id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.185 Rolnummer: A. 96146/IX-2551 Zaak: Arrest 144185 - - 09/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 04:21 Fiche Arrest nr 144.185 van 9 mei 2005 - Beslissing : bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.185 van 9 mei 2005 in de zaak A.96.146/IX-2551 In zake : Lieven LAMBRECHT, wonende te KORTRIJK, Tarweveld 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lieven LAMBRECHT op 2 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker, die tevens het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bevat, en van de verwerende partij; IX-2551-1/30 Gelet op de beschikking van 10 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 april 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. DEVLOO, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. UYTTERSPROT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het gedeeltelijk andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak samengevat kunnen worden als volgt : 1.
- Artikel 151, § 6, van de Grondwet, zoals vervangen door de grondwetsherziening van 20 november 1998, luidt als volgt : “§
- Op de wijze bij de wet bepaald, worden de rechters, de titularissen van de functies bedoeld in § 5, vierde lid, en de ambtenaren van het openbaar ministerie onderworpen aan een evaluatie”. 1.
- Met artikel 48 van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem worden in het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 259nonies, 259decies en 259undecies betreffende de evaluatie van magistraten ingevoegd. IX-2551-2/30 Het nieuwe artikel 259nonies, vierde tot zevende lid, luidt als volgt : “De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten. De Koning bepaalt op voorstel van de Hoge Raad de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten, en stelt de nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op. De evaluatie wordt voorafgegaan door een of meerdere functioneringsgesprekken tussen de geëvalueerde en ten minste een van zijn beoordelaars. De korpschef zendt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene. De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de korpschef, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt (...). Binnen tien dagen na de ontvangst van de opmerkingen, zendt de korpschef een afschrift van de definitieve beoordeling aan de Minister van Justitie en bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.” Overeenkomstig artikel 109 van de wet van 22 december 1998 trad artikel 48 van die wet in werking op 2 augustus
- Na het instellen van het onderhavige beroep werden het zesde en het zevende lid nog gewijzigd door de wet van 13 maart 2001 en de wet van 3 mei 2003, welke wijzigingen zonder invloed zijn op de onderhavige zaak. 1.
- In uitvoering van het voormeld artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek stelt het thans bestreden koninklijk besluit van 20 juli 2000 de nadere regels voor de evaluatie van de magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging op. Dat besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 augustus
- Het bestreden koninklijk besluit, dat genomen is zonder dat de afdeling wetgeving van de Raad van State werd geraadpleegd, verwijst in zijn aanhef als volgt naar de dringende noodzakelijkheid : IX-2551-3/30 “Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, §§ 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat de artikelen 259nonies, 259decies en 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek, die de evaluatie regelen op 2 augustus 2000 in werking treden; Overwegende dat artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek voorziet dat de Koning op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie de evaluatiecriteria en hun weging bepaalt; Overwegende dat de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 14 en 28 juni 2000 een voorstel goedkeurde met betrekking tot de evaluatiecriteria, hun weging en de regels voor de nadere toepassing ervan; Overwegende dat artikel 105 van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, voorziet dat de evaluatie van de adjunct- mandaten en de bijzondere mandaten die na 2 augustus 2000 verstrijken, onmiddellijk dient te geschieden; Overwegende dat krachtens artikel 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek de hernieuwing van voormelde mandaten bepaald wordt door het resultaat van de evaluatie; Overwegende dat bijgevolg tegen 2 augustus 2000 de nodige maatregelen moeten genomen zijn opdat tot die evaluaties zou kunnen worden overgegaan zodat de continuïteit wordt verzekerd;”. 