← België

Arrest 143860 - - 28/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.860 Rolnummer: A. 89294/VII-20406 Zaak: Arrest 143860 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 12:19 Fiche Arrest nr 143.860 van 28 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.860 van 28 april 2005 in de zaak A. 89.294/VII-20.

  1. In zake : de n.v. APOTHEEK GAUCHERET, die woonplaats kiest bij advocaat P. BOUTS, kantoor houdende te TONGEREN, Sint-Catharinastraat tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksge- zondheid, die woonplaats kiest bij advocaat P. BOGAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Kunstlaan 44, bus
  2. tussenkomende partij : Bert SPIRITUS, wonende te GLABBEEK, Tiensesteenweg
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. APOTHEEK GAUCHERET op 31 januari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1885 houdende goedkeuring der nieuwe onderrichtingen voor de geneesheren, de apothekers en de drogisten, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 december 1999; Gelet op het arrest nr. 92.420 van 18 januari 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 15 april 2004; VII-20.406-1/5 Gelet op de beschikking van 18 mei 2004 die de tussenkomst van Bert SPIRITUS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 23 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 april 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. WAUTERS die, loco advocaat P. BOUTS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat D. VAN PASSEL die, loco advocaat P. BOGAERT verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Y. ROSENOER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de laatste memorie niet werd neergelegd door de verzoekende partij, maar door de n.v. PATRONA PHARMA GROUP; dat die vennootschap stelt eigenaar te zijn geworden van de apotheek GAUCHERET, en ?ten belope daarvan” in de rechten en verplichtingen van de verzoekende partij te zijn getreden; dat zij vervolgens laat weten dat zij ?in elk geval wenst bij huidige procedureakte een gedinghervatting te doen, teneinde in huidige procedure in de rechten van de n.v. GAUCHERET APOTHEEK te treden”; VII-20.406-2/5 Overwegende dat de beslissing om namens een rechtspersoon het geding te hervatten, genomen moet worden door het daartoe wettelijk en statutair bevoegd orgaan van die rechtspersoon; dat het bewijs daarvan moet worden geleverd vóór het sluiten van de debatten; Overwegende dat de desbetreffende stavingsstukken niet bij de laatste memorie, geldend als verzoek tot gedinghervatting, waren gevoegd; dat de griffie van de Raad van State, met een schrijven van 19 januari 2005, de verzoekende partij in gedinghervatting op dit euvel heeft gewezen en deze laatste heeft gevraagd om de Raad van State, binnen een termijn van vijftien dagen, van die stukken in het bezit te stellen; dat, hoewel de raadsman van die partij op 4 februari 2005 ontvangst heeft gemeld van het schrijven van de griffie, aan dit schrijven verder geen gevolg werd gegeven binnen de termijn van vijftien dagen; dat de gevraagde stukken noch het Auditoraat, noch de Kamer, hebben bereikt op het ogenblik van het sluiten van de debatten ter terechtzitting van 14 april 2005; Overwegende dat die stukken de Kamer wel hebben bereikt na het sluiten der debatten, met name op 15 april 2005; dat ze met een niet ter post aangetekende zending werden opgestuurd (datum van de poststempel : 12 april 2005), en op 14 april 2005 op de diensten van de griffie van de Raad van State zijn toegekomen; Overwegende dat het feit dat die stukken niet op de terechtzitting van 14 april 2005, en derhalve vóór het sluiten der debatten, in die debatten werden betrokken, in hoofdzaak te wijten is aan het stilzitten van de verzoekende partij in gedinghervatting, die geen tijdig gevolg heeft gegeven aan het voormelde schrijven van de griffie van de Raad van State, en zelf het niet te verantwoorden risico heeft genomen om pas vlak vóór de terechtzitting, op de valreep, de desbetreffende stukken op te sturen; dat die partij aldus doet blijken van een manifest gebrek aan medewerking met de rechter; dat er dan ook geen reden is om de debatten te heropenen teneinde de andere partijen en het Auditoraat alsnog de mogelijkheid te geven zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van het verzoek tot gedinghervatting; dat in die omstandigheden op de vraag tot gedinghervatting niet kan worden ingegaan; Overwegende dat de verzoekende partij zelf geen laatste memorie heeft ingediend, hoewel het auditoraatsverslag werd betekend op het adres waarop zij woonplaats had gekozen; dat de raadsman van die partij heeft verklaard te zijn VII-20.406-3/5 opgevolgd door de raadsman van de verzoekster in gedinghervatting; dat uit het verzoek tot gedinghervatting blijkt dat deze laatste verzoekster thans in de rechten van de verzoekende partij met betrekking tot de apotheek GAUCHERET is getreden; dat het beroep werd ingesteld in de hoedanigheid van uitbaatster van die apotheek en het belang bij het beroep in functie daarvan werd uiteengezet : met name met het argument dat door het bestreden besluit een aanzienlijk, specifiek, deel van het cliënteel van die welbepaalde apotheek zou verloren gaan; dat de verzoekende partij derhalve niet meer beschikt over de hoedanigheid waarin zij het beroep heeft ingesteld en waarop zij haar belang heeft gestoeld; dat haar vordering bijgevolg niet langer ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-20.406-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.406-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.860 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.92.420 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.