← België

Arrest 144025 - - 02/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.025 Rolnummer: A. 86023/IX-1970 Zaak: Arrest 144025 - - 02/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 04:20 Fiche Arrest nr 144.025 van 2 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.025 van 2 mei 2005 in de zaak A. 86.023/IX-

  1. In zake : Geert VAN OVERSCHELDE, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE-SINT-ANDRIES, Burggraaf de Nieulantlaan 26 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten R. DEPLA en R. STUBBE, kantoor houdende te BRUGGE, Karel van Manderstraat
  2. tussenkomende partij : Myriam VERHAEGHE, die woonplaats kiest bij advocaat P. D’HOOGHE, kantoor houdende te BRUGGE-SINT-KRUIS, Altebijstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Geert VAN OVERSCHELDE op 10 augustus 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen op 1 juli 1999 door de minister belast met Volksgezondheid waarbij deze aan Myriam VERHAEGHE de vergunning verleent om een apotheek voor het publiek te mogen openen te Ruiselede, Bruggesteenweg, op een perceel kadastraal bekend onder sectie F, nr. 601E; IX-1970-1/34 Gelet op het arrest nr. 84.440 van 28 december 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit en de vordering tot het opleggen van een dwangsom worden verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 18 februari 2000 door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 22 maart 2000; Gelet op de beschikking van 18 april 2000 die de tussenkomst van Myriam VERHAEGHE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 1 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 maart 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-1970-2/34 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. HINDERYCKX, die loco advocaten R. DEPLA en M. STUBBE verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. D’HOOGHE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 16 februari 2005; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  5. Op 14 juli 1986 dient Myriam VERHAEGHE, huidige tussenkomende partij, een aanvraag in met het oog op de vergunning voor de opening van een apotheek te Ruiselede, Bruggesteenweg, kadastraal bekend onder sectie A, nr. 818z. Blijkbaar beroept de tussenkomende partij zich daartoe op het afwijkingscriterium van artikel 1, § 3, b, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken, aangezien de geplande apotheek gelegen is op een afstand van ongeveer 3 km van de dichtstbijgelegen apotheek en de behoeften zou dekken van 2.000 inwoners. 1.
  6. Het advies van de provinciegouverneur is gunstig, de adviezen van de provinciale geneeskundige commissie, van de farmaceutische inspecteur, van de twee meest representatieve farmaceutische beroepsorganen, de Algemene Pharmaceutische Bond en Ophaco, en van de inspecteur-generaal zijn ongunstig. 1.
  7. De vestigingscommissie verleent op 30 mei 1988 een ongunstig advies. IX-1970-3/34 1.
  8. Het advies van 24 januari 1989 van de commissie van beroep, na beroep van de tussenkomende partij, is eveneens ongunstig aangezien weliswaar is voldaan aan de afstandsvoorwaarde maar geen invloeds- of behoeftensfeer van minstens 2.000 inwoners is bewezen. Het steunt daartoe op volgende considerans : “dat, wat de tweede voorwaarde betreft, de elementen waarover de Commissie beschikt niet toelaten te besluiten dat ook aan deze voorwaarde is voldaan; dat verzoeker (-hier tussenkomende partij-) een deskundig verslag van landmeter D’HAENE voorlegt waarin deze laatste door inachtneming van de vaststellingen van de middenafstanden tussen de nieuwe vestiging en omliggende apotheken besluit dat de invloedssfeer van de geplande apotheek een totaal bevat van 2.066 inwoners samengesteld als volgt : op grondgebied Ruiselede : 1.709 inwoners, op grondgebied Wingene : 184 inwoners, op grondgebied Tielt : 87 inwoners, op grondgebied Aalter : 86 inwoners; dat de Commissie van beroep de zienswijze van de Vestigingscommissie deelt waar deze laatste van mening is dat enkel een deel van de aldus omschreven invloedssfeer zich op de nieuwe vestiging in Klaphulle zou kunnen beroepen; dat het hoogstwaarschijnlijk is dat een deel van de betrokken inwoners van Ruiselede zich verder zal bevoorraden bij de apotheken van het centrum van Ruiselede dat normaler wijze een aantrekkingskracht heeft; dat het ook heel waarschijnlijk is dat een deel van de inwoners van Wingene-Tielt en Aalter waarop verzoekster zich beroept aangewezen zal blijven op de in hun gemeente gevestigde apotheek; dat de attesten door de burgemeesters van de verschillende gemeenten afgeleverd geen afdoend bewijs leveren; dat de betrokken burgemeesters zich vergenoegd hebben de verschillende bevolkingscijfers aan te duiden voor de adressen waarvan verzoekster een omstandige lijst had medegedeeld; (dat), bij gevolg, het niet bewezen is dat het vereist minimum 2.000 zal bereikt worden en het ongunstig advies van de Vestigingscommissie dient bevestigd te worden”. 1.
  9. De staatssecretaris voor Volksgezondheid besluit op 17 april 1989 niettemin de aangevraagde vergunning te verlenen, overwegende : “... Anderzijds zijn de twee voorwaarden voor de toepassing van de uitzonderingsbepalingen voorgeschreven door art. - 1, § 3 B van het k.b. van 25.9.1974 wel vervuld in casu : de dichtste apotheek ligt op 2,8 km van de geplande apotheek wat neerkomt op een afstand van ongeveer 3 km. Een deskundig verslag van landmeter D’HAENE heeft de invloedssfeer van de ontworpen officina vastgelegd rekening houdend met het principe van de halverwege-afstanden. Hij heeft namelijk een gebied afgebakend waarvan de inwoners dichter bij de geplande apotheek wonen dan bij om het even welke andere bestaande apotheek. De inwoners die in deze straten of straatgedeelten wonen werden geattesteerd door de respectievelijke gemeentebesturen : dit geeft de volgende resultaten : voor de gemeente Ruiselede : 1.709 inwoners, voor de gemeente Wingene : 184 inwoners, voor de gemeente Tielt : 87 inwoners, voor de gemeente Aalter : 86 inwoners. In totaal zijn er dus 2.066 inwoners welke in de invloedssfeer van de geplande IX-1970-4/34 apotheek vallen, wat alleszins meer dan 2.000 is, zodat voldaan is aan beide voorwaarden gesteld door artikel 1, § 3 B van het genoemd k.b., zodat de door U aangevraagde vergunning verleend wordt”. 1.
  10. Op 8 mei 1989 dient de tussenkomende partij een aanvraag in tot adreswijziging van de vergunning naar de Bruggesteenweg, perceel bouwgrond, sectie F, 601 E (huisnummer 39), liggende op minder dan 100 meter van het oorspronkelijk adres waarvoor de vergunning werd toegekend. Deze vergunning wordt toegestaan door de staatssecretaris op 5 oktober
  11. 1.
  12. Met arrest nr. 72.115, VAN OVERSCHELDE en LANDUYT, van 2 maart 1998, vernietigt de Raad van State het vergunningsbesluit evenals de vergunning tot overbrenging van de officina. Het arrest overweegt : “3.1.
  13. Overwegende dat de bestreden vergunning door de verwerende partij is verleend met toepassing van artikel 1, § 3, b, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken, dat bepaalt : "In afwijking van het bepaalde in § 2 mag de vestiging van een bijkomende apotheek worden toegestaan indien de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 3 km bevindt van de geplande apotheek en indien deze laatste de behoeften dekt van 2000 inwoners"; Overwegende dat bij de aanvraag een verslag is gevoegd van een landmeter die de invloedssfeer van de geplande apotheek heeft afgebakend volgens "de methode van de halverwege-afstanden" en die de inwoners in dat gebied heeft opgeteld wat een resultaat heeft gegeven van 2066 inwoners; dat de verwerende partij uit die gegevens afleidt dat aan de tweede voorwaarde, namelijk tegemoet komen van de behoeften van 2000 inwoners, is voldaan; 3.1.
  14. Overwegende dat de verwerende partij erop wijst dat het bepalen van de invloedssfeer van een officina, met name de methode en criteria die hiervoor gebruikt worden, een loutere feitelijke appreciatie is; dat de Raad van State zich hierbij niet in de plaats mag stellen van de bevoegde administratieve overheid; Overwegende dat de Raad van State een wettigheidscontrole uitoefent en derhalve onderzoekt of de beslissing gesteund is op rechtens en feitelijk aanvaardbare gegevens en daarbij, onder meer, nagaat of de feitenappreciatie niet kennelijk onredelijk was; Overwegende dat artikel 1, § 3, b, van het voormeld koninklijk besluit van 25 september 1974 de vestiging van een bijkomende apotheek toelaat in de afgelegen woonkernen indien zij op een bepaalde afstand van de dichtstbijgelegen apotheek wordt ingeplant en aan de behoeften aan geneesmiddelen van een bepaald aantal personen tegemoet komt; dat aan het criterium "afgelegen woonkern" niet is voldaan bij het louter vervullen van de afstandsvoorwaarde; dat de helft van de afstand evenmin het rechtmatig criterium is; dat vereist is dat er een van de IX-1970-5/34 omliggende apotheken afgelegen woonkern bestaat, welke niet van die apotheken zal blijven afhangen eenmaal dat de bijkomende vestiging is vergund; dat de verwerende partij, in tegenstelling tot de adviezen van de Commissie van beroep en van de vestigingscommissie, door zonder meer de inwoners die woonachtig zijn binnen de helft van de afstand tot de dichtstbijgelegen officina tot de invloedssfeer van de geplande apotheek te rekenen artikel 1, § 1, en § 3, verkeerd heeft toegepast; dat het aangevoerde middel dan ook gegrond is in de beide zaken;”. 1.
