← België

Arrest 143865 - - 28/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.865 Rolnummer: A. 89818/VII-20563 Zaak: Arrest 143865 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-11 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 12:21 Fiche Arrest nr 143.865 van 28 april 2005 - Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.865 van 28 april 2005 in de zaak A. 89.818/VII-20.

  1. In zake :
  2. de VERENIGING VOOR VLAAMSE KLINISCHE LABO- RATORIA,
  3. de b.v.b.a. ALGEMEEN BIOKLINISCH LABORATORIUM,
  4. André TAVERNIER, die woonplaats kiezen bij advocaat A. VAN BRABANT, kantoor houdende te BRUGGE, Doornstraat 326 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken die woonplaats kiest bij advocaten R. DEPLA en M. STUBBE, kantoor houdende te SINT-KRUIS-BRUGGE, Karel Van Manderstraat
  5. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VERENIGING VOOR VLAAMSE KLINISCHE LABORATORIA, de b.v.b.a. ALGEMEEN BIOKLINISCH LABORATORIUM en André TAVERNIER op 25 februari 2000 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het "koninklijk besluit van 3 december 1999 betreffende de erkenning van de laboratoria voor klinische biologie door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1999, editie 2"; Gelet op het arrest nr. 88.322 van 27 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gelet op het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 22 augustus 2000 ingediend door de tweede en derde verzoekende partij; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord; VII-20.563-1/3 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 27 juli 2004 , die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de verzoekende partijen op 12 augustus 2004; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende, wat de eerste verzoekende partij betreft, dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; dat het arrest nr. 88.322 van 27 juni 2000 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit heeft verworpen; dat de eerste verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat te haren aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt, Overwegende, wat de tweede en de derde verzoekende partij betreft, dat in het auditoraatsverslag de verwerping van het beroep wordt voorgesteld; dat de hoofdgriffier bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; dat dezelfde partijen ervan in kennis werden gesteld, op grond van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij zij binnen een termijn van vijftien dagen vragen om te worden gehoord; dat zij niet hebben gevraagd om te worden gehoord; Overwegende dat de tweede en de derde verzoekende partij binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in voornoemd artikel 21, zesde lid, geen VII-20.563-2/3 verzoek tot voortzetting van de procedure hebben ingediend; dat krachtens die wetsbepaling te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt, BESLUIT: Artikel
  6. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  7. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de tweede en derde verzoekende partij, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april tweeduizend en vijf, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-20.563-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.865 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.322 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.