← België

Arrest 144026 - - 02/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.026 Rolnummer: A. 64496/IX-1486 Zaak: Arrest 144026 - - 02/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 04:20 Fiche Arrest nr 144.026 van 2 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.026 van 2 mei 2005 in de zaak A. 64.496/IX-

  1. In zake : Margareta VAN LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat R. GLORIEUX, kantoor houdende te ZWALM, Kazernestraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Financiën,
  3. de minister van Ambtenarenzaken;
  4. de Commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid, die woonplaats kiest bij advocaat K. WAUTERS, kantoor houdende te LANAKEN, Oude Heirbaan 94/
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Margareta VAN LEUVEN op 13 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 1 februari 1995 van de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid, waarbij zij zich onbevoegd verklaart om uitspraak te doen over het door verzoekster ingestelde beroep, en van het besluit van 16 mei 1995 van de minister van Financiën, waarbij zij, met uitwerking op 16 december 1994, ambtshalve en zonder opzegging de hoedanigheid van rijksambtenaar verliest; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-1486-1/14 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 28 oktober 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de derde verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. GLORIEUX, die verschijnt voor verzoekster, van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, en van advocaat K. WAUTERS, die verschijnt voor de tweede en derde vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Over de gegevens. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  7. Verzoekster is landmeter van het kadaster bij de directie Brabant. IX-1486-2/14 1.
  8. Op 6 januari 1994 verkrijgt verzoekster de toelating tot het nemen van een loopbaanonderbreking voor de periode van 1 februari 1994 tot en met 15 december
  9. 1.
  10. Op 4 oktober 1994 vraagt zij verlof zonder wedde aan wegens dringende redenen van familiaal belang voor de periode van 16 tot 31 december 1994 voor de opvang van haar drie kinderen. 1.
  11. Op 27 oktober 1994 dient zij een tweede aanvraag in voor verlof zonder wedde wegens dringende redenen van familiaal belang voor de periode van 1 januari tot en met 28 februari 1995 voor de opvang van haar kinderen. 1.
  12. Op 1 november 1994 dient zij een derde aanvraag in voor disponibiliteit wegens persoonlijke redenen voor de periode van 1 maart 1995 tot en met 31 augustus
  13. 1.
  14. Op 9 november 1994 zendt de gewestelijke directeur de drie aanvragen met een gunstig advies naar het hoofdbestuur van het kadaster. 1.
  15. Op 21 november 1994 weigert de directeur-generaal van het kadaster de aanvragen toe te kennen. Hij motiveert zijn beslissing als volgt : “Inderdaad, de door Mevr. VAN LEUVEN, M., gevraagde perioden van verlof zonder wedde wegens dwingende redenen van familiaal belang en de zes maanden disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden -gebeurlijk gevolgd door drie mogelijke verlengingen van zes maanden- aansluitend op een praktisch ononderbroken afwezigheid vanaf 16 maart 1989 ingevolge : - bevallingsverloven

(2x); - ouderschapsverlof; - 60 maanden loopbaanonderbreking verspreid tussen voornoemde loopbaanincidenten en eindigend op 15 december 1994, kunnen in het belang van de dienst niet worden toegekend aangezien dit niet verenigbaar is met de goede werking van de diensten”. IX-1486-3/14 1.
  1. Op 25 november 1994 tekent verzoekster beroep aan tegen deze beslissing bij de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid. 1.
  2. Op 19 december 1994 brengt de gewestelijke directeur de directeur-generaal ervan op de hoogte dat verzoekster haar dienst niet hernomen heeft op 16 december
  3. 1.
  4. Bij aangetekend schrijven van 27 december 1994 vraagt de directeur-generaal van het kadaster aan verzoekster de reden mee te delen waarom zij haar functies niet heeft hervat. Hij vermeldt voorts het volgende : “Bij gebrek aan een geldige en schriftelijke verantwoording, gestaafd door bewijsstukken, zult U beschouwd worden als ongewettigd afwezig van de dienst te zijn sinds 16 december 1994 en zult U, bij toepassing van de bepalingen art. 112, 3/, van het Statuut van het Rijkspersoneel (D.I. 300), ambtshalve en zonder opzegging de hoedanigheid van rijksambtenaar zal verliezen. In geen geval moogt U uw functies hervatten vooraleer de administratie zich zal uitgesproken hebben over de door U ingeroepen motivering. Het is evident dat het feit dat U in beroep gaat bij de Commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid tegen de beslissing dd. 21 november 1994 (...) niet als geldige reden voor uw afwezigheid sinds 16 december 1994 kan ingeroepen worden”. 1.
