← België

Arrest 143926 - - 29/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.926 Rolnummer: A. 115087/XIV-7929 Zaak: Arrest 143926 - - 29/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 12:33 Fiche Arrest nr 143.926 van 29 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.926 van 29 april 2005 in de zaak A. 115.087/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaten L. KOOLS en M. DE RAEDEMAEKER, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Van Benedenlaan 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 juni 1970 en van XXX nationaliteit, op 28 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 november 2001 tot uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 december 2001 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 17 december 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 29 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-7929-1/7 Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DE RAEDEMAEKER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  4. Op 26 maart 2001 stelt het Onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie een nota op. 1.
  5. Op 28 november 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot uitsluiting van verzoeker van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet). Dit is de eerste bestreden beslissing: “(...) Gelet (op) de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 28 januari 2000, door XXX, geboren op 1 juni 1970 te T., van XXX nationaliteit; Overwegende dat voor deze aanvraag criterium

(4)werd aangevoerd; Overwegende dat betrokkene wegens diefstal met geweld of bedreiging, bij herhaling, diefstal of poging tot diefstal door middel van braak, inklimming of valse sleutels, bij herhaling, door de Correctionele Rechtbank van Mechelen op 13 februari 1989 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren met uitstel van 3 jaren behalve de voorhechte- nis van 10.12.1988 tot 06.01.1989; XIV-7929-2/7 Overwegende dat hij wegens diefstal, met geweld of bedreiging door middel van braak, inklimming of valse sleutels, bij nacht, bij herhaling op 16 juni 1993 door de Correctionele Rechtbank van Mechelen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren; Overwegende dat hij wegens diefstal, door middel van braak, inklimming of valse sleutels, meerdere keren, op 23 september 1993 door de Correctionele Rechtbank van Mechelen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar; Overwegende dat hij wegens diefstal en poging tot diefstal, door middel van braak, inklimming of valse sleutels, op 26 oktober 1993 door het Hof van Beroep van Brussel, op beroep bij de Correctionele Rechtbank van Leuven op 02.03.1993 en op verzet van 28.04.1992 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden en wegens opzettelijke slagen en verwondingen tot een gevangenisstraf van 3 maanden; Overwegende dat hij wegens het dragen van verboden wapen(s) op 13 mei 1996, verzet ongedaan verklaard bij vonnis van 10.07.1996, (werd hij) bij verstek, (werd) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand; Overwegende dat hij wegens smaad tegen een ministerieel ambtenaar op 5 juni 2000, op verzet van 02.02.1998, door de Correctionele Rechtbank van Mechelen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 dagen en wegens vernieling van afsluiting, verplaatsing of verwijdering van grenspalen en hoekbomen tot een gevangenisstraf van 1 maand; Overwegende dat hij wegens vernieling of beschadiging van roerende eigendommen met behulp van geweld of bedreiging, gepleegd in vereniging of in bende op 12 juli 2000 door de Correctionele Rechtbank van Mechelen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren; Overwegende dat het hier gaat om een persoon die (be)strafbaar gedrag als zeer normaal beschouwd (beschouwt); Overwegende dat dit wordt aangetoond door een veroordeling tot een effectieve gevangenisstraf die hij opliep in XXX; dat het hier ging om een gevangenisstraf van bijna drie jaar; Overwegende dat dit alles duidelijk maakt dat belanghebbende ook naar de toekomst toe een ernstig gevaar blijft voor de openbare orde; Overwegende dar hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; BESLIST: - XXX, geboren op 1 juni 1970 te T., is uitgesloten van de toerpassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (e)en zal kunnen verwijderd worden uit het Rijk. (...).”. 1.
