← België

Arrest 144038 - - 02/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.038 Rolnummer: A. 131382/XIV-13325 Zaak: Arrest 144038 - - 02/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-31 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 04:20 Fiche Arrest nr 144.038 van 2 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.038 van 2 mei 2005 in de zaak A. 131.382/XIV-13.325. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. ELLOUZE, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai du Roi Albert 77B tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Armeense nationaliteit, op 31 december 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 december 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 14 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-13.325-1/9 Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.-L. PELLEGRINI die, loco Advocaat M. ELLOUZE verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Armeense nationaliteit, zijn België binnengekomen op 24 december 1999 en hebben zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.2. Op 7 maart 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 13 december 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van deze beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken. Dit zijn de bestreden beslissingen : Wat XXX betreft: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaart dat u als kok werkte in het parlementsgebouw van Armenië. Op 27 oktober 1999 vond een aanslag plaats in het parlement. Op 29 oktober 1999 werden u en uw vrouw meegenomen voor ondervraging. Op 3 november 1999 werd u door de onderzoeker Karapetyan en medewerkers onder druk gezet (fysieke mishandeling) om te verklaren dat u door Nairi Hoenanyan (één van de daders van de aanslag) en Karlen Hovakimyan (de verantwoordelijke van het gebouw), was bedreigd om wapens te verbergen en de deur open te laten. U werd naar huis gebracht en uw vrouw belde later een ziekenwagen. Karapetyan liet echter niet toe dat u naar het ziekenhuis werd overgebracht. Op XIV-13.325-2/9 22 november 1999 werd u opnieuw onder druk gezet (bedreigingen naar uw kind toe) om een bekentenis te schrijven. U werd onwel en moest de volgende dag terugkomen. U ging niet waarna Karapetyan zelf kwam en in zijn aanwezigheid een ziekenwagen voor u werd gebeld. U werd thuis verzorgd. U werd opnieuw geconvoceerd voor 29 november 1999. Op 29 november 1999 verliet u echter Armenië en u vroeg samen met uw echtgenote en minderjarige zoon asiel aan in België op 24 december 1999. In België vernam u dat uw vader voor enkele dagen werd vastgehouden waarna hij enkele dagen later overleed. Er dient te worden opgemerkt dat tegenstrijdigheden voorkomen in uw opeenvolgende verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat- generaal (CGVS) én een tegenstrijdigheid voorkomt tussen enerzijds uw verklaringen en anderzijds de verklaringen van uw vrouw XXX (O.V. 4.913.714) afgelegd bij de DVZ waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd. Inzake het overlijden van uw vader verklaarde u bij het CGVS (p. 2) dat uw vader rond 4 februari 2001 werd opgesloten waarna hij bij thuiskomst enkele dagen later overleed. Ook verklaarde u voor het CGVS (p. 4) dat uw vader slechts éénmaal meegenomen is en dat u dit niet meldde bij de DVZ daar dit toen nog niet was gebeurd. Nochtans stelde u tijdens het verhoor bij de DVZ (pt. 42) op 14 december 2000, dat u tijdens uw verblijf in België heeft vernomen dat uw vader werd meegenomen voor ondervraging, waarna hij een beroerte kreeg. Inzake de bedreiging naar uw kind toe, verklaarde uw vrouw bij de DVZ (pt. 42) dat u haar niet veel vertelde en dat zij via haar schoonmoeder te weten kwam dat ze u hadden bedreigd met de dood op jullie zoontje. Nochtans verklaarde u bij het CGVS (p. 27, 28) dat u zelf uw vrouw hierover inlichtte en zij hiervan nog niet op de hoogte was. Inzake de dag dat uw vrouw een hoofdspecialist erbij riep stelde u bij de DVZ (pt. 42) dat toen de dokter binnenkwam, ook politieonderzoeker Karapetyan binnenkwam en jullie zo wisten dat jullie telefoon werd afgeluisterd. Nochtans verklaarde u tijdens het verhoor op het CGVS (p. 24, 25) na uitdrukkelijke vraagstelling omtrent de aanwezigheid van Karapetian, eerst dat hij aanwezig was toen uw vrouw de hoofdspecialist belde, vervolgens verklaarde u het niet te weten, en tenslotte