← België

Arrest 143955 - - 29/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.955 Rolnummer: A. 111565/XIV-6962 Zaak: Arrest 143955 - - 29/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-13 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 12:39 Fiche Arrest nr 143.955 van 29 april 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.955 van 29 april 2005 in de zaak A. 111.565/XIV-6962. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DEPROUW, kantoor houdende te 2400 MOL, Kruisven 51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 11 juli 1956 en van XXX nationaliteit, op 26 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 juli 2001 houdende weigering tot regularisatie van de verblijfstoestand van de verzoekende partij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; Gelet op het arrest nr. 106.672 van 11 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 9 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-6962-1/6 Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 september 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VERHERSTRAETE die, loco Advocaat J. DEPROUW, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 29 december 1998 en verklaart zich vluchteling op 30 december 1998. 1.2. Op 29 januari 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf. Tegen deze beslissing wordt een procedure aanhangig gemaakt bij de Raad van State in de Franse taal, die nog steeds hangende is en gekend is onder nummer G/A 132.652/ 10.724. Volgens de gegevens van het informaticasysteem is deze zaak nog niet in staat. 1.3. Op 24 januari 2000 dient de verzoekende partij een regularisatieaanvraag in op basis van de artikelen 2, 2/, en 2, 4/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet). 1.4. Op 25 juni 2001 wordt de verzoekende partij in het bijzijn van een Advocaat gehoord. 1.5. Op 28 juni 2001 verleent de eerste kamer van de regularisatiecommissie een ongunstig advies dat als volgt luidt: “(...) K. en XXX Gezien de stukken van de procedures inzake K. en XXX en namelijk deze voorgeschreven bij artikel 9 van de wet betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; XIV-6962-2/6 Gelet op artikel 10 § 2 van het besluit van 5 januari 2000 naar luid van hetwelk de procedure verloopt in de landstaal die de aanvrager heeft gebruikt bij zijn/haar aanvraag, ter zake het Nederlands; Overwegende dat genoemden gehuwd zijn en ouders zijn van de kinderen I., V., Y., Y., O., A., en hun aanvraag steunen op artikel 2, 2/ en 4/ van de wet van 22 december 1999; Overwegende dat het hoort, naar luid van artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek, rechtsvorderingen samen te behandelen wanneer zij, zoals ter zake het geval, nauw verbonden zijn ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht; Overwegende dat de echtgenoten K. beweren dat zij in de onmogelijkheid verkeren om terug te keren naar XXX waar zij woonden en dit om reden dat één van hen afkomstig (

  1. is)uit P. (
  2. en)er niet geaccepteerd wordt wegens raciale redenen; Dat dit een louter(
  3. e)bewering is die door geen enkel element van het dossier wordt bevestigd; Dat overwegingen met betrekking tot de asielprocedure terzake niet dienend zijn; dat de Commissie voor Regularisatie deze procedure niet zal overdoen, hetgeen ten slotte niet tot haar bevoegdheid hoort; Dat de onmogelijkheid bijgevolg niet bewezen is; Overwegende dat op 11 mei 1999 aan betrokkenen een bevel werd betekend om binnen de vijf dagen het land te verlaten; Dat het artikel 9, 9/ een termijn van vijf jaar voor gezinnen met minderjarige kinderen als voorwaarde oplegt voor de toepassing van artikel 2 ten vierde, indien er een bevel om het grondgebied (te verlaten) werd betekend in de loop van vijf jaar voorafgaand de aanvraag, hetgeen ter zake het geval is; Dat deze termijn niet versteken is vermits betrokkenen slechts in België zijn aangekomen eind december 1998; Dat geenszins wordt vereist, zoals de advocaat van aanvragers (dit) beweert, dat het bevel uitvoerbaar moet worden verklaard; Dat dit een bijkomende voorwaarde is die niet in de wet staat vermeld; Dat de Commissie de termen van de wet in aanmerking neemt en daar niets wil aan toevoegen die (dat) er niet bij hoort; Overwegende dat bijgevolg de specifieke voorwaarde voor de toepassing van artikel 2, 4/ niet vervuld is; Dat argumenten met betrekking tot een zeer kort verblijf in het land ter zake niet dienend zijn; Dat de Commissie het standpunt van het Onderzoekssecretariaat beaamt; Om deze redenen, in rechte en in feite, met eenstemmigheid, heeft de Commissie de eer, de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn Afgevaardigde, een ongunstig advies te verstrekken voor de regularisatie van het verblijf van de echtgenoten K. en hun kinderen. (...)”; 1.6. Op 26 juli 2001 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie, door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van voornoemde Regularisatiecommissie. 