  5. Op 31 december 1994 antwoordt verzoekster aan de directeur- generaal dat zij de verloven heeft aangevraagd na telefonisch contact met de personeelsdienst van de directie Brabant; dat echter na de weigering, de personeelsdienst geen inlichtingen meer mocht geven; dat zij op 25 november 1994 beroep heeft ingesteld en dat zij nog geen uitnodiging heeft ontvangen om voor de commissie voor beroep te verschijnen; dat volgens de dienstinstructies de ambtenaar zijn verlof niet mag beginnen zolang er geen definitieve beslissing is betekend; dat bij een verlof om dwingende redenen van familiaal belang, deze paragraaf niet wordt vermeld, ook niet voor de behandeling van het beroep; dat zij bijgevolg ervan overtuigd was dat zij haar dienst niet diende te hernemen, dat zij moeder is van drie kleine kinderen van 6 jaar, 3 jaar en 17 maanden; dat bovendien de kerstvakantie IX-1486-4/14 voor de deur stond; dat zij een loopbaan van 14 jaar zeker niet zomaar op het spel zet. 1.
  6. Op 17 januari 1995 meldt de directeur-generaal dat zijn beslissing ter zake ten gepasten tijde zal worden meegedeeld. 1.
  7. Op 1 februari 1995 stelt de commissie voor beroep vast dat verzoekster niet meer kan beschouwd worden als horende tot het personeel van het ministerie van Financiën en dat zij derhalve niet meer bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De commissie voor beroep steunt deze vaststelling op de verklaring ter zitting van de vertegenwoordiger van de administratie dat verzoekster inmiddels haar dienst nog niet hernomen heeft, ondanks het aangetekend schrijven van 27 december 1994, en dat zij gedurende meer dan tien dagen ongewettigd afwezig is sedert 16 december
  8. Ter zitting handhaaft ook verzoekster haar standpunt dat “zij niet overtuigd is van de onwettigheid van haar afwezigheid sedert 16 december 1994, omdat zij in het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de verlofregeling, inzonderheid bij de tekst betreffende het verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang, geen vermelding aantreft dat de ambtenaar zijn verlof niet mag beginnen, zolang er geen definitieve beslissing omtrent zijn aanvraag is betekend, ook in geval van beroep”. 1.
  9. Het afschrift van de beslissing van de commissie voor beroep wordt op 13 april 1995 aan het ministerie van Financiën gezonden. Het administratief dossier bevat geen bewijs van betekening van die beslissing aan verzoekster. IX-1486-5/14 1.
  10. Op 16 mei 1995 bevestigt de minister van Financiën in een brief aan verzoekster dat, in het belang van de dienst, geen gunstig gevolg kan worden gegeven aan de drie aanvragen van verzoekster, “aangezien dit niet verenigbaar is met de goede werking van de dienst”, en dat zij op 16 december 1994 ambtshalve en zonder opzegging uit haar functies wordt ontslagen omdat zij zonder geldige reden haar dienst niet hernomen heeft. 1.
  11. Op 16 mei 1995 wordt tevens het bestreden ministerieel besluit genomen, dat steunt op de volgende overweging : “Overwegende dat Mevr. VAN LEUVEN, Margareta G.R., (...) op 16 december 1994, na het verstrijken van de haar toegekende loopbaanonderbreking, zonder geldige reden, haar dienst niet hernomen heeft en meer dan tien dagen afwezig is gebleven;”.
  12. Over de rechtspleging. 2.
  13. Overwegende dat de minister van Ambtenarenzaken bij aangetekend schrijven van 19 oktober 1995 vraagt om buiten de zaak te worden gesteld, aangezien de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid de bestreden beslissing van 1 februari 1995 heeft genomen en hij daarin niet is opgetreden; 2.
