id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.111 Rolnummer: A. 130342/VII-28516 Zaak: Arrest 144111 - - 04/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-24 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 04:20 Fiche Arrest nr 144.111 van 4 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 144.111 van 4 mei 2005 in de zaak A. 130.342/VII-28.516 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. TALHA, kantoor houdende te 4430 ANS, rue Walthère Jamar 77 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 10 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-28.516-1/6 Gelet op de beschikking van 16 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. TALHA, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 26 december 2000 en verklaarde zich op 29 december 2000 vluchteling. 1.
- Op 22 januari 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 12 november 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een Indisch staatsburger, verklaart een Sikh te zijn afkomstig van Patiala. In 1995 werd u gearresteerd omwille van een gevecht met uw oom, u kwam toen vrij na één dag. U heeft India verlaten omdat u problemen had met uw buurman, P., die banden had met een Sikhpartij. Begin 1996 stelde deze buurman u en uw broer B. voor om deze partij te vervoegen maar jullie weigerden dit. Daarop doodde P. uw broer in
- U was op dat moment reeds naar New Delhi gevlucht uit vrees voor P.. Uw echtgenote en uw moeder hebben klacht ingediend bij de politie tegen P.. De politie is niet ingegaan op deze klacht. U verbleef dan nog twee maanden in New Delhi, VII-28.516-2/6 vervolgens heeft u midden 1996 India verlaten met uw eigen paspoort. U vloog naar Moskou waar u meer dan drie jaar verbleef bij de smokkelaar omdat u niet voldoende geld had om uw reis verder te zetten. De smokkelaar nam ook uw paspoort af. Tijdens uw verblijf in Moskou vernam u van uw echtgenote dat P. werd gedood in een confrontatie met de politie. Toen uw vrouw grond had verkocht en geld kon opsturen verliet u de Russische Federatie. U zette vervolgens uw reis verder over land om op 16/12/2000 in België aan te komen waar u op 29/12/2000 asiel heeft gevraagd. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Er dienen ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en uw verklaringen voor het Commissariaat-Generaal (CGVS). Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Met betrekking tot de kern van uw problemen in India legde u de volgende tegenstrijdige verklaringen af. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat militanten van de Khalistanbeweging soms naar uw huis kwamen om eten te vragen en om te blijven overnachten (zie gehoorverslag DVZ vraag 42). Maar voor het Commissariaat-Generaal stelde u uitdrukkelijk dat u nooit contact heeft gehad met zo’n militanten en dat er nooit militanten u zijn komen vragen om eten en onderdak (zie gehoorverslag CGVS p 8). Verder stelde u voor de Dienst vreemdelingenzaken dat u twee keer werd gearresteerd door de politie omwille van uw banden met deze militanten en dat u na respectievelijk zes en twee dagen vrij kwam (zie gehoorverslag DVZ vraag 42 en 44). Terwijl u voor het Commissariaat-Generaal uitdrukkelijk beweerde dat u slechts één keer werd gearresteerd, en dan nog wel omwille van een gevecht met uw oom, waarbij u na één dag vrij kwam (zie gehoorverslag CGVS p 7-9). Toen u tijdens het gehoor voor het Commissariaat-Generaal werd geconfronteerd met deze laatste tegenstrijdigheid kon u geen verklaring geven en herhaalde u dat u slechts één keer werd gearresteerd omwille van een gevecht met uw oom (zie gehoorverslag CGVS p 9). Bovenstaande tegenstrijdigheden ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Bovendien is uw verklaring dat u gedurende een periode van meer van dan drie jaar bij de smokkelaar in Moskou verbleef weinig geloofwaardig. Temeer daar u verklaarde uw reis niet te kunnen verder zetten omwille van geldgebrek is het des te merkwaardiger dat de smokkelaar voorzag in uw levensonderhoud gedurende deze jaren. En zelfs indien uw verklaringen geloofwaardig zouden zijn, quod non, dient te worden vastgesteld dat de elementen die u aanbrengt onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. U verklaarde immers India te hebben verlaten uit vrees voor uw buurman P, een Sikhmilitant, die uw broer had gedood. Maar bij de vraag naar uw vrees bij eventuele terugkeer naar India verklaarde u zelf uitdrukkelijk geen vrees meer te kennen aangezien u van uw echtgenote had vernomen, overigens reeds voor uw aankomst in België, dat P. is omgekomen in een treffen met de politie (zie gehoorverslag CGVS p 7 en 9). Wat betreft uw verklaring dat u niet bent teruggekeerd naar India uit vrees voor armoede dient te worden vastgesteld dat dit buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie valt. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli 1951.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 1, 2, 6 en 12 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, van de VII-28.516-3/6 artikelen 2, 3A, 6, 9, 14 en 26 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 betreffende de burgerlijke en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 21 april 1983 en van de artikelen 16 en 33 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel uiteenzet dat zij feiten heeft aangehaald die haar vrees voor vervolging aantonen, dat zij door de vervolgingen in het land van herkomst haar studies niet kan verderzetten, er geen arbeidsactiviteit kan uitoefenen en dat haar leven er in gevaar is; dat zij zich erover beklaagt dat zij geen toegang heeft tot een onpartijdige en onafhankelijke rechtsinstantie en dat zij in de loop van de administratieve procedure niet steeds over de bijstand van een advocaat kon beschikken; dat zij zich in een tweede onderdeel beklaagt over een discriminatie, omdat een asielzoeker, wiens aanvraag door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ongegrond wordt bevonden, beschikt over een jurisdictioneel beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, terwijl een asielzoeker, wiens aanvraag onontvankelijk wordt bevonden, over geen dergelijk jurisdictioneel beroep beschikt; Overwegende dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat te dezen de commissaris-generaal onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; dat de commissaris-generaal in de verklaringen van de verzoekende partij een niet onbelangrijk aantal tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden heeft vastgesteld; dat deze opgesomd worden in de bestreden beslissing; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag bedrieglijk was; dat die vaststelling volstond om de bestreden beslissing te nemen; Overwegende dat asielzoekers wier aanvraag ongegrond werd bevonden zich in een verschillende positie bevinden dan dezen wier aanvraag door de commissaris- generaal onontvankelijk werd verklaard; dat de verzoekende partij niet uiteenzet en dus zeker niet aantoont waarom beide categorieën zo vergelijkbaar zijn dat zij door de wet op dezelfde wijze moeten worden behandeld; dat de verzoekende partij niet aantoont dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden zodat terzake geen prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Arbitragehof; VII-28.516-4/6 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de verzoekende partij de schending inroept van de formele motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris- generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-28.516-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier mei tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.516-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div