← België

Arrest 143869 - - 28/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.869 Rolnummer: A. 65043/X-7677 Zaak: Arrest 143869 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 12:23 Fiche Arrest nr 143.869 van 28 april 2005 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.869 van 28 april 2005 in de zaak A 65.043/X-7677. In zake : 1. Jacob VAN RENNES, 2. Jeanne GEIJSEN, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. DRIESSEN, kantoor houdende te 3700 TONGEREN, Sint-Catharinastraat 52-54 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jacob VAN RENNES en Jeanne GEYSEN op 7 augustus 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 mei 1995 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming waarbij worden beschermd als monument het kasteel met dienstgebouwen, het hek langs de Kasteelstraat, de kasteelhoeve, het belvédère en de resten van de omheiningsmuur, gelegen te Riemst (Genoelselderen), Kasteelstraat 9, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 45h, 61c deel, en waarbij worden beschermd als dorpsgezicht het kasteel met dienstgebouwen, het hek langs de Kasteelstraat, de kasteelhoeve, het belvédère en de resten van de omheiningsmuur, gelegen te Riemst (Genoelselderen), Kasteelstraat 9, kadastraal bekend Sectie A, nrs.111e, 54b, 54c, 54d, 50a, 40d, 39a, 36a, 45h deel, 61c deel, 62c, 62b, bekendge- maakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 1995; Gelet op het arrest nr. 69.457 van 5 november 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; X-7677-1/11 Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 20 december 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatige gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 oktober 2004, datum waarop de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat, J. DRIESSEN die, loco Advocaten M. DRIESSEN en M. VAN DOREN verschijnen voor de verzoekende partijen, en van Advocaat I. VERHELBE die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen op 23 juli 1989 eigenaar zijn geworden van het kasteel met aanpalend park, weiland, boomgaard en bouwland, gelegen te Riemst (Genoelselderen), Kasteelstraat, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 36/A, 39/A, 40/D, 45H, 50A en 481/A; dat bij ministerieel besluit van 14 december 1992 een voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten werd vastgesteld waarin verzoekers' eigendommen zijn opgenomen; dat een afschrift van dit ministerieel besluit werd betekend aan X-7677-2/11 verzoekende partijen en aan de gemeente Riemst; dat van 23 augustus tot 23 september 1993 een openbaar onderzoek werd gehouden door de gemeente Riemst; dat naar aanleiding van dit openbaar onderzoek onder meer door de verzoekende partijen bezwaarschriften werden ingediend; dat het verslag van 31 maart 1994 van het Bestuur Monumenten en Landschappen de ingediende bezwaren heeft uiteengezet en beantwoord en heeft voorgesteld de beschermingsprocedure verder te zetten; dat de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen Limburg op 12 oktober 1993 een gunstig advies heeft verleend voor de bescherming van het kasteel met bijbehorende dienstgebouwen, de kasteelhoeve en het belvédère als monument en van de omgeving met inbegrip van de aan de overzijde van de weg gelegen dreef als dorpsgezicht; dat bij ministerieel besluit van 22 april 1994 een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten werd vastgesteld waarin voormelde eigendommen werden opgenomen; dat een afschrift van dit ministerieel besluit, van de bijgevoegde plattegrond en van de motiveringsnota bij ter post aangetekend schrijven van 26 juli 1994 aan de verzoekende partijen werd betekend; dat de verzoekende partijen bij aangetekend schrijven van 19 december 1994 de Vlaamse minister voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting hebben verzocht om hun eigendommen van de lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te schrappen; dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaams Gewest op 12 januari 1995 advies heeft uitgebracht, dat de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming op 3 mei 1995 het thans bestreden beschermingsbesluit heeft genomen; dat