2.1.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat hij stelt dat de redenen die in de aanhef van het bestreden besluit worden aangevoerd de dringende noodzakelijkheid om de afdeling wetgeving van de Raad van State niet te raadplegen niet verantwoorden, omdat die redenen enkel betrekking hebben op de evaluaties van de adjunct-mandaten (zoals de ondervoorzitters) en de bijzondere mandaten (zoals de onderzoeksrechters en de jeugdrechters), maar niet op de periodieke evaluatie van de magistraten die niet met een mandaat zijn bekleed; dat er volgens hem dus geen reden was om, wegens de ingeroepen dringendheid van de evaluatie van de adjunct-mandaten en bijzondere mandaten, zonder voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State evaluatiecriteria te bepalen voor de grote groep van magistraten die niet bekleed zijn met een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat en dat het bestreden besluit bijgevolg vernietigd moet worden, minstens in zoverre IX-2551-4/30 het evaluatiecriteria bepaalt voor magistraten die niet bekleed zijn met een adjunct- mandaat of een bijzonder mandaat;
- 1.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat in de aanhef van het bestreden besluit in de eerste plaats wordt verwezen naar de totaliteit van de artikelen van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de evaluatie van de magistraten, dat de artikelen 259nonies en 259decies van het Gerechtelijk Wetboek de evaluatie van de magistraten betreffen, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de “gewone” magistraten en de titularissen van een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat, dat in de aanhef van het besluit pas daarna gerefereerd wordt aan artikel 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek en als een bijkomende verantwoording van de dringende noodzakelijkheid wordt aangegeven dat de hernieuwing van de mandaten van de titularissen van een adjunct-mandaat en van een bijzonder mandaat afhankelijk is van de evaluatie en het dus voor de continuïteit van deze mandaten absoluut noodzakelijk is dat de nodige maatregelen worden genomen opdat tot die evaluaties zou kunnen worden overgegaan; dat volgens haar daaruit evenwel niet kan worden afgeleid dat de motivering van de bijzondere hoogdringendheid in de aanhef van het besluit alleen de titularissen van de adjunct-mandaten en de bijzondere mandaten zou betreffen; dat de verwerende partij vervolgens betoogt dat de redenen die voor de dringende noodzakelijkheid worden aangevoerd gegrond zijn, aangezien in de aanhef eerst wordt aangegeven dat de artikelen 259nonies, 259decies en 259undecies in werking treden op 2 augustus 2000, dat er daarbij aan herinnerd wordt dat de Koning op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie de evaluatie- en wegingscriteria bepaalt en daaraan wordt toegevoegd dat de Hoge Raad in zijn vergaderingen van 14 en 28 juni 2000 desbetreffend een voorstel heeft goedgekeurd; dat volgens haar redelijkerwijze niet kan worden tegengesproken dat het bestreden besluit daarop met de nodige spoed genomen werd aangezien het dateert van 20 juli 2000, dus nauwelijks drie weken later en dat er geen tijd bleef om de afdeling wetgeving van de Raad van State te raadplegen, aangezien de evaluatie tien dagen later op 2 augustus 2000, dus op de laatst mogelijke dag, gepubliceerd kon worden; dat aan die reeds voldoende motivering werd toegevoegd dat het voor wat betreft de titularissen van een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat IX-2551-5/30 absoluut noodzakelijk was onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen om de evaluatie mogelijk te maken; 2.1.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de verplichting om de evaluatiecriteria uit te vaardigen bestond sinds de wet van 22 december 1998 en dat die wet uiterlijk achttien maanden na de bekendmaking ervan, dus uiterlijk op 2 augustus 2000, in werking moest treden, dat de verwerende partij de besluitvorming zo moest organiseren dat de adviesverplichting kon worden nagekomen, en dat het argument ontleend aan het tijdsverloop tussen de datum van het besluit en de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad niet kan verantwoorden dat voor 20 juli 2000 geen advies werd gevraagd aan de Raad van State; dat verzoeker ook opmerkt dat voor zover de verwerende partij niet zelf verantwoordelijk is voor het feit dat de voorstellen van de Hoge Raad slechts op 14 en 