  14. Overwegende dat de minister van Ambtenarenzaken geen beslissing in deze zaak heeft genomen; dat een der bestreden beslissingen echter werd genomen door de commissie van beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid, welke onder de minister van Ambtenarenzaken ressorteren; dat op de vraag van de minister van Ambtenarenzaken niet kan worden ingegaan; IX-1486-6/14
  15. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de beslissing van de commissie voor beroep inzake verlof, afwezigheid en disponibiliteit aan verzoekster is betekend; dat de termijn voor het indienen van een annulatieberoep bij de Raad van State tegen individuele beslissingen die de rechtspositie van een persoon vaststellen, slechts een aanvang neemt door de betekening van die beslissing aan de betrokken persoon; dat artikel 14 van het reglement van orde van de commissie voor beroep bovendien uitdrukkelijk bepaalt dat de beslissing binnen de tien dagen betekend wordt aan verzoeker en aan zijn verdediger, alsmede aan de gemachtigde ambtenaar en aan de belanghebbende minister; dat de betekening aan de administratie is gebeurd op 13 april 1995; dat de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij echter niet aantoont hoe aan verzoekster kennis is gegeven van de beslissing; dat alleszins een betekening vereist was met vermelding, overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van het bestaan van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en van de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen; dat de verjaringstermijn pas op dat ogenblik een aanvang neemt ongeacht of verzoekster reeds eerder op andere wijze heeft kennis genomen van de bestreden beslissing; dat het beroep tegen de beslissing van 1 februari 1995 van de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid, derhalve tijdig is ingesteld;
  16. Over de gegrondheid van de vordering. 4.
  17. Wat betreft de eerste bestreden beslissing. 4.1.
  18. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel aanvoert dat de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid, niet bevoegd is om vast te stellen dat zij niet langer de hoedanigheid heeft van rijksambtenaar; dat de commissie enkel moet nagaan of de voorwaarden voor verlof vervuld zijn; dat zij daarentegen in de plaats van de minister de onwettigheid van haar afwezigheid heeft vastgesteld; dat de commissie, indien zij een grondig onderzoek had gevoerd, had IX-1486-7/14 moeten vaststellen dat de motivering van de weigeringsbeslissing van de minister, louter bestaande uit de verwijzing naar het belang van de dienst, te vaag is; dat de commissie bovendien haar beslissing motiveert op grond van het feit dat verzoekster haar dienst nog niet had hernomen sinds 16 december 1994 ondanks het aangetekend schrijven van 27 december 1994 van de directeur-generaal, terwijl in dit schrijven uitdrukkelijk is vermeld dat zij haar dienst niet mocht hernemen; 4.1.
  19. Overwegende dat de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat hij enkel akte heeft genomen van de verklaring ter zitting van de vertegenwoordiger van de minister van Financiën dat verzoekster onwettig afwezig was, doch dat hij terzake geen beslissing heeft genomen; dat hij voorts aanvoert dat het aangetekend schrijven van 27 december 1994 werd verstuurd nadat verzoekster reeds tien dagen afwezig was en bedoeld was om te achterhalen of haar afwezigheid al dan niet gewettigd was; dat het niet abnormaal is dat ambtenaren die het voorwerp uitmaken van een tuchtonderzoek in hun eigen belang en in het belang van de dienst opdracht krijgen niet te werken gedurende de loop van het onderzoek; 4.1.
  20. Overwegende dat verzoekster repliceert dat de commissie haar beslissing heeft gesteund op de “bewering van een ambtenaar”, terwijl de beslissing van de minister slechts op 16 mei 1995 is genomen; dat zij door die bewering als motief van haar beslissing aan te nemen, in de plaats van de minister heeft beslist over de onwettigheid van verzoeksters afwezigheid; 4.1.
  21. Overwegende dat de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij in zijn laatste memorie stelt dat krachtens artikel 112, 3/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, zoals vervangen door het koninklijk besluit van 26 september 1994, de ambtenaar ambtshalve en zonder opzegging zijn statuut verliest wanneer hij meer dan tien dagen ongewettigd afwezig is; dat de vertegenwoordiger van de minister ter zitting verklaarde dat verzoekster onder toepassing van voornoemd artikel viel; dat de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij op de door de administratie verstrekte IX-1486-8/14 inlichtingen derhalve de wettelijke regels heeft toegepast en niet anders kon besluiten dan dat hij niet meer bevoegd was; 4.1.
