← België

Arrest 143927 - - 29/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.927 Rolnummer: A. 105943/XIV-4996 Zaak: Arrest 143927 - - 29/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 12:33 Fiche Arrest nr 143.927 van 29 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.927 van 29 april 2005 in de zaak A.105.943/XIV-4996. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat E. VAN DE COTTE, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 september 1967, en XXX, geboren op 19 december 1963, beiden van Oekraïense nationaliteit, op 13 juni 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van respectievelijk 21 mei 2001 en 18 mei 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van respectievelijk 7 november 2000 en 8 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op respectievelijk 21 mei 2001 en 18 mei 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 18 juli 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; XIV-4996-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. M. TEYMOURI, die loco Advocaat E. VAN DE COTTE verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partijen komen België binnen op 13 juli 2000 en verklaren zich vluchteling op 14 juli 2000. 1.2. Op 7 november 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van de eerste verzoekende partij een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 8 november 2000 neemt hij ten aanzien van de tweede verzoekende partij een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 21 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelin- gen en de staatlozen de beslissing tot weigering van verblijf van de eerste verzoekende partij. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 25 april 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Van de Lotte (Cotte) Elke. XIV-4996-2/9 Betrokkene, een Oekraïns (Oekraïens) staatsburger van Russische origine, verliet op 9 juli 2000 zijn land, samen met zijn vriendin XXX (o.v.4978486) en haar minderjarige zoon en kwam op 13 juli 2000 in België aan. Op 14 juli 2000 vroeg betrokkene het statuut van vluchteling aan bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van zijn Oekraïns (Oekraïens) paspoort. Betrokkene zou van 1991 tot 1998 bij de onderneming "Yuk", vlees- en zuivelfabriek, in Odessa hebben gewekt. De algemeen directeur van de onderneming zou tevens het hoofd zijn geweest van de Zwarte Zeescheepvaart, een staatsonderneming. Betrokkene zou op de hoogte zijn geweest van de illegale praktijken die de onderneming er op na hield. Negen maanden na zijn aanstelling als directeur, in september 1997, zou men aan betrokkene hebben voorgesteld om illegaal te kopen, produceren en te verkopen. Betrokkene zou bedenktijd hebben gevraagd maar toen hij na drie maanden een beslissing moest nemen zou hij naar het Openbaar Ministerie zijn gestapt en alles hebben verteld over de illegale praktijken in de onderneming Yuk. Betrokkene beweert geen hulp te hebben ontvangen, ze zouden alleen de informatie aan de bevoegde instanties hebben doorgegeven. Tussen 1 en 5 oktober 1998 zou betrokkene op het werk zijn aangevallen door vier mannen van de Russische maffia. De daders zouden ’s nachts het bedrijf zijn binnengedrongen en zouden, volgens betrokkene, zijn gestuurd geweest door de mensen van de staatsinstelling. Ze zouden de bewakers hebben geslagen en vastgebonden. Betrokkene zou zijn geslagen en zou meerdere keren het bewustzijn hebben verloren. De daders eisten van betrokkene de code van de kluis en de sleutels van de bedrijfswagens. Betrokkene beweert dat het de bedoeling was dat de aanslag op hem op een roofaanval leek maar in wezen zou het een intimidatiepoging zijn geweest aan het adres van betrokkene. Twee van de daders zouden er met de bedrijf(s)wagens vandoor zijn gegaan, de twee andere zouden betrokkene hebben gevraagd naar de code van de kluis en hem hebben geslagen. Eén van hen zou drie schoten hebben afgevuurd. Nadien zouden ze iemand de kamer hebben binnengesleept en zijn vertrokken. Nadien zou betrokkene naar de politie, de directie en het hoofd van de veiligheids- dienst hebben gebeld. Er zou een verklaring van betrokkene zijn afgenomen en er zou een onderzoek zijn gestart, nadien zouden ze betrokkene naar het