id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.025 Rolnummer: A. 86023/IX-1970 Zaak: Arrest 144025 - - 02/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 04:20 Fiche Arrest nr 144.025 van 2 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.025 van 2 mei 2005 in de zaak A. 86.023/IX-
(87)niet aangewezen zouden zijn op belangrijkere bevoorradingscentra, wordt geenszins weerlegd door verwijzing naar inwonersaantallen, een op een kaart getrokken gele lijn en niet verduidelijkte geografische en verkeerstechnische criteria; minstens kan niet worden ingezien welk verkeerstechnisch element inwoners van een landelijke gemeente ertoe zou aanzetten hun geneesmiddelen bij voorkeur aan te kopen in een verafgelegen landelijke officina in plaats van in een centraal gelegen officina, te meer daar de geplande vestiging vaak slechts bereikbaar is via zeer smalle landbouwwegen die soms nauwelijks het kruisen van voertuigen toelaten; - er wordt rekening gehouden met inwoners uit aanpalende gemeenten, terwijl voor de opening van een officina enkel rekening mag worden gehouden met het bevolkingscijfer van de gemeente (art. 1, § 2), te meer daar de vestigingswetgeving luidens artikel 1, §1, tot doel heeft het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente; 2.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij wat het eerste onderdeel betreft antwoordt dat het in artikel 1, § 3, niet gaat om een streng uitzonderingsregime maar om een bepaling die de leemten wenst op te vangen welke de strikte toepassing van artikel 1, § 2, met zich brengt en dat men de afstandsvoorwaarde van ongeveer 3 km in de context moet zien en vergelijken met de afstanden van 1 en 5 km, zodat het verschil van bijna 300 m (2.720 m t.o.v. 3.000
- m)verwaarloosbaar is, zeker in een landelijk gebied, minstens dat dit oordeel niet kennelijk onredelijk is; dat zij stelt IX-1970-17/34 dat de appreciatie van die afstand tot de bevoegdheid behoort van het bestuur, niet van de Raad van State, die enkel een marginale redelijkheidstoetsing kan uitvoeren; dat zij inzake het tweede onderdeel antwoordt : - verzoeker baseert zich op het advies van 24 januari 1989 in plaats van op het nieuwe advies, terwijl de Raad van State uiteraard dient te toetsen aan de nieuwe gegevens; - de beslissing is niet louter gebaseerd op het feit dat de officina minstens 2.000 inwoners kan bereiken; integendeel wordt ervan uitgegaan dat de officina de behoeften dekt van minstens 2.000 inwoners, inzonderheid 3.460 inwoners zoals blijkt uit de conclusie van de aanvrager, cijfer waarover niet ernstig gediscussieerd kan worden aangezien zij gebaseerd zijn op een stratenplan, met aanduiding van de voorgestelde invloedssfeer en officiële bevolkingsattesten per straat anno 1999; - dat niet alleen wordt uitgegaan van het aantal inwoners blijkt uit het advies van de commissie van beroep hetwelk uitdrukkelijk stelt dat geografisch en verkeerstechnisch de vestiging minstens de behoeften dekt van 2.000 inwoners en hen de mogelijkheid biedt zich op een vlotte en voor hen gerieflijke wijze te bevoorraden; de verwerende partij verwijst daarbij inzonderheid naar de ligging van de wijk Klaphulle, een eigen woonkern, tussen het centrum en de parochies Doomkerke en Kruiskerke, waarbij de inwoners van Doomkerke/Kruiskerke het centrum enkel kunnen bereiken via de smalle kronkelende Bruggestraat met verkeers- en parkeerproblemen, terwijl de geplande vestiging ligt aan twee invalswegen, zijnde Wingene- en Bruggesteenweg, met ruime parking; dit zou ook gelden voor de aangeduide zones C-J; - uit het onderzoek van de in de officina ontvangen doktersvoorschriften met kleefbriefjes blijkt dat de officina wel degelijk de behoeften van deze inwoners dekt; - er mag wel degelijk rekening worden gehouden met inwoners van andere gemeenten aangezien artikel 1, § 3, niet bepaalt dat het inwoners van de specifieke gemeente moeten zijn, hetgeen trouwens strijdig zou zijn met de geest, het doel en de letter van het koninklijk besluit een behoorlijke spreiding van de apotheken ten behoeve van het publiek te realiseren; dat ook in dat verband de verwerende partij er verder op wijst dat het oordeel of een officina de behoeften dekt van minstens 2000 inwoners toekomt aan het bestuur en IX-1970-18/34 de Raad van State terzake enkel een marginaal toetsingsrecht heeft zonder zich in de plaats van het bestuur te kunnen stellen; 2.2.