  15. Het dossier wordt opnieuw voorgelegd aan de commissie van beroep. Aan de tussenkomende partij wordt gevraagd aanvullende en geactualiseerde gegevens, met name een stratenplan op schaal met aanduiding van de voorgestelde invloedssfeer, de bestaande apotheken en de vestigingsplaats, officiële bevolkingsattesten anno 1999 met inwoners per straat en de afstanden tussen de geplande apotheek en de bestaande apotheek, te bezorgen aan de commissie met afschrift voor de farmaceutisch inspecteur. 1.
  16. De commissie van beroep verleent op 23 juni 1999 een positief advies. Daarin bevestigt zij het eerder ingenomen standpunt dat voldaan is aan de afstandsvoorwaarde van ongeveer 3 km aangezien de dichtstbijgelegen apotheek zich op 2.720 m bevindt en komt zij terug op haar vorig standpunt volgens welk niet bewezen was dat de behoeften van minstens 2.000 mensen zijn gedekt. Zij is thans van mening dat dit wel het geval is, zoals blijkt uit de stukken voorgelegd door de aanvraagster en aangezien geografisch en verkeerstechnisch de vestiging van aanvraagster zo ligt dat zij minstens de behoeften van 2.000 inwoners dekt en hen de mogelijkheid biedt zich op een vlotte en gerieflijke wijze te bevoorraden. Zij stelt ook vast dat de regelgeving intussen is gewijzigd. De terzake meest relevante motieven “ten gronde” van haar advies luiden als volgt : “De gemeente Ruiselede heeft een oppervlakte van 3020 ha en telde op 31 december 1998, 5076 inwoners. De officina van apotheker VERHAEGHE Myriam bevindt zich buiten het centrum van de gemeente Ruiselede in de wijk "Klaphulle", alsmede buiten een van de woonkernen van de omliggende gemeenten. De afstand tot de dichtstbijgelegen apotheek met name apotheek DECOSTER gelegen aan de Markt nr. 5, te Ruiselede, bedraagt 2.720 m. (C fr. de aanduidingen op de overgelegde topografische kaarten van Ruiselede nr. schaal I: 5.000 en de vaststellingen van de farmaceutisch inspecteur I. DESCHUTTER). IX-1970-6/34 De commissie van beroep heeft in haar vorig advies dd. 24 januari 1989 de afstand van 2.720 m aanvaard als beantwoordend aan het afstandscriterium bepaald in artikel 1 § , b, zijnde ongeveer 3 km; Andere apotheken gevestigd in de omringende gemeenten te Maria-Aalter, Wingene, Aalter en Tielt bevinden zich respectievelijk op 5.677 rn, 6.984 m, 7.526 rn en 9.021 m van de vestiging VERHAEGHE. De Commissie van beroep blijft bij haar oordeel dat de afstand van 2.720 m gezien de geografische configuratie van de vestiging, beantwoordt aan de vereisten van artikel 1 § 3, b van het Koninklijk Besluit van 25 september 1974, zoals gewijzigd, zijnde ongeveer een afstand van 3 km; De vestiging dekt de behoeften van minstens 2.000 inwoners; Dit blijkt uit de door Mevrouw VERHAEGHE Myriam neergelegde recente attesten betreffende de inwonersaantallen met betrekking tot het met een gele lijn afgebakend gebied op de neergelegde voormelde kaart als stuk IA; De Commissie van beroep is van oordeel dat geografisch en verkeerstechnisch gezien de vestiging van apotheker VERHAEGHE Myriam derwijze ligt dat zij minstens de behoeften van 2.000 inwoners dekt en hen de mogelijkheid biedt zich op een voor hen vlotte en gerieflijke wijze te bevoorraden in geneesmiddelen”. 1.
  17. Bij het thans bestreden besluit van 1 juli 1999 sluit de minister zich hierbij aan en verleent hij de vergunning;
  18. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1.
  19. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken, alsmede van de redelijke termijnvereiste, doordat, na de nietigverklaring van de eerste vergunning van 17 april 1989, welke terugwerkt tot de dag voor de vernietigde beslissing en ook de nietigverklaring meebrengt van het ongunstig advies van de commissie van beroep van 24 januari 1989 en waardoor de aanvraag van verzoeker opnieuw hangende is, de commissie van beroep het dossier opnieuw onderzoekt op 26 mei 1999 en op 23 juni 1999 gunstig adviseert, hetzij 13 jaar na de aanvraag en 11 jaar na het uitvoerig gemotiveerd ongunstig advies van de vestigingscommissie, tot stand gekomen na raadpleging van alle personen, instanties en organen zoals voorzien in artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974; dat hij, verwijzende naar de arresten nrs. 59.514-59.517, FLORIZOONE, van 7 mei 1996, gewezen inzake het goedkeuren van een gewestplan, stelt dat het advies van de commissie van beroep, dat tegengesteld IX-1970-7/34 is aan het vorige advies en het uitvoerig advies van de vestigingscommissie van 30 mei 1988 in redelijkheid niet meer kan worden beschouwd als het eindpunt van een procedure begonnen in 1986, waarin het inwinnen van de adviezen voorgeschreven door dat artikel 7 en het advies van de vestigingscommissie, als de substantiële voorbereidende fase moeten worden aangezien; dat dit volgens hem des te meer klemt daar de commissie van beroep thans uitdrukkelijk verwijst naar de wijziging van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 1974 door het koninklijk besluit van 25 maart 1999, reden te meer om de procedure van meet af aan te hernemen en alle adviserende organen en instanties te verzoeken in dat licht een nieuw advies uit te brengen; 2.1.1.
  20. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker erkent dat de aanvraag opnieuw behandeld diende te worden maar ten onrechte aanneemt dat de procedure van voren af hernomen had moeten worden, nu de vestigingscommissie ongunstig geadviseerd had enerzijds omdat niet voldaan was aan het bepaalde in artikel 1, § 1, 1/ en 2/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, punten die intussen werden afgeschaft bij koninklijk besluit van 25 maart 1999, en anderzijds omdat het bewijs niet geleverd was dat de officina in de behoeften van 2.000 inwoners zou voorzien, terwijl de commissie van beroep van oordeel is dat, blijkens de neergelegde recente attesten en plannen, de geplande officina geografisch en verkeerstechnisch zo ligt dat zij minstens de behoeften van 2.000 inwoners dekt; dat zij er voorts op wijst dat de ingeroepen arresten FLORIZOONE niet relevant zijn aangezien de commissie van beroep wel degelijk oog had voor de verlopen termijn en met kennis van zaken op basis van relevante gegevens adviseerde, aangezien zij eerst de farmaceutisch inspecteur hoorde in zijn verslag en vervolgens de aanvrager zelf, die een geactualiseerd dossier voorlegde; 2.1.1.
  21. Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat de commissie van beroep in casu wel degelijk het dossier opnieuw onderzocht heeft en gunstig advies verleende na kennis te hebben genomen van het verslag van de farmaceutisch inspecteur en van haar geactualiseerde conclusie en dossier met geactualiseerde en officieel geattesteerde gegevens; IX-1970-8/34 2.1.1.
  22. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord niet betwist dat het advies van de vestigingscommissie niet opnieuw moest worden ingewonnen en dat het probleem niet zozeer ligt bij het ontbreken van dat advies, wel van de andere adviezen die krachtens artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 moeten worden ingewonnen, namelijk van de provinciegouverneur, de geneeskundige commissie van het ambtsgebied, de farmaceutisch inspecteur van het ambtsgebied en de meest representatieve beroepsorganisaties, die niet opnieuw werden ingewonnen en waarbij blijkbaar enkel de farmaceutisch inspecteur opnieuw in zijn mondeling advies werd gehoord ter zitting van 26 mei 1999; dat volgens hem ook niet blijkt dat de geactualiseerde gegevens voorgelegd door de tussenkomende partij, waarop de beroepscommissie gesteund heeft, vooraf aan de farmaceutisch inspecteur werden overgelegd of dat hij daarvan voordien kennis had, zodat zijn “advies” ook niet op enig onderzoek, laat staan op het geactualiseerd dossier is gesteund; dat voorts ook een nieuw advies van de provinciegouverneur, de geneeskundige commissie en de meest representatieve beroepsorganisaties van belang zou zijn, aangezien hun advies over de eerste vernietigde beslissing onmogelijk nog actueel kan zijn; 2.1.1.
