← België

Arrest 143947 - - 29/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.947 Rolnummer: A. 158571/XII-4406 Zaak: Arrest 143947 - - 29/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 12:36 Fiche Arrest nr 143.947 van 29 april 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.947 van 29 april 2005 in de zaak A. 158.571/XII-

  1. In zake : Jean-Marie MEGANCK, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. Simonart, kantoor houdende te 1060 Brussel, Guldenvlieslaan 68/9 tegen : de GEMEENTE SINT-LAMBRECHTS-WOLUWE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Marie Meganck op 22 december 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 21 oktober 2004 van de gemeenteraad van Sint-Lambrechts-Woluwe waarbij hem met ingang van 1 november 2004 de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4406-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaten A. Van Herpe en H. Penninckx, die verschijnen voor verzoeker, en van advocaat P. De Maeyer, die loco advocaat M. Screvens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat op 12 juli 2004 met betrekking tot verzoeker, arbeider bij de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe, wordt gerapporteerd dat hij die dag in “vergevorderde staat van dronkenschap” bleek te verkeren, in de kleedkamer ernstig ten val is gekomen, met “verschillende zware kwetsuren” aan het hoofd tot gevolg, en naar het ziekenhuis moest worden vervoerd; dat verzoeker met brief van 12 augustus 2004 wordt opgeroepen om door het college van burgemeester en schepenen te worden gehoord over “- werk onder de invloed van alcoholische dranken dat kwetsuren en een afwezigheid wegens ziekte veroorzaakte; - herhaling van deze houding niettegenstaande verschillende vermaningen”; dat het college verzoeker hoort op 6 september 2004; dat het beslist het dossier aan de gemeenteraad voor te leggen; dat de gemeenteraad verzoeker hoort op 21 oktober 2004; dat dezelfde dag de gemeenteraad ook beslist hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, met ingang van 1 november 2004; dat, na beroep van verzoeker, de minister- voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering, bevoegd voor plaatselijke besturen, ruimtelijke ordening, monumenten en landschappen, stadsvernieuwing en wetenschappelijk onderzoek, het ontslag van ambtswege op 3 december 2004 goedkeurt;
  3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de XII-4406-2/7 onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  4. Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoeker uiteenzet een moreel en psychisch nadeel te lijden, evenals een financieel nadeel; dat hij, aan de hand van vijftien stukken bewijst te kampen te hebben, samen met zijn echtgenote, met aanzienlijke schulden en afbetalingen ten overstaan van diverse schuldeisers (NV Europabank, NV Alpha Credit, Gerling Namur, NV Fidexis, verwerende partij zelf), met loonbeslagen, met een uitvoerend beslag op roerend goed; Overwegende dat verwerende partij het nadeel betwist omdat het te vaag, niet bewezen of reeds voorafbestaand zou zijn; dat zij zelfs meent dat verzoekers toestand zal verbeteren doordat hij werkloosheidsuitkeringen zal ontvangen; Overwegende dat het verweer ten onrechte is; dat het aangevoerde nadeel en de stukken die ter staving worden bijgebracht, duidelijk en sprekend genoeg zijn; dat er reden is het nadeel én als ernstig én als moeilijk herstelbaar te beschouwen; dat, volledigheidshalve, voor de Raad van State allerminst geloofwaardig is gemaakt dat verzoeker beter af is mét het bestreden ontslag van ambtswege, dan zonder; dat aan de besproken schorsingsvoorwaarde voldaan is; 4.
  5. Overwegende, met betrekking tot de eerste schorsingsvoorwaarde, dat verzoeker twee middelen aanvoert; dat een eerste middel is afgeleid uit de schending, onder meer, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de verplichting tot “motivatie”; dat, volgens een eerste onderdeel, verzoeker een medisch attest heeft neergelegd waaruit blijkt dat hij, wegens het nemen van medicatie, “de houding van een dronken man kan schijnen te hebben alhoewel hij geen enkele alcoholische drank had gedronken” en dat geen enkel argument verklaart waarom dit objectieve gegeven zonder aandacht bleef; dat, in een tweede onderdeel, verzoeker bekritiseert dat eerdere XII-4406-3/7 tuchtstraffen die al meer dan tien jaar oud zijn, als “een verergerend element” worden beschouwd; Overwegende dat een tweede middel “de manifeste wanverhouding” tussen de feiten en de sanctie aanklaagt; dat verzoeker toelicht dat de opgelegde tuchtstraf de tweede zwaarste sanctie is en de financiële toestand van zijn familie in het gedrang brengt, wijl zijn fout wezenlijk beperkt is tot “een verkeerde inschatting van de effecten van zijn medicatie (maandag 12 juli 2004) op het drinken van aperitieven tijdens het week-end (zondag 11 juli 2004)”; 4.
  6. Overwegende dat verwerende partij in substantie repliceert dat het feit dat de bestreden beslissing het voorgelegde medisch attest niet vermeldt, niet betekent dat er geen rekening mee gehouden is, dat het attest niet doorslaggevend was, dat het immers “bevestigt dat de verzoeker noodzakelijkerwijze alcohol had verbruikt (aangezien de geneesheer bevestigt dat het de combinatie van alcohol en geneesmiddelen is die een toestand kan veroorzaken die te vergelijken is met degene van een staat van dronkenschap)”, dat bovendien verzoeker een recidivist is en reeds viermaal disciplinair gestraft werd, tweemaal daarvan voor het gebruik van alcohol, dat verzoeker zich op 12 juli 2004 in een bijzonder ernstige toestand bevond, dat hij erkent problemen met alcoholgebruik te hebben en dat de vroegere straffen die hem wegens alcoholgebruik zijn opgelegd “geen reddend effect hebben gehad, aangezien verzoeker teruggevallen is”; 4.
