id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.850 Rolnummer: A. 78130/VII-16574 Zaak: Arrest 143850 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 12:15 Fiche Arrest nr 143.850 van 28 april 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.850 van 28 april 2005 in de zaak A. 78.130/VII-16.
- In zake : de v.z.w. PAROCHIALE VERENIGING ONZE LIEVE VROUW MIDDELARES, die woonplaats kiest bij Advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te TURNHOUT, Gemeentestraat 4, bus 6 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. tussenkomende partij : Gilbert VERACHTERT, wonende te TURNHOUT, Gildenstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. PAROCHIALE VERENIGING ONZE LIEVE VROUW MIDDELARES op 3 april 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "het besluit op 22 januari 1998 genomen door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, waarbij deze het beroep van verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Turnhout d.d. 10 november 1997, houdende ambtshalve wijziging van vergunningsvoorwaarden, ongegrond verklaarde, en waarbij deze het beroep door de heer Eddy DIELTJENS en anderen gedeeltelijk gegrond verklaarde"; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 5 juli 1998 ingediend door Gilbert VERACHTERT; Gelet op de beschikking van 8 juli 1998 die de tussenkomst van Gilbert VERACHTERT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-16.574-1/21 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 15 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 3 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. BROECKX die, loco Advocaat J. PEETERS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Bestuurssecre- taris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak.
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij is eigenares van de zaal "DE GILDEN" en verkrijgt op 21 juni 1994 van het college van burgemeester en schepenen van Turnhout een milieuvergunning om een feestzaal met dansgelegenheid te exploiteren, gelegen aan de Gildenstraat te Turnhout. De vergunning is afhankelijk van de algemene en sectorale voorwaarden, alsook van een bijzondere voorwaarde die betrekking heeft op het sluitingsuur. Zij heeft een geldingsduur van twintig jaar. 1.
- De tussenkomende partij woont in de nabijheid van de kwestieuze zaal. VII-16.574-2/21 1.
- De omwonenden klagen over de hinder die de inrichting zou veroorzaken naar aanleiding van de organisatie van bepaalde fuiven. 1.
- Op 27 oktober 1997 neemt de burgemeester van Turnhout in het kader van zijn handhavingsbevoegdheden een aantal maatregelen ten aanzien van de verzoekende partij : - voor elk evenement moet vooraf schriftelijk toelating gevraagd worden aan de burgemeester; - er moet een gebruik gemaakt worden van een geluidsbegrenzer die is afgesteld op 92 dB(A); - de exploitant moet een veiligheidsplan ter goedkeuring voorleggen. Dit plan is erop gericht abnormale burenhinder te voorkomen en dit in een straal van 100 meter rond de inrichting; - de exploitant dient tegen uiterlijk 17 november 1997 aan de burgemeester een voorstel te doen over de wijze waarop de inrichting desgevallend verder akoestisch geïsoleerd zal worden, rekening houdend met de bevindingen van het akoestisch onderzoek. Bij arrest nr. 143.849 van 28 april 2005 wordt dit besluit vernietigd, behalve voor wat betreft de afstelling van de geluidsbegrenzer op 92 dB(A) daar de burgemeester op 17 april 1998 heeft beslist dat de geluidsbegrenzer mag worden afgesteld op 100 dB(A) en tegen die beslissing geen annulatieberoep werd ingesteld; 1.
- Op 10 november 1997 gaat het college van burgemeester en schepenen over tot een ambtshalve aanvulling van de voorwaarden van de vergunning van 21 juni
- Volgende bijkomende bijzondere voorwaarden worden opgelegd : - het aantal evenementen waarbij wordt gedanst in de inrichting is beperkt tot maximum 25 per jaar en dit met een maximum van 2 per week; - het gebruik van een geluidsbegrenzer die is afgesteld op 92 dB(A) is verplicht; - de exploitant legt aan de burgemeester een veiligheidsplan voor dat er op is gericht abnormale burenhinder te voorkomen en dit in een straal van 100 meter rond de inrichting; - er wordt een register voor de registratie van elk evenement bijgehouden; - de exploitant zal met het oog op een betere akoestische isolatie van de inrichting aan de burgemeester een voorstel doen over de wijze waarop de inrichting desgevallend bijkomend akoestisch geïsoleerd zal worden. VII-16.574-3/21 1.
- Tegen het besluit van 10 november 1997 worden twee administratieve beroepen ingesteld, enerzijds door de buurtbewoners rond de feestzaal "DE GILDEN", anderzijds door de verzoekende partij. De buurtbewoners wensen een verbod op fuiven. De verzoekende partij vraagt om het besluit van 10 november 1997 te vernietigen. 1.
- In het kader van de beroepsprocedure brengen de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling ROHM een gunstig advies uit t.a.v. de in eerste aanleg genomen beslissing. 1.
- Eveneens in het kader van de beroepsprocedure dient de burgemeester van de stad Turnhout een nota in. 1.