verklaarde u te denken dat uw vrouw zelf aan Karapatyan had gezegd dat zij een specialist had laten komen. U maakte bij het Commissariaat-generaal geen melding van jullie telefoon die werd afgeluisterd, terwijl uit uw verklaringen bij de DVZ blijkt dat jullie net door de aanwezigheid van Karapetyan bij het doktersbezoek te weten kwamen dat jullie telefoon werd afgeluisterd. Inzake het uur dat u de keuken in het parlement, waar u werkte als kok, sloot, verklaarde u bij de DVZ (pt. 42) dat dit telkens gebeurde om 16 u., terwijl u bij het CGVS verklaarde (p. 9, 10) dat op 27 oktober 1999 (de keuken) werd gesloten om 15 u., dat u om 15 u. naar huis ging en u alle dagen dezelfde werktijden had tot 15 u. Bovenstaande tegenstrijdigheden ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. De door u neergelegde documenten, namelijk de geboorteakte van u, uw vrouw en zoon, uw diploma als kok, uw militair boekje, een huwelijksakte, een attest van de studies van uw vrouw, een attest als verpleegster, het rijbewijs van uw vrouw, een attest van uw werk, 2 medische attesten en 3 convocaties wijzigen, gelet op de bedrieglijkheid van uw verklaringen, hetgeen hierboven werd uiteengezet niet. (...).”. Wat XXX betreft: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaart dat uw man XXX (O.V. 4.913.714) werkte als kok in het parlement. Op 27 oktober 1999 werd een aanslag gepleegd in het parlement. Op 29 oktober 1999 werd u samen met uw man meegenomen voor verhoor. Op 3 november 1999 werd uw man een tweede maal geconvoceerd waarbij hij ernstig fysiek werd mishandeld. ‘s Ochtends belde u een ziekenwagen. De ondervrager van het politiekantoor (Karapetyan) kwam samen met de verplegers mee. Uw man werd thuis verzorgd. U vernam dat uw man werd gedwongen XIV-13.325-3/9 een valse verklaring af te leggen, namelijk dat hij de terroristen langs de achterdeur van de keuken had binnengelaten. Op 22 november 1999 moest uw man opnieuw naar het politiekantoor. U vernam dat uw man werd bedreigd met de dood van uw zoon. Uw man had opnieuw een convocatie voor het politiekantoor op 29 november 1999. Op 29 november 1999 verliet u echter Armenië en u vroeg samen met uw echtgenoot en minderjarige zoon asiel aan in België op 24 december 1999. Uit uw verklaringen blijkt dat u zich baseert op dezelfde motieven als die aangehaald door uw man ter staving van diens asielaanvraag. Aangezien in hoofde van uw echtgenoot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van de bedrieglijkheid van zijn verklaringen, kan ook in uw hoofde onmogelijk een beslissing tot ontvankelijkheid van de asielaanvraag worden weerhouden. De tegenstrijdigheid die voorkomt tussen uw verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en de verklaringen van uw man afgelegd bij het Commissariaat-generaal wordt gedetailleerd omschreven in de beslissing genomen in hoofde van uw echtgenoot. De door u en uw man neergelegde documenten werden reeds besproken in de beslissing genomen in hoofde van uw echtgenoot. (...).”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “II- VIOLATION D'OBLIGATION DE MOTIVATION ADÉQUATE PREVUE par les art. 1,2 et 3 du 29 juillet 1991. ATTENDU que le Commissariat Général confirme le refus de séjour aux motifs “que des contradictions apparaissent dans les déclarations successives que vous avez faites au Commissariat Général (CGRA) et à l'office des Etrangers (O.E.) et qu'une contradiction apparaît entre vos déclarations d'une part et d'autres d'autre part les déclarations de votre femme XXX faite à l'Office des Etrangers, ce qui sape la crédibilité de votre récit”. ATTENDU qu'il convient tout d'abord de souligner que les deux requérants sont actuellement gravement malades et gardent un traumatisme grave suite aux événements vécus dans le pays d'origine. QU'il faut souligner, en outre, que les notes prises au Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides n'ont jamais été relues aux requérants, et qu'ils n'ont jamais signé ces notes. Le Commissariat Général ne peut donc utiliser ces notes pour contester la crédibilité des récits des deux requérants. ATTENDU que quoi qu'il en soit l'analyse des déclarations successives des deux requérants montre que les prétendues contradictions ne sont pas réelles ou portent sur des éléments qui n'ont aucun caractère substantiel pour mettre en doute la crédibilité des récits des deux requérants.

