← België

Arrest 143928 - - 29/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.928 Rolnummer: A. 151002/XIV-19382 Zaak: Arrest 143928 - - 29/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 12:33 Fiche Arrest nr 143.928 van 29 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.928 van 29 april 2005 in de zaak A. 151.002/XIV-19.

  1. In zake : XXX, wonende te S., B.hoven 31 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 16 mei 1972 en van XXX nationaliteit, op 22 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 maart 2004 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; XIV-19.382-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VERBIST, die loco Advocaat M. SAMPERMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX heeft op 25 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  4. Het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor Regularisatie stelt vast dat het dossier onvolledig is en maakt de aanvraag met een negatief advies over aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Op 25 juli 2001 wordt aan verzoeker een termijn van drie dagen verleend om zijn standpunt uiteen te zetten aan de Minister van Binnenlandse Zaken omtrent dit negatief advies van het Onderzoekssecretariaat. 1.
  5. Op 1 augustus 2001 deelt verzoeker zijn standpunt mee aan de Minister van Binnenlandse Zaken omtrent dit negatief advies. De Minister maakt de zaak aanhangig bij de Commissie voor regularisatie. 1.
  6. Op 19 juni 2003 wordt verzoeker, in het bijzijn van een Advocaat, gehoord door de Commissie voor regularisatie. 1.
  7. Op 16 juli 2003 heeft de kamer van de Commissie voor regularisatie een negatief advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies luidt als volgt: “(...) Uit de nota van het onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend. Ten bewijze van zijn identiteit legt de aanvrager zijn rijbewijs voor. De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2,4/ van de regularisatiewet. De aanvrager diende op 25 mei 1998 een asielaanvraag in. Hij werd niet toegelaten tot de procedure ten gronde: op 27 juli 1998 werd door de Commissaris-generaal voor de XIV-19.382-2/5 vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Ter zitting houdt hij voor sinds 1996 in België te verblijven. Daartoe legt hij een getuigschrift van gekendheid van 23 januari 2000 voor, uitgaande van de G., waarbij wordt gesteld dat hij onafgebroken in België heeft verbleven sedert 1996, en enkele schriftelijke verklaringen van kennissen. Uit het voorliggend dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt evenwel dat de aanvrager volgens de door hem ondertekende verklaring van 25 mei 1998 (een bijlage 26) op 24 mei 1998 in het Rijk is binnengekomen. Hij bevestigde zulks tijdens latere verhoren op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Of de aanvrager in België is binnengekomen in 1996 dan wel in 1998 is te dezen, zoals blijkt uit het hiernavolgende, niet relevant. De aanvraag voldoet niet aan de formele vereiste van artikel 9,9/, van de regularisatiewet: de aanvrager kan op het ogenblik van de aanvraag geen aanwezigheid in België die teruggaat tot zes jaar noch een relevant wettig verblijf doen gelden en kan ook geen schriftelijke verklaring bijbrengen waaruit blijkt dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten. De Commissie besluit dat de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden om te worden geregulariseerd. OM DEZE REDENEN verleent de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies inzake de regularisatieaan- vraag van XXX. (...).”. 1.
  8. Op 24 december 2003 richt de Advocaat van verzoeker een brief naar de Minister van Binnenlandse Zaken waarin hij zijn bezwaren inzake het advies van de Commissie voor regularisatie uiteenzet. 1.
  9. Op 2 maart 2004 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing. 2.
  10. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de motiveringsplicht en het gelijkheidsbeginsel, en de schending van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; dat verzoeker aanvoert dat hij enkel een begeleidende brief en het advies van de Commissie voor regularisatie heeft ontvangen en geen negatieve beslissing; dat verzoeker tevens aanvoert dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd omdat enkel wordt verwezen naar artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet; dat verzoeker stelt dat hiermee wordt voorbijgegaan aan de kritieken van de Raad van State ten tijde van de voorbereidende werkzaamheden; dat verzoeker uiteenzet dat hij nooit een bevel om het grondgebied te verlaten heeft ontvangen en dat hij verwijst naar rechtsleer om aan te tonen dat hij voldoet aan de derde hypothese van artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet; 2.
  11. Overwegende dat verzoeker niet op goede gronden kan aanvoeren dat hij de bestreden beslissing niet heeft ontvangen, omdat hij deze negatieve beslissing als bijlage bij de verzoekschriften voegt, samen met de begeleidende brief en met het advies van de Commissie voor regularisatie; XIV-19.382-3/5 Overwegende dat, om in aanmerking te komen voor regularisatie op basis van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet, uit de samenlezing van dit artikel met artikel 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; Overwegende dat in het advies, en in navolging in de bestreden beslissing, wordt overwogen dat verzoeker niet voldoet aan de vereisten van artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet, met name dat verzoeker op het ogenblik van de aanvraag geen aanwezigheid kon doen gelden die teruggaat tot zes jaar, noch een relevant wettig verblijf, en dat hij geen schriftelijke verklaring kon bijbrengen waaruit blijkt dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel heeft gekregen om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Overwegende dat de verwijzing van verzoeker naar kritiek op artikel 9, 9/ van voornoemde wet, tijdens de voorbereidende werkzaamheden van deze wet, geen afbreuk doet aan wat voorafgaat; Overwegende dat verzoeker in het middel niet betwist dat hij op het ogenblik van de aanvraag geen verblijf van zes jaar kon doen gelden, noch een relevant wettig verblijf; dat hij wel betwist dat hij een bevel om het grondgebied te verlaten heeft ontvangen; dat deze bewering van verzoeker niet strookt met de gegevens van het administratief dossier; dat uit het proces-verbaal van de zitting van 19 juni 2003 van de kamer van de Commissie voor regularisatie blijkt dat verzoeker heeft verklaard “heb een bevel gehad om het land te verlaten”; dat uit de bestreden beslissing en uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker een asielprocedure is gestart op 25 mei 1998, waarin op 8 juni 1998 een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, werd genomen en op 27 juli 1998 een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf; dat uit het administratief dossier bovendien blijkt dat aan verzoeker op 15 april 1999 naar aanleiding van een politiecontrole een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis werd gebracht (bijlage 13); dat de bestreden beslissing steunt op afdoende, pertinente, deugdelijke en terzake dienende motieven; Overwegende dat verzoeker de schending van het gelijkheidsbeginsel niet uiteenzet; dat het enig middel ongegrond is;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende XIV-19.382-4/5 bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-19.382-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.928 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.