bij ter post aangetekend schrijven van dezelfde datum, een afschrift van het beschermingsbesluit van 3 mei 1995, van de bijbehorende plattegronden en van het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaams Gewest aan verzoekende partijen werd betekend; dat het beschermingsbesluit van 3 mei 1995 in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 1995 werd bekendgemaakt; Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het annulatieberoep onontvankelijk is geworden voor zover de bescherming als dorpsgezicht wordt bestreden, gezien de intrekking van het bestreden besluit wat dit onderdeel ervan betreft; Overwegende dat het bestreden besluit bij ministerieel besluit van 8 september 1995 gedeeltelijk werd ingetrokken, meer bepaald voor wat de bescherming als dorpsgezicht van de kasteelsite te Riemst (Genoelselderen) betreft; X-7677-3/11 dat bij een afzonderlijk ministerieel besluit van 8 september 1995 de vermelde gebouwen en percelen opnieuw worden beschermd als dorpsgezicht; dat de verzoekende partijen dit nieuwe beschermingsbesluit niet hebben aangevochten; dat het deel van de bestreden akte, dat de bescherming als dorpsgezicht inhield, definitief uit de rechtsorde is verdwenen; dat het annulatieberoep met betrekking tot het deel van de bestreden beslissing dat de bescherming als dorpsgezicht inhoudt, geen voorwerp meer heeft; dat de middelen, in zover zij betrekking hebben op de bescherming als dorpsgezicht niet dienen te worden onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun achtste middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het algemeen rechtsbeginsel dat een beslissing naar recht en billijkheid dient gemotiveerd te zijn en van machtsoverschrijding, "doordat, in de bestreden beslissing, waarvan het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen integraal deel van uitmaakt, de Koninklijke Commissie bij de beoordeling van de bezwaarschriften, de beoordeling ervan door het Bestuur tot de hare maakt; dat uit niets blijkt welk(

  1. e)die beoordeling is geweest en door welk 'Bestuur' deze beoordeling werd gegeven; Terwijl, een beslissing steeds naar recht en billijkheid dient gemotiveerd te zijn en de feitelijke en juridische elementen die eraan ten grondslag liggen dient te vermelden; dat het niet redelijk is dat de Koninklijke Commissie in haar advies over de beoordeling van de bezwaren louter verwijst naar de beoordeling van deze bezwaren door een niet nader omschreven 'Bestuur' zonder een eigen beoordeling van deze bezwaren te geven; Dat zodoende de bestreden beslissing niet naar recht en billijkheid werd gemotiveerd en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, schendt; En doordat; het advies van de Koninklijke Commissie, gevoegd bij de bestreden beslissing (...), identiek dezelfde motivering bevat dan de eerdere motiveringsnota van het Bestuur Monumenten en Landschappen (...); Terwijl het niet redelijk is dat de Koninklijke Commissie geen eigen beoordeling en advies geeft doch zich beperkt tot het overnemen van het advies van het Bestuur Monumenten en Landschappen (...);" Overwegende dat de verwerende partij repliceert als volgt : "III. 8.2. Voor zover het middel betrekking heeft op het advies van de Koninklijke Commissie nopens de bescherming als monument kan worden opgemerkt wat volgt. X-7677-4/11 Verzoekende partijen stellen volledig ten onrechte dat de Koninklijke Commissie geen eigen beoordeling gaf van de bezwaren en geen eigen motivering gaf nopens de bescherming. Na 'grondige beraadslaging' (...) en nadat Dhr. GYSELINCK zijn verslag had toegelicht, besloot de KCML uitdrukkelijk de beoordeling van de bezwaren door het Bestuur Monumenten en Landschappen tot de hare te maken. De motivering nopens de bescherming als monument werd na beraadslaging uitdrukkelijk opgenomen in stuk 15. Men kan niet beweren dat het onredelijk is dat de KCML eenzelfde advies uitbrengt als het Bestuur Monumenten en Landschappen. Gezien stuk 15 werd betekend aan verzoekende partijen waren ze wel degelijk op de hoogte van de motivering van de KCML."; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord uiteenzetten wat volgt : "Bij aangetekend schrijven dd. 04.07.1995 