  1. a)Le Commissariat général prétend “Au sujet du décès de votre père, vous avez déclaré au CGRA que votre père a été incarcéré vers le 4 février 2001 après quoi il est mort en rentrant chez lui quelques jours plus tard. Vous avez également déclaré au CGRA que votre père n'a été emmené qu'une seule fois et que vous ne l'avez pas dit à l'O.E. parce que cela ne s'était pas encore passé. Pourtant vous avez affirmé au cours de votre audition à l'O.E. le 14.12.00, que c'est durant votre séjour en Belgique que vous avez appris que votre père avait été emmené pour interrogatoire, après quoi il avait eu une attaque d'apoplexie”. ATTENDU qu'il faut distinguer sur ce plan l'information selon laquelle le père a été emmené par la police et l'information sur le décès. QUE le jour de son audition à l'Office des Etrangers il n'a pas déclaré que son père était décédé mais qu'il avait été emmené. Qu'au Commissariat Général lors de son audition le 28.10.02, il avait déclaré “mon père a été enfermé et décédé. Quand il a été enfermé ?. Réponse : il ne peut pas dire concrètement, mais c'est en 2001, il est décédé le 04.02.01". XIV-13.325-4/9 Monsieur XXX a déclaré que selon les informations qu'il avait reçues d'un ami son père a été de plusieurs reprises harcelé par les autorités et il a été enfermé pendant deux ou trois jours, et après cet enfermement, il est décédé. Suite à une crise d'apoplexie. Qu'on ne peut donc parler de contradiction entre les différentes déclarations du requérant et de son épouse.
  2. b)Le Commissaire Général poursuit “Au sujet des menaces contre votre enfant, votre femme a déclaré à l'office des Etrangers (Point 42) que vous ne lui racontiez pas grand- chose et que c'est par l'intermédiaire de sa belle-mère qu'elle est arrivée à savoir que l'on vous avait menacé de tuer votre fils. Cependant, vous avez déclaré au CGRA (p27,28) que vous en aviez informé vous même votre femme et qu'elle n'était pas encore au courant”. ATTENDU qu'il se peut très bien que le requérant ne savait pas que son épouse avait été mis au courant par une autre source que lui même. QUE d'ailleurs la seconde requérante a déclaré : qu'elle a entendu les menaces elle même alors qu'elle était avec sa belle-mère et que son mari ne lui disait pas grand chose d'habitude, que c'est après, que son mari le lui a dit quand elle l'a interpellé sur ce qui s'est passé. QUE l'événement lui même n'est pas l'objet de la contradiction soulignée par le Commissariat Général entre les deux déclarations des deux requérants. C'est dans la manière dont l'épouse l'a appris, qu'on trouve des différences entre la déclaration de Madame et la déclaration de Monsieur. Que ceci ne peut mettre en doute la crédibilité du récit, que le requérant peut ne pas savoir que son épouse l'avait su avant que lui même ne le lui ait dit.
