← België

Arrest 143870 - - 28/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.870 Rolnummer: A. 65242/X-9957 Zaak: Arrest 143870 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-11 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 12:23 Fiche Arrest nr 143.870 van 28 april 2005 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.870 van 28 april 2005 in de zaak A. 65.242/X-

  1. In zake : Charles BEAUDOUIN, die woonplaats kiest bij Advocaten M. VANBUUL en G. ALOFS, kantoor houdende te 3700 TONGEREN, 18de Oogstwal 37/1 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Charles BEAUDOUIN op 22 augustus 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 mei 1995 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming waarbij worden beschermd als monument het kasteel met dienstgebouwen, het hek langs de Kasteelstraat, de kasteelhoeve, het belvédère en de resten van de omheiningsmuur, gelegen Kasteelstraat 9 te Riemst (Genoelselderen), op percelen kadastraal bekend Sectie A, nrs. 45h, 61c deel, en waarbij worden beschermd als dorpsgezicht het kasteel met dienstgebouwen, het hek langs de Kasteelstraat, de kasteelhoeve, het belvédère en de resten van de omheiningsmuur, gelegen Kasteelstraat 9 te Riemst (Genoelselderen), op percelen kadastraal bekend Sectie A, nrs.111e, 54b, 54c, 54d, 50a, 40d, 39a, 36a, 45h deel, 61c deel, 62c, 62b, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 1995; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; X-9957-1/6 Gelet op de beschikking van 20 december 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 oktober 2004, datum waarop de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. MINNEKEER die, loco Advocaten M. VANBUUL en G. ALOFS verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat I. VANHELLE die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Charles BEAUDOUIN eigenaar blijkt te zijn van een kasteelhoeve, met omliggende landerijen gelegen Kasteelstraat 9 te Riemst (Genoelselderen), kadastraal bekend sectie A, nrs. 61c deel, 62c en 62b; dat verzoeker eveneens eigenaar blijkt te zijn van een perceel bouwland met een opgerichte Sint-Appoloniakapel, gelegen Meerveld-Millerstraat te Riemst (Genoelselderen), kadastraal bekend sectie A, nr. 603/C2; dat bij ministerieel besluit van 14 december 1992 een voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten werd vastgesteld waarin verzoekers eigendommen worden opgenomen; dat een afschrift van dit ministerieel besluit aan verzoeker en aan de gemeente Riemst werd betekend; dat van 23 augustus tot 23 september 1993 een openbaar onderzoek werd gehouden door de gemeente Riemst, naar aanleiding waarvan door verzoeker een bezwaarschrift werd ingediend; X-9957-2/6 dat het verslag van 31 maart 1994 van het Bestuur Monumenten en Landschappen de ingediende bezwaren heeft uiteengezet en beantwoord en heeft voorgesteld om de beschermingsprocedure verder te zetten; dat de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen Limburg op 12 oktober 1993 een gunstig advies heeft verleend voor de bescherming van het kasteel met bijbehorende dienstgebouwen, de kasteelhoeve en het belvédère als monument en van de omgeving met inbegrip van de aan de overzijde van de weg gelegen dreef als dorpsgezicht; dat bij ministerieel besluit van 22 april 1994 een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten werd vastgesteld waarin voormelde eigendom werd opgenomen; dat een afschrift van dit ministerieel besluit, van de bijgevoegde plattegrond en van de motiveringsnota bij ter post aangetekend schrijven van 26 juli 1994, aan verzoeker werd betekend; dat verzoeker bij aangetekend schrijven van 19 december 1994 de Vlaamse minister voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting heeft verzocht om zijn eigendom van de lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te schrappen; dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse gewest op 12 januari 1995 advies heeft uitgebracht; dat de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming op 3 mei 1995 het thans bestreden beschermingsbesluit heeft genomen; dat bij ter post aangetekend schrijven van dezelfde datum, een afschrift van het beschermingsbesluit van 3 mei 1995, van de bijbehorende plattegronden en van het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse gewest aan verzoeker werd betekend; dat het beschermingsbesluit van 3 mei 1995 in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 1995 werd bekendgemaakt; Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het annulatieberoep onontvankelijk is geworden voor zover de bescherming als dorpsgezicht wordt bestreden, gezien de intrekking van het bestreden besluit wat dit onderdeel ervan betreft; Overwegende dat het bestreden besluit bij ministerieel besluit van 8 september 1995 gedeeltelijk werd ingetrokken, meer bepaald voor wat de bescherming als dorpsgezicht van de kasteelsite te Riemst (Genoelselderen) betreft; dat bij een afzonderlijk ministerieel besluit van 8 september 1995 de vermelde gebouwen