  23. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert dat het voor zich uitschuiven van een te nemen beslissing, zonder dat daartoe aannemelijke redenen bestaan, op zichzelf een fout is in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, dat de overheid die aldus in de fout is gegaan er alles moet aan doen om de potentiële nadelige gevolgen van haar handelen en verzuim zoveel mogelijk te voorkomen, zodat dan ook elementair is dat de overheid zelf op een tegensprekelijke of toch minstens controleerbare wijze ervoor zorgt dat zij er zeker van mag zijn dat de feitelijke gegevens waarover zij moet beslissen, inmiddels ongewijzigd zijn gebleven en, zo dit laatste niet het geval blijkt te zijn, dat ze zekerheid verwerft over de aard, de intensiteit en de omvang van de inmiddels ingetreden wijzigingen, in casu vooral aangaande de bevolkingssituatie; dat volgens verzoeker de wetgever ook de adviezen van de gouverneur, de geneeskundige commissie, de farmaceutische inspectie en de meest representatieve beroepsorganisaties, mede omwille van hun veronderstelde onpartijdigheid en deskundigheid, van groot belang heeft geacht en zij voor de vestigingscommissie, respectievelijk de commissie van beroep, het IX-1970-9/34 belangrijkste feitenmateriaal leveren bij de uitwerking van het aan de minister te verlenen advies, zodat die adviezen niet alleen binnen een redelijke termijn moeten worden ingewonnen maar ook binnen een redelijke termijn worden verwerkt; dat volgens verzoeker het in het auditoraatsverslag ingeroepen arrest nr. 105.682, POOT, van 22 april 2002, waaruit afgeleid zou moeten worden dat er te dezen geen nood was aan nieuwe en geactualiseerde advisering omdat het vernietigingsarrest van 2 maart 1998 niet heeft vastgesteld dat er met de advisering zelf iets is misgelopen, niet relevant is, al ware het maar doordat het aangevoerde middel helemaal anders was : als het annulatiearrest geen fouten heeft blootgelegd bij de voorafgaande advisering, doch enkel in de eindbeslissing, staat het in de regel aan de overheid zelf te beslissen vanaf welk punt zij de procedure zal hernemen; in elk geval zal zij ze moeten hernemen vanaf het punt waar ze is misgelopen, maar naar omstandigheden kan ze evengoed beslissen verder te gaan en onder meer de voorbereidende fase geheel over te doen of zelfs, in benoemingszaken, de vacature opnieuw open te verklaren; wanneer door tijdsverloop elke redelijke termijn tussen de advisering en de beslissing overschreden is, vereist echter het zorgvuldigheidsbeginsel dat ook de voorbereidende fase wordt hernomen, wat de draagwijdte is van het te dezen aangevoerd middel, hetgeen niet het geval was in de zaak POOT; dat verzoeker voorts stelt dat, zo hij niet precies opgeworpen heeft dat ook de omringende apothekers opnieuw ondervraagd hadden moeten worden, zulks evenmin relevant is : hij verwijt het besluit in het algemeen op verouderde gegevens te zijn afgegaan, waarmede uiteraard alle ingezamelde gegevens zijn bedoeld, ook deze destijds verschaft door de gevestigde apothekers; dat volgens haar ook de rechtsplicht en voorzorgsplicht tot het inwinnen van zekere en actuele informatie, plicht die op de overheid zelf rust niet onder de vloermat kan worden geveegd door te verwijzen naar de stukken en conclusie die door de tussenkomende partij naar aanleiding van de hoorzitting werden overgemaakt; dat, immers, al kunnen eenzijdig door de belanghebbende partij verschafte feitelijke en juridische inlichtingen ongetwijfeld hun waarde hebben, niettemin die gegevens op hun waarachtigheid getoetst moeten worden en het ondenkbaar is dat de informatie van de partijen zich zou kunnen substitueren aan die van de door de wet ingestelde adviesorganen; dat ook de omstandigheid dat de tussenkomende partij aan de commissie van beroep "een geactualiseerd dossier" heeft overgemaakt er op wijst dat er inderdaad gewijzigde omstandigheden waren, IX-1970-10/34 wat een reden te meer had moeten zijn om de onafhankelijke adviesorganen opnieuw te ondervragen en hun advies te laten actualiseren; dat het feit dat de farmaceutische inspecteur "gehoord" werd, daar niet af van doet en geenszins aantoont dat aldus de commissie van beroep gesteund heeft "op geactualiseerde gegevens", ook al omdat er geen schriftelijke neerslag bestaat van wat de farmaceutische inspecteur ter zitting heeft bijgebracht, zodat niet eens geweten is op welke gegevens dat advies is gesteund; dat verzoeker ook betwist dat hij concreet diende aan te geven waarom de commissie van beroep geactualiseerde adviezen had moeten inwinnen, waarmede eigenlijk gezegd wordt dat hij niet bewijst dat er effectief relevante gewijzigde feitelijke omstandigheden waren die een invloed konden hebben op de beslissing, terwijl, om het met het arrest FLORIZOONE te zeggen, het niet aan hem staat als particulier het bewijs te leveren dat niet meer met goed gevolg kan gesteund worden op verouderde adviezen doch het de plicht van de verwerende partij is dit ambtshalve te onderzoeken op het tijdstip dat zij na het annulatiearrest de zaak hernam; dat ook de opwerping dat de onderhavige zaak onvoldoende vergelijkbaar zou zijn met de zaak FLORIZOONE niet overtuigt : beslissend is zeker niet de omstandigheid dat in de onderhavige procedure de commissie van beroep slechts enkele dagen vóór het bestreden besluit aan de minister "advies" heeft uitgebracht, zodat er wel degelijk sprake zou zijn van een recent advies; in de zeer specifieke procedure inzake apotheekvestigingen is het "advies" van de commissie van beroep omzeggens het besluit zelf, terwijl de verzoekende partij precies aan die adviesverlenende commissie verwijt te hebben "geadviseerd' op basis van een totaal verouderd dossier, althans wat de in te winnen onafhankelijke en onpartijdige overheidsadviezen betreft en dat geenszins op controleerbare wijze blijkt dat geoordeeld is geworden op "geactualiseerde gegevens", hetgeen zeker niet blijkt uit de omstandigheid dat de farmaceutische inspecteur werd "gehoord", nu niemand kan achterhalen wat de betrokkene toen ten gehore heeft gebracht; 2.1.2.
  24. Overwegende dat in dezen, na de nietigverklaring bij het arrest nr 72.115 van de vergunning verleend op 17 april 1989, het nieuwe, thans bestreden vergunningsbesluit genomen werd na een nieuw advies van de commissie van beroep op verslag van de farmaceutisch inspecteur; dat de in het middel aan de orde gestelde vraag is of zulks volstond en niet in feite opnieuw de hele adviesprocedure bepaald IX-1970-11/34 in artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 diende te worden overgedaan; 2.1.2.
  25. Overwegende dat in de regel, wanneer een administratieve rechtshandeling is nietigverklaard en het noodzakelijke rechtsherstel vereist dat zij wordt overgedaan, de administratieve procedure hernomen dient te worden vanaf het punt waar de vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan; dat te dezen het arrest nr. 72.115 van 2 maart 1998 de eerste vergunning heeft vernietigd wegens verkeerde toepassing door de minister van artikel 1, § 1 en § 3, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 in de mate dat hij, in tegenstelling tot de vestigingscommissie en de commissie van beroep, zonder meer de inwoners die woonachtig zijn binnen de helft van de afstand tot de dichtstbijgelegen apotheek tot de invloedssfeer van de geplande apotheek had gerekend, zonder na te gaan of het criterium “afgelegen woonkern” was vervuld; dat in het licht van dat arrest zelfs aangenomen zou kunnen worden dat geen nieuw advies van de commissie van beroep vereist was, ten minste, indien de minister niet voornemens was om een tweede maal van dat advies af te wijken; dat de zaken uiteraard anders liggen wanneer, zoals terzake de vergunningverlenende overheid, zoals het haar taak is, wat verzoeker overigens beaamt, niet alleen wenste te weten of de commissie terecht geoordeeld had dat het niet volstaat alle binnen de zogenaamde “halve afstand” wonende inwoners tot de invloedssfeer van de geplande apotheek te rekenen, maar ook hoeveel precies dat aantal redelijkerwijze zou kunnen bedragen, op grond van criteria die rekening houden met alle gekende en wettelijk toegelaten feitelijke gegevens, er tevens rekening mee houdende dat het vereiste “afgelegen woonkern” was opgeheven; 2.1.2.
  26. Overwegende dat volgens verzoeker zulks enkel mogelijk was door ook opnieuw de in artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 bedoelde adviezen in te winnen, omwille van het tijdsverloop tussen de aanvraag in 1986 en de adviesprocedures in 1986 - 1988 enerzijds en de nieuwe beslissing in 1999 anderzijds; dat verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift niet eist dat de in artikel 6 van het koninklijk besluit bedoelde apothekers opnieuw worden geconsulteerd, noch dat het advies van de vestigingscommissie opnieuw ingewonnen wordt; IX-1970-12/34 2.1.2.
  27. Overwegende vooreerst dat de commissie van beroep de aanvraagster uitgenodigd heeft om een geactualiseerd dossier samen te stellen en dit tevens mede te delen aan de farmaceutisch inspecteur; dat uit de voorgelegde stukken, inzonderheid het advies van de commissie van beroep, blijkt dat op 26 mei 1999 de tussenkomende partij en haar raadsman werden gehoord en de farmaceutisch inspecteur werd gehoord in zijn verslag en dat een geglobaliseerde conclusie werd neergelegd alsmede een bundel stavingsstukken, waaronder recente bevolkingsattesten; dat er geen reden is om niet aan te nemen dat, zoals was gevraagd, deze stukken vooraf aan de farmaceutisch inspecteur waren medegedeeld; dat zulks ook indirect werd bevestigd doordat de farmaceutisch inspecteur meende verslag te kunnen uitbrengen; dat uit haar advies tevens blijkt dat de commissie van beroep deze stukken inzag vooraleer, op 23 juni 1999, advies uit te brengen; dat hoe dan ook kan worden aangenomen dat het advies, en bijgevolg ook de bestreden beslissing die bij dat advies aansluit, steunt op geactualiseerde gegevens; dat zulks tevens blijkt uit de verwijzing naar het wijzigend koninklijk besluit van 25 maart 1999; 2.1.2.