  3. c)QUE la décision poursuit “au sujet du jour où votre femme a appelé un spécialiste de la tête, vous avez affirmé à l'Office des Etrangers (point 42) que lorsque le docteur est entré, l'inspecteur Karapetyan est entré à son tour et que vous avez compris alors que votre téléphone était écouté. Toutefois, vous avez déclaré lors de votre édition au CGRA (P. 24. 25), après une question explicite sur la présence de KARAPETIAN , d'abord qu'il était présent quand votre femme a appelé le spécialiste, puis que vous ne saviez pas, et enfin vous avez déclaré que vous croyer bien que votre femme avait dit elle-même à Karapetyan qu'elle avait fait venir un spécialiste. Au Commissariat Général, vous n'avez fait aucune mention d'écoutes téléphoniques, tandis qu'il ressort de vos déclarations à l'Office des Etrangers que c'est précisément la présence de Karapetyan lors de la visite du médecin qui vous a fait comprendre que votre téléphone était écouté.”. ATTENDU qu'il faut souligner tout d'abord qu'au moment où son épouse a appelé un spécialiste, le requérant était assommé, il avait perdu connaissance, que c'est en se réveillant qu'il a constaté la présence de Karapetyan. A la question posée concernant cet incident, le requérant a déclaré qu'il pensait que “sa femme l'a dit à Karapetyan qu'elle a téléphoné à un spécialiste, mais il ne sait pas dire avec sûreté que sa femme l'a dit à Karapétyan. Mais quand le médecin était là, Karapétyan était là aussi”. QUE la seule chose dont il est certain c'est que quand le médecin spécialiste était là Karapétyan était là aussi, le requérant était malade, et il ne pouvait savoir comment les choses étaient passé, tout le reste n'était que les déductions faites par lui, que ce soit à l'Office des Etrangers ou au Commissariat Général. QU'il ne s'agit nullement de contradiction portant sur les faits, mais des hésitations et des imprécisions qui ont pour origine l'état de santé du requérant au moment où ces faits s'étaient produits. QUE cela ne peut mettre en cause la crédibilité du récit du requérant. ATTENDU que le Commissaire Général décide la confirmation du refus de séjour en ce qui concerne la demande d'asile introduite par la seconde requérante. QUE le Commissaire Général prétend que la requérante lie sa demande à celle de son époux, et que la contradiction qui se manifeste entre ses déclarations faites à l'Office des Etrangers et les déclarations que son mari a faites au Commissariat Général rend impossible de prendre une décision de recevabilité en ce qui la concerne. ATTENDU qu'un tel motif ne peut être déclaré comme adéquat. QUE la requérante a vécu elle-même et personnellement des persécutions. QU'elle a du quitter son pays suite aux menaces proférés contre son mari, son enfant et contre elle-même. QUE si les faits qui l'ont poussé à quitter son pays sont les même invoqués par son mari, cela ne peut justifier que sa demande soit rejetée sans que le Commissaire Général XIV-13.325-5/9 n'apporte aucune justification valable sur base d'une analyse individualisée des faits invoqués par elle-même. QUE la seule prétendue contradiction avancé par le commissaire Général entre ses déclarations et celles de son époux a été démenti par les deux requérants et ne porte nullement sur des faits substantiels mais sur les manière dont chacun a perçu les événements subjectivement ATTENDU que les deux décisions ne sont donc pas valablement et adéquatement motivées, qu'elles doivent donc être mises à néant.”; 2.2.1. Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van de motiveringsplicht zoals bepaald in de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.2.2. Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de notities die werden genomen tijdens hun verhoor voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hen niet werden voorgelezen en dat zij deze notities evenmin hebben kunnen ondertekenen, hetgeen hen ertoe brengt de bewijswaarde ervan in twijfel te trekken; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoekers zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hun relaas hebben kunnen doen; dat uit diezelfde stukken niet kan afgeleid worden dat er zich onregelmatigheden op dit vlak zouden hebben voorgedaan; dat uiteraard het verzoekers steeds vrijstaat een bepaald stuk officieel van valsheid te betichten; 2.2.3. Overwegende dat, met betrekking tot de tegenstrijdigheid inzake de datum van de opsluiting en van het daaropvolgend overlijden van zijn vader, verzoeker ontkent dat hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken zou hebben verklaard dat zijn vader was overleden; dat verzoeker stelt dat hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken enkel heeft verklaard dat zijn vader was meegenomen, dat hij voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft verklaard dat hij niet wist wanneer concreet zijn vader was meegenomen, maar dat het in ieder geval in 2001 was; dat verzoeker bevestigt dat zijn vader is overleden op 4 februari 2001; dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat dit interview plaatsvond op 14 december 2000; dat verzoeker uitdrukkelijk verklaarde dat hij tijdens zijn verblijf in België had vernomen dat zijn vader was