← België

Arrest 144037 - - 02/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.037 Rolnummer: A. 131569/XIV-13388 Zaak: Arrest 144037 - - 02/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-31 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 04:20 Fiche Arrest nr 144.037 van 2 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.037 van 2 mei 2005 in de zaak A. 131.569/XIV-13.388. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. ELLOUZE, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai du Roi Albert 77 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Joegoslavische nationaliteit, op 9 januari 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 december 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 14 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-13.388-1/10 Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.-L. PELLEGRINI die, loco Advocaat M. ELLOUZE verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Joegoslavische nationaliteit, zijn België binnengekomen op 14 november 2000 en hebben zich op 16 november 2000 vluchteling verklaard. 1.2. Op 23 november 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 13 december 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van deze beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken. Dit zijn de bestreden beslissingen: Wat XXX betreft: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een Bosniak uit Joegoslavië, meer bepaald uit Ugao (Sjenica). Sinds 1973 woont u echter in Vitomirica (Kosovo). Op 1 april 1999 zou u uit huis meegenomen zijn door zes gemaskerde Servische politieagenten. Ze zouden uw huis binnengevallen zijn omdat u niet ingegaan bent op de convocatie die ze u gestuurd hadden. Die zes politiemannen zouden u meegenomen hebben naar het politiebureau van Pe“ waar ze u een uniform van de politie gaven. Nadien zou u samen met twee buren, die ook opgepakt waren door de politie, naar een checkpoint van de politie in Savine Vode gestuurd zijn. Daar zou u van de Serviërs het bevel gekregen hebben om de passerende vluchtelingen lastig te vallen en te slaan. Op 10 april 1999 zou u samen XIV-13.388-2/10 met uw twee buren ontsnapt en naar Rozaje (Montenegro) zijn gevlucht. Daar zou u tot 15 april 1999 bij de familie van uw echtgenote verbleven hebben. Omdat uw schoonbroer gezegd had dat het daar veel te gevaarlijk was wegens de aanwezigheid van vele Albanese vluchtelingen, zou u samen met uw echtgenote vertrokken zijn naar Sarajevo. Uw schoonbroer zou u ook gezegd hebben dat er verschillende Albanezen gezien hadden dat u andere Albanezen geslagen had. Op 6 september 1999 zou u teruggekeerd zijn naar uw huis in Vitomirica . De dag na uw terugkeer zouden er vijf à zes gemaskerde Albanezen naar uw huis gekomen zijn op zoek naar u. U zou zich echter verborgen hebben zodat ze u niet vonden. Daarop zouden ze tegen uw vader gezegd hebben dat u vrijwillig bij de politie gegaan was. Ze zouden ook gezegd hebben dat u geen klacht mocht indienen bij de KFOR omdat ze anders uw familie zouden vermoorden. Omdat u schrik had, zou u van dan af aan tot uw vertrek naar België op 9 november 2000 verborgen geleefd hebben in uw huis. Gedurende gans deze periode zouden ze nog enkele malen in uw huis geweest zijn en zouden ze steeds aan uw vader gevraagd hebben waar u zich bevond. Nadat u voldoende geld had verzameld, bent u op 9 november 2000 samen met uw echtgenote en kind omwille van de onzekere situatie naar België vertrokken, waar u op 14 november 2000 aankwam en waar u op 16 november 2000 asiel aanvroeg. Uw zussen E. en M. bevonden zich reeds in België, uw zus R. vroeg hier op 7 mei 2002 asiel aan. U beschikt over een identiteitskaart, uitgereikt te Vitomirica op 18 december 1996; een Joegoslavisch rijbewijs, uitgereikt te Pe“ op 4 maart 1997 en een huwelijksakte, uitgereikt op 22 juni 1995 te Vitomirica. Ter staving van uw asielaanvraag legde u een attest, dd. 18 februari 2002, van de Partij van de Democratische Aktie van Kosovo (SDA Kosova) neer waarin verklaard wordt dat het uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is dat u in België blijft. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende concrete feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u uw land van herkomst verlaten hebt uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog een dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Kosovo (Joegoslavië). U verklaarde namelijk van 6 september 1999 tot 9 november 2000 – met andere woorden gedurende meer dan één jaar – bij uw echtgenote, kinderen en ouders in het dorp Vitomirica, gemeente Pe“, te hebben verbleven, zonder daar evenwel enige directe aanvaringen of problemen met etnische Albanezen te hebben gekend (verhoorverslag CGVS p. 7-8). U beweerde daarenboven louter bij u thuis in Vitomirica te zijn ondergedoken omdat (volgens uw vader) uw naam inmiddels werd genoemd door Albanezen die naar uw woning waren gekomen in het kader van uw collaboratie met de Serviërs (verhoorverslag CGVS p. 6-7). In dit verband dient overigens te worden vastgesteld dat u op geen enkel moment tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken enige melding maakte van het feit dat Albanezen in uw huis zouden binnengekomen zijn en u er – onrechtstreeks – bedreigd zouden hebben (verhoorverslag DVZ vraag 42). Gedurende de schuilperiode bij u thuis in Vitomirica (periode september 1999 tot november 2000) resulteerde de door u vernoemde collaboratie met het Servische regime echter nooit in enige daadwerkelijke confrontatie met etnische Albanezen, noch in enige problemen met de etnisch Albanese bevolking van Pe“ in het algemeen. Niettemin verklaarde u Kosovo uiteindelijk te hebben verlaten aangezien u vreesde hoedanook te worden opgespoord en vermoord door etnische Albanezen (verhoorverslag CGVS p. 8). Als dusdanig zijn de door u aangehaalde onveiligheidsgevoelens of beweerde moeilijkheden echter geenszins gelijk te stellen met een daadwerkelijk gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. Bovendien is het feit dat u na uw eerste moeilijkheden nog meer dan een jaar wachtte om Kosovo te verlaten, niet in overeenstemming te brengen met een gegronde vrees voor vervolging. Een dergelijk laattijdig vertrek tast de ernst van uw beweerde vrees voor vervolging aan en kan aldus bezwaarlijk als een vlucht in de zin van de Geneefse Conventie aanzien worden. Daarnaast verklaarde u geen noemenswaardige of significante problemen te hebben gekend in Vitomirica, en u zelfs aangaande de voornoemde problemen nooit te hebben gewend tot de bevoegde (internationale) autoriteiten in Kosovo (verhoorverslag CGVS p. 8). Uw verklaring voor deze nalatigheid, met name het feit dat u en uw familie met de dood zouden zijn bedreigd ingeval u klacht zou neerleggen (verhoorverslag CGVS p. 7), is onvoldoende ter verantwoording. Het is immers net de taak van de in Kosovo aanwezige autoriteiten om u bescherming te bieden en uw veiligheid te garanderen. Verder blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan XIV-13.388-3/10 een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, dat de situatie voor de etnische minderheden in Pe“ inmiddels aanzienlijk verbeterde en stabiliseerde, hetgeen zich onder meer uit in participatie en integratie op politiek, evenals socio-cultureel en religieus vlak. Tenslotte kan hier nog aan toegevoegd worden dat er een vrij omvangrijke Bosniakgemeenschap (5000 mensen) leeft in Vitomirica. Ook zijn in uw gemeente tussen de meer dan 140 NGO’s tien procent NGO’s die de belangen van etnische minderheden behartigen en één daarvan is zelfs in Vitomirica gevestigd. Verder zijn er Bosniakken werkzaam bij het Kosovo Police Corps (KPC). Mocht u alsnog concrete moeilijkheden ervaren, dan u kunt u zich dan ook steeds wenden tot de in Kosovo aanwezige internationale autoriteiten en/of hun lokale vertegenwoordigers. Het door u neergelegde document van de Partij van de Democratische Aktie van Kosovo (SDA Kosova), waarin verklaard wordt dat het noodzakelijk is dat u in België blijft, is niet van aard om bovenstaande vaststellingen te doen wijzigen, aangezien het enkel algemene vaststellingen omtrent de Bosniakken in Kosovo betreft en geen direct houdt verband met uw individuele vluchtmotieven. In dit verband is het hoogst opmerkelijk dat u, ondanks het door u neergelegde document, verklaarde geen lid te zijn van het SDA (verhoorverslag CGVS p. 8). Hier kan nog aan toegevoegd worden dat ik inzake de asielaanvraag van uw zussen, M. en R. H., eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam. Met de beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van uw zus, E. M. (H.) kan geen rekening gehouden worden gezien zij zich beroept op persoonlijke en andere vluchtmotieven. (...).”