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij inzake het eerste onderdeel stelt dat zowel de vestigingscommissie als de commissie van beroep eerder aanvaard hadden dat aan de afstandsvoorwaarde is voldaan, dat de afstand van 2.720 m steunt op een deskundig verslag van 5 mei 1999 van een landmeter-topograaf en dat een verschil van 280 m, hetzij minder dan 10 %, ongetwijfeld ongeveer 3 km is; dat zij daarbij verwijst naar het arrest nr. 20.286, van 24 april 1980, waarin de Raad van State reeds oordeelde dat niet vereist is dat de apotheek meer dan 3 km maar enkel ongeveer 3 km van de dichtstbijzijnde apotheek verwijderd moet zijn en dat een afstand van 2820 m daarbij aanvaard werd; dat zij inzake het tweede onderdeel vooreerst betoogt dat verzoeker de bestreden beslissing verkeerd citeert wanneer hij beweert dat de commissie van beroep zonder meer zou hebben geponeerd dat er in de voorgestelde invloedssfeer minstens 2.000 inwoners gedomicilieerd zijn en dus dat de geplande vestiging zonder meer de behoeften van de inwoners dekt, aangezien de commissie thans eerst vaststelt dat in de voorgestelde invloedssfeer minstens 2.000 (in werkelijkheid 3.460) inwoners gedomicilieerd zijn blijkens officiële attesten, vervolgens nagaat of minstens 2.000 inwoners voor hun geneesmiddelenbevoorrading blijvend van de geplande vestiging zullen afhangen en dan concludeert dat dit, gelet op de geografische en verkeerstechnische ligging van de vestiging zo is en dat de geplande vestiging aan die inwoners de mogelijkheid biedt om zich op een voor hen vlotte en gerieflijke wijze te bevoorraden in geneesmiddelen; dat de tussenkomende partij ten slotte haar conclusie voor de commissie van beroep citeert, en stelt dat verzoeker ten onrechte het begrip “inwoners” in artikel 1, § 3, b, gelijkstelt met ingezetenen van de gemeente, aangezien dit daarin nergens bepaald is en ingaat tegen het wezen van het vestigingsbesluit zelf en waarbij artikel 1, § 3, juist rekening houdt met de woonkernen die de gemeentelijke grenzen overschrijden en waarin, in afwijking van artikel 1, § 2, de vestiging van een nieuwe apotheek mogelijk moet zijn teneinde een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren; dat de tussenkomende partij daarbij verwijst naar het arrest 20.803 van 12 december 1980; IX-1970-19/34 2.2.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord zijn argumentering aangaande het eerste onderdeel herhaalt; dat hij aangaande het tweede onderdeel stelt dat het cijfer van 2.000 inwoners op onwettige wijze verkregen werd, met name door de behoeftenkring te nemen onder cliënten die de onwettig geëxploiteerde officina hebben aangedaan ofschoon de behoeftenkring waarvan sprake in de wet niets te maken heeft met toevallige passanten en niet teruggevallen kan worden op een op onwettige wijze verworven klantenkring; dat dit resultaat volgens hem ook nog onwettig is doordat massaal gesteund wordt op potentiële klanten uit andere gemeenten, terwijl blijkens artikel 1, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 de vestigingswetgeving voorziet in een gemeentelijk vestigingsbeleid, wat ook geldt voor artikel 1, § 3, dat weliswaar niet naar de gemeente als dusdanig verwijst, maar de verdere uitvoering van artikel 1, § 1, wel ondubbelzinnig verwijst naar de gemeente als entiteit, welke bepalend is voor het aantal apotheken en het begrip “inwoners” gebruikt, wat noodzakelijk verwijst naar inwoners van de desbetreffende gemeente; dat verzoeker ook meent dat ten onrechte verwezen wordt naar verkeerstechnische argumenten om te zeggen dat de vergunde apotheek vanuit bepaalde streken drukker wordt bezocht dan die in het centrum : uit het bij de memorie van wederantwoord gevoegde verkeerstechnisch verslag van landmeter-expert MARCHAND van november 1999 blijkt immers dat minstens evenveel en zelfs iets meer personen van Ruiselede naar Kruiskerke en omgekeerd rijden via de Wantestraat en niet via de Bruggesteenweg en dus, wanneer ze richting Ruiselede rijden komende vanuit Kruiskerke de apotheek van tussenkomende partij niet passeren; dat verzoeker tenslotte als nieuw onderdeel van het tweede middel aanvoert dat men zich in deze ook niet kan beroepen op het koninklijk besluit van 25 maart 1999 dat de oorspronkelijke 2 spreidingscriteria herleidt tot slechts één, namelijk de bepaling van het aantal apotheken per gemeente “zoals bepaald in de hierna volgende paragrafen”, dat zijn §§ 2 en 3, aangezien aan die concrete regeling, waaronder artikel 1, § 3, dat geschonden is, niets is veranderd; dat verzoeker daarbij stelt dat immers enkel een wijziging werd gebracht aan de krachtens de wet door de Koning vastgestelde criteria om bij het uitvoeren van de opdrachtwet het door die wet beoogde doel maximaal te bereiken, terwijl niets veranderd is aan de concreet na te leven normen die niet met de criteria verward mogen worden; dat artikel 1, § 1, “dan ook als dusdanig op zich geen dwingende aanbeveling (zou bevatten) waaraan IX-1970-20/34 de bevoegde regelgever zich bij de concrete invulling van de opdrachtwet te houden heeft”; dat verzoeker voorts nog benadrukt dat het aangeven van abstracte criteria waarop bij de totstandkoming van nadere regelgeving acht zal moeten worden geslagen, behoort tot de bevoegdheid van de wetgever zelf, die niet, zonder