  22. Overwegende dat op het ogenblik waarop de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid uitspraak moest doen over verzoeksters aanvraag tot verlof, met name op 1 februari 1995, de bevoegde overheid, zijnde de minister, nog geen beslissing had genomen over haar rechtstoestand; dat de commissie er dan ook van diende uit te gaan dat verzoekster op dat ogenblik de hoedanigheid had van rijksambtenaar; dat de verklaring op de zitting van de commissie voor beroep van de vertegenwoordiger van de minister van Financiën daaraan geen afbreuk kon doen; dat die ambtenaar niet de bevoegde overheid is om ambtshalve de hoedanigheid van rijksambtenaar aan verzoekster te ontnemen; dat zijn verklaring ter zitting bovendien zeer dubbelzinnig is, aangezien hij verklaart dat verzoekster haar dienst nog niet heeft hernomen “ondanks het aangetekend schrijven hierover van 27 december 1994”, terwijl in dit schrijven verzoekster uitdrukkelijk wordt opgedragen haar functies niet te hervatten vooraleer de administratie zich heeft uitgesproken omtrent de door haar ingeroepen motivering; dat de Commissie derhalve de aanvraag van verzoekster had moeten onderzoeken in het kader van de bevoegdheid die haar door artikel 2bis van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden, is toegekend; dat derhalve de commissie zich ten onrechte niet bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het beroep ingesteld door verzoekster; Overwegende dat bovendien, indien de commissie verzoeksters aanvraag had onderzocht, zij had moeten vaststellen dat de reden van de weigering van het verlof zonder wedde, namelijk “het belang van de dienst”, een stijlformule is, die niet toelaat de deugdelijkheid van het motief, bij gebrek aan een concrete invulling, na te gaan; dat dit nog meer klemt gezien het feit dat enerzijds de gewestelijke directeur telkens een gunstig advies had gegeven en dus, wat de dienst betreft, geen onoverkomelijke problemen zag, en anderzijds verzoekster een lange IX-1486-9/14 loopbaanonderbreking had genoten en dan plots omwille van “het belang van de dienst “ geen verlenging onder de vorm van een verlof zonder wedde verkrijgt; Overwegende dat tenslotte de onzekerheid waarin verzoekster zich bevond na haar loopbaanonderbreking tot 15 december 1994 en na haar aanvragen die nog door de commissie van beroep dienden te worden behandeld, redelijkerwijze kon verantwoorden dat zij wachtte op de beslissing van de commissie van beroep; dat het eerste middel gegrond is; 4.
  23. Wat betreft de tweede bestreden beslissing. 4.2.
  24. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel aanvoert dat het ministerieel besluit van 16 mei 1995 houdende haar ambtshalve ontslag steunt op de overweging dat zij na haar loopbaanonderbreking, zonder geldige reden, haar dienst niet hernomen heeft en meer dan tien dagen afwezig is gebleven; dat zij echter wel een geldige, dwingende reden van familiaal belang had om afwezig te blijven van de dienst; dat zij immers alleen diende in te staan voor de opvang en opvoeding van drie kleine kinderen, in de winter en kort voor het kerstverlof; dat de kinderen in die periode herhaaldelijk ziek zijn geweest; dat zij voorts uiteenzet dat de dienstreglementering - Instructie van 19 maart 1993 inzake verloven. Commentaar op en toepassingsbepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de Rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid- in de bepalingen betreffende “verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen- algemeen stelsel” en “verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid- algemeen stelsel” uitdrukkelijk vermeldt dat de ambtenaar, ook in geval van beroep, zijn verlof niet mag beginnen zolang er geen definitieve beslissing omtrent zijn aanvraag is betekend, terwijl dit verbod niet is opgenomen in de bepalingen betreffende het verlof om dwingende redenen van familiaal belang; dat zij daaruit meent te kunnen afleiden dat zij de dienst niet moest hernemen; dat de personeelsdienst van de directie Brabant haar bovendien enkel meedeelde “dat ze haar D.I.’s moest lezen”; dat zij hieraan toevoegt dat haar afwezigheid niet als IX-1486-10/14 ongewettigd kon worden beschouwd zolang de commissie voor beroep geen uitspraak ten gronde had gedaan over haar aanvraag tot verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang; dat zij tenslotte niet de gelegenheid heeft gehad om zich te verdedigen tegen de betichting van ongewettigde afwezigheid; 4.2.
