id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.027 Rolnummer: A. 56617/IX-53 Zaak: Arrest 144027 - - 02/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 04:20 Fiche Arrest nr 144.027 van 2 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.027 van 2 mei 2005 in de zaak A. 56.617/IX-
- In zake : Leo LAVRYSEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. TEMMERMAN, kantoor houdende te GENT, Sint-Martensstraat 16 tegen : De Post. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leo LAVRYSEN op 25 februari 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 29 november 1993 van het directiecomité van De Post waarbij hem de tuchtmaatregel van inhouding van twintig procent van zijn brutowedde gedurende tien dagen wordt opgelegd, gepaard gaande met een verplaatsing bij ordemaatregel van het kantoor Arendonk naar het kantoor Lille; Gelet op het arrest nr. 47.473 van 17 mei 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit en de vordering tot het opleggen van een dwangsom worden verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; IX-53-1/11 Gelet op de beschikking van 22 augustus 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 25 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. GLORIEUX, die loco advocaat J. TEMMERMAN verschijnt voor verzoeker, en van advocaat C. VAN OLMEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker verzekert een postbedelingsronde te Arendonk. Er ontstaan wrijvingen tussen verzoeker en de bewoners van enkele straten uit zijn ronde in verband met de wijze waarop hij zijn taak vervult. Deze wrijvingen geven op 10 december 1992 aanleiding tot een handgemeen tussen IX-53-2/11 verzoeker en enkele bewoners. Dit leidt tot een klacht tegen verzoeker bij de procureur des Konings te Turnhout. Tevens maken de bewoners van de betrokken buurt een petitie over aan de gewestelijke directie van de Post waarin zij een aantal grieven tegen verzoeker uiten zoals het openen van brieven, foutief bestellen, niet bestellen van pakjes of aangetekende brieven, uit de bussen trekken en op de grond werpen van reklamedrukwerk, onbeleefdheid en dergelijke. 1.
- Op 6 januari 1993 maakt de gewestelijk directeur de petitie over aan de postontvanger van Arendonk en vraagt hem een grondig onderzoek in te stellen en verzoeker omstandig te ondervragen over de aangeklaagde feiten. 1.
- De postontvanger van het kantoor Arendonk maakt op 18 januari 1993 een voorlopig strafvoorstel op jegens verzoeker. Hij stelt voor hem te straffen met de inhouding van twintig procent van zijn brutowedde gedurende tien dagen, gepaard gaande met de onmiddellijke verwijdering uit de uitreikingsdienst. Hij motiveert zijn strafvoorstel op grond van de klachten die voorkomen in de genoemde petitie. In verband met deze klachten verklaart hij : "Het is moeilijk de klachten in de klachtenbundel en de door Lavrijsen L. gegeven uitleg op hun waarheid te onderzoeken. Maar wegens hun hoog aantal en komend van verschillende personen en wegens het feit dat de meeste aansluiten op de klachten die reeds waren gekend, acht ik betrokken postman Lavrijsen L. aansprakelijk voor de ernstige tekortkomingen in zijn dienst- uitvoering. Tevens acht ik hem mede verantwoordelijk voor de escalatie van de gebeurtenissen (...)". 1.
- Op 27 januari 1993 vraagt de gewestelijk directeur aan de postontvanger om zijn onderzoek over te doen. Hij stelt dat overeenkomstig de onderrichtingen, “de lastens betrokkene geuite feiten aan een nauwkeurig en grondig onderzoek onderworpen (moeten worden) met dien verstande dat in de strafreden duidelijk de datum en de door de belanghebbende onmiskenbaar bewezen begane onregelmatigheden omstandig dienen (te worden) vermeld” en dat hij “alles in het IX-53-3/11 werk (moet) stellen om het onbetwistbaar bewijs van de schuld van de betrokkene te leveren” en met het oog daarop betrokkene voor al de hem ten laste gelegde feiten omstandig om uitleg dient te verzoeken. 1.