de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet te miskennen, de Koning met de opstelling en de uitvaardiging daarvan kan gelasten; dat volgens hem het Parlement zelf in de opdrachtenwet op abstracte wijze de basiscriteria had moeten bepalen waaraan de uitvoeringsnormen zullen moeten voldoen en het die bevoegdheid niet op onbeperkte wijze aan de Koning kon delegeren zonder aan een bepaalde categorie van burgers de waarborg te ontnemen om hun rechten en verplichtingen vastgelegd te zien door een in een democratisch verkozen vergadering, wat de schending inhoudt van artikel 26 van het Verdrag voor burgerlijke en politieke rechten, hierna : BUPO; dat zo nodig volgens verzoeker daarover ook het Arbitragehof ondervraagd zou moeten worden, aangezien het tevens een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet; dat op zijn minst dit koninklijk besluit van 25 maart 1999 volgens verzoeker met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou moeten worden gelaten, aangezien het doet blijken van machtsafwending wijl het niet ingegeven is door het algemeen belang, geconcretiseerd door artikel 3 - lees 4, - § 3, 1/, vierde lid en zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, welk laatste lid zelfs een compleet moratorium invoert, contradictio in terminis met het koninklijk besluit van 25 maart 1999 dat enkel genomen is om een oplossing te vinden in een aantal netelige dossiers waarin de vergunning door de Raad van State werd vernietigd en die mitsdien de aansprakelijkheid van de Staat in het gedrang brengen; dat dit besluit volgens verzoeker ook in strijd is met artikel 3 - lees 4, - § 1, al. 4, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 78, dat de Koning opdraagt de criteria te bepalen voor de spreiding van de apotheken teneinde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenbevoorrading te verzekeren, met inachtneming van de verschillende vormen van terhandstelling; dat aldus, volgens verzoeker, de wetgever de Koning heeft opgedragen niet één enkel criterium, maar meerdere criteria te bepalen, terwijl door de schrapping van artikel 1, § 1, 2/ en 3/, door het koninklijk besluit van 25 maart 1999 nog slechts één criterium overblijft; dat volgens hem het trouwens voor IX-1970-21/34 de hand ligt dat wanneer één algemeen criterium volstond, de wetgever dit wel zelf zou hebben bepaald en de Koning dit initieel trouwens ook zelf zo zou hebben begrepen door drie criteria te bepalen terwijl, door deze thans te beperken tot één, de opdrachtenwet miskend is; 2.2.1.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie opwerpt dat de kritiek op de wettigheid van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 in feite een nieuw middel is en als zodanig onontvankelijk, aangezien het niet in het verzoekschrift tot nietigverklaring werd opgeworpen, alhoewel verzoeker er dan reeds kennis van kon hebben; 2.2.1.6. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie een aantal beschouwingen wijdt aan de plicht tot uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen zoals ingesteld door de wet van 29 juli 1991, welke hij terzake als weinig relevant lijkt te beschouwen; dat hij vervolgens wat betreft het vereiste van “ongeveer 3 km” betwist dat het hier om een louter feitelijke kwestie zou gaan waar de Raad van State enkel kan in optreden wanneer de concreet gemaakte beoordeling kennelijk onredelijk is; dat volgens hem er vooreerst ten onrechte van uitgegaan wordt dat de afstand inderdaad 2.720 m bedraagt, ofschoon het een uitsluitend door de tussenkomende partij aangebracht gegeven betreft dat zonder eigen onderzoek voor waar werd aangenomen, terwijl verzoeker bij zijn memorie van wederantwoord een verkeerstechnisch verslag heeft gevoegd, waarin besloten wordt tot een afstand van slechts 2.670 m, net zoals in het verslag van de tussenkomende partij gemeten volgens de zogenaamde wieltjesmethode, weze een verschil van heel wat meer dan 10 %, norm die in de vergunningspraktijk van de vestigingscommissie en van de commissie van beroep steeds als maximaal aannemelijk wordt gehanteerd; dat verzoeker verklaart dat hij de afstand ook nog heeft laten opmeten volgens de zogenaamde coördinatiemethode, waaruit blijkt dat de afstand zelfs maar exact 2.655,40 m is en dat dus niet alleen uitgegaan werd van verkeerde feiten - het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden, maar ook het begrip "ongeveer 3 km" van artikel 1, §3, b, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 geweld werd aangedaan; dat verzoeker wat de behoeftendekking IX-1970-22/34 van 2.000 inwoners betreft vaststelt dat de commissie van beroep tot haar oordeel is gekomen alleen op grond van niet eens nader gepreciseerde inwonersaantallen met betrekking tot een met een gele lijn op een kaart afgebakend gebied, van een derwijze "geografisch en verkeerstechnisch" begrepen vestiging dat zij