- Op 22 januari 1998 wordt de bestreden beslissing genomen. Het beroep van de verzoekende partij wordt ongegrond bevonden. Het beroep van de omwonenden wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en het beroepen besluit wordt aangevuld met een bijkomende bijzondere voorwaarde, met name dat "tijdens de organisatie van fuiven (...) de ramen en deuren van de inrichting gesloten (moeten) blijven". De motivering luidt als volgt : "Gelet op het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Turnhout van 10 november 1997, houdende ambtshalve wijziging van de milieuvergunningsvoorwaarden, opgelegd bij schepencollegebesluit van 21 juni 1994 voor de exploitatie door de VZW Parochiale Vereniging O.L.V. Middelares van een feestzaal met dansgelegenheid te 2300 Turnhout, Gildenstraat 3-5; Gelet op de beroepschriften, ingediend bij aangetekend schrijven dd. 2 december 1997 door meester J. Peeters, namens de VZW Parochiale Vereniging O.L.V. Middelares, gevestigd te 2300 Turnhout, Gildenstraat 1, en bij aangetekend schrijven dd. 12 december 1997 door de heren Eddy Dieltjens, wonende Gildenstraat 18, te 2300 Turnhout, Paul Luyckx, wonende Gildenstraat 9, te 2300 Turnhout, Gunther Van Hoeck, wonende Tramstraat 11, te 2300 Turnhout, G. Verachtert, wonende Gildenstraat 12, te 2300 Turnhout, en Patrick Wouters, wonende Gildenstraat 41, te 2300 Turnhout; Overwegende dat de beroepen werden ingediend door de exploitante van de inrichting in kwestie en door natuurlijke personen die rechtstreeks hinder kunnen ondervinden van de vestiging en exploitatie van de inrichting, zodat de beroepers de door artikel 49 van het Vlarem vereiste hoedanigheid hebben om beroep aan te tekenen; Gelet op het feit dat het eerste beroepschrift op het provinciebestuur is ingekomen op 3 december 1997; op het feit dat de beroepsprocedure op die datum is gestart; Gelet op het feit dat op datum van 9 en 17 december 1997 de beroepschriften ontvankelijk en volledig werden verklaard; VII-16.574-4/21 Gelet op de stukken, waarbij wordt geattesteerd dat het bestreden besluit de vereiste publiciteit verkreeg, conform artikel 31 van het Vlaams Reglement betreffende de milieuververgunning; Overwegende dat uit de attesten van aanplakking van bekendmaking blijkt dat de beroepschriften tijdig werden ingediend; Overwegende dat de beroepschriften betrekking hebben op het volgende : 1) Beroep van de VZW Parochiale Vereniging O.L.V. Middelares :
- Verzoekster heeft op 2 juni 1997 aan het stadsbestuur medegedeeld dat geen afspraken werden gemaakt met betrekking tot het aantal fuiven dat zou georganiseerd worden, doch slechts voorstellen werden geformuleerd door buurtbewoners, en dat zij zich wel heeft gehouden aan de afspraken die wel werden gemaakt, hetgeen overigens bevestigd wordt door het schepencollege in zijn schrijven aan verzoekster dd. 12 mei1997; Verzoekster heeft de schriftelijke bevelen opgevolgd die de burgemeester heeft opgelegd op 27 oktober
- Milieudeskundige Vandenberg heeft metingen verricht bij een volume van 99 dB(A) op de dansvloer van de inrichting van verzoekster, waarbij een CD met behoorlijke basbeat werd gespeeld, hetgeen een realistische situatie is voor de inrichting van verzoekster. Hij kwam tot de conclusie dat bij de meest beïnvloede woningen de geluidsdruk 2 dB(A) hoger is dan de streefwaarden voorzien in Vlarem II, maar niet hoger dan de limietwaarden; Daarbij werd terecht uitgegaan van de waarden die zijn voorzien voor bestaande inrichtingen; Gesteld werd dat het geluidsniveau binnen dient verminderd te worden tot 96 dB(A) om aan de streefwaarden te voldoen, terwijl de zaal actueel bij binnenniveaus tot 106 dB(A) voldoet aan het Vlarem; Indien uitgegaan wordt van een maximaal niveau bij jeugdfuiven van 115 dB(A) en de eisen die in het jaar 2000 zullen gesteld worden zijn er slechts een aantal ingrepen nodig om de zaal conform de geluidsvoorschriften te exploiteren; Het schepencollege stelt uitdrukkelijk dat er slechts aanwijzingen zijn dat het maximaal geluidsniveau regelmatig wordt overschreden en dergelijke inbreuken nooit werden vastgesteld; Het is niet verantwoord dat het college reeds overgaat tot aanpassing van milieuvergunningsvoorwaarden op een ogenblik dat niet eens is komen vast te staan dat het toegelaten geluidsdrukniveau werkelijk wordt overschreden; Verzoekster kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor daden van mensen die zich Het aangehaalde besluit met betrekking tot de beperking van een vergunde rubriek in de tijd betreft geen vergelijkbare casus, nu door het aangehaalde besluit geenszins de uitoefening van de grondwettelijke vrijheid van vergadering wordt beperkt, hetgeen in casu wel het geval is; Reeds op 28 oktober 1997 werd door verzoekster aan het stadsbestuur gemeld dat op 5 november 1997 een geluidsisolerende deur zou worden geplaatst, hetgeen ook is gebeurd; Op 13 november 1997 werd gemeld dat een geluidsbegrenzer werd geïnstalleerd, die ook door het stadsbestuur werd gecontroleerd; VII-16.574-5/21 Uit het verslag van de milieudeskundige blijkt dat zelfs deze ingrepen niet absoluut noodzakelijk waren aangezien de inrichting van verzoekster op dit ogenblik ook zonder deze ingrepen aan de normen van het Vlarem voldeed; Verzoekster heeft echter gehoor willen geven aan de klachten van enkele buurtbewoners; Het bestreden besluit steunt dan ook op ondeugdelijke motieven die dit besluit niet kunnen schragen, en is derhalve niet afdoende gemotiveerd.
- Artikel 26 van de Grondwet voorziet uitdrukkelijk dat Belgen het recht hebben om vreedzaam te vergaderen, en dat dit recht niet aan voorafgaand verlof kan worden onderworpen; Niets wijst erop dat het 26ste evenement dat gedurende het eerstvolgende jaar in de inrichting van verzoekster zal worden georgani- seerd, en waarbij gedanst zal worden, een ordeverstorend karakter zal hebben, zodat geen beperking kan worden opgelegd; Het 26ste evenement waarbij gedanst zal worden, kan overigens evenzeer een jeugdfuif, als een dansnamiddag voor bejaarden, als een danscursus van een plaatselijke vereniging zijn. Bijgevolg schendt het bestreden besluit artikel 26 van de Grondwet.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet voorzien uitdrukkelijk dat Belgen gelijk zijn voor de wet en geen discriminatie kan worden geduld met betrekking tot genot van rechten en vrijheden; Uit het verslag van de vergadering dd. 27 januari 1997 blijkt zeer duidelijk dat evenzeer klachten werden geformuleerd omtrent de uitbating van de zalen Schorvoort, Zevendonk, Den Bond en Wollewei; Ten aanzien van deze inrichtingen werden geen bijkomende maatregelen genomen om mogelijke geluidsoverlast te voorkomen; Nochtans bestaan geen verschillen tussen de toestand waarin de inrichtingen zich bevinden, die een redelijke en objectieve verantwoording inhouden voor de ongelijke, discriminatoire wijze waarop de verschillende dossiers worden behandeld; Door de beperking van het aantal evenementen waarop gedanst wordt in de inrichting van verzoekster, wordt zij in een onhoudbare situatie geplaatst ten aanzien van de huurders van de zaal; Voor de komende periode van één jaar zijn reeds meer dan 25 evenementen waarop gedanst wordt gepland; De huurders verkeren op dit ogenblik in de onzekerheid of het door hen georganiseerde evenement zal kunnen doorgaan; Het cliënteel van verzoekster aanvaardt een dergelijke situatie niet en zal met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid naar andere inrichtingen uitwijken; Door de onredelijke beperking van het geluidsniveau zullen de evenementen die in de inrichting van verzoekster worden georganiseerd geen volk meer trekken, zodat het cliënteel van verzoekster ook om die reden andere inrichtingen zal kiezen om evenementen te organiseren; Verzoekster zal op die wijze een ernstig financieel nadeel lijden; Bijgevolg schendt het besluit van het schepencollege dd. 10 november 1997 het recht op gelijke behandeling.
