id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.924 Rolnummer: A. 132384/XIV-13656 Zaak: Arrest 143924 - - 29/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 12:32 Fiche Arrest nr 143.924 van 29 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.924 van 29 april 2005 in de zaak A. 132.384/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. MOENS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Prinsenlaan 2 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 3 september 1966 en van XXX nationaliteit, op 15 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 18 december 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; XIV-13.656-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. DESOMER, die loco Advocaat S. MOENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 26 augustus 2002 en verklaart zich vluchteling op 26 augustus
- 1.
- Op 7 november 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 16 december 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een XXX staatsburger van gemengde A./XXX origine en bent u gehuwd met Z. (OV 5.255.513). Toen u op 31 december 1993 oudejaar vierde bij uw ouders in G., kwam uw neef A. langs en vroeg u om mee te strijden aan A. zijde, tegen de XXX. U weigerde, waarop A. ermee dreigde dat u hiervan spijt zou krijgen. Ongeveer een kwartier nadat A. weggegaan was, vielen vier gewapende A. binnen en zij sloegen u, uw zwangere vrouw en uw moeder, L. Alvorens door te gaan, dreigden zij er ook nog mee dat u spijt zou krijgen van uw weigering mee te vechten met de A. U diende hiervoor geen klacht in, maar keerde onmiddellijk terug naar u thuis in T. Uw vrouw diende een tijd lang opgenomen te worden in het ziekenhuis. Eind november 1994 vielen drie gewapende mannen binnen bij u in T., ze sloegen u en duwden uw vrouw weg, die in haar val de wieg van uw zoon Z. omstootte zodat Z. ook op de grond viel. Voor ze weg gingen, namen die mannen van alles mee uit uw huis en dreigden er nogmaals mee dat ze u zouden vermoorden als u niet mee zou vechten met de A. De volgende dag ging u naar de politie om hiervoor een klacht in te dienen. Toen u één maand later XIV-13.656-2/6 navraag ging doen bij de politie, meldde u dat ze met het onderzoek bezig waren, maar nog geen informatie hadden. In de daaropvolgende jaren kreeg u van uw vader, M., en van enkele kennissen van u soms boodschappen dat u nog bedreigd werd door A. Op 7 juli 1999 werd u ontvoerd door 2 onbekenden die u een politiebadge toonden. Tot 25 augustus 1999 hielden zij u vast, terwijl ze u sloegen en uitscholden omdat u niet mee vocht met de A. Nadat uw familie via bemiddeling van D. 25.000 US dollar had betaald, werd u vrijgelaten. U diende hiervoor geen klacht in, maar verhuisde met uw gezin naar A. In dat dorp werden u, uw vrouw en kinderen op 24 of 25 juli 2002 bij u thuis geslagen door A. en een vriend van hem. Uw vrouw schreeuwde om hulp, waarop A. en zijn vriend weg liepen onder het uiten van het dreigement dat ze uw keel zouden oversnijden als u zich niet binnen de maand zou aansluiten bij de A. guerrillastrijders. U diende hiervoor geen klacht in. Op 19 augustus 2002 verliet u samen met uw vrouw en uw twee kinderen, T. en Z., XXX om op 26 augustus 2002 in België aan te komen, waar u op dezelfde dag asiel aanvroeg. Er dient vooreerst te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde problemen tot staving van uw asielaanvraag (geslagen 31/12/1993, geslagen november 1994, ontvoerd 7/7/1999, geslagen 24 of 25/7/2002) gemeenrechtelijk van aard zijn. U kende immers problemen met familie van u van A. afkomst, meerbepaald uw neef A., en zijn entourage omdat deze van u eisten dat u met hen ging vechten (zie verhoorverslag CGVS, p. 5-6, 10-11 en 13). Daarnaast dient te worden vastgesteld dat uit uw verklaringen niet blijkt dat u omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie problemen kende met de XXX autoriteiten en kan u het bijgevolg niet aannemelijk maken dat u omwille van één van de redenen vermeld in de Vluchtelingenconventie niet zou kunnen rekenen op de bescherming van de (hogere) XXX overheden tegen de A. guerrilastrijders. Enkel voor de aanval in november 1994 hebt u immers een klacht ingediend bij de lokale politie, die u volgens uw verklaringen meedeelde dat ze een onderzoek voerde, maar nog geen concrete informatie had (zie verhoorverslag CGVS, p. 9-10). Omtrent deze klacht dient voorts te worden opgemerkt dat u nagelaten heeft verder navraag te doen naar het verloop van het onderzoek en dat u hiervoor ook nergens elders klacht heeft proberen indienen (zie verhoorverslag CGVS , p. 9). Voor geen enkele van uw andere problemen heeft u ooit klacht ingediend (zie verhoorverslag CGVS, p. 7, 12 en 14), zodat gesteld kan worden dat u onvoldoende pogingen ondernomen hebt ter verkrijging van de bescherming van de autoriteiten in uw land van herkomst. Temeer daar u zelf stelt dat, als u een klacht had ingediend tegen A., deze zou gearresteerd worden als de politie hem zou kunnen vinden op XXX grondgebied (zie verhoorverslag CGVS, p. 14). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Volledigheidshalve dient nog te worden opgemerkt dat ook in hoofde van uw vrouw een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen. (...).”.