en percelen terug worden beschermd als dorpsgezicht; dat de verzoekende partij dit nieuwe beschermingsbesluit niet heeft aangevochten; dat het deel van de bestreden akte, dat de bescherming als dorpsgezicht inhield, definitief uit de rechtsorde is verdwenen; dat het annulatieberoep met betrekking tot het deel van de X-9957-3/6 bestreden beslissing dat de bescherming als dorpsgezicht inhoudt, geen voorwerp meer heeft; dat de middelen, in zover zij betrekking hebben op de bescherming als dorpsgezicht niet dienen te worden onderzocht; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 5, § 2, 3/ en van artikel 5, § 6, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, en uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied de rechten van de verdediging, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, "doordat de bestreden beslissing van verwerende partij geen rekening houdt met de eigen bezwaren van verzoeker, die blijkbaar niet werden onderzocht, en die nochtans door verzoeker werden geformuleerd op 13.09.1993 aan het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Riemst en op 13.11.1994 aan de heer Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming, terwijl voormelde wetsbepalingen uitdrukkelijk deze rechten voor verzoeker om bezwaren te formuleren en alzo inspraak te hebben in de beschermingsprocedure voorzien, zodat de miskenning ervan door de verwerende partij niet alleen een schending is van een op straffe van nietigheid voorgeschreven en substantiële vormvereiste, doch tevens een inbreuk uitmaakt op de voormelde beginselen van behoorlijk bestuur waarnaar de overheid in kwestie zich dient te gedragen"; dat verzoeker in de uiteenzetting van het middel aanvoert dat de betrokken overheid op zijn bezwaarschrift nooit heeft geantwoord, dat hij de bevoegde minister bij ter post aangetekende brief van 13 november 1994 heeft verzocht zijn eigendommen te laten schrappen van de lijst, dat noch het bestreden ministerieel besluit, noch het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 12 januari 1995 dat er integraal deel van uitmaakt, melding maken van de motieven tot verwerping van zijn bezwaren, dat laatstgenoemd advies enkel beperkt is tot de melding dat zij "kennis heeft genomen van de bezwaarschriften", en dat het niet volstaat louter te verwijzen naar de bezwaren zonder erop te antwoorden, Overwegende dat artikel 5, § 2, 3/, en § 6, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, luidt als volgt : "§
  3. De voorontwerpen van lijst worden door de Minister gelijktijdig: (...) 3/ bij ter post aangetekende brief betekend aan de erop vermelde eigenaars en vruchtgebruikers van monumenten. Zowel bij de publicatie als bij de betekening wordt uitdrukkelijk vermeld de einddatum van de termijn gedurende welke bij het betrokken gemeentebestuur opmerkingen en bezwaren kunnen worden ingediend. De termijn van het openbaar onderzoek bedraagt dertig dagen. X-9957-4/6 (...) §
  4. Op verzoek van openbare besturen en particulieren kan de Minister, de Koninklijke Commissie gehoord, monumenten en stads- en dorpsgezichten van de ontwerpen van lijst schrappen. Dit verzoek wordt bij ter post aangetekende brief tot de Minister gericht."; Overwegende dat het recht om bezwaar in te dienen voor de overheid de verplichting meebrengt de regelmatig ingediende bezwaren en opmerkingen te onderzoeken en te beoordelen; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker op 13 september 1993 een bezwaarschrift heeft ingediend; dat verzoeker er in het middel van uitgaat dat de door hem ingediende bezwaren "blijkbaar niet werden onderzocht"; dat uit de stukken van het administratief dossier evenwel blijkt dat het door verzoeker ingediende bezwaarschrift door het bestuur Monumenten en Landschappen op 31 maart 1994 werd onderzocht en beantwoord; dat geen wettelijke bepaling aan de overheid de verplichting oplegt de beantwoording van de bezwaren en opmerkingen aan de indiener ervan mede te delen; dat eventuele onregelmatigheden met betrekking tot het openbaar onderzoek bij het aanvechten van de beslissing over de bescherming als monument, stads- en/of dorpsgezicht kunnen worden aangevoerd; dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen in haar advies met betrekking tot de ingediende bezwaren stelt dat ze "de beoordeling ervan door het Bestuur tot de hare maakt"; dat de door verzoeker aangehaalde bepalingen van het decreet van 3 maart 1976 de administratieve overheid er niet toe verplichten in de akte expliciet de bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming zijn ingebracht; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat is beperkt tot het onderzoek van voormeld middel; dat er reden is de debatten te heropenen, X-9957-5/6 BESLUIT: Artikel
  5. De debatten worden heropend. Artikel
  6. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9957-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.870 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.033 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.