werd aan verzoekers het bestreden M.B. dd. 03.05.1995 betekend waarin definitief besloten werd tot de bescherming van hun eigendommen. (...) Noch de bestreden beslissing, noch het advies van de Koninklijke Commissie voor de Monumenten en Landschappen dd. 12.01.1995 dat er integraal deel van uitmaakt, maken melding van de motieven tot verwerping van de bezwaren van verzoekers. De procedure voorafgaand aan de bescherming zoals in casu is nochtans aan een openbaar onderzoek onderworpen (zoals voorgeschreven bij art. 5 van het Decreet dd. 03.03.1976), en de beslissing tot bescherming van onroerende goederen is slechts wettig, regelmatig en uitdrukkelijk gemotiveerd als zij de redenen van verwerping van de bezwaren bevat. (...) Het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, dat integraal deel uitmaakt van het bestreden besluit, is beperkt tot de melding dat zij 'kennis heeft genomen van de bezwaarschriften' doch geeft geen enkel antwoord op di(
  2. e)bezwaren, noch enige reden waarom zij deze verwerpt. Krachtens vaste rechtspraak en rechtsleer volstaat het niet louter te verwijzen naar de bezwaren van de verzoeker zonder erop te antwoorden en zo de rechten van de verdediging van de individuele burger te schenden in een materie waarin de wetgeving een ruime discretionaire bevoegdheid aan de overheid heeft gegeven ! (...) Beslissingen met betrekking tot het bescherming van een privaat onroerend goed als monument zijn als individuele administratieve overheidshandelingen onderworpen aan de formele motiveringsplicht. Art. 2 en 3 van de wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen legt aan de overheid inderdaad de verplichting op om elke individuele bestuurshandeling waarbij rechtsgevolgen worden beoogd, uitdrukkelijk te motiveren. De belangrijkste bestaansreden van de formele motiveringsplicht is dat betrokkene zou worden ingelicht over de beweegredenen van de overheid. (...) De motiveringsplicht moet worden opgevat als een resultaatsverbintenis en niet als een middelenverbintenis. De motivering moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen. (...) X-7677-5/11 Dit geldt des te meer bij een beslissing tot bescherming van een onroerend goed als monument aangezien deze beslissing verstrekkende gevolgen heeft voor de betrokken individuele eigenaars, die geconfronteerd worden met ernstige beperkingen op hun eigendomsrechten (en het gebruik van hun eigendom). In strijd met de algemene motiveringsplicht en in strijd met de rechten van de verdediging zegt het bestreden M.B. dd. 03.05.1995 niets over de bezwaren van verzoekers. In het hele verloop van de procedure, die nochtans nauwkeurig is bepaald en die substantiële pleegvormen bevat zoals het openbaar onderzoek en het inspraakrecht van de betrokken eigenaars, blijft ieder antwoord op de bezwaren van verzoekers uit. Verzoekers kunnen zich niet van de indruk ontdoen dat het openbaar onderzoek louter om formalistische redenen werd georganiseerd door verwerende partij. Verwerende partij heeft nooit de bedoeling gehad om de bezwaren, die in het kader van dit openbaar onderzoek aan haar werden overgemaakt, ernstig te nemen en te beantwoorden. Het kan trouwens niet worden betwist dat de bezwaren die verzoekers hebben doen gelden tegen de bescherming van hun eigendommen, op ernstige bestaansmotieven steunen, die door de betrokken overheid in overweging hadden moeten genomen worden; (...) Verzoekers zijn er dan ook van overtuigd dat er noch juridisch, noch feitelijk of historisch op dit ogenblik gefundeerde motieven aanwezig zijn tot bescherming van hun eigendom als monument. De overheid vindt het klaarblijkelijk overbodig om de voornoemde ernstige bezwaren van verzoekers te onderzoeken, in overweging te nemen, laat staan te beantwoorden, hetgeen totaal onaanvaardbaar is. Verzoekers worden gewoon in het ongewisse gelaten omtrent het gevolg dat al dan niet aan hun bezwaren werd verleend. Door de niet-naleving van de motiveringsplicht en het schenden van de rechten van verdediging van verzoekers, is de bestreden beslissing onwettelijk. Zij dient dan ook nietig te worden verklaard."; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog het volgende uiteenzetten : "(...) Terwijl in casu de KCML niet zelf is overgegaan tot de weerlegging van de ingediende bezwaren doch slechts verwees naar de beoordeling hiervan door het Bestuur : 'Na kennis te hebben genomen van de adviezen en de bezwaarschriften, waarbij ze de beoordeling ervan door het Bestuur tot de hare maakt '. En terwijl de weerlegging van de bezwaren door het Bestuur nooit aan verzoekende partijen werd ter kennis gebracht zodat dezen ook niet konden nagaan of (