ziekenhuis hebben gebracht. Tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis zou betrokkene het bezoek hebben gekregen van mensen van de veiligheidsdienst. Betrokkene zou uit de gesprekken hebben kunnen opmaken dat hij als een verdachte werd beschouwd. Na vier dagen zou betrokkene op eigen verantwoordelijkheid het ziekenhuis hebben verlaten en zou hij zelf naar de onderneming zijn gegaan om te kijken hoe de zaken er precies voorstonden. Het hoofd van de veiligheidsdienst, Tretjakov, zou aan betrokkene hebben gezegd dat hij zijn klacht moest intrekken of dat hij anders zou vermoord worden. Betrokkene zou er nu zeker van zijn geweest dat alles was georganiseerd door zijn baas. Betrokkene zou geweten hebben dat hij niets kon ondernemen en zou één jaar verlof hebben gevraagd om te herstellen. De onderneming zou dit hebben toegestaan maar betrokkene zou uiteindelijk ontslag hebben genomen en naar Cherson zijn vertrokken. In Cherson zou hij zijn vriendin XXX (o.v. 4.978.486) hebben leren kennen. In 2000 zouden mensen, gestuurd door de staatsonderneming (Zwarte Zeescheepvaart) in Odessa, betrokkene zijn komen opsporen in Cherson. Ze zouden er niet zijn in geslaagd om betrokkene te vinden maar zouden tot tweemaal toe betrokkenes vriendin hebben aangepakt. In januari 2000 zouden de mannen, die zich kenbaar hadden gemaakt aan de hand van identiteitskaarten van de veiligheidsdienst van de onderneming uit Odessa, bij XXX thuis zijn geweest omdat ze op zoek waren naar betrokkene. Toen XXX de politie wilde bellen zou er een conflict zijn ontstaan en zou XXX het raam aan de straatkant hebben stuk gegooid om de aandacht van de mensen op straat te trekken. De mannen zouden zijn weggegaan. Betrokkenes vriendin zou het incident bij de politie hebben gemeld. Betrokkene zou naar de onderneming hebben gebeld om te vragen de zaak op te helderen, men zou het onderzoeken binnen de onderneming. Op 7 juni 2000 zouden ze geprobeerd hebben om XXX aan te vallen. Betrokkenes vriendin zou zijn kunnen ontkomen maar zou gewond zijn geweest aan de schouder. Na het tweede incident zou betrokkene haar hebben afgeraden naar de politie te gaan omdat het toch geen zin zou hebben gehad. Betrokkene verklaart ook dat zowel hij als XXX thuis telefoons zouden hebben ontvangen waarin niets werd gezegd. Toen betrokkene was te weten gekomen dat er een derde aanval zou volgen beslisten ze het land te verlaten. Betrokkene zou zijn vriendin naar haar vader hebben gebracht en zou (hij)zelf ondergedoken hebben geleefd. Betrokkene heeft vanuit België nog regelmatig contact met zijn moeder en dochter in Oekraïne. Die zouden hem hebben gezegd dat ze nog steeds naar hem op zoek waren. Er dient te worden opgemerkt dat de door betrokken(

  1. e)ingeroepen feiten van private en gemeenrechtelijke aard zijn zonder dat ze enige connotatie hebben met één van de criteria van de Conventie van Genève, namelijk ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging. Betrokkene verliet immers zijn land omdat hij problemen kende op zijn werk. Betrokkene was op de hoogte (was) van de illegale praktijken binnen de onderneming waarin hij tewerkgesteld was. Hierdoor zou hij en later ook zijn vriendin, XXX, problemen hebben gekregen met leden van de maffia waaronder zijn ex-werkgever (mishande- ling) en zou hij geïntimideerd zijn geweest om zijn klacht, ingediend bij het Openbaar Ministerie, terug in te trekken. Ook de aanvallen op zijn vriendin in Cherson en de anonieme telefoons dienen binnen dit kader gesitueerd te worden. Er werd immers verwezen naar betrokkene. Het gaat hier om een interpersoonlijk convlict (conflict) tussen betrokkene en zijn XIV-4996-3/9 ex-werkgever (maffia) voortvloeiend uit het feit dat betrokkene op de hoogte was van illegale praktijken binnen de onderneming en hij deze misbruiken aan het licht wilde brengen. Bijgevolg valt ze onder toepassing van het gemeenrecht en niet onder toezicht van de Vluchtelingencon- ventie. Bovendien blijkt nergens uit betrokkenes verklaringen (blijkt) dat hij omwille van één van de hierboven genoemde criteria niet op de bescherming van de (hogere) Oekraïnse (Oekraïense) autoriteiten zou hebben kunnen rekenen. De documenten (oproep min. binnenlandse zaken, oproep tot leveren van bewijsstukken, accijnszegel, vrachtbrief, Oekraïns (Oekraïens) paspoort, geboortebewijs, legerkaart, studentenkaart, diploma's, attest beëindigen huwelijk, arbeidsboekje) die betrokkene voorlegt ter ondersteuning van zijn asielrelaas kunnen deze conclusie niet wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 7 november 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandig- heden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 1.4. Op 18 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelin- gen en de staatlozen de beslissing tot weigering van verblijf van de tweede verzoekende partij. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 25 april 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Van de Lotte (Cotte). Betrokkene, een Oekraïns (Oekraïens) staatsburger van Russische origine, verliet op 9 juli 2000 samen met haar minderjarige zoon en haar vriend, XXX (o.v. 4978485) haar land en kwam op 13 juli 2000 in België aan. Op 14 juli 2000 vroeg betrokkene het statuut van vluchteling aan bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van haar Oekraïns (Oekraïens) paspoort. In januari 2000 zou betrokkene thuis het bezoek hebben gekregen van twee mannen die op zoek waren naar haar vriend XXX. Ze zouden in het bezit geweest zijn van identificatiebewijzen van de veiligheidsdienst van de staatsinstelling die bevoegd was voor de scheepvaart op de Zwarte Zee. Betrokkenes vriend zou nog voor die instelling hebben gewerkt. Toen betrokkene de politie wou bellen zouden ze haar bij de arm hebben gegrepen, nadien zouden ze zijn weggegaan. Enkele dagen later zou betrokkene naar de politie zijn gegaan en men zou haar verzekerd hebben dat de zaak ging onderzocht worden. Tijdens de nacht van 6 op 7 juni 2000 zou betrokkene bij haar woning zijn aangevallen door een man met een knuppel. Betrokkene zou de slag deels hebben kunnen ontwijken maar zou wel gewond zijn geweest aan de schouder. Door het schreeuwen van betrokkene zou de dader zijn weggevlucht. De volgende dag zou betrokkene een gesprek hebben gehad met haar vriend die haar vertelde dat de onderneming hem terug wou omdat hij op de hoogte was van de illegale praktijken en omdat ze die praktijken wensten verder te zetten. Betrokkene zou thuis ook telefoons hebben gekregen waarin mannenstemmen haar vroegen of haar vriend al een beslissing had genomen. Ook na het tweede incident zou betrokkene naar de politie zijn gegaan maar de bevoegde persoon was afwezig. Bovendien zouden er ook geen getuigen zijn geweest waardoor de klacht over de aanslag werd geklasseerd. Na (
  2. de)het tweede incident zouden ze beslist hebben om het land te verlaten. In afwachting van haar vertrek zou betrokkene bij haar vader hebben gewoond. Betrokkenes moeder zou haar onlangs nog hebben gemeld dat ze nog steeds op zoek zijn naar betrokkene en haar vriend. Er dient te worden opgemerkt dat de door betrokken ingeroepen feiten van private en gemeenrechtelijke aard zijn zonder dat ze enige connotatie hebben met één van de criteria van de Conventie van Genève, namelijk ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging. Bijgevolg vallen ze buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Betrokkene kende problemen (toebrengen van slagen en verwonding- en, anonieme telefoons) met onbekenden die op zoek waren naar haar vriend, XXX. Nergens uit betrokkenes verklaringen blijkt dat zij omwille van één van de hierboven genoemde criteria XIV-4996-4/9 niet op de bescherming van de (hogere) Oekrainse (Oekraïense) autoriteiten zou hebben kunnen rekenen. Betrokkene heeft daarenboven de resultaten van het onderzoek dat werd ingesteld na het eerste incident niet afgewacht. De documenten (Oekraïns (Oekraïens) paspoort, geboortebe- wijs betrokkene en zoon, diploma's, medische attesten) die betrokkene voorlegt ter ondersteu- ning van haar asielrelaas kunnen deze conclusie niet wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 november 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandig- heden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoekers een eerste middel afleiden uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet) en van het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoeren dat de Commissaris-generaal een manifeste appreciatie- fout heeft begaan door hun asielaanvragen als “vreemd aan de criteria van de Conventie van Genève” te beschouwen; 2.1.1. Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel hebben de betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.1.2. Overwegende dat de Commissaris-generaal heeft geoordeeld dat de asielaanvragen van verzoekers kennelijk vreemd zijn aan de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat hij tot dat besluit komt omdat de door hen ingeroepen feiten van private en gemeenrechtelijke aard zijn, “zonder dat ze enige connotatie hebben met één van de criteria van de Conventie van Genève, namelijk ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging”; dat de Commissaris-generaal in de eerste bestreden beslissing toelicht dat het om een interpersoonlijk conflict gaat tussen verzoeker en zijn ex-werkgever (maffia), dat voortvloeit uit het feit dat verzoeker op de hoogte was van illegale praktijken binnen de onderneming en hij deze misbruiken aan het licht wilde brengen; dat hij in de tweede bestreden beslissing uiteenzet dat verzoekster XIV-4996-5/9 problemen kende met onbekenden, die op zoek waren naar haar vriend (in casu verzoeker); dat de Commissaris-generaal in beide bestreden beslissingen overweegt dat uit de verklaringen van verzoekers niet blijkt dat zij, omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie, geen beroep kunnen doen op de bescherming van de (hogere) Oekraïense autoriteiten; dat hij, wat verzoekster betreft, daaraan toevoegt dat zij bovendien het resultaat van het onderzoek naar aanleiding van het eerste incident niet heeft afgewacht; dat de Commissaris-generaal ten slotte in beide bestreden beslissingen overweegt dat de door verzoekers neergelegde documenten geen afbreuk doen aan zijn conclusies; Overwegende dat verzoekers in essentie aanvoeren dat de motivering van de bestreden beslissingen niet kan worden aangenomen; dat zij vooreerst aanvoeren dat zij hun asielrelazen op een gedetailleerde en omstandige wijze hebben uiteengezet, zonder tegenstrijdigheden; dat zij vervolgens betogen dat de overweging van de Commissaris- generaal, namelijk dat hun asielrelazen enkel feiten van gemeenrechtelijke aard bevatten, onjuist is, gezien hun verklaringen over de banden die de “Zwarte Zeescheepvaart”, de belangrijkste onderneming van Oekraïne, heeft met justitie en politiek, wat maakt dat zij in het land “nagenoeg alle touwtjes in handen heeft”; dat zij voornoemd argument trachten hard te maken aan de hand van feiten uit hun asielrelaas (de klacht bij de procureur waarvan de onderneming op de hoogte was, de aanval op verzoeker in de onderneming na zijn klacht bij het Openbaar Ministerie, het bezoek aan verzoekster door “veiligheidsagenten” van de onderneming, ...) en aan de hand van andere gegevens (het staatsbudget bestond voor tachtig procent uit opbrengsten van de onderneming); dat zij ten slotte aanvoeren dat verzoeker zich tot de hoogste autoriteit heeft gewend, namelijk het Openbaar Ministerie, en dat zij moeilijkheden hadden met vertegenwoordigers van de autoriteiten zelf, waardoor zij geen bescherming konden genieten; Overwegende dat verzoekers zich wezenlijk beperken tot een eigen interpretatie van de feiten, waarbij zij tot een ander besluit komen dan de Commissaris- generaal; dat dit evenwel niet van aard is om de onwettigheid van de bestreden beslissingen aan te tonen; dat verzoekers de nadruk leggen op de banden die de onderneming zou hebben met overheid en justitie, wat haar boven de wet zou plaatsen, maar niet verduidelijken op welke wijze dat gegeven het oordeel van de Commissaris-generaal over de gemeenrechtelijke aard van de feiten, ontkracht; dat de Commissaris-generaal de weigeringsbeslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken kon bevestigen; dat uit de uitgebreide weergave van de feiten in de bestreden beslissingen blijkt dat de Commissaris-generaal op de hoogte was van de asielmotieven, zoals aangebracht door verzoekers tijdens hun verhoren op het Commissariaat-generaal; dat de Commissaris-generaal evenwel na analyse van de feiten heeft geoordeeld dat die van private en gemeenrechtelijke aard zijn, en niet onder één van de criteria van de Vluchtelingenconventie