id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.871 Rolnummer: A. 81082/X-8533 Zaak: Arrest 143871 - - 28/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 12:23 Fiche Arrest nr 143.871 van 28 april 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.871 van 28 april 2005 in de zaak A. 81.082/X-
- In zake :
- Rudy VAN LABEKE,
- Benedicte DE VOS, wonende te 9090 MELLE, Geraardsbergsesteenweg 121 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat S. DE WOLF, kantoor houdende te 9270 LAARNE, Kouterstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy VAN LABEKE en Benedicte DE VOS op 12 november 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 september 1998 van de Vlaamse minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende verwerping van hun beroep tegen het besluit van 7 mei 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hun de vergunning is geweigerd voor het verkavelen van gronden gelegen aan de Geraardsbergsesteenweg en de Kalverhagestraat te Melle (Grontrode), op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nrs. 339e en 340a; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; X-8533-1/7 Gelet op de beschikking van 6 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. DE GROOTE, die verschijnt voor verzoekers, en van Advocaat S. DE WOLF, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekers op 8 september 1997 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Melle de vergunning hebben aangevraagd voor het "verkavelen van gronden in 16 loten" gelegen aan de Geraardsbergsesteenweg, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 339e en 340a; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Melle bij besluit van 4 februari 1998 de verkavelingsvergunning heeft geweigerd; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen bij besluit van 7 mei 1998 het beroep van verzoekers tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen niet heeft ingewilligd; dat verzoekers op 4 juni 1998 beroep hebben ingesteld tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse regering; dat verzoekers, na op 12 augustus 1998 te zijn gehoord, in toepassing van artikel 53, § 2, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, met een op 26 augustus 1998 gedagtekende en op 27 augustus 1998 ter post aangetekend verzonden brief de zaak aan de Vlaamse regering heeft gerappelleerd; dat deze brief luidt als volgt : "Mijnheer de Minister, Betreft : beroep tegen de beslissing van 7.5.1998 van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen inzake de verkavelingsaanvraag op 8.9.1997 ingediend door Rudy Van Labeke en Benedicte De Vos, welke beslissing aan de betrokkenen werd ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 14.5.1998 Uw Ref. : SV/B/4139/4468 - de Heer G. Boulanger X-8533-2/7 Zoals U bekend is, hebben wij, bij aangetekende brief van 4.6.1998, bij de Vlaamse regering beroep aangetekend tegen de beslissing van 7.5.1998 van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen. De partijen werden gehoord op 12.8.
- Tot op heden werd ons geen kennisgeving gedaan van de beslissing van de Vlaamse regering. In de gegeven omstandigheden veroorloven wij ons hierbij, overeenkomstig de bepaling van artikel 53, § 2, alinea 4 Gec. Decreet 22.10.1996, deze zaak aan de Vlaamse regering te rappelleren."; dat het hoofdbestuur van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen met een brief gedagtekend 28 augustus 1998 aan verzoekers heeft medegedeeld dat voormelde brief niet als een rappelbrief kan worden aangenomen vermits deze niet bleek te voldoen aan de voorschriften bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994 tot vaststelling van de vormvoorschriften na te leven door de aanvrager van een bouw- of verkavelingsver- gunning bij de verzending van de rappelbrief bedoeld in artikel 55, § 2, vierde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; dat verzoekers met een ter post aangetekende brief van 8 september 1998 de zaak opnieuw aan de Vlaamse regering hebben gerappelleerd; dat de Vlaamse minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij het thans bestreden besluit van 25 september 1998 het beroep van verzoekers tegen het besluit van de bestendige deputatie heeft verworpen; Overwegende dat verzoekers in het eerste middel aanvoeren dat van de ter zake bestreden beslissing geen kennisgeving werd gedaan binnen de dertig dagen nadat hun rappelbrief op 26 augustus 1998 aan de Vlaamse regering ter post aangetekend werd toegestuurd; dat zij het middel uiteenzetten als volgt : "Bij artikel 53, § 2, alinea 4 en 5 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, wordt voorgeschreven : 'Van de beslissing van de Vlaamse Regering wordt aan de partijen kennis gegeven binnen 60 dagen na afgifte bij De Post van de aangetekende zending die het beroep bevat. In geval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met 15 dagen verlengd. Bij gebreke kan de aanvrager de zaak bij aangetekende brief aan de Vlaamse Regering rappeleren. Heeft de aanvrager geen beslissing bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief ter Post is afgegeven, dan mag hij zonder verdere formaliteiten overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de aanwijzingen van het dossier dat hij heeft ingediend, naar de decreten en verordeningen, met name naar de voorschriften van de goedgekeurde plannen van aanleg, alsmede naar de bepalingen van de verkavelingsvergunning ...'. Bij toepassing van de hierboven aangehaalde wetsbepalingen hebben de echtgenoten Rudy VAN LABEKE-Benedicte DE VOS, bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing van de Vlaamse Regering binnen de 75 dagen na afgifte bij De Post van de aangetekende zending die hun beroep bevatte X-8533-3/7 (4.6.1998), bij aangetekende brief van 26.8.1998 de zaak aan de Vlaamse Regering gerappeleerd. Met ingang van 26.8.1998 begon derhalve de 'nieuwe termijn van 30 dagen' te lopen, waarover de Vlaamse Regering nog beschikte om aan de echtgenoten Rudy VAN LABEKE-Benedicte DE VOS kennisgeving te doen van haar beslissing. Die nieuwe termijn verstreek op 24.9.1998, zodat de kennisgeving bij aangetekende brief van 29.9.1998 van de terzake bestreden beslissing van 25.9.1998 zich in ieder geval buiten die termijn situeert. In de gegeven omstandigheden hebben de echtgenoten Rudy VAN LABEKE-Benedicte DE VOS met ingang van 25.9.1998 de beoogde verkavelingsvergunning verworven. Het behoort dan ook de terzake bestreden beslissing van 25.9.1998 nietig te verklaren. Aan wat voorafgaat kan geen afbreuk doen, de omstandigheid dat de hierboven bedoelde aangetekende rappelbrief van 26.8.1998 niet voldoet aan de bepalingen van het besluit van 9 november 1994 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de vormvoorschriften na te leven door de aanvrager van een bouw- of verkavelingsvergunning bij de verzending van de rappelbrief bedoeld in artikel 55, § 2, 4e lid, van de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stede(n)bouw. Want het is nu eenmaal zo dat de gezegde bepalingen in het onderhavige geval helemaal geen uitwerking kunnen hebben. (...)"; Overwegende dat de verwerende partij repliceert als volgt : "(...)