- Dit bijkomend onderzoek vindt plaats op 1 februari
- De postontvanger deelt op 12 februari 1993 het resultaat ervan mee aan de gewestelijk directeur : verzoeker ontkent alle feiten behalve het feit te hebben deelgenomen aan het verbale geweld tegenover de bewoners van ‘Grens 15’ en hij is er ondanks omvangrijke onderzoekingen niet in geslaagd onweerlegbare tekortkomingen bloot te leggen. De postontvanger besluit zijn verslag als volgt : "Echter de reeks onregelmatigheden waarvoor betrokkene in de loop van het jaar uitleg heeft gegeven en zo nodig ook gestraft alsook de aanklachten over dezelfde feiten door meerdere personen geuit, zijn een zeer ernstige aanwijzing dat 1e postman Lavrijsen L.A.V.R.M. in belangrijke mate tekort is geschoten in zijn dienstuitvoering en zijn omgang met het publiek". Nadat het dossier een tweede maal op vraag van de gewestelijk directeur wordt vervolledigd, wordt het op 3 mei 1993 definitief overgemaakt aan de gewestelijk directeur. In zijn nota verklaart de postontvanger dat verzoeker nu in algemene dienst wordt benuttigd maar dat ook die benuttiging gepaard gaat met overdreven veel klachten. Hij stelt verder dat de gebeurtenissen op ronde 8 het vertrouwen van de bevolking van Arendonk in verzoeker ten zeerste hebben geschaad. Hij besluit dat hij wegens de aanhoudende klachten zijn strafvoorstel behoudt. 1.
- Op 18 mei 1993 sluit de gewestelijk directeur zich aan bij het voorlopig strafvoorstel. Hij is van mening dat de feiten geen louter verzinsel kunnen zijn van een veertigtal moegetergde klanten en dat, hoewel verzoeker de hem ten laste gelegde feiten loochent, de omvang van de petitie overduidelijk illustreert dat verzoeker “zelf de onderrichtingen maakt, zich aan niets of niemand stoort, zich ongeoorloofde praktijken toeëigent en (...) de Post in volledig discrediet brengt.” IX-53-4/11 1.
- Op 15 juni 1993 stelt het college van ambtenaren als definitief strafvoorstel de inhouding voor van twintig procent van verzoekers brutowedde gedurende tien dagen alsmede de onmiddellijke verwijdering uit de uitreikingsdienst. Verzoeker wordt hiervan met een brief van 2 juli 1993 op de hoogte gebracht en vraagt gehoord te worden door de Raad van Beroep. 1.
- De Raad van Beroep adviseert op 20 oktober 1993, na verzoeker en zijn raadsman te hebben gehoord, als sanctie de blaam gepaard gaande met de verplaatsing bij ordemaatregel op te leggen. De Raad motiveert zijn advies als volgt : "Gelet op het feit dat de meeste der ten laste gelegde onregelmatigheden bij het vrij summier gehouden onderzoek niet konden worden aangetoond of onjuist werden bevonden, doch tevens rekening houdend met de ruchtbaarheid die deze zaak kreeg te ARENDONK en de ongewenste weerslag daarvan op de kliënteel (...)". 1.
- Op 29 november 1993 legt het directiecomité verzoeker de sanctie op van inhouding van twintig procent van de brutowedde gedurende tien dagen, gepaard gaande met de verplaatsing bij ordemaatregel. Het directiecomité motiveert zijn beslissing als volgt : "De Raad van Beroep gaat voorbij aan het feit dat betrokkene meer dan 20 jaar dienst telt en deze zich weinig gelegen heeft gelaten aan zijn plicht de cliëntèle onberispelijk te bedienen. Hij diende alles te vermijden wat het vertrouwen van het postpubliek kan schaden en dat heeft hij verzuimd te doen". Op 23 december 1993 wordt een bevel tot ambtshalve over- plaatsing naar Lille uitgevaardigd. 1.
- Op 27 december 1993 wordt verzoeker, naar eigen zeggen, telefonisch op de hoogte gebracht van de bestreden beslissing van het directiecomité. 1.
- Op 15 februari 1994 wordt aan verzoeker schriftelijk mededeling gedaan van de bestreden beslissing door middel van een formulier 82 (bevel tot IX-53-5/11 overplaatsing), een formulier 96 (kennisgeving van strafmaatregel) en een formulier V
- Het formulier 96 -kennisgeving van strafmaatregelen- bevat naast de inhoud van de opgelegde maatregelen “inhouding van wedde” en “ambtshalve overplaatsing bij ordemaatregel naar Lille” ook een opgave van de redenen van die maatregelen : "Ernstige tekortkomingen in de dienstuitvoering : verkeerd bestellen van briefwisseling, onverantwoorde houding t.o.v. de bewoners op zijn ronde, onregelmatigheden bij het bestellen van aangetekende brieven". De tekst van het formulier V17 luidt : "Ingevolge een beslissing van het Directiecomité, dd. 29 november 1993, werd aan 1e postman LAVRIJSEN, L.A.V.R.M., de volgende tuchtmaatregel opgelegd : de inhouding van 20 % van de brutowedde gedurende 10 dagen, gepaard gaande met de verplaatsing bij ordemaatregel naar het kantoor Lille (Bo), wegens : zie kopie formulier 12 in bijlage". 1.