- Het bestreden besluit stelt dat beroep kan worden aangetekend tegen het besluit dd. 10 november 1997 overeenkomstig artikel 49 Vlarem I, terwijl dit artikel voorziet in een beroepsprocedure tegen een beslissing over een vergunningsaanvraag; De artikelen 26 van het Milieuvergunningsdecreet en 54 van het Vlarem voorzien specifiek in een beroepsprocedure tegen een beslissing waarbij vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld; VII-16.574-6/21 Deze artikelen verschillen substantieel van elkaar, daar artikel 49 de beroepstermijn vaststelt op 30 dagen, terwijl die in artikel 54 slechts 10 dagen beloopt; Bovendien schrijft artikel 54 niet de verplichting voor om een bewijs van betaling van dossiertaks bij het beroepschrift te voegen; Bijgevolg is artikel 3 van het bestreden besluit onwettig. 2) Beroepen van de buurtbewoners :
- De buurt wenst dat zowel voor feestzaal waarde wordt opgelegd.
- Sedert de zaal verhuurd wordt voor het geven van openbare bals (=fuiven), is de overlast veelomvattend : - overlast door de muziek in de zaal: kan beperkt worden door isolatie van de zaal en een geluidsbegrenzer maar wat als men de deuren openzet (wat meestal gebeurt tijdens de zomer) ? - lawaai van fuifgangers op de grote koer vóór de Gilden; - lawaai van fuifgangers, kabaal maken in de Gildenstraat en andere omliggende straten: daar is het donker en komen geen veiligheidsploegen tussen; - smerige straat (condooms, drugspuiten, enz.!) - vandalisme (schending van eigendomsrecht) in de ganse buurt.
- Een feestzaal zoals
- Reeds jaren wordt getracht met de exploitant te overleggen om tot een oplossing te komen. Gesprekken werden gehouden. Met bemiddeling van de vorige burgemeester werden voorstellen uitgeprobeerd. Verbetering van de situatie (overlast) kwam er stilaan maar nog niet definitief.
- In 1994 vroeg de exploitant een tweedeklassevergunning aan. Die aanvraag was niet zichtbaar uitgehangen. Bezwaar tegen deze vergun- ningsaanvraag werd pas ingediend toen iemand van de buurtbewoners dit toevallig, enkele dagen vóór het verstrijken van de termijn, in een streekkrant gepubliceerd zag. Onmiddellijk werd, zoals in de publicatie vermeld, schriftelijk (d.w.z. niet aangetekend) beroep aangetekend en gevraagd om een verbod op openbare bals als voorwaarde te stellen voor de exploitatie van Dit bezwaarschrift werd persoonlijk door een buurtbewoner vóór het verstrijken van de termijn afgegeven op het stadhuis. Toen de gemeentelijke administratie werd gewezen op het bezwaar- schrift, werd meegedeeld dat dit te laat afgegeven was : het bezwaar- schrift was ingeschreven op een datum na het verstrijken van het onderzoek. De in 1994 toegekende vergunning gaf exploitant plots een absolute vrijgeleide op alle vlakken. Het aantal fuiven steeg schrikwekkend. De buurtbewoners kregen nog meer dan vroeger, te maken met lawaai, beschadigde auto's, bevuilde voordeuren, slapeloze nachten, doktersbehandelingen, enz.
- Om te tonen dat de ganse buurt deze eis ondersteunt, werd bij het beroepschrift een petitie gevoegd met de handtekeningen van 70 omwonende gezinnen (die meer dan 200 personen vertegenwoordi- gen); Gelet op het gunstig advies dd. 19 december 1997 (kenmerk AMV/A/VL2/1412) van de Afdeling Milieuvergunningen van de Administratie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Landinrichting; op volgende elementen uit dit advies : VII-16.574-7/21 1) Het beroepschrift van de buurtbewoners bereikte de AMV op 19 december, zodat de behandelingstermijn voor dit dossier beperkt is tot 1 dag. Het advies is dan ook beknopt. 2) In tegenstelling tot wat exploitant voorhoudt, gaat het om een nieuwe inrichting. Ook het studiebureau dat het akoestisch onderzoek verrichtte moet ervan uitgegaan zijn dat het om een nieuwe inrichting ging, want hoewel de exploitant de opdracht gaf om het geheel als bestaand te beschouwen, wordt in het verslag de geluidstoestand gerelateerd naar voorwaarden voor bestaande én nieuwe inrichtingen. Voor een nieuwe inrichting blijkt dat de geluidsoverschrijdingen bijzonder groot zijn. LISEC doet impliciet ook al enkele saneringsvoorstellen, doch gelet op de grootte van de investeringen is het zeer de vraag of de exploitant geneigd zal zijn deze snel uit te voeren. Het is dan ook volkomen logisch dat het schepencollege geoordeeld heeft om in afwachting hiervan : - het aantal dansmanifestaties (jeugdfuiven) te beperken tot 25 per jaar; - een geluidsbegrenzer te plaatsen die afgesteld is op 92 dB (A); - een procedure op te starten voor registratie van elk evenement en het voorleggen van een veiligheidsplan m.b.t. de randfenomenen. De voorwaarde m.b.t. het uitvoeren van een saneringsplan lijkt haast evident.
- Evaluatie van de beroepsargumenten van de exploitant : - bestaande inrichting: reeds hoger besproken. Ongegrond. - er wordt reeds volop geïnvesteerd: indien uit een nieuw akoestisch onderzoek blijkt dat de inrichting volledig voldoet, kunnen de voorwaarden opnieuw via de toepasselijke procedure versoepeld worden. Ongegrond. - artikel 26 van de Grondwet (vrijheid van vergadering zonder voorafgaand verlof) : het bestreden besluit is geenszins een inbreuk op genoemd grondwetsartikel. Er mag immers naar hartelust vergaderd worden in het Gildenhuis. Verdere commentaar overbodig. - artikelen 10 en 11 van de Grondwet (discriminatiebeginsel) : ook dit is hier geenszins van toepassing. Het geciteerde gelijkheidsbeginsel wordt evenmin geschonden. Geen bijzondere voorwaarden kunnen opleggen omdat er klachten zijn over andere danszalen en deze besluiten (nog) niet zijn aangepast, lijkt merkwaardig. - artikelen 26 van het Milieuvergunningsdecreet/54-49 van het Vlarem : de schending bestaat erin dat verkeerdelijk 30 dagen i.p.v. 10 dagen beroepstermijn werd opgegeven. Inderdaad een fout, doch exploitant noch omwonenden werden in hun recht geschonden.