28 juni 2000 werden goedgekeurd, zij overeenkomstig artikel 84, 2/, van de gecoördineerde wetten het advies van de afdeling wetgeving binnen een termijn van ten hoogste drie dagen had kunnen vragen, dat de verwerende partij er echter niet in slaagt aan te tonen dat er een dringende noodzaak was waarvoor zij niet zelf verantwoordelijk was en daaruit volgt dat het besluit, ook wat betreft de criteria die uitgevaardigd werden voor de evaluatie van de adjunct-mandaten en de bijzondere mandaten, onwettig is; dat verzoeker staande houdt dat de redenen die in de aanhef van het besluit als verantwoording van de dringende noodzakelijkheid worden aangevoerd niets zeggen over de noodzaak om dringend criteria uit te vaardigen voor de grote groep van gewone magistraten en die vaststelling niet weerlegd wordt doordat in de aanhef van het besluit gerefereerd wordt aan de totaliteit van de wetsartikelen die betrekking hebben op de evaluatie van magistraten; 2.1.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog uiteenzet : “
- In het verslag van het auditoraat wordt aangenomen dat de redenen, die ter verantwoording van de dringende noodzakelijkheid werden aangevoerd in de aanhef van het bestreden besluit, niet uitsluitend betrekking hebben op de evaluatie van de adjunct-mandaten en de bijzondere mandaten. Het is juist dat in de eerste zin van de bedoelde redengeving aangehaald wordt dat onder meer de artikelen 259 nonies en 259 decies van het gerechtelijk wetboek IX-2551-6/30 op 2 augustus 2000 in werking treden en het is tevens juist dat die artikelen betrekking hebben op de evaluatie van de gewone magistraten die niet bekleed zijn met een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat. Het is evenwel niet omdat de wetsartikelen, die de evaluatie van de gewone magistraten regelen, in werking treden op 2 augustus 2000, dat het dringend noodzakelijk was tegen die datum de evaluatiecriteria voor die ambten te bepalen. De dringendheid hangt niet af van de datum van de inwerkingtreding van de wet, maar van de datum tegen dewelke de evaluaties moesten verricht worden. De vaste rechtspraak van de Raad van State is dat de opgegeven motieven ‘voldoende ernstig, expliciet, exact en pertinent’ moeten zijn. Het opgegeven motief, meer bepaald de datum van de inwerkingtreding van de wet, was niet pertinent. Om de dringendheid te verantwoorden moest verwezen worden naar de datum tegen dewelke de evaluaties van de gewone magistraten verricht moesten worden, zoals verder in de aanhef van het aangevochten besluit in verband met de evaluatie van de adjunct-mandaten en de bijzondere mandaten, die na 2 augustus 2000 verstreken, verwezen wordt naar het tijdstip tegen wanneer die evaluaties verricht moesten worden, namelijk onmiddellijk na 2 augustus
- Voor zover aangenomen wordt dat de redenen, die ter verantwoording van de dringende noodzakelijkheid aangevoerd werden, tevens betrekking hebben op de grote groep van gewone magistraten, moet dus vastgesteld worden dat die redenen niet pertinent waren.
- Daarenboven moet vastgesteld worden dat het op 20 juli 2000, datum van de uitvaardiging van het bestreden besluit, helemaal niet dringend was criteria uit te vaardigen voor de grote groep van gewone magistraten. Uit de overgangsbepaling, die voorzien was in artikel l05 lid 1 van de wet van 22 december 1998, waarbij het evaluatiesysteem werd ingevoerd, blijkt dat de gewone magistraten slechts beoordeeld moesten worden binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de artikelen 259 nonies en 259 decies van het gerechtelijk wetboek. Die overgangsbepaling gold ook voor de gewone magistraten die nog geen jaar in hun ambt werkzaam waren en die dus, zonder die overgangsbepaling, binnen het jaar na hun eedaflegging hadden moeten beoordeeld worden (zoals voorzien in artikel 259 decies § 1 van het gerechtelijk wetboek). De evaluaties van de gewone magistraten moesten dus maar verricht worden tegen 2 februari
- Het was dus in elk geval niet juist dat er op 20 juli 2000 dringend evaluatiecriteria moesten uitgevaardigd worden voor de grote groep van gewone magistraten. Er weze verder aan herinnerd dat de evaluatiecriteria bepaald moesten worden ‘rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten’ (art. 259 nonies lid 5 Ger. Wb.). Er bestond dan ook geen enkele reden om, wegens de ingeroepen dringendheid van de evaluatie van de adjunct-mandaten en bijzondere mandaten, zonder voorafgaand advies van de Raad van State evaluatiecriteria te bepalen voor al de magistraten.