  1. Op 17 december 2001 wordt aan verzoeker het bevel ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing. 2.
  2. Betreffende het beroep tegen de beslissing tot uitsluiting van de toepassing van de Regularisatiewet: 2.1.
  3. Overwegende dat verzoeker in een derde middel (het eerste middel gericht tegen de eerste bestreden beslissing) de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoeker aanvoert dat een afdoende motivering impliceert dat er een belangenafweging wordt gemaakt van alle in het dossier aanwezige elementen; dat verzoeker aanvoert dat geen rekening werd gehouden met het feit dat hij sinds de leeftijd van vier jaar in België heeft gewoond, samen met zijn ouders, broer en zusters, en dat hij in België naar school is gegaan en hier heeft gewerkt; dat verzoeker uiteenzet dat hij nog beschikt over een verblijfskaart geldig tot 1 juni 2002 en een paspoort geldig tot 29 juli 2002; dat verzoeker betoogt dat de Minister enkel het strafrechtelijk verleden van verzoeker in aanmerking heeft genomen; dat verzoeker daaraan toevoegt dat de Minister geen rekening heeft gehouden met het feit dat verzoeker geen XIV-7929-3/7 strafrechtelijke feiten meer heeft begaan sedert zijn vrijlating uit de gevangenis in december 2000; dat verzoeker besluit dat hij tot inzicht is gekomen door de prangende situatie waarin hij zich bevindt en dat er rekening had moeten worden gehouden met de humanitaire situatie; 2.1.
  4. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de eerste bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; Overwegende dat, wat de door verzoeker aangevoerde belangenafweging betreft, wordt gewezen op de tekst van artikel 5 van de Regularisatiewet, die bepaalt dat “de in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, (...) van de toepassing van deze wet (zijn) uitgesloten”; dat hieruit volgt dat de Minister enkel dient na te gaan of de aanvrager een gevaar betekent voor de openbare orde of nationale veiligheid en dat geen wettelijke verplichting is opgelegd tot enige belangenafweging; Overwegende dat uit de eerste bestreden beslissing blijkt waarom de Minister van Binnenlandse Zaken heeft geoordeeld dat verzoeker een gevaar betekent voor de openbare orde; dat wordt verwezen naar de meerdere strafrechtelijke veroordelingen die verzoeker heeft opgelopen in België, en dat hieraan wordt toegevoegd dat verzoeker een persoon is die strafbaar gedrag als zeer normaal beschouwt; dat er tevens wordt verwezen naar de strafrechtelijke veroordeling die verzoeker in XXX heeft opgelopen, met name een effectieve gevangenisstraf van drie jaar; dat de Minister hieraan toevoegt dat “dit alles duidelijk maakt dat de belanghebbende ook naar de toekomst toe een ernstig gevaar blijft voor de openbare orde”; dat de Minister tot deze conclusie komt op basis van één veroordeling in 1989, drie veroordelingen in 1993, één veroordeling in 1996 en twee veroordelingen in 2000; dat de eerste bestreden beslissing derhalve steunt op afdoende, pertinente, deugdelijke en terzake dienende motieven; Overwegende dat de Regularisatiewet niet bepaalt dat de Minister, alvorens een beslissing tot uitsluiting te nemen, verplicht is te onderzoeken of de aanvrager in aanmerking komt voor de regularisatie op basis van één van de door hem ingeroepen criteria of dat hij dient te motiveren waarom de aangehaalde redenen, in casu zijn langdurig verblijf in België en het feit dat zijn familie zich hier bevindt, niet worden onderzocht; Overwegende dat het derde middel ongegrond is; XIV-7929-4/7 2.1.
  5. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel (het tweede middel gericht tegen de eerste bestreden beslissing) de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat verzoeker aanvoert dat ondanks zijn strafrechtelijk verleden al zijn belangen “onmiskenbaar in België gelegen zijn en (dat) in het bijzonder zijn ouders, broer en zussen, van wie verzoeker afhankelijk is voor kost en inwoon, voor materiële en immateriële steun en begeleiding, in België wonen met geldige verblijfsdocumenten voor onbepaalde duur”; dat verzoeker stelt dat de eerste bestreden beslissing artikel 8 van het E.V.R.M. schendt omdat zij een inmenging inhoudt in het familieleven van verzoeker; 2.1.