  28. Overwegende dat, ofschoon het bestuur van oordeel had kunnen zijn dat, gelet op het verstrijken van de lange termijn sedert de reacties en adviezen ingewonnen bij de verschillende betrokken partijen en overheden, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 8 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, deze niet langer actueel zijn en dat deze met het oog op een behoorlijke voorlichting van de vergunningverlenende overheid opnieuw dienden te worden ingewonnen; dat verzoeker echter niet concreet en specifiek aantoont waarom de commissie van beroep en, desgevallend de minister, niet op basis van dit geactualiseerd dossier zoals voorgelegd door de aanvrager, met kennis van zaken en aan de hand van actuele gegevens over de toestand kon oordelen of voldaan was aan de voorwaarden om een bijkomende apotheek, op basis van artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, te vergunnen; 2.1.2.
  29. Overwegende dat het arrest nr. 59.514, FLORIZOONE, van 7 mei 1996, uitdrukkelijk vaststelt dat uit het door de tegenpartij neergelegd dossier hoegenaamd niet blijkt dat het bezwaarschrift behoorlijk werd onderzocht, waar het IX-1970-13/34 stelt dat “de regionale commissie adviseert dat al de bezwaren die in artikel 2 en artikel 3, hiervoor niet werden overgenomen, niet kunnen aanvaard worden, gezien de gegrondheid van de schikkingen van het ontwerp-gewestplan t.o.v. deze bezwaren”, en dat de verzoekende partij in die zaak terecht deed gelden dat wanneer de Raad van State een reglementair besluit vernietigt op grond van een onwettigheid begaan tijdens de voorafgaande besluitvormingsprocedure, deze procedure in beginsel overgedaan dient te worden vertrekkende van het punt waar de onwettigheid werd vastgesteld, in dat geval het door de regionale commissie van advies uit te brengen advies, maar dat zulks niet volstond omdat de regionale commissie haar advies uitgebracht had met inachtneming van de in 1973 bestaande toestand en van in 1974 ingediende bezwaarschriften, dat ter plaatse de feitelijke toestand evenwel grondig geëvolueerd was tussen 1973-1974 eensdeels, en 1985 (waarin de regionale commissie haar laatste advies heeft uitgebracht) of 1987 (waarin het bestreden besluit werd vastgesteld), anderdeels, dat de regionale commissie met deze evolutie rekening had moeten houden, en dat ook de verzoekende partij de gelegenheid had moeten krijgen haar bezwaarschrift aan te passen; dat de verzoekende partij ook verwijst naar het arrest nr. 21.384 van 11 september 1981 inzake de VZW Werkgroep voor Milieubeheer Brasschaat; 2.1.2.
  30. Overwegende dat het verlenen van een vergunning voor het openen van een voor het publiek opengestelde officina bezwaarlijk vergeleken kan worden met de vaststelling van een gewestplan dat verordenende en bindende kracht heeft; dat voorts in dezen een nieuw advies werd uitgebracht op basis van geactualiseerde maar niet fundamenteel gewijzigde gegevens, en dus ook niet enkel met inachtneming van vroegere adviezen, welke niet vergeleken kunnen worden met de bezwaarprocedure in het kader van de totstandkoming van een gewestplan; dat met andere woorden in tegenstelling tot de zaken FLORIZOONE, waar het eerste gewestplan werd vernietigd omdat geen c.q. onvoldoende rekening werd gehouden met het openbaar onderzoek, in dezen de eerste vergunning niet werd vernietigd wegens schending van artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 of het niet beantwoorden van ingediende bezwaren, voor zover al vereist, maar enkel omdat artikel 1, § 3, b, van het koninklijk besluit van 25 september1974 verkeerd werd toegepast; IX-1970-14/34 2.1.2.
  31. Overwegende dat ook de vaststelling dat de commissie van beroep uitdrukkelijk verwijst naar de gewijzigde reglementering, te weten het koninklijk besluit van 25 maart 1999 dat in artikel 1, § 1, de criteria bepaalt die erop gericht zijn een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren, de criteria 2/ - voorkomen van een te grote concentratie apotheken op een bepaalde plaats- en 3/ -het voorzien in de noden van afgelegen woonkernen- heeft geschrapt in het koninklijk besluit van 25 september 1974, niet aantoont waarom dit inhoudt dat opnieuw de in artikel 7 bedoelde adviezen zouden moeten worden ingewonnen; dat, immers, het enkel een vaststelling betreft waarvan niet is aangetoond dat zij doorslaggevend was voor het gunstig advies, hetwelk immers steunt op een rechtstreekse toepassing van artikel 1, § 3, b, dat door het koninklijk besluit van 25 maart 1999 niet werd gewijzigd, terwijl de eerdere vergunning niet werd vernietigd wegens schending van artikel 1, § § 1, 2/ en 3, en terwijl het eerdere ongunstige advies van 24 januari 1989 van de commissie van beroep steunde op het feit dat niet is bewezen dat de nieuwe apotheek de behoeften dekt van 2.000 inwoners, dat is opnieuw artikel 1, § 3, b, en niet op artikel 1, §1, 2/ of 3/; dat dit des te meer klemt nu verzoeker in zijn memorie van wederantwoord inzake het tweede middel zelf argumenteert dat het koninklijk besluit van 25 mei 1999, dat de oorspronkelijke 2 spreidingscriteria herleidt tot slechts één, namelijk de bepaling van het aantal apotheken per gemeente “zoals bepaald in de hierna volgende paragrafen” niets verandert aan die concrete regeling in de navolgende paragrafen , waaronder artikel 1, § 3, dat volgens hem geschonden zou zijn; dat overigens niet kan worden ingezien waarom de versoepeling van de vestigingscriteria aanleiding zou moeten geven tot het inwinnen van nieuwe adviezen en/of raadplegingen, nu de destijds ingewonnen adviezen ook al ongunstig waren toen de oude criteria nog golden; 2.1.2.
  32. Overwegende dat in zoverre in het middel ook de schending wordt aangevoerd van de redelijke termijn-vereiste, dit niet toegelicht wordt met andere elementen dan het feit dat, gelet op het tijdsverloop, de adviesprocedure bepaald in artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 overgedaan had moeten worden ; dat de Raad van State niet bevoegd is om uit de lange duur van de procedure af te leiden dat de betrokken overheden een fout hebben begaan welke aanleiding kan IX-1970-15/34 geven tot schadevergoeding; dat hij ook bezwaarlijk uit die lange duur kan afleiden dat dan maar nog meer formaliteiten hernomen moeten worden welke de duur van die procedure nog langer zouden rekken; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1.
  33. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 1, § 3, b, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, alsmede van de motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij in een eerste onderdeel uiteenzet dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat de dichtstbijgelegen apotheek, die zich op 2.720 m bevindt, “ongeveer 3 km” verwijderd is, aangezien een verschil van bijna 300 m, hetzij 10 % de term “ongeveer” elke betekenis ontneemt, te meer daar dit een uitzonderingsregime is dat bijgevolg strikt dient te worden geïnterpreteerd; dat volgens hem de verwijzing naar de geografische configuratie van de vestiging voorts niet pertinent noch duidelijk is om anders te concluderen, aangezien het rechtsbegrip ongeveer 3 km niet wordt beïnvloed door de aardrijkskundige configuratie van de vestiging terwijl ook het onderscheid tussen de vestiging in een stedelijk of uitgesproken landelijk gebied met verspreide bewoning, zoals in casu door de commissie van beroep vastgesteld, daarbij niet relevant is, zodat tegelijk de motivering van het bestreden besluit op dit punt niet afdoende is en ze bijgevolg de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991 schendt; dat verzoeker in een tweede onderdeel van het middel stelt dat ten onrechte wordt aanvaard dat de geplande vestiging de behoeften dekt van minstens 2.000 inwoners, dit om de volgende redenen : - de commissie schakelt het wonen binnen een bepaald willekeurig rondom de geplande officina afgebakend gebied gelijk met het vereiste van artikel 1, § 3, b, inhoudende dat er minstens 2.000 inwoners van de gemeente voor hun geneesmiddelenbevoorrading blijvend van de geplande apotheek zullen afhangen; - er wordt niet aannemelijk gemaakt waarom in een gemeente met nauwelijks 5.076 inwoners met twee apotheken, voor minstens 2.000 inwoners nood is aan een derde uitzonderingsapotheek, hetgeen noodzakelijkerwijze betekent dat voor de bestaande apotheken nog slechts een maximale behoeftenkring van 1.500 inwoners elk zal overblijven; IX-1970-16/34 - het ongunstig advies van 24 januari 1989 van de vestigingscommissie, dat wijst op de overconcentratie veroorzaakt door de geplande vestiging, de reeds verzekerde doeltreffende geneesmiddelendistributie in streekverband door de twee bestaande apotheken en twee cumulerende geneesheren en het feit dat enkel een deel van de bevolking van de omschreven invloedssfeer zich zal kunnen beroepen op de geplande vestiging aangezien een deel van de bevolking uit de drie onbelangrijke gehuchten waarop de aanvrager zich beroept zeker aangewezen blijft op de apotheken in Ruiselede zelf, dat als kleine agglomeratie een zekere aantrekkingskracht heeft, terwijl het noordelijk gebied van de invloedssfeer deel uitmaakt van de invloedszone van apotheker AMPE te Aalter (ca 586 inwoners) en ook niet bewezen is dat inwoners van de aanpalende gemeenten Wingene