- Evenwel voldoet de aangetekende rappelbrief dd. 26.08.1998 niet aan de voorwaarden gesteld in het besluit van 9 november 1994 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de vormvoorschriften na te leven door de aanvrager van een bouw - of verkavelingsvergunning bij de verzending van de rappelbrief bedoeld in artikel 55, par. 2, lid 4, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (B. S., 26 januari 1995 ). (...) Uit het administratief dossier blijkt dat de rappelbrief dd. 26.08.1998 niet voldeed aan de vereisten van een geldige rappelbrief. Verzoekers werden hiervan in kennis gesteld bij aangetekende brief met ontvangstmelding dd. 26.08.
- (...)"; Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet ; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie de Raad van State verzoekt om aan het Arbitragehof een aantal prejudiciële vragen te stellen ; X-8533-4/7 Overwegende dat de verwerende partij in de mogelijkheid was om in limine litis de Raad van State te verzoeken de door haar in de laatste memorie gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Arbitragehof voor te leggen; dat de gesuggereerde vragen de openbare orde niet raken; dat het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag, die niet de openbare orde raakt, om proceseconomische redenen en omwille van de vereiste van de wapengelijkheid van de procespartijen, in limine litis moet worden geformuleerd, of minstens in het eerste processtuk waarin de bedoelde partij dit vermocht te doen; dat het verzoek tot het stellen van de voor het eerst in de laatste memorie geformuleerde prejudiciële vragen aan het Arbitragehof om deze redenen onontvankelijk is; Overwegende dat artikel 53, § 2, vierde en vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 bepaalt wat volgt : "Van de beslissing van de Vlaamse regering wordt aan de partijen kennis gegeven binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. Bij gebreke kan de aanvrager de zaak bij aangetekende brief aan de Vlaamse regering rappelleren. Heeft de aanvrager geen beslissing ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven, dan mag hij zonder verdere formaliteiten overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de aanwijzingen van het dossier dat hij heeft ingediend, naar de decreten en verordeningen, met name naar de voorschriften van de goedgekeur- de plannen van aanleg, alsmede naar de bepalingen van de verkavelingsvergun- ning; is het beroep door het college of de gemachtigde ambtenaar ingesteld, dan mag de aanvrager overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de beslissing van de bestendige deputatie."; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het beroep van verzoekers tegen het besluit van 7 mei 1998 van de bestendige deputatie houdende verwerping van hun beroep werd ingesteld met een ter post aangetekende brief van 4 juni 1998; dat de bevoegde Vlaamse minister niet heeft beslist binnen de door voormeld artikel 53, § 2, vierde lid, bepaalde termijn van 75 dagen; dat verzoekers de zaak met een ter post aangetekende brief van 27 augustus 1998 aan de minister hebben gerappelleerd; dat de Vlaamse minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij het thans bestreden besluit van 25 september 1998 over het beroep van verzoekers uitspraak heeft gedaan; dat dit besluit met een ter post aangetekende brief verzonden op 29 september 1998 aan X-8533-5/7 verzoekers ter kennis werd gebracht; dat zij de brief op 1 oktober 1998 hebben ontvangen, dit is meer dan 30 dagen na de afgifte ter post van hun rappelbrief van 27 augustus 1998; Overwegende dat verzoekers met een op 8 september 1998 ter post aangetekend verzonden brief de zaak opnieuw aan de minister hebben gerappelleerd ingevolge de mededeling bij brief van 28 augustus 1998 van het Hoofdbestuur van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen dat voormelde brief van 27 augustus 1998 niet als een geldige rappelbrief in aanmerking kon worden genomen vermits deze niet voldeed aan de voorschriften bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994 tot vaststelling van de vormvoorschriften na te leven door de aanvrager van een bouw- of verkavelingsvergunning bij de verzending van de rappelbrief bedoeld in artikel 55, § 2, vierde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; dat inmiddels evenwel voormeld besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994 evenals het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot wijziging van dit besluit bij arrest nr. 86.003 van 15 maart 2000 werd vernietigd; dat dit besluit aldus moet worden geacht ab initio uit de rechtsorde te zijn verdwenen; dat niet blijkt, en verwerende partij ook niet beweert, dat verzoekers afstand hebben gedaan van hun rappelbrief van 27 augustus 1998; dat evenmin blijkt en de verwerende partij ook niet beweert dat dit geen geldige rappelbrief is in de zin van artikel 53, § 2, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bevoegde minister niet heeft beslist binnen de in meergenoemd artikel 53, § 2, tweede lid, bedoelde termijn van dertig dagen; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 25 september 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende verwerping van het beroep tegen het besluit van 7 mei 1998 van de X-8533-6/7 bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan Rudy VAN LABEKE en Benedicte DE VOS de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van gronden gelegen aan de Geraardsbergsesteenweg en de Kalverhagestraat te Melle (Grontrode), kadastraal bekend Sectie A, nrs. 339e en 340a. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8533-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.871 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.617 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.