minstens de behoeften van 2.000 inwoners dekt; dat hij daarbij opmerkt dat het betoog van het bevoegde lid van het auditoraat geheel steunt op gegevens geput uit het administratief dossier, waarvan derden belanghebbenden uiteraard geen kennis hebben doch enkel kunnen afgaan op de motieven en vaststellingen die in de bestreden akte zelf voorkomen, terwijl niet alleen uit de wet en de algemene rechtsbeginselen, maar ook uit een overvloedige rechtsspraak van de Raad van State volgt dat geen acht mag worden geslagen op feitelijke en juridisch gegevens die slechts in de loop van de debatten worden aangereikt; dat verzoeker ook zijn illegaliteitsexceptie handhaaft, welke hij als van openbare orde beschouwt; dat hij wat dat betreft uiteenzet dat artikel 4, § 3, 1°, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 onmiskenbaar een blanco delegatie aan de uitvoerende macht bevat, dat de opdracht die aan de Koning wordt gegeven enkel naar zijn doel wordt omschreven, doch geenszins naar de middelen, welk doel omschreven wordt in de voorbereidende werken en de memorie van toelichting; dat volgens hem de Koning toelaten op om het even welke wijze een door de wet nagestreefd doel te bereiken, neerkomt op een blanco-opdrachtwet, onverenigbaar met ons constitutioneel systeem; dat verzoeker dan ook voorstelt om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen; 2.2.2.1. Overwegende dat de terzake relevante bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zoals het van toepassing was op het tijdstip dat de bestreden beslissing genomen werd, luidden als volgt : “§ 1. De criteria die erop gericht zijn een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren zijn : 1. het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente, zoals bepaald in de hiernavolgende paragrafen; § 2. Naargelang het bevolkingscijfer van de gemeente : (...) - minder dan 7.500 inwoners bedraagt, mag het aantal voor het publiek opengestelde apotheken niet hoger zijn dan het quotiënt van de deling van het totaal aantal inwoners door respectievelijk : IX-1970-23/34 (...) - 2.000 (....)
- b)(...). § 3. In afwijking van het bepaalde in § 2 mag de vestiging van een bijkomende apotheek worden toegestaan :
- a)(...)
- b)indien de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 3 km bevindt van de geplande apotheek en indien deze laatste de behoeften dekt van 2.000 inwoners; c)(...)”. dat bij het koninklijk besluit van 25 maart 1999 de criteria overconcentratie en afgelegen woonkern, in artikel 1, § 1, 2/ en 3/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, welke nog van toepassing waren toen de bij arrest nr. 72.115 van 2 maart 1998 vernietigde vergunning werd verleend, intussen zijn geschrapt; 2.2.2.2. Overwegende dat niet wordt betwist dat in Ruiselede geen nieuwe apotheek kon worden vergund op basis van het algemeen demografisch criterium van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974; dat de nieuwe apotheek derhalve enkel vergund kon worden op basis van artikel 1, § 3, b, van het voornoemde koninklijk besluit, aan welks beide voorwaarden volgens het bestreden besluit zou zijn voldaan, te weten, de afstandsvoorwaarde van ongeveer 3 km tot de dichtstbij- gelegen apotheek alsmede de voorwaarde dat de nieuwe apotheek de behoeften dekt van minstens 2.000 inwoners; dat volgens verzoeker zulks daarentegen niet het geval is, en dit wat beide voorwaarden betreft; 2.2.2.3. Overwegende dat vooraf moet worden opgemerkt dat het de Raad van State niet toekomt zich bij het beantwoorden van de vraag of de voorwaarden van artikel 1, § 3, b, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 vervuld zijn in de plaats te stellen van de vergunningverlenende overheid; dat, belast met de wettelijkheidscontrole, hij enkel moet nagaan of de overheid deze beoordeling op redelijke en in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan; dat wat dat laatste betreft te dezen derhalve de vraag rijst of het bestuur op grond van de vastgestelde feiten redelijkerwijze kon oordelen dat de geplande officina op ongeveer 3 km ligt van de IX-1970-24/34 dichtstbijgelegen apotheek (eerste onderdeel) en de behoeften dekt van minstens 2.000 inwoners (tweede onderdeel); 2.2.2.4. Overwegende wat het eerste onderdeel betreft, de afstandsvoorwaarde in artikel 1, § 3, dat een verschil zoals in dezen tussen 2.720 m en 3 km die als “ongeveer” worden gekarakteriseerd, en dus niet meer bedraagt dan 10 pct met de voorgeschreven afstand, niet als onredelijk kan worden beschouwd; dat verzoeker voor het eerst in zijn memorie van antwoord de juistheid van de precieze afstand van 2.720 m heeft betwist en hij pas in zijn laatste memorie een beroep doet op een andere methode van meten om deze nog verder te beperken; dat hij hiermee een nieuw middel aanvoert of althans aan het eerste onderdeel van zijn middel een bijkomende draagwijdte