id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.108 Rolnummer: A. 129844/VII-28439 Zaak: Arrest 144108 - - 04/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 04:21 Fiche Arrest nr 144.108 van 4 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 144.108 van 4 mei 2005 in de zaak A. 129.844/VII-28.439 In zake : XXX, V. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 22 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-28.439-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HENDRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 12 oktober 2000 en verklaarde zich op 13 oktober 2000 vluchteling. 1.
- Op 8 februari 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 13 november 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U beweert een Rom-zigeuner afkomstig uit Obilic (Kosovo) te zijn, meerbepaald uit het dorp Crkvena Vodica. U zou er van 1996 tot begin 1998 lid geweest zijn van de Servische Socialistische Partij (SPS) en er voor de rechten van Roma gestreden hebben. Omdat etnische Albanese jongeren toegang tot de scholen zou geweigerd zijn, zou u uit de partij gestapt zijn. U zou er in een staatsbedrijf gewerkt hebben met zowel Servische als etnische Albanese werknemers. Beiden zouden ze gewild hebben dat u een kant koos. Eenmaal zou u door een etnisch Albanese collega geslagen zijn en uw overplaatsing naar een andere afdeling aangevraagd hebben. Ook daar zou er iemand een steen richting u gegooid hebben en daarom zou u opnieuw overgeplaatst zijn. Tijdens het etnische conflict in Kosovo zou u gedwongen werkplicht gekregen hebben. Van uw echtgenote zou u vernomen hebben dat Servische soldaten naar uw woning zouden gekomen zijn, op zoek naar u. Ook zouden ze toen waardevolle spullen gestolen hebben. In de zomer van 1999 zouden rond 7.00 uur een zestal leden van het Kosovaars Bevrijdingsleger (UÇK) uw woning binnengevallen zijn. U en uw echtgenote zouden door hen geslagen zijn. Een etnische Albanese buurman zou ter hulp geschoten zijn en daarop zouden de UÇK-leden uw echtgenotes bruidsschat in beslag genomen hebben en jullie hebben aangeraden Kosovo te verlaten. Nog diezelfde VII-28.439-2/4 dag zou u Kosovo samen met uw echtgenote en zeven minderjarige kinderen hebben verlaten. In Novi Sad (Servië) zou u door een tiental politieagenten tegengehouden zijn. Ze zouden uw twee oudste dochters benaderd hebben en u hebben aangeraden naar Kosovo terug te keren. Daarop zou u naar Svilana (Servië) doorgereisd zijn en er een drietal maanden verbleven hebben. De politie zou u er aangeraden hebben u te registreren, maar omdat u daar niet wenste te blijven en er geen vertrouwen had in hulporganisaties zou u naar Podgorica (Montenegro) doorgereisd zijn. Daar zou u ongeveer een jaar zonder problemen verbleven hebben. De politie zou u er eveneens hebben aangeraden u te registreren, maar omdat u ook daar geen vertrouwen had in de hulporganisaties en er evenmin wilde blijven, zou u dat niet gedaan hebben. U zou er illegaal gewerkt hebben en uw kinderen zouden er niet naar school gegaan zijn omdat u niet dacht daar lang te blijven. Omdat de levensomstandigheden er minimaal waren, zou u Podgorica samen met uw zeven kinderen hebben verlaten, richting België, waar u op 12 oktober 2000 aankwam. De volgende dag vroeg u hier asiel aan. Hier zou u uw zus Esma Kurta (O.V. 4.861.695) teruggevonden hebben. Na uw aankomst in België zou uw oudste dochter Mirsada (O.V. 5.027.405) hier gehuwd zijn en met haar echtgenoot naar Oostenrijk gegaan zijn, waar u denkt dat ze nu nog zou verblijven. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: een kopie van uw werkboekje, uitgereikt te Obilic op 4 augustus 1978 en enkele Belgische attesten die bevestigen dat u aan suikerziekte lijdt. Er dient te worden vastgesteld dat u bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd omtrent uw eerdere asielaanvragen. U verklaarde immers uitdrukkelijk nooit eerder asiel te hebben aangevraagd (gehoor DVZ vraag 16 en CGVS p. 13) Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt echter dat u op 9 september 1999 een asielaanvraag in Duitsland indiende. Volgens inlichtingen ingewonnen door de verbindingsambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken bij het Bundesamt für die Anerkennung ausländischer Flüchtlinge blijkt dat u met uw gezin op 25 augustus 2000 door de Duitse overheid naar Italië gerepatrieerd werd omdat u alvorens in Duitsland asiel te hebben aangevraagd, in Italië reeds een asielaanvraag indiende. Op het Commissariaat-generaal verklaarde u echter dat u vóór uw asielaanvraag in België nooit elders in Europa asiel zou hebben aangevraagd en beweerde u bovendien zelfs nooit in Duitsland te hebben verbleven. U verklaarde integendeel ongeveer een jaar in Podgorica te hebben verbleven (gehoor CGVS p. 9 ev.). Bijgevolg heeft u getracht op intentionele wijze de Belgische autoriteiten te misleiden. De door u neergelegde documenten doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen aangezien ze enkel uw jobverleden en uw medische toestand bevestigen doch geenszins de door u aangehaalde problemen. Voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning op medische gronden dient u de daartoe geëigende procedures aan te wenden. De beslissing tot verder onderzoek van uw zus Esma Kurta (O.V. 4.861.695) doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen aangezien zij sinds augustus 1999 in België is en haar asielaanvraag baseert op andere persoonlijke motieven.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat de verzoekende partij uiteenzet dat de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen rekening diende te houden met het feit dat Rom-Zigeuners zich niet goed kunnen uitdrukken, dat zulks te dezen niet is gebeurd en dat daardoor de bestreden beslissing door een onwettigheid is aangetast; dat zij eveneens betoogt dat de verwerende partij haar beslissing niet heeft genomen binnen een redelijke termijn; Overwegende dat de verzoekende partij haar beweringen betreffende haar gebrekkig uitdrukkingsvermogen niet nader toelicht noch staaft; dat zij voorts geen VII-28.439-3/4 belang heeft bij het inroepen van een schending van de redelijke termijneis; dat de sanctie van de miskenning daarvan zou zijn dat de in eerste aanleg genomen beslissing, die een weigeringsbeslissing was, herleeft;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier mei tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.439-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div