(184)en Tielt
(87)niet aangewezen zouden zijn op belangrijkere bevoorradingscentra, wordt geenszins weerlegd door verwijzing naar inwonersaantallen, een op een kaart getrokken gele lijn en niet verduidelijkte geografische en verkeerstechnische criteria; minstens kan niet worden ingezien welk verkeerstechnisch element inwoners van een landelijke gemeente ertoe zou aanzetten hun geneesmiddelen bij voorkeur aan te kopen in een verafgelegen landelijke officina in plaats van in een centraal gelegen officina, te meer daar de geplande vestiging vaak slechts bereikbaar is via zeer smalle landbouwwegen die soms nauwelijks het kruisen van voertuigen toelaten; - er wordt rekening gehouden met inwoners uit aanpalende gemeenten, terwijl voor de opening van een officina enkel rekening mag worden gehouden met het bevolkingscijfer van de gemeente (art. 1, § 2), te meer daar de vestigingswetgeving luidens artikel 1, §1, tot doel heeft het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente; 2.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij wat het eerste onderdeel betreft antwoordt dat het in artikel 1, § 3, niet gaat om een streng uitzonderingsregime maar om een bepaling die de leemten wenst op te vangen welke de strikte toepassing van artikel 1, § 2, met zich brengt en dat men de afstandsvoorwaarde van ongeveer 3 km in de context moet zien en vergelijken met de afstanden van 1 en 5 km, zodat het verschil van bijna 300 m (2.720 m t.o.v. 3.000
  1. m)verwaarloosbaar is, zeker in een landelijk gebied, minstens dat dit oordeel niet kennelijk onredelijk is; dat zij stelt IX-1970-17/34 dat de appreciatie van die afstand tot de bevoegdheid behoort van het bestuur, niet van de Raad van State, die enkel een marginale redelijkheidstoetsing kan uitvoeren; dat zij inzake het tweede onderdeel antwoordt : - verzoeker baseert zich op het advies van 24 januari 1989 in plaats van op het nieuwe advies, terwijl de Raad van State uiteraard dient te toetsen aan de nieuwe gegevens; - de beslissing is niet louter gebaseerd op het feit dat de officina minstens 2.000 inwoners kan bereiken; integendeel wordt ervan uitgegaan dat de officina de behoeften dekt van minstens 2.000 inwoners, inzonderheid 3.460 inwoners zoals blijkt uit de conclusie van de aanvrager, cijfer waarover niet ernstig gediscussieerd kan worden aangezien zij gebaseerd zijn op een stratenplan, met aanduiding van de voorgestelde invloedssfeer en officiële bevolkingsattesten per straat anno 1999; - dat niet alleen wordt uitgegaan van het aantal inwoners blijkt uit het advies van de commissie van beroep hetwelk uitdrukkelijk stelt dat geografisch en verkeerstechnisch de vestiging minstens de behoeften dekt van 2.000 inwoners en hen de mogelijkheid biedt zich op een vlotte en voor hen gerieflijke wijze te bevoorraden; de verwerende partij verwijst daarbij inzonderheid naar de ligging van de wijk Klaphulle, een eigen woonkern, tussen het centrum en de parochies Doomkerke en Kruiskerke, waarbij de inwoners van Doomkerke/Kruiskerke het centrum enkel kunnen bereiken via de smalle kronkelende Bruggestraat met verkeers- en parkeerproblemen, terwijl de geplande vestiging ligt aan twee invalswegen, zijnde Wingene- en Bruggesteenweg, met ruime parking; dit zou ook gelden voor de aangeduide zones C-J; - uit het onderzoek van de in de officina ontvangen doktersvoorschriften met kleefbriefjes blijkt dat de officina wel degelijk de behoeften van deze inwoners dekt; - er mag wel degelijk rekening worden gehouden met inwoners van andere gemeenten aangezien artikel 1, § 3, niet bepaalt dat het inwoners van de specifieke gemeente moeten zijn, hetgeen trouwens strijdig zou zijn met de geest, het doel en de letter van het koninklijk besluit een behoorlijke spreiding van de apotheken ten behoeve van het publiek te realiseren; dat ook in dat verband de verwerende partij er verder op wijst dat het oordeel of een officina de behoeften dekt van minstens 2000 inwoners toekomt aan het bestuur en IX-1970-18/34 de Raad van State terzake enkel een marginaal toetsingsrecht heeft zonder zich in de plaats van het bestuur te kunnen stellen; 2.2.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij inzake het eerste onderdeel stelt dat zowel de vestigingscommissie als de commissie van beroep eerder aanvaard hadden dat aan de afstandsvoorwaarde is voldaan, dat de afstand van 2.720 m steunt op een deskundig verslag van 5 mei 1999 van een landmeter-topograaf en dat een verschil van 280 m, hetzij minder dan 10 %, ongetwijfeld ongeveer 3 km is; dat zij daarbij verwijst naar het arrest nr. 20.286, van 24 april 1980, waarin de Raad van State reeds oordeelde dat niet vereist is dat de apotheek meer dan 3 km maar enkel ongeveer 3 km van de dichtstbijzijnde apotheek verwijderd moet zijn en dat een afstand van 2820 m daarbij aanvaard werd; dat zij inzake het tweede onderdeel vooreerst betoogt dat verzoeker de bestreden beslissing verkeerd citeert wanneer hij beweert dat de commissie van beroep zonder meer zou hebben geponeerd dat er in de voorgestelde invloedssfeer minstens 2.000 inwoners gedomicilieerd zijn en dus dat de geplande vestiging zonder meer de behoeften van de inwoners dekt, aangezien de commissie thans eerst vaststelt dat in de voorgestelde invloedssfeer minstens 2.000 (in werkelijkheid 3.460) inwoners gedomicilieerd zijn blijkens officiële attesten, vervolgens nagaat of minstens 2.000 inwoners voor hun geneesmiddelenbevoorrading blijvend van de geplande vestiging zullen afhangen en dan concludeert dat dit, gelet op de geografische en verkeerstechnische ligging van de vestiging zo is en dat de geplande vestiging aan die inwoners de mogelijkheid biedt om zich op een voor hen vlotte en gerieflijke wijze te bevoorraden in geneesmiddelen; dat de tussenkomende partij ten slotte haar conclusie voor de commissie van beroep citeert, en stelt dat verzoeker ten onrechte het begrip “inwoners” in artikel 1, § 3, b, gelijkstelt met ingezetenen van de gemeente, aangezien dit daarin nergens bepaald is en ingaat tegen het wezen van het vestigingsbesluit zelf en waarbij artikel 1, § 3, juist rekening houdt met de woonkernen die de gemeentelijke grenzen overschrijden en waarin, in afwijking van artikel 1, § 2, de vestiging van een nieuwe apotheek mogelijk moet zijn teneinde een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren; dat de tussenkomende partij daarbij verwijst naar het arrest 20.803 van 12 december 1980; IX-1970-19/34 2.2.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord zijn argumentering aangaande het eerste onderdeel herhaalt; dat hij aangaande het tweede onderdeel stelt dat het cijfer van 2.000 inwoners op onwettige wijze verkregen werd, met name door de behoeftenkring te nemen onder cliënten die de onwettig geëxploiteerde officina hebben aangedaan ofschoon de behoeftenkring waarvan sprake in de wet niets te maken heeft met toevallige passanten en niet teruggevallen kan worden op een op onwettige wijze verworven klantenkring; dat dit resultaat volgens hem ook nog onwettig is doordat massaal gesteund wordt op potentiële klanten uit andere gemeenten, terwijl blijkens artikel 1, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 de vestigingswetgeving voorziet in een gemeentelijk vestigingsbeleid, wat ook geldt voor artikel 1, § 3, dat weliswaar niet naar de gemeente als dusdanig verwijst, maar de verdere uitvoering van artikel 1, § 1, wel ondubbelzinnig verwijst naar de gemeente als entiteit, welke bepalend is voor het aantal apotheken en het begrip “inwoners” gebruikt, wat noodzakelijk verwijst naar inwoners van de desbetreffende gemeente; dat verzoeker ook meent dat ten onrechte verwezen wordt naar verkeerstechnische argumenten om te zeggen dat de vergunde apotheek vanuit bepaalde streken drukker wordt bezocht dan die in het centrum : uit het bij de memorie van wederantwoord gevoegde verkeerstechnisch verslag van landmeter-expert MARCHAND van november 1999 blijkt