heeft, wat hij reeds had kunnen doen in zijn inleidend verzoekschrift; dat, immers, de commissie van beroep in haar advies, waarvan verzoeker kennis had, uitdrukkelijk aangenomen had dat de afstand tot de dichtstbijgelegen apotheek 2.720 m bedroeg; dat het eerste onderdeel van het middel niet kan worden aangenomen; 2.2.2.5. Overwegende dat wat betreft het tweede onderdeel, het dekken van de behoeften van minstens 2.000 inwoners, verzoeker ten onrechte stelt dat het advies van de commissie van beroep, en dus ook de bestreden beslissing die zich erbij aansluit, de inwoners van de invloedssfeer zonder meer gelijkstelt met inwoners die aangewezen zullen blijven op de geplande apotheek; dat, immers, de commissie eerst verwijst naar de door de tussenkomende partij voorgelegde bevolkingsattesten van de door deze op een kaart aangeduide invloedssfeer en vervolgens concludeert dat geografisch en verkeerstechnisch gezien de ligging van de geplande apotheek zo is dat de geplande apotheek de behoeften dekt van minstens 2.000 inwoners en hen de mogelijkheid biedt zich op een vlotte en gerieflijke wijze te bevoorraden; dat ofschoon, in tegenstelling tot hetgeen verwerende partij poneert, het misschien niet zo evident is dat alle geclaimde 3.460 inwoners effectief aangewezen zijn op de geplande apotheek, verzoeker niet aantoont dat de invloedszone kennelijk onredelijk is, op zijn minst niet dat het kennelijk onredelijk was te oordelen dat minstens 2.000 inwoners uit die zone aangewezen zullen zijn op de nieuwe apotheek; dat de grotere nabijheid bij de geplande vestiging daarvoor niet het enige gegeven vormt, maar ze ook niet buiten beschouwing mag worden gelaten IX-1970-25/34 en in principe het belangrijkste gegeven vormt, in acht genomen dat de uitzonderingsregel welke te dezen van toepassing is mede op dat gegeven gesteund is; dat daarbij ook rekening dient te worden gehouden met natuurlijke hindernissen of andere gegevens welke van die aard zijn dat zelfs bewoners van straten die dichter bij een bestaande apotheek zijn gelegen toch meer aangewezen zijn op een geplande apotheek of omgekeerd; 2.2.2.6. Overwegende dat te dezen niet blijkt dat de invloedssfeer louter werd bepaald op basis van de afstand of van de helft ervan; dat de tussenkomende partij, daarin gevolgd door de commissie van beroep en de bestreden beslissing, rekening hield met de volgende gegevens : - de ligging van de geplande apotheek in de wijk Klaphulle, een woonkern met een aantal winkels, tussen de wijken Doomkerke en Kruiskerke en het centrum, blijkens de foto’s in het administratief dossier bestaande uit smalle kronkelende straten met verkeers- en parkeerproblemen, terwijl de geplande apotheek ligt aan een kruispunt van twee invalswegen en een eigen parking heeft; dit dekt volledig de zones A-C, hetzij -thans- 1.691 inwoners; - om dezelfde reden is aannemelijk dat ook een aantal inwoners van de andere zones - met in totaal bijna 2.000 inwoners, aangewezen zal zijn op de geplande apotheek; gelet op de ligging van die geplande apotheek (m.n. t.o.v. zones D en E), de attesten van de burgemeester van Tielt (i.v.m. zone F), de ligging van de apotheken AMPE en TAVERNIER in Aalter, enkel bereikbaar via een smalle deels onverlichte eenvaksbaan door bossen en de apotheek TAVERNIER aan de overzijde van de autostrade Brussel-Antwerpen (i.v.m. zone D en J) en de ligging aan de doorgangsweg Wingenesteenweg (i.v.m. zone G-I) blijkt niet waarom het kennelijk onredelijk is aan te nemen dat daarvan minstens iets meer dan 300 aangewezen zullen zijn op de nieuwe apotheek; dat de verwijzing naar de geografische en verkeerstechnische aspecten van de ligging van de nieuwe apotheek, die samen gelezen dient te worden met een verwijzing naar de ligging buiten het centrum in de wijk Klaphulle, buiten de woonkernen van de andere gemeenten en de afstanden tot de dichtstbijgelegen apotheken, dan ook afdoende motieven vormen die niet kennelijk worden tegengesproken door het thans voorgelegde IX-1970-26/34 verkeerstechnisch rapport; dat, zelfs indien zoals in dat verslag aangenomen zou worden dat evenveel of zelf meer personen de Wantestraat gebruiken om van Kruiskerke naar Ruiselede te gaan en omgekeerd dan de Brugsesteenweg, en dus vanuit Ruiselede niet de nieuwe officina passeren, zulks immers niet de vaststelling belet dat de nieuwe officina dichter bij Kruiskerke ligt; dat om die reden alleen het niet onredelijk is te oordelen dat die inwoners veeleer op de nieuwe vestiging aangewezen zullen zijn dan op bestaande officina’s in het centrum van Ruiselede, afgezien van de vraag welke weg ze naar of van Ruiselede nemen; dat evenmin blijkt dat in die beoordeling op doorslaggevende wijze met “passanten” rekening zou zijn gehouden en niet met inwoners van de aangenomen invloedssfeer, waarbij dat laatste begrip verwijst naar personen die een vast verblijf