- Evaluatie van de beroepsargumenten van de omwonenden : deze zijn grosso modo gegrond, doch de bijzondere voorwaarden opgelegd in het bestreden besluit zijn er precies op gericht om aan deze euvelen te verhelpen; Gelet op het gunstig advies dd. 19 december 1997 (kenmerk N/066.658) van de Cel Ruimtelijke Ordening van de Afdeling ROHM van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM); op volgende elementen uit dit advies : het eigendom is gelegen in het woongebied volgens het vastgestelde gewestplan. De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften van het gewestplan. Het beroepschrift is gericht tegen de voorwaarden die niet van specifiek stedenbouwkundige of planologische aard zijn. Het advies van de AROHM is dan ook gunstig; Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : woongebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de wijziging van voorwaarden verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de beroepsargumenten als volgt worden geëvalueerd : VII-16.574-8/21 1) Beroep van exploitant :
- Het standpunt van de AMV wordt bijgetreden : - het betreft een nieuwe inrichting; - uit het akoestisch onderzoek van LISEC blijkt dat de geluidsover- schrijdingen bijzonder groot zijn; - de door LISEC voorgestelde sanering is vrij duur. Aangezien het dan ook niet zeker is dat exploitante onmiddellijk zal kunnen saneren, is het logisch dat het schepencollege inmiddels strengere voorwaarden oplegt; Verder kan de bestendige deputatie moeilijk een stelling innemen t.a.v. de uiteenlopende standpunten van exploitante en de burgemeester t.a.v. al dan niet gemaakte afspraken en de draagwijdte daarvan.
- Het organiseren van fuiven ressorteert onder het recht van vergadering dat gewaarborgd wordt in artikel 26 van de Grondwet. Dit recht werd in onderhavig geval echter niet geschonden. Bedoeld artikel bepaalt dat de Belgen het recht hebben om vreedzaam en ongewapend te vergaderen, mits zij zich gedragen naar de wetten (in de materiële zin) die het uitoefenen van dit recht kunnen regelen zonder het aan een voorafgaand verlof te onderwerpen. De Vlaamse milieureglementering is één van die Krachtens artikel 20 van het Milieuvergunningsdecreet kunnen de vergunningverlenende overheden bijzondere voorwaarden opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. Dit is in onderhavig geval gebeurd, zodat de beslissing van het schepencollege van Turnhout om het aantal fuiven in de feestzaal van de VZW Parochiale Vereniging O.L.V. Middelares te beperken niet als strijdig met het grondwettelijk recht van vergadering kan worden beschouwd. De bestendige deputatie heeft de indruk dat exploitante de vergunningverlenende bevoegdheid van het schepencollege verwart met de politiebevoegdheden die aan de gemeenteraad en de burgemeester worden toegekend. Dit blijkt uit het feit dat zij in haar tweede middel verwijst naar het arrest van de Raad van State nr. 41.380 van 16 december 1992 waarin volgend standpunt werd ingenomen : In onderhavig geval is geen enkele van deze voorwaarden vervuld : - er is geen sprake van een voorafgaande toelating; - de getroffen maatregel is niet algemeen : enkel het aantal evenementen waarop gedanst wordt, wordt beperkt; andere vormen van vergaderingen mogen in feestzaal - het schepencollege heeft geen bevoegdheden inzake ordehandhaving.
- Het gelijkheidsbeginsel, gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet werd evenmin geschonden. Milieuvergunningsdossiers worden immers door de vergunningver- lenende overheid geval per geval beoordeeld én op grond van de elementen in dit dossier. Zoals hierboven reeds gesteld, blijkt uit het VII-16.574-9/21 dossier dat het hier om een nieuwe inrichting gaat en dat een akoestisch onderzoek heeft aangetoond dat er ernstige geluidsoverschrijdingen zijn bij het organiseren van fuiven. Het feit dat tegen andere gelijkaardige inrichtingen die in dezelfde situatie verkeren (nog) niet wordt opgetreden, kan geen reden zijn om de opgelegde maatregelen ongedaan te maken.
- Het standpunt van de AMV wordt bijgetreden. Het besluit verwijst inderdaad naar een verkeerd artikel van het Vlarem, doch exploitant noch de buurtbewoners werden in hun rechten geschaad, aangezien zij allen tijdig - in casu binnen de 10 dagen - beroep hebben ingediend bij de bestendige deputatie. 2) Beroep van buurtbewoners : - het bevuilen van straten en vandalisme zijn geen aspecten van de milieuvergunningsaanvraag die geregeld worden in de milieureglemente- ring; - de bestrijding van de lawaaihinder die de bezoekers van de inrichting veroorzaken op de openbare weg ressorteert onder het politietoezicht; - de buurtbewoners geven zelf toe dat de lawaaihinder kan worden beperkt door isolatie van de zaal en het plaatsen van een geluidsbegrenzer. Beide maatregelen worden opgelegd door het schepencollege; Gelet op het schrijven dd. 16 januari 1998 (kenmerk .0697) van meester Jan Surmont, namens de burgemeester van Turnhout, waarin als volgt wordt gereageerd op de middelen in het beroepschrift van de VZW Parochiale Vereniging-O.L.V. Middelares : Eerste middel : schending motiveringsplicht - er werden wel afspraken gemaakt tussen het stadsbestuur, exploitante en de buurtbewoners. - het gaat niet om een bestaande maar om een nieuwe inrichting en de getroffen maatregelen zijn gebaseerd op de resultaten van het akoestisch onderzoek van LISEC waaruit een overschrijding van de Vlarem II-geluidsnormen blijkt. Tweede middel : schending van artikel 26 van de Grondwet dit middel is niet gegrond omdat het hier niet gaat om vergaderingen, aangezien uit de vele klachten van de buurtbewoners blijkt dat de fuiven de openbare rust en veiligheid in het gedrang brengen. Derde middel : schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - krachtens artikel 30 van het Milieuvergunningsdecreet kan de burgemeester maatregelen opleggen en is hij bijgevolg niet verplicht dit te doen; - in vergelijking met de andere gelijkaardige inrichtingen stellen zich de meeste problemen met de inrichting van de VZW Parochiale Vereniging O.L.V. Middelares; - in tegenstelling tot wat beroepster beweert wordt de situatie van alle inrichtingen met dansgelegenheid in Turnhout wel onderzocht en werden ook t.a.v. andere inrichtingen maatregelen getroffen; - samengevat wordt voorts gesteld dat meester Peeters niet aantoont dat door de getroffen maatregelen er geen interesse meer zal zijn van organisatoren van fuiven