immers dat minstens evenveel en zelfs iets meer personen van Ruiselede naar Kruiskerke en omgekeerd rijden via de Wantestraat en niet via de Bruggesteenweg en dus, wanneer ze richting Ruiselede rijden komende vanuit Kruiskerke de apotheek van tussenkomende partij niet passeren; dat verzoeker tenslotte als nieuw onderdeel van het tweede middel aanvoert dat men zich in deze ook niet kan beroepen op het koninklijk besluit van 25 maart 1999 dat de oorspronkelijke 2 spreidingscriteria herleidt tot slechts één, namelijk de bepaling van het aantal apotheken per gemeente “zoals bepaald in de hierna volgende paragrafen”, dat zijn §§ 2 en 3, aangezien aan die concrete regeling, waaronder artikel 1, § 3, dat geschonden is, niets is veranderd; dat verzoeker daarbij stelt dat immers enkel een wijziging werd gebracht aan de krachtens de wet door de Koning vastgestelde criteria om bij het uitvoeren van de opdrachtwet het door die wet beoogde doel maximaal te bereiken, terwijl niets veranderd is aan de concreet na te leven normen die niet met de criteria verward mogen worden; dat artikel 1, § 1, “dan ook als dusdanig op zich geen dwingende aanbeveling (zou bevatten) waaraan IX-1970-20/34 de bevoegde regelgever zich bij de concrete invulling van de opdrachtwet te houden heeft”; dat verzoeker voorts nog benadrukt dat het aangeven van abstracte criteria waarop bij de totstandkoming van nadere regelgeving acht zal moeten worden geslagen, behoort tot de bevoegdheid van de wetgever zelf, die niet, zonder de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet te miskennen, de Koning met de opstelling en de uitvaardiging daarvan kan gelasten; dat volgens hem het Parlement zelf in de opdrachtenwet op abstracte wijze de basiscriteria had moeten bepalen waaraan de uitvoeringsnormen zullen moeten voldoen en het die bevoegdheid niet op onbeperkte wijze aan de Koning kon delegeren zonder aan een bepaalde categorie van burgers de waarborg te ontnemen om hun rechten en verplichtingen vastgelegd te zien door een in een democratisch verkozen vergadering, wat de schending inhoudt van artikel 26 van het Verdrag voor burgerlijke en politieke rechten, hierna : BUPO; dat zo nodig volgens verzoeker daarover ook het Arbitragehof ondervraagd zou moeten worden, aangezien het tevens een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet; dat op zijn minst dit koninklijk besluit van 25 maart 1999 volgens verzoeker met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou moeten worden gelaten, aangezien het doet blijken van machtsafwending wijl het niet ingegeven is door het algemeen belang, geconcretiseerd door artikel 3 - lees 4, - § 3, 1/, vierde lid en zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, welk laatste lid zelfs een compleet moratorium invoert, contradictio in terminis met het koninklijk besluit van 25 maart 1999 dat enkel genomen is om een oplossing te vinden in een aantal netelige dossiers waarin de vergunning door de Raad van State werd vernietigd en die mitsdien de aansprakelijkheid van de Staat in het gedrang brengen; dat dit besluit volgens verzoeker ook in strijd is met artikel 3 - lees 4, - § 1, al. 4, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 78, dat de Koning opdraagt de criteria te bepalen voor de spreiding van de apotheken teneinde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenbevoorrading te verzekeren, met inachtneming van de verschillende vormen van terhandstelling; dat aldus, volgens verzoeker, de wetgever de Koning heeft opgedragen niet één enkel criterium, maar meerdere criteria te bepalen, terwijl door de schrapping van artikel 1, § 1, 2/ en 3/, door het koninklijk besluit van 25 maart 1999 nog slechts één criterium overblijft; dat volgens hem het trouwens voor IX-1970-21/34 de hand ligt dat wanneer één algemeen criterium volstond, de wetgever dit wel zelf zou hebben bepaald en de Koning dit initieel trouwens ook zelf zo zou hebben begrepen door drie criteria te bepalen terwijl, door deze thans te beperken tot één, de opdrachtenwet miskend is; 2.2.1.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie opwerpt dat de kritiek op de wettigheid van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 in feite een nieuw middel is en als zodanig onontvankelijk, aangezien het niet in het verzoekschrift tot nietigverklaring werd opgeworpen, alhoewel verzoeker er dan reeds kennis van kon hebben; 2.2.1.6. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie een aantal beschouwingen wijdt aan de plicht tot uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen zoals ingesteld door de wet van 29 juli 1991, welke hij terzake als weinig relevant lijkt te beschouwen; dat hij vervolgens wat betreft het vereiste van “ongeveer 3 km” betwist dat het hier om een louter feitelijke kwestie zou gaan waar de Raad van State enkel kan in optreden wanneer de concreet gemaakte beoordeling kennelijk onredelijk is; dat volgens hem er vooreerst ten onrechte van uitgegaan wordt dat de afstand inderdaad 2.720 m bedraagt, ofschoon het een uitsluitend door de tussenkomende partij aangebracht gegeven betreft dat zonder eigen onderzoek voor waar werd aangenomen, terwijl verzoeker bij zijn memorie van wederantwoord een verkeerstechnisch verslag heeft gevoegd, waarin besloten wordt tot een afstand van slechts 2.670 m, net zoals in het verslag van de tussenkomende partij gemeten volgens de zogenaamde wieltjesmethode, weze een verschil van heel wat meer dan 10 %, norm die in de vergunningspraktijk van de vestigingscommissie en van de commissie van beroep steeds als maximaal aannemelijk wordt gehanteerd; dat verzoeker verklaart dat hij de afstand ook nog heeft laten opmeten volgens de zogenaamde coördinatiemethode, waaruit blijkt dat de afstand zelfs maar exact 2.655,40 m is en dat dus niet alleen uitgegaan werd van verkeerde feiten - het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden, maar ook het begrip "ongeveer 3 km" van artikel 1, §3, b, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 geweld werd aangedaan; dat verzoeker wat de behoeftendekking IX-1970-22/34 van 2.000 inwoners betreft vaststelt dat de commissie van beroep tot haar oordeel is gekomen alleen op grond van niet eens nader gepreciseerde inwonersaantallen met betrekking tot een met een gele lijn op een kaart afgebakend gebied, van een derwijze "geografisch en verkeerstechnisch" begrepen vestiging dat zij minstens de behoeften van 2.000 inwoners dekt; dat hij daarbij opmerkt dat het betoog van het bevoegde lid van het auditoraat geheel steunt op gegevens geput uit het administratief dossier, waarvan derden belanghebbenden uiteraard geen kennis hebben doch enkel kunnen afgaan op de motieven en vaststellingen die in de bestreden akte zelf voorkomen, terwijl niet alleen uit de wet en de algemene rechtsbeginselen, maar ook uit een overvloedige rechtsspraak van de Raad van State volgt dat geen acht mag worden geslagen op feitelijke en juridisch gegevens die slechts in de loop van de debatten worden aangereikt; dat verzoeker ook zijn illegaliteitsexceptie handhaaft, welke hij als van openbare orde beschouwt; dat hij wat dat betreft uiteenzet dat artikel 4, § 3, 1°, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 onmiskenbaar een blanco delegatie aan de uitvoerende macht bevat, dat de opdracht die aan de Koning wordt gegeven enkel naar zijn doel wordt omschreven, doch geenszins naar de middelen, welk doel omschreven wordt in de voorbereidende werken en de memorie van toelichting; dat volgens hem de Koning toelaten op om het even welke wijze een door de wet nagestreefd doel te bereiken, neerkomt op een blanco-opdrachtwet, onverenigbaar met ons constitutioneel systeem; dat verzoeker dan ook voorstelt om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen; 2.2.2.1. Overwegende dat de terzake relevante bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zoals het van toepassing was op het tijdstip dat de bestreden beslissing genomen werd, luidden als volgt : “§ 1. De criteria die erop gericht zijn een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren zijn : 1. het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente, zoals bepaald in de hiernavolgende paragrafen; § 2. Naargelang het bevolkingscijfer van de gemeente : (...) - minder dan 7.500 inwoners bedraagt, mag het aantal voor het publiek opengestelde apotheken niet hoger zijn dan het quotiënt van de deling van het totaal aantal inwoners door respectievelijk : IX-1970-23/34 (...) - 2.000 (....)
  2. b)(...). § 3. In afwijking van het bepaalde in § 2 mag de vestiging van een bijkomende apotheek worden toegestaan :
  3. a)(...)
