam karakter zouden hebben; dat dit evenwel niet inhoudt dat de verwerende partij bepaalde vormen van overlast rond de inrichting niet kan aanpakken; dat immers daartoe een beroep kan worden gedaan op de artikelen 133 en 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet; dat de bestreden beslissing evenwel niet is gestoeld op die bepalingen; dat het middel gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert dat als volgt luidt : "VIERDE MIDDEL : schending van artikel 29-30 van het Decreet betreffende de Milieuvergunning en van artikel 64 Vlarem I - doordat de heer Burgemeester bij toepassing van hoger vermelde artikelen aan verzoekster schriftelijk bevelen heeft gegeven; - terwijl deze artikelen voorzien dat de burgemeester schriftelijke bevelen kan geven binnen de bevoegdheden die hem door artikel 29 van het Decreet betreffende de Milieuvergunning en door Vlarem I worden toegewezen; dat de burgemeester de bevoegdheid heeft om na te gaan of vergunningsplichtige inrichtingen vergund zijn, en of deze de hem opgelegde regels en exploitatievoorwaarden naleven; dat logischerwijze slechts bijkomende raadgevingen, aanmaningen en bevelen kunnen worden gegeven, indien inbreuken worden vastgesteld op de aan de vergunningsplichtige inrichtingen opgelegde regels en exploitatievoorwaar- den; dat in casu geen inbreuken werden vastgesteld; dat volgens de heer Burge- meester slechts aanwijzingen bestaan dat er inbreuken zijn; dat deze daarbij echter uitgaat van een verkeerde lezing van het verslag van de milieudeskun- dige; VII-16.152-17/21 - zodat de heer Burgemeester in casu niet bevoegd was om het besluit d.d. 27 oktober 1997 te nemen; dat verzoekster derhalve de nietigverklaring vordert van dit besluit wegens machtsoverschrijding"; dat de grief gestoeld op een verkeerde lezing van het verslag van de milieudeskundige dient te worden samengelezen met een onderdeel van het eerste middel waarin de verzoekende partij aanvoert dat in het verslag van de milieudeskundige werd geconcludeerd dat "bij de meest beïnvloede woningen de geluidsdruk 2 dB(A) hoger is dan de streefwaarden voorzien in Vlarem II, maar niet hoger is dan de limietwaar- de" zodat er geen sprake is van inbreuk op de exploitatievoorwaarden; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat op grond van de vele klachten inzake lawaaihinder en hetgeen werd uiteengezet in het verslag van de firma LISEC, wel degelijk werd vastgesteld dat de verzoekende partij in gebreke bleef om de exploitatievoorwaarden na te leven, dat op grond van artikel 4, § 4, van de vergunning niet alleen de voorwaarden van Vlarem van toepassing zijn, maar tevens alle andere van toepassing zijnde wetgeving, onder meer ook de bepalingen inzake burenhinder, en dat het lawaai van de inrichting burenhinder veroorzaakte; dat in haar verweer bij het eerste middel de verwerende partij onder meer stelt dat volgens de geluidsstudie er een overschrijding is van 6 dB(A) en dat het binnenniveau moet verminderd worden tot gemiddeld 92 dB(A); 3.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat het feit dat klachten werden geuit door omwonenden geenszins bewijst dat zij overtredingen tegen de exploitatievoorwaarden beging en dat tot op heden nog steeds geen enkele overtreding van de geldende reglementering werd vastgesteld in haren hoofde; 3.2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog betoogt dat zij zich niet noodzakelijk diende te steunen op een proces-verbaal van vaststelling van overschrijding van de grenswaarden; dat zij in dat verband verwijst naar de rechtspraak in toepassing van de Nieuwe Gemeentewet; 3.2.5.1. Overwegende dat uit de betwiste artikelen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning volgt dat de burgemeester binnen de hem overeenkomstig artikel 29 toegewezen bevoegdheden, mondelinge of schriftelijke raadgevingen, aanmaningen en bevelen kan geven; dat artikel 29, § 2, van het milieuvergunningsdecreet enerzijds bepaalt dat de burgemeester zich ervan VII-16.152-18/21 vergewist of een inrichting wel vergund is, en anderzijds dat