← België

Arrest 144031 - - 02/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.031 Rolnummer: A. 117470/XIV-8838 Zaak: Arrest 144031 - - 02/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-31 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 10:08 Fiche Arrest nr 144.031 van 2 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.031 van 2 mei 2005 in de zaak A. 117.470/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazachse nationaliteit, op 28 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 januari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005; XIV-8838-1/10 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Kazachse nationaliteit, is België binnengekomen op 3 oktober 2000 en heeft zich op 3 oktober 2000 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 22 november 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 31 januari 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, van Kazachse nationaliteit en Russische origine, verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken en het het Commissariaat-generaal dat er op 16 december 1986 een opstand was van Kazachen tegen de Russen. U werd door de fabriek waar u werkte opgevorderd om de rust te doen terugkeren. U werd toen verwond door een Kazach. In december 1987 werd u vrouw, S. (OV. 4.984.279), geslagen. Uw vader was van 31 mei 1992 tot 2 juni 1992 vermist. Hij was door Kazachen ontvoerd om hem als slaaf te gebruiken.In 1993 werd u ontslagen op uw werk omwille van uw origine en omdat u de orde had gehandhaafd in
  6. In 1993 hebben jullie een kiosk geopend. Om de zaak te laten registeren moesten jullie veel smeergeld betalen omwille van jullie origine. Jullie kregen steeds controle van allerlei instanties terwijl de Kazachse winkeliers bijna nooit controle kregen. Hetzelfde jaar kochten jullie een frietkraam. Jullie dienden maandelijks aan politiekapitein Koerbanov 100$ te betalen. In 1999 verhuisden jullie jullie frietkraam naar de Rakhat markt. Daar moesten jullie ook smeergeld betalen. Op 7 februari 2000 zei de politie tegen jullie dat het verboden was om religieuze literatuur op straat te verkopen. In maart 2000 kwam Akhmetov, een man van de marktadministratie, en nog twee andere mannen naar het frietkraam. Uw vrouw werd geslagen omdat ze weigerde om elke maand een bepaalde som aan Akhmetov te betalen. Nadat uw vrouw in het ziekenhuis een klacht had ingediend bij een politieagent eisten familieleden van Akhmetov dat ze haar klacht zou in trekken. Begin april 2000 begon de Kazach Igerov, die voorzitter was van de stadsadministratie van Almaty, een XIV-8838-2/10 garage naast jullie te bouwen. U ging bij verschillende instanties klagen omdat Igerov te dicht tegen jullie huis was aan het bouwen en omdat hij een hoge muur wou bouwen. Daarna kreeg u bezoek van Igerov en de politie. Igerov beledigde u omwille van uw origine. U werd door de politie geslagen en meegenomen naar een huisje voor herders. Na een paar dagen kwamen de politieagenten terug. Onder bedreiging zei men dat u uw huis moest verkopen aan Igerov. U stemde toe.Nadat u was vrijgelaten kreeg u dreigtelefoons van Igerov. In april 2000 was er een poging van onbekenden om uw zoon omver te rijden. U vermoedt dat Akhmetov hier achter zat. In de nacht van 23 op 24 april 2000 werd jullie huis in brand gestoken. Akhemtov telefoneerde dat hij terug jullie huis in brand zou steken. Nadat uw vrouw een klacht had ingediend tegen Akhmetov bij de rector van de universiteit waar hij studeerde belde Akhmetov om te zeggen dat hij heel uw familie zou vermoorden. Op 17 juni 2000 poogden politieagenten uw dochter te verkrachten tijdens een feest op school. Begin juli 2000 zei Akhmetov tegen uw vrouw dat ze hem 2000$ moest betalen omdat hij veel smeergeld moest betalen in verband met de problemen die ze had veroorzaakt. Op 10 juli 2000 ging uw vrouw met haar moeder en uw zoon naar de markt om het geld te betalen. Akhmetov was niet in het administratiegebouw. Uw vrouw werd door vier mannen verkracht. U verliet op 1 oktober 2000 Kazachstan. Op 3 oktober 2000 vroeg u de status van vluchteling aan. In een brief die jullie 3 hebben gekregen stond geschreven dat uw nicht overleden was nadat ze werd geslagen. Men had haar met uw vrouw verwisseld. Door middel van een telefoongesprek met uw schoonmoeder weten jullie dat jullie ouders werden bedreigd door Akhmetov.U bent in het bezit van uw geboorteakte, identiteitskaart, militair boekje, documenten voor het bekomen van uw rijbewijs, een medisch bewijs van uw vader en een foto van uw vader. Ten eerste dient er te worden opgemerkt dat het feit dat u verwond werd tijdens de Kazachse opstand in 1986, het feit dat uw vrouw werd geslagen in 1987, de ontvoering van uw vader in 1992 en uw ontslag in 1993 te ver in de tijd zijn gesitueerd en u er toen niet toe hebben aangezet uw land te verlaten. Aldus kunnen deze ingeroepen feiten bezwaarlijk weerhouden worden om uw actuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te onderbouwen. Ten tweede dient er te worden opgemerkt dat u betreffende de problemen in verband met de uitbating van de kiosk en het frietkraam en de problemen met Akhmetov zich baseert op de feiten zoals die door uw vrouw S. (OV. 4.984.279) zijn aangehaald. Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van uw vrouw omwille van het bedrieglijk en kennelijk ongegrond karakter een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van de asielaanvraag van u onmogelijk een andere beslissing worden weerhouden. Tenslotte verklaarde u dat u problemen heeft gekend met Igerov, de Kazachse voorzitter van het stadsadministratie van Almaty, omwille van uw origine (CGVS, p. 8). De door u aangehaalde systematische vervolging door de Kazachse overheid stemt echter niet met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september – 10 oktober 2000; 13 november – 19 december 2000; 6 – 23 januari 2001 en Informatie Kazachstan Cedoca, februari 2001; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000; Le Soir, 20 december 2000; De Standaard - Online-, 3 februari 2001) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige systematische vervolging van de Russische bevolkingsgroep. Er moet aldus worden vastgesteld dat u bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd. Daarenboven moet worden vastgesteld dat de door u tot staving van uw asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden. Uit de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie (zie supra) blijkt immers niet dat men omwille van zijn etnie niet op de bescherming van de Kazachse overheden zou kunnen rekenen. Integendeel, uit de informatie blijkt juist dat zeker de hogere Kazachse autoriteiten zeer gevoelig zijn voor elke vorm van etnische spanningen en geweld. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat u omwille van uw Russische etnie niet op bescherming zou kunnen rekenen. Gezien het voorafgaande kan in hoofde van u geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève worden weerhouden. XIV-8838-3/10 De documenten en de foto, die in het kader van uw asielrelaas werden neergelegd, wijzigen het voorgaande niet.”.
  7. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  8. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Dat de verzoekende partij onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, volgend middel tot nietigverklaring voorstelt: Schending van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de Conventie van Genève, afwezigheid van redenen en op zijn minst een manifeste appreciatiefout; Doordat de bestreden beslissing vooropstelt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij bedrieglijk is, Terwijl, bij het ontvankelijkheidonderzoek, overeenkomstig de geldende regels van het Belgisch administratief recht, de bewijslast inzake de ontvankelijkheid bij de bevoegde administratie ligt en dat bijgevolg het Commissariaatgeneraal voor de vluchtelingen en de staatlozen moet bewijzen dat er een onontvankelijkheidsgrond bestaat: is die er niet, dan kan de aanvraag in dit stadium van de procedure niet worden verworpen (M. Bossuyt, “Uiteenzetting over de voorgestelde wijzigingen in de Vreemdelingenwet voor de Senaatscommissie voor de binnenlandse aangelegenheden”, Parl. St. Senaat 1992-93, nr. 555/2,

(54)55, nr. 4) en uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij een bedrieglijke aanvraag tot asiel zou hebben gedaan; Dat zulks immers zou impliceren dat de verzoekende partij gebruik zou hebben gemaakt van bv valse identiteitspapieren of reisdocumenten of van valse of vervalste documenten in het algemeen, of een aanvraag zou hebben gedaan, die valse inlichtingen zou bevatten ofwel essentiële gegevens zou verzwijgen; Dat zulks in casu op geen enkel ogenblik wordt beweerd, laat staan dat het zou bewezen voorkomen en overigens is het gebruik van valse documenten op zichzelf niet eens voldoende om te besluiten tot een bedrieglijke aanvraag (Parl. St. Kamer 1986-87, nr. 689/10, 7); Dat de bestreden beslissing vooropstelt dat “Ten eerste dient er te worden opgemerkt dat het feit dat u verwond werd tijdens de Kazachse opstand in 1986, het feit dat uw vrouw werd geslagen in 1987, de ontvoering van uw vader in 1992 en uw ontslag in 1993 te ver in de tijd zijn gesitueerd en u er toen niet toe hebben aangezet uw land te verlaten. Aldus kunnen deze ingeroepen feiten bezwaarlijk weerhouden worden om uw actuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te onderbouwen. Ten tweede dient er te worden opgemerkt dat u betreffende de problemen in verband met de uitbating van de kiosk en het frietkraam en de problemen met Akhmetov zich baseert op de feiten zoals die door uw vrouw S. (OV. 4.984.279) zijn aangehaald. Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van uw vrouw omwille van het bedrieglijk en kennelijk ongegrond karakter een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van de asiel aanvraag van u onmogelijk een andere beslissing worden weerhouden. Tenslotte verklaarde u dat u problemen heeft gekend met Igerov, de Kazachse voorzitter van het stadsadministratie van Almaty, omwille van uw origine (CGVS, p. 8). De door u aangehaalde systematische vervolging door de Kazachse overheid stemt echter niet met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000; 13 november - 19 december 2000; 6 - 23 januari 2001 en Informatie Kazachstan Cedoca, februari 2001; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000; Le Soir, 20 december 2000; De Standaard - Online-, 3 februari 2001) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige systematische vervolging van de Russische bevolkingsgroep. Er moet aldus worden XIV-8838-4/10 vastgesteld dat u bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd. Daarenboven moet worden vastgesteld dat de door u tot staving van uw asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden. “Uit de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie (zie supra) blijkt immers niet dat men omwille van zijn etnie niet op de bescherming van de Kazachse overheden zou kunnen rekenen. Integendeel, uit de informatie blijkt juist dat zeker de hogere Kazachse autoriteiten zeer gevoelig zijn voor elke vorm van etnische spanningen en geweld. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat u omwille van uw Russische etnie niet op bescherming zou kunnen rekenen”. Terwijl, Niets de asielzoeker mag beletten ook feiten uit een verder verleden aan te halen ter ondersteuning van het asiel, bv. omdat deze feiten de conflicten die aan de basis liggen van de asielaanvraag kunnen verduidelijken of er verband mee houden; Dat zulks het geval was voor de verzoekende partij, die tijdens het sovjetregime mee een opstand van etnische Kazakken in de militaire fabriek waar hij werkte had helpen onderdrukken, hetgeen de hardnekkigheid verklaart, waarmee de verzoekende partij werd geviseerd; En terwijl, de eenvoudige verwijzing naar de beslissing die getroffen werd in het dossier van de echtgenote van de verzoekende partij, zonder motivering in feite en in rechte, onvoldoende is om te besluiten tot een kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij; Dat in de beslissing de motieven niet vermeld staan en de beslissing bijgevolg strijdig is met de uitdrukkelijke motiveringswet; En terwijl, de verzoekende partij stukken heeft neergelegd, waaruit overduidelijk blijkt dat zowel de verzoekende partij zelf, als zijn echtgenote en zijn kinderen en natuurlijk de nicht op ernstige wijze werden toegetakeld en zelfs vermoord en de Kazakse politie pertinent weigerde de klachten op te nemen of er in elk geval niet het minste gevolg aan verleende omwille van etnische motieven en dat deze motieven niet betwist worden, laat staan weerlegd worden door de Commissaris-generaal; dat een onontvankelijkheidsgrond slechts kan worden toegepast hetzij in geval van bedrog (quod non), hetzij in het geval de asielzoeker geen enkel element aanbrengt dat verband houdt met het Vluchtelingenverdrag of met andere criteria die asiel wettigen; dat de door de verzoekende partij geformuleerde feiten, die eigenlijk niet betwist worden door de Commissaris-generaal duidelijk kaderen binnen het vluchtelingenverdrag; dat de documenten die door de Commissaris-generaal worden geciteerd in zijn beslissing ten zeerste worden betwist door de verzoekende partij; dat in de eerste plaats reeds dient verwezen te worden naar het feit dat de Belgische immigratieambtenaar, die het onderzoek in Kazakstan uitvoerde, onder voortdurende bewaking diende gesteld te worden, opdat ze niet zou worden omgebracht; dat de verzoekende partij verder verwijst naar het “2000 Country Report on Human Rights Practices - Kazachstan” van het Amerikaanse State Department en een studie van Laurent Dujardin en Véronique Goffe, die weliswaar in hoofdzaak handelt over de situatie van de oeigoerse minderheid, maar toch ook verwijzingen inhoudt omtrent de andere niet-Kazakse minderheden in Kazakstan en naar het “Memorandum” opgesteld door de Kazakse