. Wat XXX betreft: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een Bosniak uit Klanac (Rozaje) in Montenegro. Sinds uw huwelijk in 1995 woont u bij uw echtgenoot in Vitomirica (Kosovo). U bent op 14 november 2000 samen met uw echtgenoot, XXX, en uw minderjarig kind aangekomen in België, waar u 16 november 2000 asiel aanvroeg. U bent in het bezit van een Joegoslavische identiteitskaart, dd. 25 september 1996 en een Joegoslavisch rijbewijs uitgereikt te Rozaje op 2 maart 1993. Er dient te worden opgemerkt dat u uw asielaanvraag volledig op de door uw echtgenoot, Hukic Jusuf, aangehaalde motieven steunt. Aangezien in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan voor u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. (...).”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “II. VIOLATION DE L 'OBLIGATION DE MOTIVATION ADÉQUATE PREVUE PAR LES ARTICLES 1. 2 ET 3 DE LA LOI DU 29.07.1991 ET VIOLATION DE L'ARTICLE 52 DE LA LOI DU 15.12.1980 Attendu que le Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides, par des motifs confus prétend que les éléments concrets avancés par le requérant sont insuffisants pour “faire apparaître que les deux requérants ont quitté leur pays d'origine à la suite d'une crainte fondée de persécution au sens où l'entend la Convention sur les Réfugiés”. Attendu que la décision, en déclarant que les éléments avancés par le requérant sont insuffisants pour être considérés comme fondant une crainte de persécution au sens de la Convention de Genève, prend une décision au fond dans le cadre d'une procédure de recevabilité”. XIV-13.388-4/10 Que le Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides viole ainsi l'article 52 de la loi du 15.12.1980 ainsi que l'obligation de motivation adéquate prévue par les articles 1, 2, 3 de la loi du 29.07.1991. En émettant une appréciation de la gravité de la crainte, le Commissaire Général reconnaît implicitement que la demande des deux requérants n'est pas manifestement non fondée dans le sens de l'article 52 de la loi. Attendu que le Commissaire Général avance plusieurs éléments pour justifier sa décision. Attendu que l'analyse de ces éléments montre que les motifs invoqués par le Commissaire Général ne sont pas fondés en fait et en droit.

  1. a)Attendu que le Commissaire Général prétend que le requérant avait déclaré que “pendant plus d'un an, entre le 06.09.1999 et le 09.11.2000, il a vécu dans le village de Vitomirica, commune de Pec, sans y avoir connu aucun conflit, ni problème direct avec les Albanais de souche”. Que le Commissaire Général ajoute : “vous avez prétendu, en outre, que vous vous êtes simplement cachés chez vous à Vitomirica parce que selon votre père, votre nom avait été cité par des Albanais qui étaient venus chez vous dans le cadre de votre collaboration avec les Serbes”. Attendu que si aucun conflit direct n'est survenu entre le requérant et les Albanais, c'était e raison du fait que le requérant se cachait. Que le requérant a su, par l'intermédiaire d'autres membres de sa famille, notamment son père et son beau-frère, que plusieurs Albanais l'ont reconnu avoir participé aux mauvais traitements des Albanais en collaborant avec les Serbes. Que cet élément objectif justifie la crainte du requérant. Que cette crainte est tellement grave que le requérant avait été obligé de vivre dans la clandestinité dans son propre pays. Attendu que pour que la crainte soit fondée, il n'est pas nécessaire qu'il y ait un conflit direct entre le requérant et les éléments persécuteurs. Que le Commissaire Général se fonde ainsi sur une conception et une définition restrictive de la crainte dans le sens de l'article 1 de la Convention de Genève. Que la Convention de Genève n'exige pas que le demandeur d'asile soit maltraité et persécuté réellement. Que la crainte fondée de persécution est suffisante pour que le demandeur d'asile soit reconnu comme réfugié.