  6. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, uit de bepaling van artikel 5 van de Regularisatiewet volgt dat de Minister enkel dient na te gaan of de aanvrager een gevaar betekent voor de openbare orde; dat uit deze bepaling in casu niet kan worden afgeleid dat hij enige afweging, onder meer ten opzichte van het gezinsleven van de aanvrager, dient te maken; dat verzoeker, die thans bijna vijfendertig jaar is, niet meer afhankelijk is van het gezin in België voor materiële en immateriële steun en begeleiding; dat het vierde middel ongegrond is; 2.
  7. Betreffende het beroep tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten: 2.2.
  8. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de artikelen 6, 7 en 19 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoeker aanvoert dat in het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten wordt vermeld dat verzoeker langer in het Rijk verblijft dan de vastgestelde termijn of het bewijs niet kan leveren dat deze termijn niet werd overschreden, terwijl verzoeker over een verblijfstitel beschikt die geldig is tot 1 juni 2002; dat verzoeker aanvoert dat hij van 22 april 1998 tot 20 januari 2000 onder dwang in Marokko verbleef, en dat zich nu een probleem stelt betreffende de machtiging tot terugkeer; 2.2.
  9. Overwegende dat uit de bijlagen bij het verzoekschrift blijkt dat verzoeker op het ogenblik van het bestreden bevel in het bezit was van een identiteitskaart voor vreemdelingen uitgereikt op 14 april 1998 en geldig tot 1 juni 2002; dat evenwel uit de samenlezing van artikel 19 van de Vreemdelingenwet met artikel 35, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, blijkt dat een verblijfs- of vestigingsver- gunning ongeldig wordt van zodra de houder ervan langer dan twaalf maanden buiten het Rijk XIV-7929-5/7 verblijft, tenzij hij aan de verplichtingen heeft voldaan van artikel 39 van voornoemd koninklijk besluit; Overwegende dat verzoeker niet betwist dat hij zich van 22 april 1998 tot 20 januari 2000, zijnde meer dan anderhalf jaar, buiten het Rijk bevond; dat verzoeker niet aanvoert dat hij zou voldaan hebben aan de voorwaarden van artikel 39 van voornoemd koninklijk besluit van 8 oktober 1981, met name het naleven van bepaalde voorschriften om van het recht op terugkeer te kunnen genieten; dat bijgevolg de verblijfstitel van verzoeker niet meer geldig was op het ogenblik van het bestreden bevel; Overwegende dat het door verzoeker ingeroepen artikel 19, alinea 3, van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling wiens afwezigheid uit het Rijk langer dan één jaar duurt, in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit, kan worden gemachtigd tot terugkeer in het Rijk; dat het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 houdende vaststelling van de gevallen waarin en van de voorwaarden waaronder een vreemdeling, wiens afwezigheid uit het Rijk langer dan één jaar duurt, kan gemachtigd worden er terug te keren, deze voorwaarden vermeldt; dat alleszins een machtiging moet worden aangevraagd; dat verzoeker geen melding maakt van zulke aanvraag; dat uit de gegevens van het administratief dossier evenmin blijkt dat verzoeker zulke aanvraag heeft ingediend; dat de Minister enkel uitspraak kon doen over de aanvraag waardoor hij gevat was, met name de aanvraag om regularisatie op basis van de Regularisatiewet; Overwegende dat bijgevolg het bestreden bevel op goede gronden verwijst naar artikel 7, alinea 1, 2/ van de Vreemdelingenwet, met name doelt op het feit dat verzoeker langer in het Rijk verblijft dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 van de Vreemdelingen- wet, of dat hij het bewijs niet kan leveren dat deze termijn niet werd overschreden, en naar de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot uitsluiting van verzoeker van de toepassing van de Regularisatiewet; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  10. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de motiveringsplicht, omdat de onderliggende beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken waarop het bestreden bevel steunt, een beslissing is die als enige reden het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid vermeldt, zodat het bevel melding had moeten maken van artikel 7, alinea 1, 3/ van de Vreemdelin-genwet en niet van artikel 7, alinea 1, 2/ van dezelfde wet; 2.2.
  11. Overwegende dat uit de analyse van het eerste middel is gebleken dat het bevel terecht melding maakt van artikel 7, alinea 1, 2/ van de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-7929-6/7
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-7929-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.926 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.