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van het Protocol betreffende de Status van Vluchteling- en, opgemaakt te New York op 31 januari 1967, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het beginsel van de redelijke termijn en van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat verzoeker betreffende de schending van de Vluchtelingenconventie en van het Protocol van New York uiteenzet dat uit zijn asielrelaas blijkt dat er in zijn hoofde een gegronde vrees voor vervolging is wegens zijn gemengde origine en zijn gemengd huwelijk en dat de autoriteiten hem niet de nodige bescherming kunnen bieden, en dat gelet op de specifieke situatie in XXX en A., de problemen met zijn neef, die een belangrijke figuur is in de lokale rebellenbeweging, niet louter familiaal XIV-13.656-3/6 zijn; dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal is voorbij gegaan aan de huidige politieke toestand in de regio; dat verzoeker betreffende de schending van het rechtszekerheids- , het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel uiteenzet dat hij met zijn gezin sinds augustus 2002 in België verblijft, dat hij een gehandicapte zoon heeft, dat het gezin goed is geïntegreerd en dat ze Nederlands leren, dat verzoeker en zijn echtgenote gestudeerd hebben in hun thuisland maar dat de gelijkschakeling van diploma’s een barrière vormt; dat verzoeker betreffende het beginsel van de redelijke termijn uiteenzet dat “een administratieve beslissing binnen een redelijke termijn dient te worden genomen en worden tenuitvoergelegd”; Overwegende dat verzoeker de schending van de Vreemdelingenwet, de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en de schending van artikel 6 van het E.V.R.M. niet uiteenzet; dat deze onderdelen van het middel niet ontvankelijk zijn; Overwegende dat, wat de schending betreft van de Vluchtelingenconventie en van het protocol van New York, de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris- generaal in casu tot deze conclusie is gekomen op grond van volgende overwegingen: - de door verzoeker aangehaalde problemen zijn gemeenrechtelijk van aard: verzoeker kende problemen met zijn familie van A. afkomst, meer bepaald zijn neef A., en zijn entourage, omdat deze van verzoeker eisten dat hij met hen zou vechten; - uit de verklaringen van verzoeker blijkt niet dat hij omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie problemen kende met de XXX autoriteiten, verzoeker maakt bijgevolg niet aannemelijk dat hij omwille van één van de redenen vermeld in de Vluchtelingenconventie niet zou kunnen rekenen op de bescherming van de (hogere) XXX overheden tegen de A. guerrillastrijders. Enkel voor de aanval in november 1994 heeft verzoeker immers klacht ingediend bij de lokale politie, die meedeelde dat ze een onderzoek voerde maar nog geen concrete informatie had. Verzoeker heeft nagelaten verder navraag te doen naar het verloop van het onderzoek over deze klacht, en hij heeft hiervoor nergens anders klacht ingediend. Verzoeker heeft onvoldoende pogingen ondernomen ter verkrijging van de bescherming van de autoriteiten in zijn land van herkomst, temeer omdat verzoeker zelf stelt dat, zo hij een XIV-13.656-4/6 klacht had ingediend tegen A., deze zou zijn gearresteerd mocht de politie hem kunnen vinden op XXX grondgebied; - gelet op bovenstaande vaststellingen kan niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; - ook in hoofde van de echtgenote van verzoeker werd een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen; Overwegende dat verzoeker zich in het middel grotendeels beperkt tot het herhalen van zijn asielrelaas, zonder dat hij een poging onderneemt om de vaststellingen van de Commissaris-generaal met concrete gegevens te weerleggen; dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven, die steun vinden in het administratief dossier en die door verzoeker niet worden ontkracht; dat de Commissaris-generaal in redelijkheid kon besluiten tot het kennelijk ongegrond karakter van verzoekers asielaanvraag; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat, met betrekking tot de ingeroepen schending van het rechtszekerheids-, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, verzoeker verwijst naar de integratiepogingen van het hele gezin en naar het feit dat hij een gehandicapt kind heeft; dat deze elementen geen verband houden met de asielprocedure en bijgevolg geen afbreuk kunnen doen aan de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van verblijf; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat, met betrekking tot de ingeroepen schending van het beginsel van de redelijke termijn, uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker zich op 26 augustus 2002 vluchteling heeft verklaard en dat de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal werd genomen op 16 december 2002; dat de asielprocedure van verzoeker bijgevolg volledig werd afgehandeld binnen een termijn van nog geen vier maanden; dat deze zeer korte termijn in geen geval kan worden beschouwd als een termijn die een schending zou inhouden van het beginsel van de redelijke termijn; dat de Belgische asielinstanties te maken hebben met een grote toevloed van asielzoekers en dat zij iedere aanvraag afzonderlijk en individueel onderzoeken; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat het enig middel, in zover het ontvankelijk is, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de XIV-13.656-5/6 vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-13.656-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.