hebben in een wijk of op een plaats in de omgeving van de geplande apotheek zodat ze in de regel hun geneesmiddelen in die apotheek kopen, met uitsluiting van bijvoorbeeld bewoners van weekendverblijven en vakantiegangers; dat de voorgelegde geactualiseerde stukken immers door de gemeente geattesteerde cijfers over inwoners van straten betreffen; 2.2.2.7. Overwegende dat, in tegenstelling tot artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, dat naar de gemeente verwijst, artikel 1, § 3, geen dergelijke beperking bevat; dat zoals de Raad van State in vroegere arresten reeds heeft geoordeeld, in geval van toepassing van artikel 1, § 3, geen rekening dient gehouden te worden met de bestuurlijke grenzen van de gemeente; dat verzoekers argumenten niet volstaan om thans van die rechtspraak af te wijken; dat weliswaar artikel 1, § 3, meer aansloot bij artikel 1, § 1, 2/ en 3/, respectievelijk het voorkomen van een te grote concentratie van apotheken op een bepaalde plaats en het voorzien in de noden van afgelegen woonkernen, en die criteria thans zijn geschrapt, zodat in artikel 1, § 1, nog enkel wordt verwezen naar het beperken van het aantal apotheken per gemeente, zulks niet volstaat om anders te oordelen, te meer daar volgens artikel 4, § 3, 1/, van het koninklijk besluit nr. 78, de criteria voor de vestiging die de Koning diende te bepalen erop gericht dienen te zijn de spreiding van de apotheken te organiseren teneinde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren, met inachtneming van de verschillende vormen van terhandstelling; dat derhalve geen IX-1970-27/34 onwettigheid schuilt in het feit dat het bestreden besluit ook rekening hield met de behoefte aan geneesmiddelen van inwoners van andere gemeenten; dat overigens, ook al zouden de betrokken inwoners of een gedeelte ervan, blijkens de samenvattende conclusie van de tussenkomende partij samen 976 inwoners, niet in aanmerking genomen worden, ook zonder dat aantal voldaan zou zijn aan het vereiste van 2.000 inwoners; 2.2.2.8. Overwegende dat voor zover verzoeker stelt dat het volstrekt onredelijk is in een gemeente met nauwelijks 5.000 inwoners aan een zogenaamde “buitenofficina” een invloedssfeer van minstens 2.000 inwoners toe te kennen, hij voorbijgaat aan het feit dat die invloedssfeer ook delen van andere gemeenten betreft; dat het weigeren van een vergunning voor een vestiging in een gebied waarvan is uitgemaakt dat het de noden heeft eigen aan een afgelegen woonkern, niet wettig kan gebeuren om de reden dat de invloedssfeer van een elders bestaande vestiging daardoor ontoereikend wordt; dat een dergelijk motief er immers op gericht zou zijn de invloedssfeer van die vestiging kunstmatig op peil te houden, terwijl de commerciële leefbaarheid van bestaande apotheken geen doelstelling is van de wet; dat het de tussenkomende partij niet ten kwade kan worden geduid dat de bestaande apotheken in de gemeente geconcentreerd zijn in het centrum; 2.2.2.9. Overwegende, voor zover verzoeker stelt dat het onwettig is een behoeftenkring te nemen onder de cliënten die haar onwettig geëxploiteerde officina hebben aangedaan, dat niet blijkt dat de aanvrager de invloedssfeer heeft bepaald in functie van klanten; dat het onderzoek naar de oorsprong van geneesmiddelenvoorschriften subsidiair werd voorgelegd, maar wel op basis van geografische en verkeerstechnische aspecten van de ligging van de nieuwe apotheek, waaronder de ligging buiten het centrum in de wijk Klaphulle, buiten de woonkernen van de andere gemeenten, de afstanden tot de dichtstbijgelegen apotheken, de bereikbaarheid en parkeermogelijkheid, zijnde motieven waarmee wettig rekening gehouden kan worden; dat zoals reeds vermeld, ook niet blijkt dat het daarbij zou gaan om toevallige passanten; IX-1970-28/34 2.2.2.10. Overwegende dat de conclusie uit wat voorafgaat tevens inhoudt dat de aangevoerde schending van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel niet gegrond is; dat immers niet blijkt dat de terzake ingeroepen schending een andere inhoud heeft dan de beweerde schending van artikel 1, § 3, b, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 en dat, in de mate dat verzoeker ook de formele motiveringsplicht zou ingeroepen hebben, hij daarbij geen belang heeft aangezien hij de motieven zelf heeft betwist; 2.2.3.1. Overwegende dat verzoeker voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord bijkomend stelt dat geen beroep kan worden gedaan op het koninklijk besluit van 25 maart 1999, dat de oorspronkelijke twee spreidingscriteria herleidt tot slechts één, enerzijds omdat enkel een wijziging werd aangebracht aan de krachtens de wet door de Koning vastgestelde criteria om bij het uitvoeren van de opdrachtwet het door die wet beoogde doel maximaal te bereiken, terwijl niets veranderd is aan de concreet na te leven normen die niet met de