om de inrichting in kwestie nog te huren, welk financieel verlies zou worden geleden door de beperking van het aantal fuiven en dat het organiseren van fuiven de enige bron van inkomsten is van de VZW Parochiale Vereniging O.L.V. Middelares. Vierde middel : schending van artikel 26 van het Milieuvergunningsdecreet en van artikel 49 van het Vlarem het feit dat het bestreden besluit ten onrechte bepaalt dat bij het beroep een bewijs van betaling van de dossiertaks moet worden gevoegd, vormt geen grond tot opheffing van dat besluit; Overwegende dat voor de evaluatie van de brief dd. 16 januari 1998 van meester Surmont wordt verwezen naar de eerdere evaluatie van de beroepsargu- VII-16.574-10/21 menten; dat uit dit schrijven bijkomend is gebleken dat het argument van exploitante dat geen maatregelen werden getroffen tegenover andere gelijk- aardige inrichtingen, niet gegrond is; Overwegende dat, overeenkomstig de artikelen 54, §4, l/ en 50, l/ van het Vlarem, een voor eensluidend verklaard afschrift van het beroepschrift van de buurtbewoners op 17 december 1997 werd toegestuurd aan de exploitante van de inrichting in kwestie; dat exploitante hierop niet heeft gereageerd en, bijgevolg, de bewering van de buurtbewoners dat de deuren van de inrichting tijdens de zomer worden opengezet, met geluidsoverlast tot gevolg, niet heeft ontkend; dat de AMV zich over dit beroepsargument niet uitspreekt; dat evenwel in het akoestisch onderzoek van LISEC wordt gesteld dat er inderdaad problemen kunnen rijzen, aangezien bij hogere buitentemperatuur kan worden verwacht dat de toegangsdeuren geopend zijn en dan ook wordt voorgesteld dat de huurder van de zaal contractueel wordt verplicht de deuren gesloten te houden; dat de sectorale Vlarem-voorwaarde voor dancings (V70) niet de verplichte sluiting van ramen en deuren tijdens de exploitatie oplegt; dat het dan ook aangewezen is dat het bestreden besluit wordt aangevuld met de bijzondere voorwaarde dat tijdens de organisatie van fuiven de ramen en deuren van de inrichting gesloten moeten blijven; Overwegende dat in deze omstandigheden het beroep van de exploitante ongegrond is, het beroep van de buurtbewoners gedeeltelijk gegrond is en het bestreden schepencollegebesluit wordt gewijzigd door aanvulling met een bijkomende bijzondere voorwaarde die het sluiten van de ramen en deuren van de inrichting tijdens het organiseren van fuiven oplegt";
- De gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij haar eerste middel neemt uit de schending van artikel 26 van de Grondwet; dat de verzoekende partij aanvoert dat ingevolge de bestreden beslissing het aantal evenementen waarbij wordt gedanst in haar inrichting beperkt is tot 25 per jaar en 2 per week, en dat ter controle daarvan een register moet worden bijgehouden, dat dit strijdig is met artikel 26 van de Grondwet dat bepaalt dat de Belgen het recht hebben om vreedzaam te vergaderen en dat dit recht niet aan een voorafgaand verlof kan worden onderworpen, dat de jeugdfuiven in de inrichting van de verzoekende partij beschouwd kunnen worden als openbare vergaderingen in een gesloten plaats die niet aan een voorafgaande toelating onderworpen kunnen worden, laat staan dat elke 26ste en daaropvolgende vergadering op algemene wijze voorafgaandelijk kan worden verboden, dat het niet bewezen is dat het er op de jeugdfuiven georganiseerd gewelddadig aan toe gaat, dat eventuele geluidshinder niet maakt dat de fuiven niet-vreedzame vergaderingen zouden zijn; dat de verzoekende partij ten slotte verwijst naar december 1992; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar diverse overwegingen in het bestreden besluit; VII-16.574-11/21 2.1.
- Overwegende dat in het verzoekschrift tot tussenkomst betoogd wordt dat de evenementen grotendeels een niet-vreedzaam karakter hebben en de openbare rust en veiligheid in het gedrang brengen, dat dit blijkt uit de vele meldingen bij de politie, uit de opgestelde P.V.'s, en uit krantenartikels, en dat de jeugdfuiven niet als openbare vergaderingen in een gesloten plaats kunnen worden beschouwd, aangezien de grote koer tijdens de fuiven volop gebruikt wordt door de fuifgangers en in die zin een verlengstuk is van de zaal zelf; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in ruime mate herhaalt wat reeds in het verzoekschrift werd betoogd; dat zij ontkent dat de fuiven op de parking worden voortgezet, maar dat zij niet kan verhinderen dat vertrekkende bezoekers zich op de parking begeven; dat de verzoekende partij nog stelt dat de fuiven geen gewelddadige opzet hebben, dat milieuhygiënische problemen zoals eventuele geluidshinder geenszins met problemen van openbare orde en veiligheid kunnen worden gelijkgeschakeld, dat vergaderingen nochtans slechts aan een voorafgaand verlof kunnen worden onderworpen indien precies de openbare orde en veiligheid in het gedrang komen; 2.1.5.
- Overwegende dat artikel 26 van de Grondwet bepaalt : "De Belgen hebben het recht vreedzaam en ongewapend te vergaderen, mits zij zich gedragen naar de wetten, die het uitoefenen van dit recht kunnen regelen zonder het echter aan een voorafgaand verlof te onderwerpen. Deze bepaling is niet van toepassing op bijeenkomsten in open lucht, die ten volle aan de politiewetten onderworpen blijven"; dat, vooreerst, de bestreden beslissing geenszins inhoudt dat een voorafgaande toelating wordt vereist voor de evenementen die doorgaan in de zaal "DE GILDEN"; dat de bestreden beslissing ook toelaat dat in die zaal onbeperkt wordt samengeko- men voor zover het niet gaat om evenementen waarbij gedanst wordt; dat de laatstgenoemde evenementen door de bestreden beslissing worden beperkt tot 25 per jaar en maximum 2 per week; dat het motief van die beperking -wat blijkt uit het hele dossier- gezocht dient te worden in de hinder, vooral dan de geluidshinder die de inrichting van de verzoekende partij voortbrengt naar aanleiding van bijeenkomsten waar gedanst wordt, i.e. fuiven; dat dergelijke dansavonden immers gepaard gaan met het voortbrengen van elektronisch versterkte muziek, wat de verzoekende partij trouwens ook niet ontkent; dat de maatregel dan ook gericht is op het beperken van de milieuhinder, inzonderheid geluidshinder, die de betrokken inrichting voortbrengt : immers hoe minder avonden er gedanst wordt, hoe beperkter de geluidshinder zal zijn en hoe draaglijker dit aldus voor de buurtbewoners is; VII-16.574-12/21 2.1.5.