  25. Overwegende dat de eerste verwerende partij hierop antwoordt dat krachtens artikel 11, 1/, van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden, aan rijksambtenaren verlof om dwingende redenen van familiaal belang kan worden toegestaan voor zover zulks niet indruist tegen het belang van de dienst; dat verzoekster derhalve geen recht had op verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang; dat noch in de aanvraag van het verlof, noch in het beroep bij de commissie een geldige reden is aangegeven om op het werk afwezig te zijn; dat de opvang van kinderen weliswaar kan worden aangemerkt als een geldige reden om verlof wegens dwingende redenen van familiaal belang aan te vragen, maar niet om de afwezigheid op de dienst te wettigen wanneer die aanvraag niet is ingewilligd; dat de eerste verwerende partij op het tijdstip van het bestreden besluit geen kennis had van de omstandigheid dat de kinderen van verzoekster in de betrokken periode herhaaldelijk ziek zijn geweest; dat zij verder aanvoert dat artikel 2, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit van 1 juni 1964 in algemene bewoordingen bepaalt dat rijksambtenaren onderworpen aan het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, niet van de dienst afwezig mogen zijn tenzij zij verlof of vrijstelling hebben bekomen; dat afwezigheid derhalve ongeoorloofd is tenzij een aanvraag om verlof of vrijstelling is ingewilligd; dat verzoekster uitgaande van de tekst van de ministeriële instructie van 19 maart 1993 inzake verloven, via een betwistbare redenering a contrario haar afwezigheid tracht te rechtvaardigen; dat tenslotte het besluit van 16 mei 1995 enkel steunt op artikel 112, 3/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel en de vaststelling dat verzoekster zonder geldige reden haar dienst niet hernomen heeft en meer dan tien dagen afwezig is gebleven; dat dit besluit los staat van de beslissing van de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid; IX-1486-11/14 4.2.
  26. Overwegende dat het bestreden besluit zijn rechtsgrond vindt in artikel 112, 3/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, dat ten tijde van het bestreden besluit luidde als volgt : “Ambtshalve en zonder opzegging verliest de hoedanigheid van rijksambtenaar: (...) 3/ onverminderd de toepassing van artikel 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid, de ambtenaar die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien dagen afwezig blijft”; dat het ontzeggen van een tuchtrechtelijk karakter aan het ontslag van ambtswege op grond van voornoemd artikel steunt op de idee dat de ambtenaar die na een geoorloofde afwezigheid zijn dienst niet hervat of die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien dagen afwezig blijft, geacht wordt de dienst uit eigen beweging te hebben verlaten en dat derhalve het bestuur tot ontslag enkel mag overgaan wanneer, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, het vermoeden dat de betrokken ambtenaar niet langer wenst in dienst te blijven niet weerlegd is; dat het daarbij niet van belang is of het door betrokkene aangebrachte motief ter weerlegging van dat vermoeden, de toets van de wettigheid kan doorstaan, dat, immers, dat motief als louter feitelijk gegeven in aanmerking moet worden genomen; Overwegende dat te dezen de verwerende partij niet mocht vermoeden dat verzoekster vrijwillig uit dienst was getreden; dat, immers, de herhaalde aanvragen van verzoekster om haar na het verstrijken van haar loopbaanonderbreking op 15 december 1994 een of andere vorm van toegelaten afwezigheid uit de dienst toe te kennen, te dien aanzien het tegendeel aantonen; dat verzoekster daarenboven bij de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid, beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 21 november 1994 tot weigering van haar verlof zonder wedde wegens dwingende redenen van familiaal belang; dat de omstandigheid dat het verzoekster niet toegelaten was afwezig te blijven op het werk gelet op de weigering van het verlof, mogelijk aanleiding kon geven tot het nemen van een tuchtmaatregel tegen verzoekster, doch dat haar IX-1486-12/14 houding geen reden kon zijn om tot de overtuiging te komen dat zij hiermee geacht werd zelf uit de dienst te zijn getreden en derhalve om haar wegens vrijwillig ontslag met toepassing van artikel 112, 3/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1967 houdende het statuut van het rijkspersoneel, ambtshalve en zonder opzegging te ontslaan; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  27. Vernietigd worden de beslissing van 1 februari 1995, waarbij de commissie voor beroep inzake verlof, disponibiliteit en afwezigheid, zich onbevoegd verklaart om uitspraak te doen over het beroep van verzoekster en het besluit van 16 mei 1995 van de minister van Financiën, waarbij verzoekster ambtshalve en zonder opzegging de hoedanigheid van rijksambtenaar verliest. Artikel
  28. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-1486-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee mei 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1486-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.