  3. al)de door hen ingediende bezwaren wel in overweging werden genomen. Dat de overheid, zoals verzoekende partijen reeds opmerkten bij de bespreking van het derde ingeroepen middel, zelfs geen ontvangst meldde van de door hen ingediende bezwaren. Tot slot herhalen verzoekende partijen dat het advies van de KCML waarnaar wordt verwezen ter motivering van de bestreden beslissing slechts (volstrekt gebrekkige) motieven bevat betreffende de bescherming van bepaalde goederen als monument terwijl elke motivering ontbreekt aangaande de bescherming als monument van andere goederen zoals het 'hek langs de Kasteelstraat' en 'de resten van de omheiningsmuur' terwijl deze toch ook (en X-7677-6/11 zonder enige motivering) door de bestreden beslissing als monument werden beschermd"; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog uiteenzet wat volgt : "(...) 2/ Betreffende de formele motiveringsplicht inzake de rangschikking van landschappen en monumenten. 2.1 In meerdere arresten heeft de Raad van State zeer duidelijk de inhoud van de motiveringsverplichting inzake de rangschikking van landschappen en monumenten uiteengezet. (...) Met andere woorden, om te voldoen aan de motiveringsverplichting moeten in een beschermingsbesluit hetzij uitdrukkelijk de beschermingswaarden van het monument, landschap of dorpsgezicht worden opgenomen of moet er worden verwezen naar het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen die deze beschermingswaarden beschrijft. Slechts in dit laatste geval moet het advies ofwel uitdrukkelijk worden opgenomen in het beschermingsbesluit ofwel moet het toegevoegd worden aan het beschermingsbesluit. (...) 2.2 De Raad van State heeft er eveneens reeds talloze malen op gewezen dat de formele motiveringsplicht geen verplichting schept om in het beschermingsbesluit expliciet de opmerkingen en bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming zijn ingebracht. (...) 2.3 Uit het voorgaande blijkt vooreerst dat de bestreden beslissing wel degelijk voldoet aan de formele motiveringsverplichting. Immers, in het advies van de KCML werden uitdrukkelijk de beschermingswaarden van de voor bescherming vatbare goederen opgenomen. Dit advies werd samen met de bestreden beslissing aan de verzoekende partijen betekend. Cfr. artikel 1 van de bestreden beslissing : 'Gezien het advies van de Koninklijke Commissie, integraal deel uitmaken van dit besluit en medebetekend, worden beschermd :' Alhoewel de overheid deze verplichting niet heeft en deze vaststelling volstaat om de middelen van de verzoekende partijen dienaangaande ongegrond te verklaren, dient in casu te worden vastgesteld dat de motiveringsnota van 31 maart 1994 houdende bespreking van de adviezen en de bezwaren aan de verzoekende partijen werd betekend. Cfr. artikel 1 van het ministerieel besluit dd. 22.4.1994 houdende vaststelling van het. ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten : 'Gezien de motiveringsnota van 31 maart 1994 houdende bespreking van de adviezen en de bezwaren, integraal deel uitmakend van dit besluit en medebetekend, wordt het ontwerp van lijst vastgesteld van volgend voor bescherming vatbaar : (...)' Het middel dat steunt op een afwezigheid van betekening van de weerlegging van de bezwaren is dus ongegrond in het kwadraat. Het gaat regelrecht in tegen de vaste rechtspraak van de Raad van State en het mist bovendien feitelijke grondslag. Het is onaanneembaar dat de maatschappelijk uiterst belangrijke beschermingsbeslissingen gedwarsboomd zouden worden op grond van juristerijen die niet enkel feitelijke grondslag missen maar die ook juridisch geen steek houden. X-7677-7/11 3/ Betreffende de materiële motivering van beschermingsbesluiten en de motivering van het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. 