- Overwegende dat artikel 26, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat zij die vreedzaam en ongewapend vergaderen, "zich gedragen naar de wetten, die het uitoefenen van dit recht kunnen regelen"; dat het recht om in besloten plaatsen openbare vergaderingen te houden derhalve geenszins een onbeperkt recht is; dat het daarentegen aan allerlei modaliteiten kan worden onderworpen; dat het milieuvergun- ningsdecreet -inzonderheid artikel 20- en zijn uitvoeringsbesluiten toelaten allerlei voorwaarden op te leggen ter beperking van de hinder en de risico’s, of zelfs ambtshalve voorwaarden toe te voegen aan een reeds verleende vergunning; dat op basis van die "wetten" de thans bestreden beslissing genomen werd; dat zij dan ook geenszins indruist tegen artikel 26 van de Grondwet; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel uiteenzet dat als volgt luidt : "Tweede middel : schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - doordat de bestendige deputatie van de provincieraad stelt dat het maximum geluidsdrukniveau in de inrichting van verzoekster dient beperkt te worden tot 92dB (A), dat een voorstel moet gedaan worden door verzoekster met betrekking tot een betere akoestische isolatie van haar inrichting, en dat de ramen en deuren van de inrichting gesloten moeten blijven tijdens de organisatie van fuiven; dat de bestendige deputatie van de provincieraad stelt dat uit het akoestisch onderzoek immers is gebleken dat de geluidsoverschrijdingen bijzonder groot zijn en dat het niet zeker is dat exploitante onmiddellijk zal kunnen saneren; dat wordt gesteld dat verzoekster niet heeft ontkend dat (...) de deuren van de inrichting in de zomer worden opengezet; dat de bestendige deputatie stelt dat de vergunningsvoorwaarden dienen aangepast te worden met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu; - terwijl milieudeskundige Vandenbergh stelde dat de overschrijding bij een geluidsniveau van 99 dB (A) slechts 6 dB (A) bedroeg indien de inrichting als een nieuwe inrichting wordt aanzien; de milieudeskundige besloot dat -om te voldoen aan de streefwaarden van VLAREM- het geluidsniveau in de inrichting beperkt diende te worden tot 92 dB (A) indien de inrichting een nieuwe inrichting is; de milieudeskundige sprak zich niet uit over het maximale geluidsniveau om te voldoen aan de limietwaarden; dat de milieudeskundige tot het besluit kwam dat ingrijpende geluidsisolerende werken nodig zouden zijn indien uitgegaan wordt van een maximaal geluidsniveau van 115 dB (A) en de eisen die in het jaar 2000 zullen gesteld worden; dat verzoekster reeds op 5 november 1997 meedeelde -hetgeen ook uit het dossier dat aan de bestendige deputatie werd meegedeeld blijkt- dat een geluidsisolerende deur werd geplaatst, en op 6 november 1997 dat een geluidsbegrenzer werd geïnstalleerd; dat de milieudeskundige na nieuwe metingen tot het besluit kwam dat -indien de inrichting wordt beschouwd als een nieuwe inrichting- nu reeds voldaan VII-16.574-13/21 is aan de streefwaarden van VLAREM zolang het geluidsniveau in de zaal beperkt wordt tot 100 dB (A); dat tot op heden nooit werd vastgesteld dat het maximaal geluidsniveau wordt overschreden in en rond de inrichting van verzoekster; dat verzoekster in de beroepsprocedure die werd gevoerd voor de bestendige deputatie niet over de procedurele mogelijkheid beschikt om tegenspraak te voeren omtrent de argumenten die door andere partijen worden aangehaald; - doordat de bestendige deputatie bevestigde dat een veiligheidsplan dient voorgelegd te worden door verzoekster aan de burgemeester van Turnhout waarmee burenhinder kan worden voorkomen in een straal van 100 meter rond de inrichting; - terwijl verzoekster niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor daden van mensen die zich den in casu geen doeltreffende oplossing biedt met betrekking tot de klachten van enkele buurtbewoners; - zodat het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad d.d. 22 januari 1998, om het maximum geluidsdrukniveau in de inrichting van verzoekster te beperken tot 92 dB (A) en een voorstel te eisen met betrek- king tot een betere akoestische isolatie alsook een veiligheidsplan, steunt op ondeugdelijke motieven die dit besluit niet kunnen schragen, en het besluit derhalve niet afdoende gemotiveerd is; dat verzoekster derhalve de nietigverklaring vordert van dit besluit wegens overtreding van substantiële voorgeschreven vormen"; dat de verzoekende partij ter verdere adstructie van haar standpunt naar diverse arresten van de Raad van State verwijst, uit dewelke zij citeert; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt wat volgt : "
- Geluidshinder Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek van LISEC blijkt dat de geluidsoverschrijdingen voor een nieuwe inrichting bijzonder groot zijn. De saneringsvoorstellen van LISEC houden grote investeringen in, zodat het voor de exploitant moeilijk zal zijn om deze ineens te kunnen realiseren. De vaststellingen in het rapport van het studiebureau zijn voldoende concreet, zodat het dan ook logisch lijkt dat het schepencollege als bijkomende voorwaar- de heeft opgelegd dat er een geluidsbegrenzer geplaatst dient te worden die afgesteld moet worden op 92 dB (A). De bestendige deputatie heeft het collegebesluit wat dat betreft dan ook terecht bevestigd. Indien uit een nieuw akoestisch onderzoek zou blijken dat aan de geluids- normen van Vlarem II is voldaan, kunnen de voorwaarden later steeds versoepeld worden. Het provinciebestuur bezorgde dd. 17 december 1997 aan de exploitant een kopie van het beroepschrift van de omwonenden, conform artikel 54, § 4, 1/ en artikel 50, 1/ van het Vlarem. De exploitant had eventueel de gelegenheid om schriftelijk de argumenten van de buurtbewoners te weerleggen, doch heeft dit niet gedaan.
- Veiligheidsplan Gelet op de veelvuldige klachten van de omwonenden, is het ook gepast dat het schepencollege als bijkomende voorwaarde heeft opgelegd dat de exploitant VII-16.574-14/21 ter goedkeuring aan de burgemeester een veiligheidsplan moet voorleggen om de abnormale burenhinder zoveel mogelijk te voorkomen. De bestendige deputatie heeft het collegebesluit wat dat betreft dan ook terecht bevestigd. Het tweede middel is niet gegrond"; 2.2.