hij waakt over de naleving van de exploitatievoorwaarden voor de inrichtingen van klasse twee en drie; dat in casu niet wordt betwist dat de verzoekende partij over een vergunning beschikt; dat de door de burgemeester genomen dwangmaatregelen dan ook moeten zijn genomen omdat de verzoekende partij de voor haar geldende exploitatievoor- waarden niet naleeft; dat aldus dient te worden nagegaan of voldoende vaststaat dat de verzoekende partij de exploitatievoorwaarden niet naleeft; 3.2.5.2. Overwegende dat in de Pro Justitia van 27 oktober 1997, omvattende de bestreden beslissing, te lezen valt dat er hinderproblemen en veelvuldige klachten van omwonenden zijn betreffende abnormale burenhinder, dat de klachten vooral betrekking hebben op geluidshinder en vandalisme, dat het maximum geluidsdrukniveau in de inrichting beperkt dient te worden tot 92 dB(A) om te voldoen aan de wettelijke normen en dat dit niveau onrealistisch laag is, zodat er "aanwijzingen" zijn dat dit niveau overschreden wordt; dat de verzoekende partij hieromtrent terecht opmerkt dat loutere klachten van omwonenden -dit zonder enig verder onderzoek- niet volstaan om echt vast te stellen dat de opgelegde exploitatie- voorwaarden geschonden zijn; dat het enige concrete document waarnaar wordt verwezen het akoestisch onderzoek is dat werd uitgevoerd door de firma LISEC; dat de verwerende partij zich blijkbaar op die studie steunt om te stellen dat de exploitatievoorwaarden inzake geluid niet worden gerespecteerd, en dat dienvolgens bijzondere maatregelen moeten worden bevolen inzake de begrenzing van het geluidsdrukniveau binnen de inrichting tot 92 dB(A) en de akoestische isolatie; dat in de geluidsstudie van juni 1997 evenwel het volgende te lezen staat : "Teneinde te voldoen aan de streefwaarde dient het binnenniveau verminderd te worden tot gemiddeld 96 dB(A) (bestaande inrichting) of 92 dB(A) (nieuwe inrichting). Deze waarde is zeer laag voor de geplande activiteiten"; dat uit die studie blijkt dat werd uitgegaan van de streefwaarden die Vlarem II oplegt inzake geluid; dat in de versie van Vlarem II die gold ten tijde van de bestreden beslissing onder artikel 1.1.2. volgende definitie wordt gegeven van "milieukwaliteits- normen" : "Milieukwaliteitsnormen kunnen worden vastgesteld in de vorm van grenswaarden, richtwaarden en streefwaarden : - Grenswaarden mogen, behoudens in geval van overmacht, niet worden overschreden; - Richtwaarden bepalen het milieukwaliteitsniveau dat zoveel mogelijk moet worden bereikt of gehandhaafd; - Streefwaarden geven het milieukwaliteitsniveau aan waarbij geen nadelige effecten te verwachten zijn"; VII-16.152-19/21 dat de verwerende partij dan ook niet in rechte van de streefwaarde kon uitgaan om vervolgens van oordeel te zijn dat die onrealistisch laag is, zodat er "aanwijzingen" zijn dat die regelmatig zou worden overschreden; dat de verwerende partij daarentegen diende na te gaan of de grenswaarden effectief overschreden werden; 3.2.5.3. Overwegende dat derhalve niet blijkt dat werkelijk is vastgesteld dat de verzoekende partij de exploitatievoorwaarden miskende; dat de burgemeester bijgevolg zijn bevoegdheden te buiten ging; dat het vierde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de burgemeester van de stad Turnhout van 27 oktober 1997 in zoverre aan de v.z.w. PAROCHIALE VERENIGING ONZE LIEVE VROUW MIDDELARES voor wat betreft de exploitatie van de zaal "DE GILDEN" als maatregel wordt bevolen dat voor elk evenement schriftelijk toelating moet worden gevraagd aan de burgemeester, dat een veiligheidsplan ter goedkeuring moet worden voorgelegd en dat desgevallend een voorstel inzake de akoestische isolatie van de inrichting, rekening houdend met de bevindingen van het akoestisch onderzoek moet worden gedaan. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-16.152-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.152-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.849 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.72.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div