  4. b)indien de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 3 km bevindt van de geplande apotheek en indien deze laatste de behoeften dekt van 2.000 inwoners; c)(...)”. dat bij het koninklijk besluit van 25 maart 1999 de criteria overconcentratie en afgelegen woonkern, in artikel 1, § 1, 2/ en 3/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, welke nog van toepassing waren toen de bij arrest nr. 72.115 van 2 maart 1998 vernietigde vergunning werd verleend, intussen zijn geschrapt; 2.2.2.2. Overwegende dat niet wordt betwist dat in Ruiselede geen nieuwe apotheek kon worden vergund op basis van het algemeen demografisch criterium van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974; dat de nieuwe apotheek derhalve enkel vergund kon worden op basis van artikel 1, § 3, b, van het voornoemde koninklijk besluit, aan welks beide voorwaarden volgens het bestreden besluit zou zijn voldaan, te weten, de afstandsvoorwaarde van ongeveer 3 km tot de dichtstbij- gelegen apotheek alsmede de voorwaarde dat de nieuwe apotheek de behoeften dekt van minstens 2.000 inwoners; dat volgens verzoeker zulks daarentegen niet het geval is, en dit wat beide voorwaarden betreft; 2.2.2.3. Overwegende dat vooraf moet worden opgemerkt dat het de Raad van State niet toekomt zich bij het beantwoorden van de vraag of de voorwaarden van artikel 1, § 3, b, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 vervuld zijn in de plaats te stellen van de vergunningverlenende overheid; dat, belast met de wettelijkheidscontrole, hij enkel moet nagaan of de overheid deze beoordeling op redelijke en in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan; dat wat dat laatste betreft te dezen derhalve de vraag rijst of het bestuur op grond van de vastgestelde feiten redelijkerwijze kon oordelen dat de geplande officina op ongeveer 3 km ligt van de IX-1970-24/34 dichtstbijgelegen apotheek (eerste onderdeel) en de behoeften dekt van minstens 2.000 inwoners (tweede onderdeel); 2.2.2.4. Overwegende wat het eerste onderdeel betreft, de afstandsvoorwaarde in artikel 1, § 3, dat een verschil zoals in dezen tussen 2.720 m en 3 km die als “ongeveer” worden gekarakteriseerd, en dus niet meer bedraagt dan 10 pct met de voorgeschreven afstand, niet als onredelijk kan worden beschouwd; dat verzoeker voor het eerst in zijn memorie van antwoord de juistheid van de precieze afstand van 2.720 m heeft betwist en hij pas in zijn laatste memorie een beroep doet op een andere methode van meten om deze nog verder te beperken; dat hij hiermee een nieuw middel aanvoert of althans aan het eerste onderdeel van zijn middel een bijkomende draagwijdte heeft, wat hij reeds had kunnen doen in zijn inleidend verzoekschrift; dat, immers, de commissie van beroep in haar advies, waarvan verzoeker kennis had, uitdrukkelijk aangenomen had dat de afstand tot de dichtstbijgelegen apotheek 2.720 m bedroeg; dat het eerste onderdeel van het middel niet kan worden aangenomen; 2.2.2.5. Overwegende dat wat betreft het tweede onderdeel, het dekken van de behoeften van minstens 2.000 inwoners, verzoeker ten onrechte stelt dat het advies van de commissie van beroep, en dus ook de bestreden beslissing die zich erbij aansluit, de inwoners van de invloedssfeer zonder meer gelijkstelt met inwoners die aangewezen zullen blijven op de geplande apotheek; dat, immers, de commissie eerst verwijst naar de door de tussenkomende partij voorgelegde bevolkingsattesten van de door deze op een kaart aangeduide invloedssfeer en vervolgens concludeert dat geografisch en verkeerstechnisch gezien de ligging van de geplande apotheek zo is dat de geplande apotheek de behoeften dekt van minstens 2.000 inwoners en hen de mogelijkheid biedt zich op een vlotte en gerieflijke wijze te bevoorraden; dat ofschoon, in tegenstelling tot hetgeen verwerende partij poneert, het misschien niet zo evident is dat alle geclaimde 3.460 inwoners effectief aangewezen zijn op de geplande apotheek, verzoeker niet aantoont dat de invloedszone kennelijk onredelijk is, op zijn minst niet dat het kennelijk onredelijk was te oordelen dat minstens 2.000 inwoners uit die zone aangewezen zullen zijn op de nieuwe apotheek; dat de grotere nabijheid bij de geplande vestiging daarvoor niet het enige gegeven vormt, maar ze ook niet buiten beschouwing mag worden gelaten IX-1970-25/34 en in principe het belangrijkste gegeven vormt, in acht genomen dat de uitzonderingsregel welke te dezen van toepassing is mede op dat gegeven gesteund is; dat daarbij ook rekening dient te worden gehouden met natuurlijke hindernissen of andere gegevens welke van die aard zijn dat zelfs bewoners van straten die dichter bij een bestaande apotheek zijn gelegen toch meer aangewezen zijn op een geplande apotheek of omgekeerd; 2.2.2.6. Overwegende dat te dezen niet blijkt dat de invloedssfeer louter werd bepaald op basis van de afstand of van de helft ervan; dat de tussenkomende partij, daarin gevolgd door de commissie van beroep en de bestreden beslissing, rekening hield met de volgende gegevens : - de ligging van de geplande apotheek in de wijk Klaphulle, een woonkern met een aantal winkels, tussen de wijken Doomkerke en Kruiskerke en het centrum, blijkens de foto’s in het administratief dossier bestaande uit smalle kronkelende straten met verkeers- en parkeerproblemen, terwijl de geplande apotheek ligt aan een kruispunt van twee invalswegen en een eigen parking heeft; dit dekt volledig de zones A-C, hetzij -thans- 1.691 inwoners; - om dezelfde reden is aannemelijk dat ook een aantal inwoners van de andere zones - met in totaal bijna 2.000 inwoners, aangewezen zal zijn op de geplande apotheek; gelet op de ligging van die geplande apotheek (m.n. t.o.v. zones D en E), de attesten van de burgemeester van Tielt (i.v.m. zone F), de ligging van de apotheken AMPE en TAVERNIER in Aalter, enkel bereikbaar via een smalle deels onverlichte eenvaksbaan door bossen en de apotheek TAVERNIER aan de overzijde van de autostrade Brussel-Antwerpen (i.v.m. zone D en J) en de ligging aan de doorgangsweg Wingenesteenweg (i.v.m. zone G-I) blijkt niet waarom het kennelijk onredelijk is aan te nemen dat daarvan minstens iets meer dan 300 aangewezen zullen zijn op de nieuwe apotheek; dat de verwijzing naar de geografische en verkeerstechnische aspecten van de ligging van de nieuwe apotheek, die samen gelezen dient te worden met een verwijzing naar de ligging buiten het centrum in de wijk Klaphulle, buiten de woonkernen van de andere gemeenten en de afstanden tot de dichtstbijgelegen apotheken, dan ook afdoende motieven vormen die niet kennelijk worden tegengesproken door het thans voorgelegde IX-1970-26/34 verkeerstechnisch rapport; dat, zelfs indien zoals in dat verslag aangenomen zou worden dat evenveel of zelf meer personen de Wantestraat gebruiken om van Kruiskerke naar Ruiselede te gaan en omgekeerd dan de Brugsesteenweg, en dus vanuit Ruiselede niet de nieuwe officina passeren, zulks immers niet de vaststelling belet dat de nieuwe officina dichter bij Kruiskerke ligt; dat om die reden alleen het niet onredelijk is te oordelen dat die inwoners veeleer op de nieuwe vestiging aangewezen zullen zijn dan op bestaande officina’s in het centrum van Ruiselede, afgezien van de vraag welke weg ze naar of van Ruiselede nemen; dat evenmin blijkt dat in die beoordeling op doorslaggevende wijze met “passanten” rekening zou zijn gehouden en niet met inwoners van de aangenomen invloedssfeer, waarbij dat laatste begrip verwijst naar personen die een vast verblijf hebben in een wijk of op een plaats in de omgeving van de geplande apotheek zodat ze in de regel hun geneesmiddelen in die apotheek kopen, met uitsluiting van bijvoorbeeld bewoners van weekendverblijven en vakantiegangers; dat de voorgelegde geactualiseerde stukken immers door de gemeente geattesteerde cijfers over inwoners van straten betreffen; 2.2.2.7. Overwegende dat, in tegenstelling tot artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, dat naar de gemeente verwijst, artikel 1, § 3, geen dergelijke beperking bevat; dat zoals de Raad van State in vroegere arresten reeds heeft geoordeeld, in geval van toepassing van artikel 1, § 3, geen rekening dient gehouden te worden met de bestuurlijke grenzen van de gemeente; dat verzoekers argumenten niet volstaan om thans van die rechtspraak af te wijken; dat weliswaar artikel 1, § 3, meer aansloot bij artikel 1, § 1, 2/ en 3/, respectievelijk het voorkomen van een te grote concentratie van apotheken op een bepaalde plaats en het voorzien in de noden van afgelegen woonkernen, en die criteria thans zijn geschrapt, zodat in artikel 1, § 1, nog enkel wordt verwezen naar het beperken van het aantal apotheken per gemeente, zulks niet volstaat om anders te oordelen, te meer daar volgens artikel 4, § 3, 1/, van het koninklijk besluit nr. 78, de criteria voor de vestiging die de Koning diende te bepalen erop gericht dienen te zijn de spreiding van de apotheken te organiseren teneinde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren, met inachtneming van de verschillende vormen van terhandstelling; dat derhalve geen IX-1970-27/34 onwettigheid schuilt in het feit dat het bestreden besluit ook rekening hield met de behoefte aan geneesmiddelen van inwoners van andere gemeenten; dat overigens, ook al zouden de betrokken inwoners of een gedeelte ervan, blijkens de samenvattende conclusie van de tussenkomende partij samen 976 inwoners, niet in aanmerking genomen worden, ook zonder dat aantal voldaan zou zijn aan het vereiste van 2.000 inwoners; 2.2.2.8. Overwegende dat voor zover verzoeker stelt dat het volstrekt onredelijk is in een gemeente met nauwelijks 5.000 inwoners aan een zogenaamde “buitenofficina” een invloedssfeer van minstens 2.000 inwoners toe te kennen, hij voorbijgaat aan het feit dat die invloedssfeer ook delen van andere gemeenten betreft; dat het weigeren van een vergunning voor een vestiging in een gebied waarvan is uitgemaakt dat het de noden heeft eigen aan een afgelegen woonkern, niet wettig kan gebeuren om de reden dat de invloedssfeer van een elders bestaande vestiging daardoor ontoereikend wordt; dat een dergelijk motief er immers op gericht zou zijn de invloedssfeer van die vestiging kunstmatig op peil te houden, terwijl de commerciële leefbaarheid van bestaande apotheken geen doelstelling is van de wet; dat het de tussenkomende partij niet ten kwade kan worden geduid dat de bestaande apotheken in de gemeente geconcentreerd zijn in het centrum; 2.2.2.9. Overwegende, voor zover verzoeker stelt dat het onwettig is een behoeftenkring te nemen onder de cliënten die haar onwettig geëxploiteerde officina hebben aangedaan, dat niet blijkt dat de aanvrager de invloedssfeer heeft bepaald in functie van klanten; dat het onderzoek naar de oorsprong van geneesmiddelenvoorschriften subsidiair werd voorgelegd, maar wel op basis van geografische en verkeerstechnische aspecten van de ligging van de nieuwe apotheek, waaronder de ligging buiten het centrum in de wijk Klaphulle, buiten de woonkernen van de andere gemeenten, de