- In verband met de evaluatie van de adjunct-mandaten en de bijzondere mandaten wenst ondergetekende nog op te merken wat volgt. Op 20 juli 2000, datum van de uitvaardiging van het bestreden besluit, luidde artikel 105 lid 2 van de wet van 22 december 1998 als volgt: ‘Artikel 259 undecies van het (gerechtelijk) wetboek is van toepassing op de adjunct-mandaten en de bijzondere mandaten die meer dan zes maanden na de inwerkingtreding van dit artikel verstrijken’. Die IX-2551-7/30 overgangsbepaling werd evenwel gewijzigd door artikel 14 van de wet van 17 juli 2000 die op 1 augustus 2000 (na de uitvaardiging van het bestreden besluit) gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad en die slechts op 2 augustus 2000 in werking is getreden (art. 18 van de wet van 17 juli 2000). Ingevolge die wetswijziging luidde de overgangsbepaling van artikel 105 lid 2 van de wet van 22 december 1998 dan als volgt: ‘De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat of van een bijzonder mandaat, dat verstrijkt binnen vier maanden na de inwerkingtreding van artikel 259 undecies van het (gerechtelijk) wetboek, geschiedt onmiddellijk na de inwerkingtreding van het voormelde artikel’. Het is ingevolge die wetswijziging dat de evaluatie van de adjunct-mandaten en de bijzonder mandaten, die verstreken binnen de eerste vier maanden na 2 augustus 2000 (datum van de inwerkingtreding van artikel 259 undecies van het gerechtelijk wetboek) onmiddellijk dienden te geschieden. De in het bestreden besluit ingeroepen motivering met betrekking tot de adjunct- mandaten en de bijzondere mandaten had dus betrekking op een dringendheid die zou ontstaan door de inwerkingtreding van een wet die niet aangehaald werd in de motivering en die op dat ogenblik nog moest bekendgemaakt worden in het Belgisch Staatsblad (de wet van 17 juli 2000). Door niet te verwijzen naar die wet van 17 juli 2000 was de ingeroepen motivering dus niet juist. Verder moet ook nog opgemerkt worden dat niet al de adjunct-mandaten en bijzondere mandaten, die verstreken na 2 augustus 2000, onmiddellijk dienden beoordeeld te worden. Enkel het beperkt aantal adjunct-mandaten en bijzondere mandaten dat verstreek tussen 2 augustus 2000 en 2 december 2000 ( de eerste vier maanden na 2 augustus 2000) moesten onmiddellijk beoordeeld worden. Ook wat dat betreft was de in het bestreden besluit ingeroepen motivering niet juist.
- Voor zover de voormelde onjuistheden in de motivering op zichzelf niet als een miskenning van de adviesverplichting aanzien moeten worden, moet in elk geval vastgesteld worden dat de voorstellen van de Hoge Raad op 29 juni 2000 bezorgd werden aan de Minister van Justitie (zoals blijkt uit de aanhef van het bestreden besluit), dat het bestreden besluit (van 20 juli 2000) dateert van iets méér dan 20 dagen later en dat een periode van 20 dagen kon volstaan om het advies van de afdeling wetgeving in te winnen. Dat een periode van 20 dagen volstaat, blijkt uit een arrest van de Raad van State van 5 november 2001 (arrest 100.520, in fine). Door de motivering die ingeroepen werd in verband met de evaluatie van de adjunct-mandaten en de bijzondere mandaten kan dus het ontbreken van een voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet verantwoord worden, ook niet voor het beperkt aantal magistraten waarvoor die motivering bestemd was.
- In het auditoraatsverslag wordt niet ingegaan op de opmerking van ondergetekende dat niets de verwerende partij ervan moest weerhouden gebruik te maken van de spoedbehandeling die voorzien is in artikel 84, 2° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bij toepassing van dat wetsartikel had de verwerende partij een advies kunnen vragen binnen een termijn van ten hoogste drie dagen. De in het bestreden besluit aangehaalde motivering bevat geen enkele reden die kan verantwoorden waarom er geen gebruik gemaakt werd van de IX-2551-8/30 spoedbehandeling Ook in de memorie van antwoord van de verwerende partij wordt geen verantwoording gegeven daarvoor. De verwerende partij kan geen verantwoording geven daarvoor, vermits het evident wel mogelijk was om tussen 29 juni 2000 (datum waarop de voorstellen van de Hoge Raad bezorgd werden) en 20 juli 2000 (datum van de uitvaardiging van het bestreden besluit) aan de afdeling wetgeving van de Raad van State een advies te vragen binnen een termijn van ten hoogste drie dagen. Vastgesteld moet worden dat de verwerende partij de adviesverplichting niet is nagekomen.