meegenomen voor ondervraging en dat zijn vader een beroerte had gekregen; dat voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker dan weer verklaarde dat zijn vader werd meegenomen op 4 februari 2001 en dat hij een tiental dagen later was overleden; dat er bijgevolg overduidelijk sprake is van een tegenstrijdigheid; 2.2.4. Overwegende dat, met betrekking tot de tegenstrijdigheid omtrent de wijze waarop verzoekers echtgenote te weten kwam dat hun zoontje werd bedreigd, verzoeker stelt dat hij niet wist dat zijn echtgenote dit had vernomen van haar schoonmoeder; dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat uit de stukken van het administratief dossier XIV-13.325-6/9 blijkt dat verzoekster voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat zij en haar echtgenoot op 22 november 1999 naar het politiebureau gingen, doch dat zijzelf niet mee naar binnen mocht; dat verzoekster vervolgens uitdrukkelijk verklaarde: “We gingen daarna naar huis. Mijn man vertelde me niet veel. Via mijn schoonmoeder kwam ik te weten dat ze mijn man hadden bedreigd met de dood op ons zoontje”; dat verzoeker voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dan weer iets heel anders verklaarde; dat verzoeker verklaarde dat hij en zijn vrouw na het bezoek aan het politiebureau op 22 november 1999 naar huis gingen met de taxi; dat daarna verzoekers hun zoon vroegtijdig zouden hebben afgehaald aan de school, waarop verzoeker, toen ze terug thuis kwamen, zijn echtgenote zou hebben ingelicht over de bedreiging van hun zoontje; dat bijgevolg verzoekster onmogelijk op de hoogte kan gebracht zijn door haar schoonmoeder; dat de verklaringen van verzoekers op dit punt dan ook duidelijk tegenstrijdig zijn; 2.2.5. Overwegende dat een derde tegenstrijdigheid betrekking heeft op de vraag of de telefoon van verzoekers al dan niet werd afgeluisterd; dat verzoeker hiervan geen melding maakte voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, terwijl hij dit wel deed voor de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken uitdrukkelijk verklaarde: “Een paar dagen later toen ik terug wakker werd, vroeg mijn vrouw om er een hoofdspecialist bij te roepen. Mijn vrouw belde naar de dokter. Toen de dokter binnenkwam, kwam ook Karapetjan binnen. Zo wisten wij dat onze telefoon werd afgeluisterd.”; dat toen de interviewer op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan verzoeker uitdrukkelijk om uitleg vroeg betreffende de aanwezigheid van Karapetian, verklaarde verzoeker dat hij aanwezig was toen zijn echtgenote de hoofdspecialist belde, om vervolgens te verklaren dat hij het niet meer wist en om dan ten slotte te verklaren dat hij dacht dat zijn echtgenote zelf aan Karapetian had gezegd dat zij een specialist had laten komen; dat verzoeker stelt dat deze incoherente verklaringen te wijten zijn aan het feit dat hij vermoeid en niet bij bewustzijn was op het ogenblik dat zijn echtgenote de specialist opbelde; dat verzoeker stelt dat hij Karapetian pas opgemerkt heeft toen hij opnieuw wakker werd; dat zulks tegenstrijdig is met zijn verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat zijn echtgenote, toen verzoeker weer wakker werd, om een specialist vroeg en deze ook opbelde; dat verzoeker de tegenstrijdigheid, die overduidelijk blijkt uit de stukken van het administratief dossier, tracht te minimaliseren door ze af te doen als een aarzeling en een onduidelijkheid; dat zulks echter onvoldoende is; dat overigens nog kan worden opgemerkt dat verzoeker geen enkele kritiek aanvoert ten aanzien van de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeker ook tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot het tijdstip waarop hij elke dag stopte met werken; 2.2.6. Overwegende dat, wat de ten aanzien van haar genomen beslissing betreft, verzoekster ten slotte nog aanvoert dat de verwijzing naar de beslissing van haar echtgenoot geen afdoende motivering uitmaakt om haar asielaanvraag te weigeren; dat XIV-13.325-7/9 volgens verzoekster een dergelijke motivering niet getuigt van een individuele benadering van haar dossier; dat verzoekster niet kan worden gevolgd; dat de beslissing genomen ten aanzien van verzoekster vaststelt dat verzoeksters asielaanvraag steunt op de door haar echtgenoot aangehaalde motieven; dat verzoekster in haar uiteenzetting nergens betwist dat ze haar asielaanvraag steunt op dezelfde feiten als degene die door haar echtgenoot zijn aangehaald; dat ten aanzien van verzoeksters echtgenoot de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing nam, omwille van de bedrieglijkheid van deze aanvraag; dat bijgevolg de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op goede gronden kon besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoekster; dat de beslissing genomen ten aanzien van verzoekster derhalve afdoende gemotiveerd is door te verwijzen naar de beslissing genomen ten aanzien van haar echtgenoot; 2.2.7. Overwegende dat het enig middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee mei tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-13.325-8/9 C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.325-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.