3.1 In het Auditoraatsverslag wordt terecht gesteld dat het advies van de Koninklijke Commissie een belangrijke stap is in de beschermingsprocedure. Dit is ook evident aangezien de Koninklijke Commissie een onafhankelijk orgaan is, samengesteld uit deskundigen. Een gunstig advies van de Koninklijke Commissie houdt derhalve in dat het bestuur de beschermingswaarden van een onroerend goed op een juiste wijze heeft beoordeeld en dat de beschermingsbeslissing juist is gemotiveerd. Het gunstig advies van de Koninklijke Commissie is een garantie voor de juistheid van de motieven en toont aan dat de beslissing steunt op rechtens aanvaardbare motieven. (...) Welnu, men dient vast te stellen dat bij de bescherming van monumenten en stads-en dorpsgezichten de decreetgever geen 'met redenen omkleed advies' voorschrijft van de Koninklijke Commissie. De decreetgever heeft enkel bepaald dat de Vlaamse regering 'de Koninklijke Commissie gehoord' overgaat tot de definitieve bescherming. Auteur DRAYE meent dat ook bij de bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten een gemotiveerd advies vereist zou zijn. Dit wordt afgeleid uit de wettelijke verplichting inzake landschappen en uit het feit dat het advies dient gegeven te worden in de beslissende fase van de beschermingsprocedure. Verwerende partij meent echter dat men de verplichting tot horen van de Koninklijke Commissie niet op grond van een andere wetgeving kan interpreteren tot een verplichting voor de Koninklijke Commissie tot het geven van een met redenen omkleed advies. Dit doen zou betekenen dat men een vereiste toevoegt aan de decretale vereisten van het decreet van 3 maart 1976. Evenmin kan uit het feit dat de Koninklijke Commissie gehoord moet worden vooraleer een definitieve beslissing tot bescherming wordt genomen, worden afgeleid dat het te verlenen advies met redenen moet omkleed zijn. In talrijke wetgevingen vindt men adviesverplichtingen vooraleer een beslissing kan genomen worden zonder dat de vereiste bestaat tot het verlenen van een met redenen omkleed advies. Bij de bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten zou een gunstig advies zonder meer aldus volstaan. Het voorgaande is echter in casu zonder verder belang aangezien de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wel degelijk een 'met redenen omkleed advies' heeft verleend. (...) Uit (het) advies blijkt dat de Koninklijke Commissie : 1/ het advies van de Provinciale Commissie Limburg van de Koninklijke Commissie dd. 12.10.1993 heeft beoordeeld; De motiveringsnota dd. 31 maart 1994 waarin de beschermingswaarden van de beschermende onroerende goederen worden beschreven, is overigens gebaseerd op de motieven van het advies van de Provinciale Commissie. De beschermingswaarden waarbij de Koninklijke Commissie zich heeft aangesloten en die zij heeft overgenomen in haar advies steunen dus op het initieel gunstig advies van haar Provinciale Commissie. Ten onrechte wordt er in het Auditoraatsverslag aldus van uitgegaan dat de eerste beoordeling en de eerste beschrijving van de beschermingswaarden, die door de Koninklijke Commissie werden beoordeeld en waarbij zij zich uitdrukkelijk aansloot, een beoordeling is van het Bestuur Monumenten en Landschappen. Het Bestuur heeft het advies van de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen gevolgd. 2/ het voorontwerp en ontwerp van lijst heeft beoordeeld; X-7677-8/11 3/ het verslag van de Inspecteur van het Bestuur Monumenten en Landschappen, die mondeling werd toegelicht, heeft beoordeeld; 4/ kennis heeft genomen van de adviezen en de bezwaren en de beoordeling ervan, waarbij ze zich uitdrukkelijk heeft aangesloten; 5/ de beschermingswaarden van de onroerende goederen zelf heeft beschreven. De Koninklijke Commissie heeft dus een eigen beoordeling gemaakt en een eigen motivering gegeven voor de bescherming van de onroerende goederen."; Overwegende dat wanneer de overheid een onroerend goed als monument beschermt, zij, om te voldoen aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden waarop het is gesteund; dat niet is vereist dat in het besluit