- Voor zover op grond van de in de aanhef van het bestreden besluit aangehaalde motivering toch zou aangenomen worden dat het voor de verwerende partij niet mogelijk was het voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State te vragen, zelfs niet door gebruik te maken van de spoedprocedure die voorzien is in artikel 84, 2° van de gecoördineerde wetten op de raad van State, moet vastgesteld worden dat de verwerende partij zelf verantwoordelijk is voor het feit dat de voorstellen van de Hoge Raad slechts op 14 en 28 juni 2000 goedgekeurd werden door de algemene vergadering van de Hoge Raad. In het auditoraatsverslag wordt aangenomen dat de termijn, die de verwerende partij nadien genomen heeft om het bestreden besluit van 20 juli 2000 verder uit te werken en in het Belgisch Staatsblad bekend te maken, niet als buitensporig en derhalve als onverenigbaar met het aanvoeren van de dringende noodzakelijkheid kan worden beschouwd. Daarmede is evenwel niets gezegd over de verantwoordelijkheid van de verwerende partij voor het feit dat de voorstellen van de Hoge Raad slechts op 14 en 28 juni 2000 goedgekeurd werden door de algemene vergadering van de Hoge Raad. Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat de adviesverplichting niet wordt nagekomen wanneer de dringende noodzakelijkheid, die effectief bestaat op het ogenblik waarop een besluit genomen wordt, het gevolg is van de laattijdigheid waarmede het besluitvormingsproces gestart werd (arresten 45.085 en 45.086 van 29 november 1993; arrest 79.811 van 19 april 1999). Sinds 2 februari 1999, datum van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de wet van 22 december 1998, wist de verwerende partij dat die wet in werking zou treden uiterlijk op 2 augustus 2000 en dat zij in uitvoering van die wet evaluatiecriteria moest bepalen op voorstel van de Hoge Raad. Op 4 juni 1999 zijn de verkiezingen doorgegaan voor de samenstelling van de Hoge Raad. Uit de door de verwerende partij medegedeelde brief van de Hoge Raad van 7 april 2000 blijkt dat de verwerende partij voor het eerst op 20 maart 2000 aan de Hoge Raad gevraagd heeft een datum te fixeren met betrekking tot de voorstellen van evaluatiecriteria voor magistraten. Dat verzoek van de verwerende partij dateert dus van méér dan één jaar na de publicatie van de wet van 22 december 1998 en van méér dan negen maanden na de verkiezingen van 4 juni
- In een eveneens door de verwerende partij medegedeelde brief van 14 april 2000 van de verwerende partij aan de Hoge Raad wordt door de verwerende partij weliswaar ingeroepen dat zij steeds haar volle medewerking verleend heeft aan het operationeel maken van de Hoge Raad, maar uit niets blijkt dat de verwerende partij vóór 20 maart 2000 enig initiatief genomen heeft om vanwege de Hoge Raad een voorstel te bekomen om de evaluatiecriteria te kunnen bepalen. IX-2551-9/30 Het bepalen van de evaluatiecriteria was een verplichting voor de verwerende partij. De verwerende partij diende dus tijdig aan de Hoge Raad een voorstel te vragen. De door de verwerende partij ingeroepen dringende noodzakelijkheid, voor zover die werkelijk bestond ten tijde van de uitvaardiging van het bestreden besluit, is het gevolg van de laattijdigheid waarmede de verwerende partij het besluitvormingsproces gestart heeft en waarvoor zij zelf verantwoordelijk is. Er moet dus vastgesteld worden dat de verwerende partij de adviesverplichting niet is nagekomen.”; 2.1.2.
- Overwegende dat luidens artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de ministers “buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid” de ontwerpen van reglementaire besluiten aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State onderwerpen; 2.1.2.
- Overwegende dat het de Raad van State niet toekomt om zich bij het beoordelen van de hoogdringendheid in de plaats van de minister te stellen; dat hij enkel vermag te controleren of er een bijzondere motivering werd opgegeven ter verantwoording van de hoogdringendheid en of de opgegeven motieven voldoende ernstig, expliciet, exact en pertinent zijn; 2.1.2.