  7. Overwegende dat de opgelegde tuchtstraf, teneinde te voldoen aan de materiële-motiveringsverplichting en het evenredigheidsbeginsel, dient te steunen op een evenwichtige afweging van alle betrokken gegevens en belangen; dat, naar eis van de formele-motiveringsverplichting, verwerende partij in de beslissing zelf afdoende van die afweging moet doen blijken; XII-4406-4/7 4.
  8. Overwegende dat het bestreden ontslag van ambtswege verzoeker bestraft wegens “werk onder de invloed van alcoholische dranken met kwetsuren en een afwezigheid wegens ziekte als gevolg” en “herhaling van deze houding niettegenstaande verschillende vermaningen”; dat de bestreden beslissing in aanmerking neemt dat verzoeker “geen rekening heeft gehouden met de verschillende aanmaningen die de overheid tot hem richtte”, dat “een beambte, die dikwijls onder invloed van alcoholische dranken is, een gevaar voorstelt voor zijn leven en dat van zijn collega’s, [en] daarvoor gestraft moet worden” en dat verzoeker reeds 4 tuchtstraffen opliep, waarvan twee om reden van werk onder de invloed van alcoholische dranken; dat, finaal, de strafmaat hierdoor verantwoord wordt dat “de vastgestelde feiten ernstige tekortkomingen vormen, een gevaar voorstellen voor [verzoekers] leven en dat van zijn collega’s en de uitvoering van zijn werk nadelig beïnvloeden”; Overwegende dat de eerste tenlastelegging verwijst naar het voorval van maandag 12 juli 2004; dat verzoeker in verband hiermee voor de tuchtoverheid heeft doen gelden dat de waargenomen tekenen van dronkenschap het gevolg waren van de combinatie van aperitieven die hij in het weekend had gedronken, met medicatie die hij inneemt voor psychogene problemen; dat hij een doktersattest bijbracht waarin wordt gesteld dat de medicatie “van die aard [is], dat een combinatie met alcohol, zelfs in kleine dosis, een sterk amplifiërend effekt heeft zodat snel de indruk ontstaat dat er een abusus was”; dat verwerende partij een en ander -uitdrukkelijk- niet betwist, maar er blijkbaar alleen uit wil begrijpen, en concludeert, dat verzoeker op 12 juli 2004 inderdaad “onder de invloed van alcoholische dranken” stond; dat zij, anders dan in de rede lijkt te liggen, de argumentatie van verzoeker zelfs niet tenminste als een verzachtende omstandigheid in aanmerking neemt; dat onduidelijk is wat daarvan de reden mag zijn; Overwegende dat met de staat van recidive, waarvoor verzoeker eveneens vervolgd en veroordeeld is geworden, blijkbaar wordt gedoeld op de tuchtstraffen van acht en tien dagen schorsing die hij op 9 november 1993, respectievelijk 24 mei 1994 opliep, wegens onder meer het werken onder invloed van alcoholische dranken; dat, ofschoon de verwerende partij op bladzijde 8 van de nota XII-4406-5/7 laat uitschijnen dat verzoeker sindsdien nog “verschillende waarschuwingen” ter zake heeft gekregen, daarover geen enkele bijzonderheid of verduidelijking wordt verstrekt - ook niet ter terechtzitting, in antwoord op een uitdrukkelijke vraag desaangaande; dat vooralsnog dan ook moet worden aangenomen dat verwerende partij verzoeker als een beambte beschouwt die “dikwijls” onder invloed is van alcoholische dranken, louter op grond van twee precedenten van meer dan tien jaar oud; dat zodoende de verwerende partij die precedenten een excessief gewicht lijkt toe te meten; Overwegende dat verzoeker, getuige stuk 7 van het administratief dossier, ter verdediging expliciet onder meer financiële problemen deed gelden en vroeg, indien er hem een sanctie zou worden opgelegd, ze “in meerdere keren” te mogen ondergaan; dat, zoals hoger gezien, verzoekers problemen reëel zijn; dat evenwel uit niets blijkt dat verwerende partij, alvorens de bestreden maximumstraf op te leggen, er ook maar enige aandacht aan geschonken heeft; 4.
  9. Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat alvast in de huidige stand van de procedure niet blijkt -en al helemaal niet uit de formele motivering van de tuchtstraf- dat de verwerende partij alle betrokken gegevens en belangen onder ogen heeft genomen en naar behoren, met zin voor nuance en verhouding, heeft gewogen; dat verzoekers middelen in die mate ernstig zijn;
  10. Overwegende dat aan de voorwaarden voor een schorsing voldaan is, XII-4406-6/7 BESLUIT: Artikel
  11. Bevolen wordt de schorsing van de beslissing van 21 oktober 2004 van de gemeenteraad van Sint-Lambrechts-Woluwe waarbij Jean-Marie Meganck met ingang van 1 november 2004 de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4406-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.947 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.855 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.