zelf de bezwaren en opmerkingen worden beantwoord die tijdens de voorafgaande procedure, met name tijdens het openbaar onderzoek, werden ingediend; dat het volstaat dat het besluit opgeeft om welke redenen van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde onroerend goed van algemeen belang is; Overwegende dat het bestreden besluit beschermt als monument: Genoelselderen, kasteel met dienstgebouwen, hek langs de Kasteelstraat, kasteelhoeve, belvédère, resten van omheiningsmuur, Kasteelstraat 9,kadastraal bekend Riemst (Genoelselderen), Sectie A, perceel nrs. 45h en 61c deel, "gezien het advies van de Koninklijke Commissie, integraal deel uitmakend van dit besluit en medebetekend"; Overwegende dat bedoeld advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest van 12 januari 1995, luidt als volgt : "Na kennis te hebben genomen van de adviezen en de bezwaarschriften, waarbij ze de beoordeling ervan door het Bestuur tot de hare maakt, en na grondige beraadslaging brengt de KCML het volgend gemotiveerd advies uit : 'GENOELSELDEREN, Kasteel-Kasteelhoeve, Kasteelstraat 9. Het kasteel van Genoelselderen met bijhorende dienstgebouwen dienen als monument beschermd omwille van het algemeen belang gevormd door de historische waarde als voormalige woonplaats van de heren van Genoelselderen en dit reeds sinds 1407; Omwille van de historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde als classicistisch gebouwenensemble uit de eerste helft van de XVIIIde eeuw, dat in 1859 grondig werd gerestaureerd; het betreft een geheel van gebouwen die in los verband in U-vorm werden geschikt en gelegen zijn temidden van een engels park dat oorspronkelijk volledig ommuurd was; X-7677-9/11 omwille van de artistieke waarde, in casu het merkwaardig interieur met elementen uit de XVIIIde (rococodeuren, trap, schouwen in régence) en XIXde eeuw (stucwerkplafond in de ruimtes op het gelijkvloers). De kasteelhoeve, gelegen ten noorden van het kasteel, dient als monument beschermd omwille van het algemeen belang gevormd door de historische-, in casu architectuurhistorische waarde als een kwadraatvormige hoeve uit de eerste helft van de XVIIIde eeuw, die in de tweede helft van de XVIIIde en in de XIXde eeuw werd aangepast. Het Belvédère, gelegen tegen de zuidmuur van het park, dient als monument beschermd omwille van het algemeen belang gevormd door de historische-, in casu architectuurhistorische waarde als gebouwtje in de vorm van een antiek tempeltje in Lodewijk XVIstijl.'"; Overwegende dat, zoals blijkt uit hetgeen voorafgaat, het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, en aldus ook het bestreden besluit dat daarop uitdrukkelijk is gesteund, in concreto de motieven vermeldt waarom de betrokken onroerende goederen omwille van het algemeen belang gevormd door hun historische en architectuurhistorische waarde als monument worden beschermd; dat aldus aan de door voornoemde wet van 29 juli 1991 opgelegde motiveringsplicht is voldaan; dat de omstandigheid dat de motivering van het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen identiek is aan de motivering van het advies van het Bestuur Monumenten en Landschappen, aan deze vaststelling geen afbreuk doet; dat in dat geval de eigen beoordeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen bestaat in het "na grondige beraadslaging" bijtreden van de motieven van laatstgenoemd advies; dat ten overvloede uit de gegevens van de zaak blijkt dat het door verzoekende partijen ingediende bezwaarschrift door het Bestuur Monumenten en Landschappen op 31 maart 1994 werd onderzocht en beantwoord; dat het middel in zijn geheel genomen niet gegrond is; Overwegende dat het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat is beperkt tot het onderzoek van voormeld middel; dat er reden is de debatten te heropenen, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. X-7677-10/11 Artikel 2. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-7677-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.869 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.69.457 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.103 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.