criteria verward mogen worden, anderzijds omdat de Koning daarbij de Hem door de wetgever verleende opdracht te buiten is gegaan en het betrokken koninklijk besluit door de Raad van State niet mag worden toegepast zoals bepaald in artikel 159 van de Grondwet; dat verzoeker het koninklijk besluit van 25 maart 1999 ook ervan beticht met machtsafwending genomen te zijn, meer bepaald louter met de bedoeling tussen te komen in een aantal hangende dossiers; dat daarbij de vraag gerezen is of dat middel van onwettigheid in elke stand van het geding kan worden opgeworpen; dat die vraag in dezen onbeantwoord kan blijven aangezien, zoals hierna blijkt, het middel in geen van zijn onderdelen aangenomen kan worden; 2.2.3.2. Overwegende wat de aangevoerde machtsafwending betreft, dat verzoeker niet aantoont dat de steller van het voormelde koninklijk besluit zijn tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang toegekende bevoegdheid uitsluitend of voornamelijk zou hebben uitgeoefend ter behartiging van een ander belang dan dat waarvoor die bevoegdheid werd toegekend, namelijk genomen zou zijn om tussen te komen in een aantal netelige concrete dossiers; dat hij geen overeenstemmende gegevens aanbrengt die aannemelijk maken dat het bestuur zijn bevoegdheid met dat IX-1970-29/34 oogmerk heeft aangewend; dat louter beweringen daarvoor niet volstaan; dat overigens de wijziging van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 door het koninklijk besluit van 25 maart 1999 voor alle huidige en toekomstige aanvragen geldt, zodat niet zeker is dat zij uitsluitend tot doel had bepaalde - bestaande - dossiers op te lossen; dat niet wordt aangetoond waarom de Koning niet, zonder dat er sprake is van machtsafwending, van oordeel kon zijn dat de geschrapte criteria niet meer noodzakelijk zijn met het oog op een adequate distributie van geneesmiddelen, doelstelling vermeld in artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, volgens welk de Koning na het advies te hebben ingewonnen van de meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties, de criteria bepaalt die erop gericht zijn een spreiding van de apotheken te organiseren teneinde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenbevoorrading te verzekeren, met inachtneming van de verschillende vormen van terhandstelling; 2.2.3.3. Overwegende dat verzoeker ook niet aantoont dat het koninklijk besluit van 25 maart 1999 geen rechtsgrond kan vinden in artikel 4, § 1, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, zoals dan geldend; dat voor de opening, de overbrenging of de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken krachtens artikel 4, § 3, 1/, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 een vergunning vereist is; dat de Koning bepaalt op grond waarvan deze wordt verleend; dat die criteria erop gericht moeten zijn een spreiding van de apotheken te organiseren, teneinde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren, met inachtneming van de verschillende vormen van terhandstelling (artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78); dat de wetgever de Koning geen nadere richtlijnen voorschreef aan de hand waarvan Hij de Hem toevertrouwde bevoegdheid diende uit te oefenen, inzonderheid niet wat betreft het criterium “afgelegen woonkern”; dat het koninklijk besluit van 25 maart 1999 enkel strekte tot de opheffing van artikel 1, § 1, 2/ en 3/, waardoor het voorkomen van een te grote concentratie van apotheken thans geen uitdrukkelijk criterium meer is; dat bij het onderzoek van een vergunningsaanvraag IX-1970-30/34 evenmin afzonderlijk rekening gehouden zal moeten worden met de noden van een "afgelegen woonkern"; dat daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel dat er voor elke gemeente in principe een maximum aantal apotheken is, noch aan de toegestane afwijkingen daarvan die gericht zijn op de behoeften van een welbepaald aantal inwoners en die vooral tot doel hebben het wettelijk gestelde oogmerk van een voldoende spreiding van de apotheken te realiseren, welk oogmerk eveneens kan worden bereikt zonder dat een te grote concentratie wordt tegengegaan -iets wat verzoeker overigens bezwaarlijk kan inroepen- of zonder dat een beroep moet worden gedaan op het -eerder vage en tot betwistingen aanleiding gevende- begrip afgelegen woonkern”; dat zodoende de Koning, zoals vermeld belast met het bepalen van de criteria voor spreiding van apotheken met het oog op een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening, ook met het koninklijk besluit van 25 maart 1999 binnen de grenzen gebleven is welke artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 aan zijn optreden gesteld heeft; dat voorts de omstandigheid dat in het zevende lid van dat artikel 4, § 3, 1/, van het koninklijk besluit nr. 78 een compleet moratorium zou zijn ingesteld, wat volgens verzoeker