  2. b)Attendu que le Commissaire Général affirme, en outre, “il convient encore de constater qu'à aucun moment, lors de votre audition à l'Office des Etrangers, vous n'avez fait la moindre mention du fait que des Albanais seraient entrés chez vous et vous auraient indirectement menacé”. Que le Commissaire Général ne déduit pas, néanmoins, de ce constat que les déclarations du requérant ne sont pas crédibles. Qu'il se contente de nier l'existence d'une crainte dans le sens de la Convention de Genève en assimilant les menaces reçues par le requérant à “un sentiment d'insécurité”. Qu'il n'y a “aucune commune mesure avec une véritable crainte fondée de persécution au sens de la Convention de Genève”. Que le Commissaire Général justifie cette affirmation de “l'absence de confrontation effective avec les Albanais de souche”. Qu'il ressort des éléments du dossier non contestés par le Commissaire Général, que le requérant avait été obligé par les autorités serbes de participer aux mauvais traitements de réfugiés albanais. Que le requérant a été identifié par plusieurs personnes de souche albanaise. Qu'avant même le retour du requérant à son village, son beau-frère l'a prévenu du danger pour lui, de rester en contact avec des Albanais. Que ceci l'a obligé de se réfugier une première fois à Sarajevo. Qu'il est rentré ensuite dans son village en espérant que la situation s'est calmée après l'intervention des autorités internationales. Que dès son arrivée, des Albanais se sont manifestés et ont proféré des menaces à son égard. Que tous ces éléments de fait rendent la crainte du requérant fondée et raisonnable.
  3. c)Attendu que le Commissaire Général prétend, en outre, “que le requérant a attendu pi d'un an avant de quitter le Kosovo, ce qui n'est pas compatible avec une crainte fondée de persécution”. XIV-13.388-5/10 Attendu que le requérant a expliqué qu'il a vécu pendant un an dans la clandestinité. Attendu que si le requérant n'a pas pu quitter le Kosovo pus tôt, c'était en raison du fait qu’il était matériellement dans l'impossibilité de le faire. Que ceci ne peut être considéré comme incompatible avec la crainte fondée de persécution. Qu'en effet, le requérant vivait dans la clandestinité et dès qu'il avait pu réunir les frais du voyage, il a quitté son pays pour venir demander l'asile. Que ce départ ne peut être déclaré comme tardif.
  4. d)Attendu qu'en ce qui concerne le fait que le requérant s'est abstenu de déposer plainte auprès des autorités internationales, le requérant a bien expliqué que lui-même et sa famille ont été soumis à une menace de mort en cas où ils déposeraient plainte. Que cette explication n'est nullement insuffisante et correspond à la réalité de milliers de familles qui ont dû quitter le Kosovo en fuyant cette situation et cette réalité. Que le document du parti d'action démocratique produit par le requérant prouve que la plainte du requérant était réelle. Que le document produit par le requérant contient effectivement des considérations d'ordre général mais le Commissaire Général ne fait qu'opposer les mêmes considérations d'ordre général au requérant en parlant d'une “prétendue amélioration de la situation de la minorité bosniaque dans la région de Pec”. Que cette considération d'ordre général est précisément démentie par les informations reçues par le requérant, que ce soit du S.D.A., que des membres de sa famille. Qu'il n'est pas nécessaire qu'il soit membre du S.D.A. pour apporter le témoignage de ce parti concernant la situation générale actuellement de la minorité bosniaque au Kosovo. Que le requérant produit des décisions reconnaissant la qualité de réfugié à plusieurs familles d'origine bosniaque malgré cette prétendue “amélioration de la situation”. Que ces familles ont vécu exactement les mêmes événements cités par le requérant. Qu'il ne s'agit nullement de motif de fuite personnelle ou différent comme le prétend le Commissaire Général. Que la décision confirmative de refus de séjour est donc mal motivée et viole donc l'article 52 de la loi du 15.12.1980 ainsi que la loi du 29.07.1991 sur l'obligation de motivation adéquate. Que la demande d'asile de Monsieur XXX ne peut être déclarée irrecevable. Qu'il échet donc de mettre à néant la décision entreprise.”; 2.2.1. Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van de motiveringsplicht zoals bepaald in de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 2.2.2. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, door te oordelen dat de door verzoeker aangehaalde argumenten onvoldoende zijn om te kunnen spreken van een gegronde vrees voor vervolging, zich uitspreekt over de gegrondheid van de zaak, terwijl het dossier zich nog in de ontvankelijkheidsfase bevindt; dat verzoeker er dient op te worden gewezen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen binnen het kader van artikel 52 van de Vreemdelingenwet een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat hij in deze fase van de procedure enkel kan oordelen over een eventuele schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op basis van artikel 52, § 2, 2/ dat verwijst naar artikel 52, § 1, 7/ van de Vreemdelingenwet besluit tot de kennelijke XIV-13.388-6/10 ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag, en dit omwille van het feit dat verzoeker “onvoldoende concrete feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat (hij) (zijn) land van herkomst verlaten (heeft) uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat (hij) alsnog een dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Kosovo (Joegoslavië)”; dat meer bepaald de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in een eerste overweging stelt dat verzoeker, enerzijds, verklaarde Kosovo te hebben verlaten aangezien hij vreesde te worden opgespoord en vermoord door etnische Albanezen, doch dat hij, anderzijds, meer dan een jaar in het dorp Vitomirica heeft verbleven “zonder daar evenwel enige directe aanvaringen of problemen met etnische Albanezen te hebben gekend”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen benadrukt dat verzoeker daarenboven verklaarde “louter bij (hem) thuis in Vitomirica te zijn ondergedoken omdat (volgens (verzoekers) vader) (zijn) naam inmiddels werd genoemd door Albanezen die naar (verzoekers) woning waren gekomen in het kader van (verzoekers) collaboratie met de Serviërs”; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er op wijst dat verzoeker tijdens zijn verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakte van het feit “dat Albanezen in (zijn) huis zouden binnengekomen zijn en (hem) er -onrechtstreeks- bedreigd zouden hebben”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten slotte stelt dat verzoeker meer dan een jaar wachtte alvorens Kosovo te verlaten, hetgeen volgens de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in overeenstemming te brengen is met een gegronde vrees voor vervolging; 2.2.3. Overwegende dat, omtrent het feit dat hij geen direct conflict met etnische Albanezen heeft gekend tijdens zijn schuilperiode bij hem thuis in Vitomirica, verzoeker stelt dat dit net te wijten is aan het feit dat hij ondergedoken leefde; dat deze uitleg van verzoeker echter geen afbreuk doet aan de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeker tijdens die schuilperiode inderdaad geen directe aanvaringen of problemen met etnische Albanezen heeft meegemaakt, terwijl verzoeker nochtans stelde dat hij vreesde door deze laatsten te zullen worden opgespoord en vermoord; dat verzoeker aanvoert dat het niet is omdat er geen directe aanvaring is geweest, dat er geen sprake zou kunnen zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1 van de Conventie van Genève; dat verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt de door hem aangehaalde bedreigingen ten onrechte te minimaliseren; dat verzoeker benadrukt dat er wel degelijk sprake is van een gegronde vrees voor vervolging; dat dient opgemerkt dat het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen aan de Verdragsluitende Staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder wat de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, gebruikmakend van deze ruime appreciatiebevoegdheid, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, heeft geoordeeld dat verzoeker onvoldoende concrete feiten of elementen heeft aangehaald waaruit XIV-13.388-7/10 een gegronde vrees voor vervolging zou blijken; dat met zijn kritiek dat het niet is omdat er geen directe aanvaringen of problemen zijn geweest, dat er geen sprake zou kunnen zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1 van de Conventie van Genève, verzoeker niet aantoont dat het kennelijk onredelijk is om, op basis van een uitgebreide