- Overwegende dat in het verzoekschrift tot tussenkomst wordt aangestipt dat er wel degelijk een oorzakelijk verband is tussen de exploitatie en de daden van mensen die zich "in de buurt" van de omstreden feestzaal bevinden, dat hetzelfde dient gezegd van geluidsoverlast door zaal- en fuifgangers; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog betoogt dat de burgemeester recent gesteld heeft dat voldaan is aan de streefwaarden van Vlarem II zolang het geluidsniveau in de zaal beperkt wordt tot 100 dB(A), en dit na nieuw onderzoek door milieudeskundige VANDENBERGH, dat het feit dat klachten worden geuit door omwonenden geenszins overtredingen van de exploitatievoorwaarden bewijst, noch dat een veiligheidsplan noodzakelijk is; 2.2.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij in wezen stelt dat de motivering met betrekking tot de geluidshinder en deze met betrekking tot het vereisen van een veiligheidsplan niet deugdelijk zijn; dat, wat betreft de geluidshinder, in de bestreden beslissing wordt aangenomen dat de inrichting van de verzoekende partij een nieuwe inrichting in de zin van artikel 1.1.
- van Vlarem II is; dat dit correct is; dat aan de verzoekende partij immers op 21 juni 1994 een milieuvergun- ning werd verleend en dat niet blijkt dat er voordien ook al milieuvergunningen voor de exploitatie van een feestzaal met dansgelegenheid werden verleend; dat overigens in de aanhef van het vergunningsbesluit van 21 juni 1994 te lezen staat dat er voordien nog geen vergunningen waren verleend; dat de inrichting van de verzoeken- de partij daardoor niet voldoet aan een van de criteria vastgelegd in artikel 1.1.
- van Vlarem II om als een "bestaande inrichting" te kunnen worden beschouwd; 2.2.5.
- Overwegende dat de verwerende partij zich steunt op een akoestisch onderzoek van de firma LISEC dat in opdracht van de verzoekende partij werd opgesteld; dat uit het eindverslag van dit onderzoek kan worden opgemaakt dat wanneer de inrichting wordt beschouwd als een nieuwe inrichting, er belangrijke overschrijdingen te noteren zijn, dat, om te voldoen aan de streefwaarde, het binnenniveau voor een nieuwe inrichting verminderd dient te worden tot 92 dB(A), dat deze waarde evenwel zeer laag is voor de geplande activiteiten, dat de maximale niveaus bij jeugdfuiven 115 dB(A) bedragen en dat voor een nieuwe inrichting de VII-16.574-15/21 overschrijding ongeveer 25 dB(A) is, dat om de zaal conform met het binnenniveau te exploiteren een aantal ingrepen nodig zijn die vrij ingrijpend lijken, dat, om de buitenniveaus in alle gevallen te beperken tot de vereiste niveaus die vanaf 31 juli 2000 van toepassing zijn of tot de voorwaarde voor nieuwe inrichtingen, er verdere reductie nodig is, waarna een reeks werken worden opgesomd; dat volgens de geluidsdeskundige, om de Vlarem II-streefwaarde te halen, rekening houdend met de toestand van de zaal, een geluidsbegrenzer nodig is die ingesteld is op 92 dB(A) en dat, als er niet met een geluidsbegrenzer wordt gewerkt en rekening houdend met het normale geluidsniveau van jeugdfuiven, er ingrijpende werken nodig zijn; 2.2.5.
- Overwegende dat de verwerende partij ervan uit gaat dat het niet zeker is dat de exploitant onmiddellijk zal kunnen saneren, en dat daarom op het vlak van geluid maatregelen moeten worden opgelegd; dat dit oordeel niet kennelijk onredelijk is; dat in die optiek volgende aanvullende voorwaarden gericht op de beperking van de geluidshinder voldoende gemotiveerd zijn : het beperken van het aantal evenementen, het plaatsen van een geluidsbegrenzer -op welke hoogte die moet ingesteld staan, wordt evenwel verder ingegaan-, het indienen van een voorstel over de wijze waarop de inrichting desgevallend bijkomend akoestisch geïsoleerd zal worden, alsook het dichthouden van deuren en ramen tijdens de fuiven; 2.2.5.
- Overwegende dat de vaststelling dat de geluidsbegrenzer ingesteld moet worden op 92 dB(A) blijkbaar ingegeven is door de omstandigheid -zoals in het verslag te lezen staat- dat zulks nodig is om de streefwaarden die Vlarem II oplegt inzake geluid te halen; dat in de versie van Vlarem II die gold ten tijde van de bestreden beslissing, onder artikel 1.1.
- volgende definitie van "milieukwaliteitsnor- men" gegeven werd : "Milieukwaliteitsnormen kunnen worden vastgesteld in de vorm van grenswaarden, richtwaarden en streefwaarden : - Grenswaarden mogen, behoudens in geval van overmacht, niet worden overschreden. - Richtwaarden bepalen het milieukwaliteitsniveau dat zoveel mogelijk moet worden bereikt of gehandhaafd; - Streefwaarden geven het milieukwaliteitsniveau aan waarbij geen nadelige effecten te verwachten zijn"; dat de verwerende partij bijgevolg niet kon eisen dat de geluidsbegrenzer zodanig wordt ingesteld dat de streefwaarde gehaald wordt, terwijl luidens artikel 1.1.
- van Vlarem II alleen de grenswaarde niet mag worden overschreden; dat de eis van de verwerende partij dat de geluidsbegrenzer op 92 dB(A) wordt ingesteld, niet voldoende gemotiveerd is; VII-16.574-16/21 2.2.5.