strijdig is met het koninklijk besluit van 25 maart 1999, daarbij niet tot een andere conclusie leidt; dat vooreerst al niet wordt aangetoond waarom binnen dit door de Koning eventueel bepaald maximum aantal apotheken en periode waarbinnen aanvragen of hernieuwde aanvragen kunnen worden ingediend, het koninklijk besluit van 25 september 1974, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 1999, niet zou kunnen worden toegepast; 2.2.3.4. Overwegende tenslotte wat het argument betreft dat de wetgever, door aan de Koning de bevoegdheid te delegeren om op onbeperkte wijze abstracte criteria te bepalen zonder eerst zelf op abstracte wijze de basiscriteria te bepalen waaraan de uitvoeringsnormen zullen moeten voldoen, de artikelen 33,105 en 108 van de Grondwet en artikel 26 van het BUPO geschonden zou hebben, evenals de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dat kan worden vastgesteld dat artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 78, dat initieel is genomen op basis van de wet van 31 maart 1967 tot toekenning van bepaalde machten aan de Koning teneinde de economische heropleving, de bespoediging van de regionale reconversie en de stabilisatie van het begrotingsevenwicht te verzekeren, werd vervangen bij de wet van 17 december 1973 IX-1970-31/34 en dat de vanaf dan geldende tekst van artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, de rechtsgrond vormde voor het koninklijk besluit van 25 maart 1999; dat het de Raad van State niet toekomt artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, bepaling welke kracht van wet heeft, te toetsen aan de Grondwet; dat enkel het Arbitragehof daartoe bevoegd is binnen de grenzen bepaald in artikel 142, tweede lid, van de Grondwet, zoals thans uitgevoerd in artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003; dat aldus het Hof het bij wet bekrachtigde koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 kan toetsen aan de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, wat terzake niet relevant is, en, sinds de bijzondere wet van 9 maart 2003, aan de bepalingen van titel II en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet; dat enkel de artikelen 10 en 11 -het grondwettelijk gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel- door verzoeker ook worden aangehaald, in combinatie overigens met de artikelen welke de bevoegdheid van de uitvoerende macht regelen; dat het Arbitragehof de wet niet rechtstreeks kan toetsen aan die laatste ingeroepen bepalingen, namelijk de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, noch aan artikel 26 van het BUPO; dat voor zover het Arbitragehof zich bevoegd zou kunnen achten om die laatste bepalingen te betrekken bij zijn toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de Raad van State eventueel een prejudiciële vraag dienaangaande zou kunnen stellen aan het Arbitragehof, daarvoor niettemin vereist is dat in hoofdorde een uit de wet voortvloeiende discriminatie of ongelijke behandeling wordt aangeklaagd; dat zoals het Arbitragehof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 54/2000, van 17 mei 2000, het daarvoor niet volstaat dat de klager zich gediscrimineerd of ongelijk behandeld voelt, maar dat hij ook een pertinente vergelijking moet maken met een in gelijkaardige omstandigheden verkerende categorie van personen aan wie een bepaalde grondwettelijke waarborg niet wordt ontnomen, in dezen de regeling van een aangelegenheid door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering; dat verzoeker dat niet doet; dat, omgekeerd, vaststellende dat de huidige wetgever in heel veel aangelegenheden een groot, zo niet het grootste deel van zijn bevoegdheden delegeert aan de uitvoerende macht, de Raad van State ook niet evident kan vaststellen dat de delegatie welke verzoeker ongrondwettig acht op dat stuk uitzonderlijk is; dat verzoeker in dezen vooral IX-1970-32/34 de schending in het algemeen aanvoert van de uit de Grondwet voortvloeiende taakverdeling tussen wetgever en uitvoerende macht in de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet en hij, enkel omdat dit de enige manier lijkt om de kwestieuze wetsbepaling aan die grondwetsbepalingen te toetsen, daarbij de artikelen 10 en 11 betrekt; dat er dan ook geen grond is om terzake een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; 2.2.3.5. Overwegende dat ook het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van de gedwongen tussenkomst van Myriam VERHAEGHE in het administratief kort geding, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee mei 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. IX-1970-33/34 De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1970-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.025 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.84.440 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div