motivering, te oordelen dat verzoeker geen voldoende andere concrete feiten of elementen heeft aangehaald waaruit een gegronde vrees voor vervolging zou blijken; 2.2.4. Overwegende dat, met betrekking tot de opmerking van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeker tijdens zijn verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakte van het feit “dat Albanezen in (zijn) huis zouden binnengekomen zijn en (hem) er -onrechtstreeks- bedreigd zouden hebben”, verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hieruit nochtans niet afleidt dat zijn verklaringen niet geloofwaardig zouden zijn; dat met de verwerende partij kan gesteld worden “dat (het) niet duidelijk is hoe dergelijk(
  5. e)opmerking indicatief zou kunnen zijn voor een gebrek aan de bestreden beslissing”; dat de verwerende partij terecht opmerkt dat “nu deze vaststelling niet wordt betwist het niet onredelijk is dat de Commissaris-generaal er in de bestreden beslissing melding van maakte”; 2.2.5. Overwegende dat, met betrekking tot de opmerking van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat het feit dat verzoeker meer dan een jaar wachtte alvorens Kosovo te verlaten, niet in overeenstemming te brengen is met een gegronde vrees voor vervolging, verzoeker aanvoert dat hij gedurende die periode heeft gespaard om zijn vlucht uit Kosovo te kunnen financieren; dat dient vastgesteld dat deze opmerking geen afbreuk doet aan de feitelijke vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeker inderdaad nog een jaar heeft gewacht alvorens te vluchten; dat verzoeker niet aantoont dat het kennelijk onredelijk is van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om te oordelen dat zulks niet in overeenstemming te brengen is met een gegronde vrees voor vervolging; 2.2.6. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker verwijt dat hij zich nooit heeft gewend tot de bevoegde (internationale) autoriteiten in Kosovo; dat verzoeker erop wijst dat hij heeft verklaard dat hij zulks niet durfde, omdat hij en zijn familie met de dood waren bedreigd ingeval hij een klacht zou indienen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hieromtrent in de bestreden beslissing stelt dat deze uitleg onvoldoende is ter verantwoording, aangezien het net de taak is van de in Kosovo aanwezige autoriteiten om aan verzoeker bescherming te bieden en hem veiligheid te garanderen; dat verzoeker de kennelijke onredelijkheid van deze overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet aantoont; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er nog aan toevoegt dat uit de informatie waarover hij beschikt, blijkt dat de situatie voor etnische minderheden in Pec aanzienlijk is verbeterd en gestabiliseerd en dat er sprake is van XIV-13.388-8/10 “participatie en integratie op politiek, evenals socio-cultureel en religieus vlak”; dat met de vage kritiek dat deze informatie algemeen van aard is, verzoeker niet aantoont dat deze informatie onjuist is; 2.2.7. Overwegende dat, waar verzoeker verwijst naar het door hem neergelegde document van de “Partij van de Democratische Aktie van Kosovo” (SDA), dient opgemerkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt dat dit document niet in staat is om zijn vaststellingen te doen wijzigen, “aangezien het enkel algemene vaststellingen omtrent de Bosniakken in Kosovo betreft en geen direct verband houdt met (verzoekers) individuele vluchtmotieven”; dat deze overweging geenszins kennelijk onredelijk is, nu van een kandidaat-vluchteling wordt verwacht dat deze voldoende concrete elementen aanbrengt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging; 2.2.8. Overwegende dat, waar verzoeker ten slotte verwijst naar andere families, die wel erkend werden als vluchteling, dient opgemerkt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen elke asielaanvraag aan een individueel onderzoek onderwerpt en in elk dossier een individuele beslissing neemt; 2.2.9. Overwegende dat het enig middel niet gegrond is; 2.2.10. Overwegende dat verzoekster geen eigen middelen ontwikkelt; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-13.388-9/10 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee mei tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.388-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.037 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.