gemeenschap in België als reactie op de officiële in de pers gepubliceerde standpunten van de Belgische asielinstanties; dat hieruit zonder de minste twijfel blijkt dat alle niet-Kazakse bevolkingsgroepen, Russen inclusief, actief worden gediscrimineerd, gepest en onderdrukt; dat deze politiek door de Kazakse bevolking wordt aangemoedigd en dat hierbij uitwassen evident zijn; dat verder zonder de minste twijfel blijkt dat de Republiek Kazakstan een corrupte en in vele geledingen ondemocratische staat is; dat blijkt dat het juridisch en politionele systeem volledig ondergraven is door deze corruptie en dat er in feite geen onafhankelijk juridisch systeem bestaat; dat er, in tegenstelling tot de officiële retoriek, in de praktijk geen sprake is van enige bescherming van niet-Kazakse burgers tegenover (invloedrijke) Kazakken; XIV-8838-5/10 Dat de algemene rapporten die door het Commissariaatgeneraal worden geciteerd, de concrete feiten die door de verzoekende partij werden aangehaald, niet kunnen weerleggen; dat er vervolging bestaat indien de feiten gepleegd door derden bewust door de autoriteiten worden geduid of indien deze weigeren dan wel niet in staat zijn om afdoende bescherming te bieden (Handbook, nr. 65).”; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de Conventie van Genève; dat verzoeker verder aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op zijn minst een “manifeste appreciatiefout” heeft begaan bij het nemen van de bestreden beslissing doordat de bestreden beslissing vooropstelt dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is; 2.2.2. Overwegende dat artikel 52, § 1, 2/,
  1. a)en 7/ van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat om een exact beeld van de situatie te krijgen waarin de vreemdeling zich bevindt ten tijde van het onderzoek van het dringend beroep de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te nemen; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker stelt, het bedrieglijk karakter onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene tegenstrijdig zijn of niet overeenstemmen met geloofwaardige gegevens waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat, wat de bewijslast betreft, verzoeker -eveneens onterecht- stelt dat deze niet bij hem ligt, maar bij de bevoegde administratie; dat in de ontvankelijkheidsfase de bewijslast in de eerste plaats bij de asielzoeker berust; 2.2.3. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen concludeert tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag en dit omwille van de volgende motieven: “(...) Ten eerste dient er te worden opgemerkt dat het feit dat u verwond werd tijdens de Kazachse opstand in 1986, het feit dat uw vrouw werd geslagen in 1987, de ontvoering van u vader in 1992 en uw ontslag in 1993 te ver in de tijd zijn gesitueerd en u er toen niet toe hebben aangezet uw land te verlaten. Aldus kunnen deze ingeroepen feiten bezwaarlijk weerhouden worden om uw actuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te onderbouwen. Ten tweede dient er te worden opgemerkt dat u XIV-8838-6/10 betreffende de problemen in verband met de uitbating van de kiosk en het frietkraam en de problemen met AKHMETOV zich baseert op feiten zoals die door uw vrouw S. (OV.4.984.279) zijn aangehaald. Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van uw vrouw omwille van het bedrieglijk en kennelijk ongegrond karakter een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van de asielaanvraag van u onmogelijk een andere beslissing worden weerhouden. Tenslotte verklaarde u dat u problemen heeft gekend met Igerov, de Kazachse voorzitter van de stadsadministratie van Almaty, omwille van uw origine (CGVS, p. 8). De door u aangehaalde systematische vervolging door de Kazachse overheid stemt echter niet met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. (...) Daarenboven moet worden vastgesteld dat de door u tot staving van uw asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden. (...)”; 2.2.4. Overwegende dat verzoeker stelt dat niets de asielzoeker mag beletten ook feiten uit een verder verleden aan te halen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag omdat deze feiten de conflicten die aan de basis liggen van de asielaanvraag kunnen verduidelijken; dat inderdaad niets belet de asielzoeker de feiten uit een verder verleden aan te halen, doch dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vaststelde dat deze feiten verzoeker er toen niet hebben aangezet zijn land te verlaten zodat deze bezwaarlijk in aanmerking kunnen worden genomen om verzoekers actuele vrees voor vervolging te onderbouwen; 2.2.5. Overwegende dat verzoeker stelt dat