2. Over de prejudiciële vraag geformuleerd door de verzoekende partij. Overwegende dat verzoekende partij vraagt dat de Raad van State de volgende prejudiciële vraag zou stellen aan het Arbitragehof: “Of artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het Rijk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk schendt, omdat het in de mogelijkheid voorziet wanneer vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag een niet(-)uitvoerbaar bevel tot het verlaten van het grondgebied werd betekend de aanvraag kan (worden) geweigerd voor vreemdelingen die om regularisatie verzochten in toepassing van artikel 2, 4/ van de wet dd. 22.12.1999, inzonderheid daar: C Dit een manifeste miskenning inhoudt van het gelijkheidsbeginsel. XIV-6962-3/6 C Deze negatieve voorwaarde nergens wordt gesteld voor vreemdelingen die in toepassing van artikel 2, 1/ van de wet om regularisatie verzochten hetgeen impliceert dat een niet-uitvoerbaar bevel tot het verlaten van het grondgebied geen bezwaar vormt. C Er geen enkele objectieve laat staan redelijke verantwoording voorhanden is. C Dit een niet-toegelaten discriminatie uitmaakt in vergelijking met vreemdelingen die om toepassing verzoeken van artikel 2, 1/ van de wet dd. 22.12.1999.” Overwegende dat er geen aanleiding is om een prejudiciële vraag te stellen, ten eerste omdat de verzoekende partij de regularisatie van haar verblijfstoestand vraagt op basis van de artikelen 2, 2/, en 2, 4/, van de Regularisatiewet, zodat een prejudiciële vraag stellen in verband met artikel 2, 1/, van de Regularisatiewet het beschikkingsbeginsel schendt; ten tweede omdat de vraag die de verzoekende partij formuleert uitgaat van een onjuiste premisse: zowel in artikel 2, 1/, als in artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, samengelezen met artikel 9, 9/, van dezelfde wet is er sprake van een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, in artikel 2, 1/, gaat het om een “uitvoerbare beslissing”, zijnde ofwel een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure, waardoor de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten wordt bevestigd en bijgevolg uitvoerbaar is, ofwel een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen die de asielaanvraag in de gegrondheidsfase afwijst en waardoor de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen herleeft en moet worden uitgevoerd, hetzij op basis van een beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, hetzij op basis van artikel 77 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; ten derde omdat de prejudiciële vraag die de verwerende partij formuleert niet kan leiden tot de oplossing van het geschil; 3. Over de grond van de zaak. 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel in wezen de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht; Overwegende dat de Raad van State, na enig opzoekingswerk vaststelt dat de verzoekende partij de volgende procedures heeft aanhangig gemaakt: S een procedure gericht tegen de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van verblijf, procedure ingeleid in het Frans, gekend onder het nummer G/A 132.652/ 10.724 (deze zaak is niet in staat); S een procedure tot nietigverklaring gericht tegen de “aanvraag (tot) machtiging (van) verblijf, (die) zonder voorwerp (werd verklaard).”; deze procedure werd ingeleid in het Nederlands, en is gekend onder het nummer G/A 145.574/ XIV- 18.090, zij wordt behandeld op de zitting van deze kamer op woensdag 4 mei 2005 om 10.00 uur; XIV-6962-4/6 3.3. Overwegende dat in verband met de onmogelijkheid tot terugkeer naar het land van herkomst, zijnde het criterium vervat in artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet, de bestreden beslissing niet is gemotiveerd, omdat enerzijds uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij bij haar aanvraagformulier diverse stukken heeft gevoegd om de onmogelijkheid tot terugkeer aan te tonen, zodat de overweging van de Regularisatiecommissie dat het dossier geen enkel element bevat om de voornoemde onmogelijkheid te staven in strijd is met de gegevens van het administratief dossier en omdat anderzijds de bestreden beslissing de onmogelijkheid tot terugkeer niet motiveert door te verwijzen naar de asielprocedure, die op het tijdstip waarop de Regularisatiecommissie beslist, niet is beëindigd; dat bijgevolg het advies van de Regularisatiecommissie niet deugdelijk is gemotiveerd, voor wat de toepassing van artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet betreft; dat het Auditoraatsverslag tot dezelfde conclusie komt, op basis van een argumentatie die de Raad van State beaamt en bij deze als uitdrukkelijk herhaald beschouwt; Overwegende dat bij heroverweging ook het artikel 2, 1/, van de Regularisatiewet eventueel zou kunnen in overweging worden genomen; Overwegende dat het enig middel in de mate dat hiervoor werd aangegeven, gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 juli 2001 houdende weigering tot regularisatie van de verblijfstoestand van de verzoekende partij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, XIV-6962-5/6 staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6962-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.955 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.