- Bij beslissing van 10 maart 1994 wordt verzoekers ambtshalve overplaatsing bij ordemaatregel naar Lille gewijzigd in een overplaatsing naar het kantoor Ravels 1 die onmiddellijk ingaat.
- Over de ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker in hoofdzaak de ordemaatregel van overplaatsing naar Lille viseert; dat dit blijkt uit de toelichting van zijn middelen; dat verzoeker intussen naar Ravels 1 is overgeplaatst om medische en sociale redenen; dat voor zover het beroep tot nietigverklaring gericht is tegen de ordemaatregel van overplaatsing naar Lille, het vereiste belang niet meer aanwezig is en het beroep niet langer ontvankelijk is; IX-53-6/11 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat hij na zijn overplaatsing naar Ravels, een overplaatsing heeft gevraagd naar Arendonk of Oud-Turnhout; dat hij voorts de vernietiging vordert van het geheel van de genomen maatregelen; 2.3.
- Overwegende dat het beroep in zoverre het gericht is tegen de overplaatsing bij ordemaatregel naar het kantoor te Lille, zonder voorwerp is geworden, aangezien de overplaatsing naar Lille is vervangen door een nieuwe overplaatsing naar Ravels 1; dat verzoeker deze overplaatsing niet heeft bestreden; dat het beroep niet langer ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de overplaatsing bij ordemaatregel naar Lille;
- Over de grond van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat hij slechts telefonisch werd ingelicht over de opgelegde straf, terwijl de beslissing hem op het ogenblik waarop ze ten uitvoer werd gelegd, had moeten worden aangeboden ter visum met omstandige opgave van de redenen die haar ondersteunen en doordat de bestreden beslissing geen melding maakt van de juridische en feitelijke overwegingen die haar ten grondslag liggen; dat een mondelinge mededeling niet kan voldoen aan de verplichting tot formele motivering en dat ook de kennisgeving van de beslissing die nadien is gebeurd niet aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 voldoet daar de feiten en de juridische regels die werden toegepast in de beslissing niet werden aangegeven en er evenmin werd aangegeven hoe de in aanmerking genomen feiten op basis van de toegepaste regels tot de beslissing hebben geleid; dat er alleen wordt verwezen naar een formulier 12 dat verzoeker nooit te zien kreeg; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat uit het advies van de raad van beroep, uit de beslissing van het directiecomité en uit het formulier V17 blijkt dat de gegeven motivering wel degelijk de feitelijke en IX-53-7/11 juridische overwegingen vermeldt die aan de grondslag liggen van de beslissing, waaronder de redenen waarom uiteindelijk de inhouding van wedde werd opgelegd in plaats van de blaam die door de raad van beroep werd voorgesteld; dat zij erop wijst dat verzoeker formulier 82 aangaande de verplaatsing bij ordemaatregel, formulier 96 aangaande de kennisgeving van de strafmaatregel en formulier V17 heeft getekend; dat, hoewel het bij formulier V17 gevoegde formulier 12 niet aan verzoeker is afgegeven, redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij van de inhoud ervan kennis had, aangezien hij het reeds in de loop van de procedure voor kennisname ondertekende; dat zij besluit dat een onvoldoende formele motivering geen grond van nietigverklaring is indien zij de betrokkene niet heeft verhinderd de motieven toch te kennen en dat in onderhavig geval er geen enkele twijfel over kan bestaan dat verzoeker wist welke motieven aan de basis lagen van de getroffen maatregelen; 3.