- Overwegende dat, wat betreft het veiligheidsplan, de aangevochten voorwaarde van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Turnhout van 10 november 1997, zoals bevestigd in het bestreden besluit, als volgt luidt : "De exploitant legt de Burgemeester een veiligheidsplan ter goedkeuring voor. Dit plan vermeldt minimum de te nemen maatregelen om abnormale burenhinder te voorkomen en dit tot in een straal van 100 meter rond de inrichting, én het aantal veiligheidsmensen dat dient ingezet om deze maatregelen uit te voeren. De veiligheidsmensen dienen in ieder geval nominatief aangeduid, ze dienen herkenbaar te zijn tijdens het evenement en ze dienen schriftelijke instructies over hun takenpakket te verkrijgen. De exploitant waakt over de correcte toepassing van het goedgekeurd veiligheidsplan. De Burgemeester behoudt zich steeds het recht voor een aanpassing van het plan te vragen"; dat de verzoekende partij betoogt dat de bestreden beslissing niet voldoende gemotiveerd is voor wat betreft het veiligheidsplan; dat op dit punt zij kan worden bijgetreden; dat immers de verzoekende partij in haar beroepschrift betoogd had dat zij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor daden van mensen die zich in de buurt van haar inrichting bevinden, en dat er geen oorzakelijk verband is aangetoond tussen de exploitatie door de verzoekende partij en de daden die door die personen worden gesteld, zodat de aanpassing van de vergunningsvoorwaarden in casu geen doeltreffende oplossing biedt met betrekking tot de klachten van enkele buurtbewoners; dat de kritiek van de verzoekende partij aldus betrekking had op het in eerste aanleg opgelegd veiligheidsplan; dat in de bestreden beslissing daarop evenwel niet wordt ingegaan; dat, integendeel, bij de evaluatie van de beroepsargu- menten van de buurtbewoners in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het bevuilen van de straten en vandalisme geen aspecten van de milieuvergunningsaan- vraag zijn die geregeld worden in de milieureglementering, en dat de bestrijding van de lawaaihinder die de bezoekers van de inrichting veroorzaken op de openbare weg onder het politietoezicht ressorteert; dat desalniettemin de verwerende partij zonder duidelijke uitleg vereist dat een veiligheidsplan wordt opgesteld; dat de voorwaarde inzake het veiligheidsplan dan ook onvoldoende formeel gemotiveerd is; 2.2.5.
- Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat kan worden besloten dat de motivering van de bestreden beslissing onvoldoende is in zoverre geëist wordt dat de geluidsbegrenzer wordt afgesteld op 92 dB(A) en dat een veiligheidsplan wordt opgesteld; dat het tweede middel derhalve wat deze punten betreft gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel neemt uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat enkel ten VII-16.574-17/21 aanzien van de verzoekende partij een beslissing houdende wijziging van de vergunningsvoorwaarden werd genomen, terwijl er evenzeer klachten zijn met betrekking tot de uitbating van de zalen Schorvoort, Zevendonk, Den Bond en Wollewei en er ten aanzien van deze inrichtingen geen maatregelen werden genomen om geluidsoverlast te voorkomen; dat de verzoekende partij betoogt dat er nochtans geen verschillen bestaan tussen deze inrichtingen en die van de verzoekende partij die het verschil in behandeling kunnen verantwoorden en dat bovendien de cliënten ingevolge de opgelegde maatregelen andere inrichtingen zullen opzoeken; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord wijst op de ernstige geluidsoverschrijdingen en betoogt dat het feit dat tegen andere gelijkaardige inrichtingen nog niet werd opgetreden, geen reden kan zijn om de opgelegde voorwaarden ongedaan te maken; 2.3.
- Overwegende dat in het verzoekschrift tot tussenkomst wordt aangestipt dat de meeste problemen zich voordoen met betrekking tot de inrichting van de verzoekende partij, dat de andere inrichtingen maatregelen namen om de hinder te beperken en dat de cliënten van de inrichting van de verzoekende partij niet zullen wegblijven nu ingevolge akoestische isolatiewerken het toegelaten geluids- niveau opgetrokken is naar 100 dB(A); 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord betwist dat de andere zalen op eigen initiatief maatregelen genomen zouden hebben of dat de uitbating van die zalen geen overlast zou veroorzaken; dat de verzoekende partij verder nog stelt dat zij een groot financieel nadeel zal lijden door de ongelijke behandeling; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij geenszins aantoont dat de situatie met betrekking tot de uitbating van de zalen Schorvoort, Zevendonk, Den Bond en Wollewei, volledig vergelijkbaar is met de hare; dat bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal, dan ook niet besloten kan worden tot een schending van het gelijkheidsbeginsel; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel neemt uit de schending van artikel 26 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Milieuvergunningsdecreet) en van artikel 54 van Vlarem I, doordat de verwerende partij alle bepalingen van het besluit van 10 november 1997 van het college van burgemeester en schepenen bevestigde, terwijl in artikel 3 van dat besluit VII-16.574-18/21 werd gesteld dat beroep kon worden aangetekend overeenkomstig artikel 49 van Vlarem I; dat de verzoekende partij betoogt dat dit artikel in een beroepsprocedure tegen een vergunningsaanvraag voorziet, terwijl het in casu om een beroepsprocedure tegen een beslissing waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld gaat, hetgeen geregeld wordt door artikel 26 van het Milieuvergunningsde- creet en artikel 54 van Vlarem I; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat in het besluit van het schepencollege inderdaad foutief werd vermeld dat er beroep bij de bestendige deputatie kon worden ingediend op basis van artikel 49 van Vlarem I in plaats van artikel 54, maar dat de rechten van de exploitant en de buurtbewoners niet werden geschaad, vermits zij tijdig, binnen de 10 kalenderdagen, hun beroep hebben ingediend; 2.4.
- Overwegende dat in het verzoekschrift tot tussenkomst betoogd wordt dat de wijziging van de termijn binnen dewelke beroep kon worden aangete- kend tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 10 november 1997, noch de exploitant noch de omwonenden in hun rechten heeft geschonden, omdat de exploitant oorspronkelijk de vormvereisten betreffende de aanplakking niet had nageleefd; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog betoogt dat de bestendige deputatie de fout had dienen recht te zetten; 2.4.
- Overwegende dat in artikel 3 van het besluit van 10 november 1997 van het college van burgemeester en schepenen van Turnhout inderdaad -en de verwerende partij geeft dit ook toe- een vergissing is geslopen; dat tegen een wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden een administratief beroep kan worden ingesteld overeenkomstig artikel 54 van Vlarem I, en niet overeenkomstig artikel 49 van Vlarem I; dat evenwel moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij ingevolge deze vergissing niet in haar belangen werd geschaad, vermits zij een ontvankelijk administratief beroep instelde; dat de verzoekende partij nog betoogt dat de bestendige deputatie de vergissing had moeten rechtzetten; dat zij echter geen baat zou hebben gehad bij zulke rechtzetting aangezien op het moment dat de verwerende partij haar beslissing nam, het administratief beroep al ingesteld en behandeld was; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het vierde middel, VII-16.574-19/21 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 22 januari 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, in zoverre het : - een bevestiging inhoudt van artikel 2, punt 2, van de beslissing van 10 november 1997 van het college van burgemeester en schepenen van Turnhout houdende ambtshalve wijziging van vergunningsvoorwaarden tot het exploiteren van een feestzaal met dansgelegenheid, doch slechts in de mate dat daarin gesteld wordt dat de geluidsbegrenzer dient te worden afgesteld op 92 dB(A); - een bevestiging inhoudt van artikel 2, punt 3, van dezelfde beslissing van 10 november 1997 van het college van burgemeester en schepenen van Turnhout. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-16.574-20/21 A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.574-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.