ressorteren; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissingen nauwkeurig uitlegt waarom hij tot dat besluit komt: dat hij in de eerste bestreden beslissing ondermeer uiteenzet dat het om een interpersoonlijk conflict gaat tussen XIV-4996-6/9 verzoeker en zijn ex-werkgever (maffia), dat voortvloeit uit het feit dat verzoeker op de hoogte was van illegale praktijken binnen de onderneming en hij deze misbruiken aan het licht wou brengen; dat hij in de tweede bestreden beslissing overweegt dat verzoekster problemen kende met onbekenden, die op zoek waren naar haar vriend (in casu verzoeker); dat de argumentatie van verzoekers in de inleidende verzoekschriften voornoemde overwegingen niet ontkrachten; dat, wat verzoekers grief over de bescherming van de autoriteiten betreft, de Commissaris-generaal in de bestreden beslissingen overweegt dat verzoekers niet aannemelijk maken dat zij de bescherming van de autoriteiten niet kunnen inroepen en dit, omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekers niet aantonen dat de beoordeling van Commissaris-generaal feitelijke grondslag mist; dat ten slotte de opmerking van verzoekers, dat zij een coherent en gedetailleerd relaas hebben verteld, niet relevant is, gelet op de motiveringen van de bestreden beslissingen die inhouden dat hun vluchtmotieven kennelijk vreemd zijn aan de criteria van de Vluchtelin- genconventie; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoekers een tweede middel afleiden uit de schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat de Commissaris-generaal een beslissing heeft genomen over de grond van de zaken terwijl die zich nog in het stadium van het ontvankelijkheidsonder- zoek bevonden; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel de Commissaris-generaal oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissingen op zorgvuldige wijze heeft voorbereid; dat om zich een juist beeld te vormen van de situatie waarin de vreemdelingen zich bevinden op het tijdstip van hun vluchtelingenverklaringen, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen alle objectieve gegevens nagaat die hij nodig heeft om zijn beslissingen te kunnen nemen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers de mogelijkheid hebben benut om de vragenlijst van het Commissariaat-generaal in te vullen; dat verzoekers werden uitgenodigd voor een interview op voornoemd Commissariaat; dat zij aldus de mogelijkheid hebben gehad om hun asielmotieven omstandig uiteen te zetten en om eventueel aanvullende stukken neer te leggen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft vastgesteld dat de asielaanvragen van verzoekers kennelijk vreemd zijn aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekers niet aantonen op welke wijze de Commissaris-generaal het zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden; Overwegende dat verzoekers ten onrechte aanvoeren dat de Commissaris-generaal een onderzoek ten gronde heeft gevoerd in de ontvankelijkheidsfase; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het XIV-4996-7/9 dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaan- vragen noodzakelijk is en of de asielaanvragers voorlopig worden toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat de Commissaris-generaal, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of van zijn gemachtigde, een asielaanvraag kan afwijzen omdat deze geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie, zoals blijkt uit artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de conclusies van de Commissaris-generaal steun vinden in de motieven opgenomen in de bestreden beslissingen, die terzake dienend, pertinent, deugdelijk en draagkrachtig zijn; Overwegende dat verzoekers niet aantonen waarom de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in redelijkheid en zonder schending van de in het tweede middel opgenomen beginselen, kon besluiten dat het relaas van verzoekers kennelijk vreemd is aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat het tweede middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april tweeduizend en vijf, door : XIV-4996-8/9 de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . D. MOONS. XIV-4996-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.