een eenvoudige verwijzing naar de beslissing die getroffen werd in het dossier van zijn echtgenote onvoldoende is om te besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van zijn asielaanvraag; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vaststelde dat betreffende de problemen in verband met de uitbating van de Kiosk en het frietkraam en problemen met AKHMETOV verzoeker zich baseert op de feiten zoals die door zijn echtgenote werden aangehaald zodat in zijn asielaanvraag geen andere beslissing kon worden genomen; dat verzoeker geenszins weerlegt dat hij zich voor deze problemen baseert op de feiten zoals die door zijn echtgenote werden aangehaald; 2.2.6. Overwegende dat verzoeker stelt dat hij documenten heeft ingediend waaruit overduidelijk blijkt dat hij en zijn familie op ernstige wijze werden toegetakeld en dat de Kazachse politie pertinent weigerde de klachten op te nemen of er in elk geval niet het minste gevolg aan verleende omwille van etnische motieven, hetgeen door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet wordt betwist noch weerlegd; dat verzoeker nog stelt dat een onontvankelijkheidsgrond slechts kan worden toegepast hetzij in het geval van bedrog (quod non), hetzij in het geval de asielzoeker geen enkel element aanbrengt dat verband houdt met het Vluchtelingenverdrag of met andere criteria die asiel wettigen; dat volgens verzoeker zijn geformuleerde feiten, die niet betwist worden door de XIV-8838-7/10 Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, duidelijk kaderen binnen het Vluchtelingenverdrag; dat verzoeker tevens de informatie betwist waarop de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen steunt en verwijst naar het rapport van het Amerikaanse State Department, een studie van Laurent DUJARDIN en Véronique GOFFE en het “Memorandum” opgesteld door de Kazachse gemeenschap in België als reactie op de officiële in de pers gepubliceerde standpunten van de Belgische asielinstanties, waar zonder de minste twijfel uit blijkt dat alle niet-Kazachse bevolkingsgroepen, Russen inclusief, actief worden gediscrimineerd, gepest en onderdrukt; dat verzoeker nog stelt dat de algemene rapporten waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen steunt de concrete feiten die verzoeker heeft aangehaald niet kunnen weerleggen en er vervolging bestaat indien de feiten gepleegd door derden bewust door de autoriteiten worden geduld of indien deze weigeren dan wel niet in staat zijn om afdoende bescherming te bieden; dat uit de stukken die verzoeker indiende, met name 4 processen-verbaal opgesteld naar aanleiding van de aanval van Achmetov op zijn echtgenote, en die opgenomen zijn in het administratief dossier, duidelijk blijkt dat verzoekers echtgenote, in tegenstelling tot hetgeen hij argumenteert, een klacht kon indienen en dat de klacht onderzocht werd en ACHMETOV opgeroepen werd voor verhoor; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten aanzien van deze feiten in de bestreden beslissing van verzoekers echtgenote trouwens heeft vastgesteld “dat de door u tot staving van uw asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden; 2.2.7. Overwegende dat, met betrekking tot verzoekers problemen met Igerov, de Kazachse voorzitter van de stadsadministratie de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen eveneens vaststelde dat “(
  2. de)ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden”; dat verzoeker met de blote bewering, namelijk dat deze feiten wel binnen het kader van de Vluchtelingenconventie vallen, het besluit dat zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond is niet weerlegt; dat door de verwijzing naar andere rapporten verzoeker niet aantoont dat zijn persoonlijke situatie afwijkt van de bevindingen van de rapporten waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; 2.2.8. Overwegende dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zijn; dat, gelet op het voorgaande dient aangenomen dat het oordeel van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond te verklaren niet kennelijk onredelijk is; dat verzoeker er niet in slaagt valabele argumenten aan te brengen die de wettigheid van de bestreden beslissing aantast; dat hij evenmin aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een XIV-8838-8/10 “manifeste appreciatiefout” heeft begaan; dat niet wordt verduidelijkt welk artikel van de Conventie van Genève precies geschonden is; 2.2.9. Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-8838-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee mei tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-8838-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.