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat er geen grondig onderzoek naar de juistheid van de in aanmerking genomen feiten is gevoerd; dat de gewestelijke directeur in zijn brief van 27 januari 1993 nochtans een grondig onderzoek heeft gevraagd; dat alle feiten terug te brengen zijn tot één petitielijst; dat de postontvanger van het kantoor Arendonk in zijn brief van 12 februari 1993 het volgende besluit: “Ondanks omvangrijke en tijdrovende onderzoekingen, ben ik niet geslaagd in mijn opzet om onweerlegbare tekortkomingen bloot te leggen”; dat hij tot deze bevinding komt na inzonderheid klachten inzake aangetekende brieven, een direct controleerbare aangelegenheid, te hebben onderzocht; dat hij bovendien heeft moeten vaststellen dat bepaalde klagers in de betrokken tijdsspanne zelfs geen aangetekende zending hadden gekregen; dat ook de raad van beroep overwogen heeft “dat de meeste der ten laste gelegde onregelmatigheden bij het vrij summier gehouden onderzoek niet konden worden aangetoond of onjuist werden bevonden”; dat de raad van beroep tevens een blaam voorstelde “rekening houdend met de ruchtbaarheid die deze zaak kreeg te Arendonk en de ongewenste weerslag daarvan op het kliënteel”; dat het directiecomité ten slotte evenmin een diepgaand onderzoek naar de feiten heeft gevoerd; IX-53-8/11 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat het de tuchtoverheid toekomt om te oordelen of de haar voorgelegde gegevens volstaan om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden; dat het feit dat verzoeker een tweeëndertigtal feiten ten laste worden gelegd door een vijvenveertigtal klanten, overduidelijk aantoont dat hij zijn dienst met ernstige tekortkomingen uitvoert; 3.
- Overwegende dat in tuchtzaken het bewijs van de ten laste gelegde feiten belangrijk is; dat tuchtstraffen als zij berusten op onbestaande, onjuiste of niet nauwkeurig vastgestelde feiten, niet kunnen worden uitgesproken; dat te dezen de feiten niet met de vereiste nauwkeurigheid zijn vastgesteld; dat immers vooreerst de gewestelijke directeur, na een eerste grondig onderzoek te hebben gevraagd op 6 januari 1993, op 27 januari 1993 opnieuw vraagt om het onderzoek over te doen met dien verstande dat de onmiskenbaar bewezen begane onregelmatig- heden omstandig dienen te worden vermeld en dat onbetwistbaar het bewijs van schuld moet worden geleverd; dat de postontvanger hierop enkel kan besluiten dat de geuite aanklachten een zeer ernstige “aanwijzing” zijn dat verzoeker is tekort geschoten; dat vervolgens ook de raad van beroep op 20 oktober 1993 oordeelt “dat de meeste der ten laste gelegde onregelmatigheden bij het vrij summier gehouden onderzoek niet konden aangetoond of onjuist werden bevonden”; dat dit oordeel ten aanzien van het bewijs van de feiten bijzonder scherp is en mede ertoe leidt dat de raad van beroep unaniem de blaam voorstelt en de verplaatsing bij ordemaatregel; dat deze overplaatsing geheel begrijpelijk overkomt, gelet op de omstandigheden inherent aan deze zaak, hetgeen de raad van beroep omschrijft als “de ruchtbaarheid die deze zaak kreeg te Arendonk en de ongewenste weerslag daarvan op het kliënteel”; dat wat de aangeklaagde feiten zelf betreft deze in hoofdzaak steunen op de petitielijst, verzameld door één persoon met wie verzoeker op zeer gespannen voet leefde; dat bovendien uit het administratief dossier ook blijkt dat de postont- vanger in zijn vertrouwelijk verslag van 12 februari 1993 de inschrijvingen van aangetekende zendingen verifieert en onder meer tot de vaststellingen komt dat voor één klachtindiener geen inschrijvingen werden aangetroffen, voor een tweede de zending werd afgehaald tegen aftekening, terwijl er geen andere ingeschreven IX-53-9/11 zendingen werden gevonden, voor een derde de zendingen eveneens werden afgetekend, voor een vierde de ingeschreven zending op naam van haar echtgenoot niet kon overhandigd worden; dat de postontvanger het volgende besluit: “Ondanks omvangrijke en tijdrovende onderzoekingen ben ik niet geslaagd in mijn opzet om onweerlegbare tekortkomingen bloot te leggen”; dat de bestreden beslissing aldus ten onrechte is voorbijgegaan aan het niet op afdoende wijze bewezen zijn van de tenlaste gelegde feiten; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 29 november 1993 van het directiecomité van De Post in zoverre aan verzoeker de tuchtmaatregel van inhouding van twintig procent van zijn brutowedde gedurende tien dagen wordt opgelegd. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-53-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee mei 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-53-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.027 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.