afstanden tot de dichtstbijgelegen apotheken, de bereikbaarheid en parkeermogelijkheid, zijnde motieven waarmee wettig rekening gehouden kan worden; dat zoals reeds vermeld, ook niet blijkt dat het daarbij zou gaan om toevallige passanten; IX-1970-28/34 2.2.2.10. Overwegende dat de conclusie uit wat voorafgaat tevens inhoudt dat de aangevoerde schending van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel niet gegrond is; dat immers niet blijkt dat de terzake ingeroepen schending een andere inhoud heeft dan de beweerde schending van artikel 1, § 3, b, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 en dat, in de mate dat verzoeker ook de formele motiveringsplicht zou ingeroepen hebben, hij daarbij geen belang heeft aangezien hij de motieven zelf heeft betwist; 2.2.3.1. Overwegende dat verzoeker voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord bijkomend stelt dat geen beroep kan worden gedaan op het koninklijk besluit van 25 maart 1999, dat de oorspronkelijke twee spreidingscriteria herleidt tot slechts één, enerzijds omdat enkel een wijziging werd aangebracht aan de krachtens de wet door de Koning vastgestelde criteria om bij het uitvoeren van de opdrachtwet het door die wet beoogde doel maximaal te bereiken, terwijl niets veranderd is aan de concreet na te leven normen die niet met de criteria verward mogen worden, anderzijds omdat de Koning daarbij de Hem door de wetgever verleende opdracht te buiten is gegaan en het betrokken koninklijk besluit door de Raad van State niet mag worden toegepast zoals bepaald in artikel 159 van de Grondwet; dat verzoeker het koninklijk besluit van 25 maart 1999 ook ervan beticht met machtsafwending genomen te zijn, meer bepaald louter met de bedoeling tussen te komen in een aantal hangende dossiers; dat daarbij de vraag gerezen is of dat middel van onwettigheid in elke stand van het geding kan worden opgeworpen; dat die vraag in dezen onbeantwoord kan blijven aangezien, zoals hierna blijkt, het middel in geen van zijn onderdelen aangenomen kan worden; 2.2.3.2. Overwegende wat de aangevoerde machtsafwending betreft, dat verzoeker niet aantoont dat de steller van het voormelde koninklijk besluit zijn tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang toegekende bevoegdheid uitsluitend of voornamelijk zou hebben uitgeoefend ter behartiging van een ander belang dan dat waarvoor die bevoegdheid werd toegekend, namelijk genomen zou zijn om tussen te komen in een aantal netelige concrete dossiers; dat hij geen overeenstemmende gegevens aanbrengt die aannemelijk maken dat het bestuur zijn bevoegdheid met dat IX-1970-29/34 oogmerk heeft aangewend; dat louter beweringen daarvoor niet volstaan; dat overigens de wijziging van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 door het koninklijk besluit van 25 maart 1999 voor alle huidige en toekomstige aanvragen geldt, zodat niet zeker is dat zij uitsluitend tot doel had bepaalde - bestaande - dossiers op te lossen; dat niet wordt aangetoond waarom de Koning niet, zonder dat er sprake is van machtsafwending, van oordeel kon zijn dat de geschrapte criteria niet meer noodzakelijk zijn met het oog op een adequate distributie van geneesmiddelen, doelstelling vermeld in artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, volgens welk de Koning na het advies te hebben ingewonnen van de meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties, de criteria bepaalt die erop gericht zijn een spreiding van de apotheken te organiseren teneinde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenbevoorrading te verzekeren, met inachtneming van de verschillende vormen van terhandstelling; 2.2.3.3. Overwegende dat verzoeker ook niet aantoont dat het koninklijk besluit van 25 maart 1999 geen rechtsgrond kan vinden in artikel 4, § 1, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, zoals dan geldend; dat voor de opening, de overbrenging of de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken krachtens artikel 4, § 3, 1/, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 een vergunning vereist is; dat de Koning bepaalt op grond waarvan deze wordt verleend; dat die criteria erop gericht moeten zijn een spreiding van de apotheken te organiseren, teneinde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren, met inachtneming van de verschillende vormen van terhandstelling (artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78); dat de wetgever de Koning geen nadere richtlijnen voorschreef aan de hand waarvan Hij de Hem toevertrouwde bevoegdheid diende uit te oefenen, inzonderheid niet wat betreft het criterium “afgelegen woonkern”; dat het koninklijk besluit van 25 maart 1999 enkel strekte tot de opheffing van artikel 1, § 1, 2/ en 3/, waardoor het voorkomen van een te grote concentratie van apotheken thans geen uitdrukkelijk criterium meer is; dat bij het onderzoek van een vergunningsaanvraag IX-1970-30/34 evenmin afzonderlijk rekening gehouden zal moeten worden met de noden van een "afgelegen woonkern"; dat daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel dat er voor elke gemeente in principe een maximum aantal apotheken is, noch aan de toegestane afwijkingen daarvan die gericht zijn op de behoeften van een welbepaald aantal inwoners en die vooral tot doel hebben het wettelijk gestelde oogmerk van een voldoende spreiding van de apotheken te realiseren, welk oogmerk eveneens kan worden bereikt zonder dat een te grote concentratie wordt tegengegaan -iets wat verzoeker overigens bezwaarlijk kan inroepen- of zonder dat een beroep moet worden gedaan op het -eerder vage en tot betwistingen aanleiding gevende- begrip afgelegen woonkern”; dat zodoende de Koning, zoals vermeld belast met het bepalen van de criteria voor spreiding van apotheken met het oog op een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening, ook met het koninklijk besluit van 25 maart 1999 binnen de grenzen gebleven is welke artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 aan zijn optreden gesteld heeft; dat voorts de omstandigheid dat in het zevende lid van dat artikel 4, § 3, 1/, van het koninklijk besluit nr. 78 een compleet moratorium zou zijn ingesteld, wat volgens verzoeker strijdig is met het koninklijk besluit van 25 maart 1999, daarbij niet tot een andere conclusie leidt; dat vooreerst al niet wordt aangetoond waarom binnen dit door de Koning eventueel bepaald maximum aantal apotheken en periode waarbinnen aanvragen of hernieuwde aanvragen kunnen worden ingediend, het koninklijk besluit van 25 september 1974, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 1999, niet zou kunnen worden toegepast; 2.2.3.4. Overwegende tenslotte wat het argument betreft dat de wetgever, door aan de Koning de bevoegdheid te delegeren om op onbeperkte wijze abstracte criteria te bepalen zonder eerst zelf op abstracte wijze de basiscriteria te bepalen waaraan de uitvoeringsnormen zullen moeten voldoen, de artikelen 33,105 en 108 van de Grondwet en artikel 26 van het BUPO geschonden zou hebben, evenals de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dat kan worden vastgesteld dat artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 78, dat initieel is genomen op basis van de wet van 31 maart 1967 tot toekenning van bepaalde machten aan de Koning teneinde de economische heropleving, de bespoediging van de regionale reconversie en de stabilisatie van het begrotingsevenwicht te verzekeren, werd vervangen bij de wet van 17 december 1973 IX-1970-31/34 en dat de vanaf dan geldende tekst van artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, de rechtsgrond vormde voor het koninklijk besluit van 25 maart 1999; dat het de Raad van State niet toekomt artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, bepaling welke kracht van wet heeft, te toetsen aan de Grondwet; dat enkel het Arbitragehof daartoe bevoegd is binnen de grenzen bepaald in artikel 142, tweede lid, van de Grondwet, zoals thans uitgevoerd in artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003; dat aldus het Hof het bij wet bekrachtigde koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 kan toetsen aan de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, wat terzake niet relevant is, en, sinds de bijzondere wet van 9 maart 2003, aan de bepalingen van titel II en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet; dat enkel de artikelen 10 en 11 -het grondwettelijk gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel- door verzoeker ook worden aangehaald, in combinatie overigens met de artikelen welke de bevoegdheid van de uitvoerende macht regelen; dat het Arbitragehof de wet niet rechtstreeks kan toetsen aan die laatste ingeroepen bepalingen, namelijk de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, noch aan artikel 26 van het BUPO; dat voor zover het Arbitragehof zich bevoegd zou kunnen achten om die laatste bepalingen te betrekken bij zijn toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de Raad van State eventueel een prejudiciële vraag dienaangaande zou kunnen stellen aan het Arbitragehof, daarvoor niettemin vereist is dat in hoofdorde een uit de wet voortvloeiende discriminatie of ongelijke behandeling wordt aangeklaagd; dat zoals het Arbitragehof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 54/2000, van 17 mei 2000, het daarvoor niet volstaat dat de klager zich gediscrimineerd of ongelijk behandeld voelt, maar dat hij ook een pertinente vergelijking moet maken met een in gelijkaardige omstandigheden verkerende categorie van personen aan wie een bepaalde grondwettelijke waarborg niet wordt ontnomen, in dezen de regeling van een aangelegenheid door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering; dat verzoeker dat niet doet; dat, omgekeerd, vaststellende dat de huidige wetgever in heel veel aangelegenheden een groot, zo niet het grootste deel van zijn bevoegdheden delegeert aan de uitvoerende macht, de Raad van State ook niet evident kan vaststellen dat de delegatie welke verzoeker ongrondwettig acht op dat stuk uitzonderlijk is; dat verzoeker in dezen vooral IX-1970-32/34 de schending in het algemeen aanvoert van de uit de Grondwet voortvloeiende taakverdeling tussen wetgever en uitvoerende macht in de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet en hij, enkel omdat dit de enige manier lijkt om de kwestieuze wetsbepaling aan die grondwetsbepalingen te toetsen, daarbij de artikelen 10 en 11 betrekt; dat er dan ook geen grond is om terzake een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; 2.2.3.5. Overwegende dat ook het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van de gedwongen tussenkomst van Myriam VERHAEGHE in het administratief kort geding, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee mei 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. IX-1970-33/34 De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1970-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.025 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.84.440 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.