- Overwegende dat verzoekers stelling als zouden de redenen die worden aangehaald om de dringende noodzakelijkheid te verantwoorden uitsluitend betrekking hebben op de evaluatie van de adjunct-mandaten en de bijzondere mandaten, op een onvolledige lezing van de aanhef van het bestreden besluit berust; dat als verantwoording ervan immers in de eerste plaats wordt vermeld “dat de artikelen 259nonies, 259decies en 259 undecies van het Gerechtelijk Wetboek, die de evaluatie regelen op 2 augustus 2000 in werking treden”, “dat artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek voorziet dat de Koning op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie de evaluatiecriteria en hun weging bepaalt”, en “dat de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 14 en 28 juni 2000 een voorstel goedkeurde met betrekking tot de evaluatiecriteria, hun weging en de regels voor de nadere toepassing er van”; dat die redenen derhalve niet uitsluitend betrekking hebben op de evaluatie van de adjunct-mandaten en de bijzondere mandaten; IX-2551-10/30 2.1.2.
- Overwegende overigens dat de dringende noodzakelijkheid ook terecht kan worden ingeroepen wanneer zij enkel verantwoord is voor een gedeeltelijke toepassing van het bestreden besluit; dat het alternatief zoals voorgesteld door verzoeker immers is dat in plaats van één, twee regelingen met een identieke inhoud worden uitgevaardigd, de ene, onder aanvoering van de dringende noodzakelijkheid, bedoeld voor de evaluatie van de magistraten die een mandaat of een adjunct-mandaat uitoefenen of reeds uitoefenen op de datum van de inwerkingtreding, de andere, na raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State, voor de evaluatie van de andere magistraten; dat met andere woorden, wanneer het inroepen van de dringende noodzakelijkheid gerechtvaardigd is voor een substantieel gedeelte van het toepassingsgebied, zij voor de gehele regeling mag worden ingeroepen indien deze niet verschillend is; 2.1.2.
- Overwegende dat de vraag of het ontstaan van de dringende noodzakelijkheid al dan niet te wijten was aan het toedoen van de verwerende partij weinig ter zake is; dat het er vooral op aankomt te weten of zij bestond op het tijdstip dat het bestreden koninklijk besluit genomen diende te worden; dat, ook anders dan verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert, niet gesteld kan worden dat de dringende noodzakelijkheid aan de nalatigheid van de verwerende partij te wijten zou zijn; dat, immers, aangezien de evaluatiecriteria en hun weging overeenkomstig artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek door de Koning worden bepaald op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie en de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 14 en 28 juni 2000 een voorstel goedkeurde met betrekking tot de evaluatiecriteria, hun weging en de regels voor de nadere toepassing ervan, de termijn die de verwerende partij genomen heeft om het bestreden besluit van 20 juli 2000 verder uit te werken en in het Belgisch Staatsblad bekend te maken niet als buitensporig en derhalve als onverenigbaar met het aanvoeren van de dringende noodzakelijkheid kan worden beschouwd; 2.1.2.
- Overwegende dat de wet van 17 juli 2000 weliswaar slechts in het Belgisch Staatsblad van 2 augustus 2000 werd gepubliceerd, dat is op dezelfde dag als het bestreden koninklijk besluit, doch dat zij toen reeds bestond en terzelfder tijd IX-2551-11/30 verbindende kracht heeft gekregen; dat het bestreden besluit derhalve op de verplichtingen voortspruitende uit de wet van 22 december 1998, zoals gewijzigd door de wet van 17 juli 2000 kon steunen om de dringende noodzakelijkheid te rechtvaardigen; 2.1.2.
- Overwegende dat theoretisch weliswaar niet uit te sluiten valt dat de verwerende partij tussen de datum waarop zij de voorstellen van de hoge Raad voor de justitie ontvangen heeft en de datum waarop de Koning het bestreden besluit ondertekend heeft nog de mogelijkheid zou hebben gehad om binnen de drie dagen het advies van de afdeling wetgeving te vragen; dat zoals hiervoor reeds is gezegd het de Raad van State echter niet toekomt om zich bij het beoordelen van de hoogdringendheid in de plaats van de minister te stellen; dat te dezen de minister niet geacht kan worden onredelijk te hebben gehandeld door te oordelen dat ook voor een advies binnen de drie dagen de tijdspanne waarover hij beschikte te kort was; 2.1.2.
- Overwegende dat mitsdien het middel niet gegrond is; 2.2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 151, § 1, van de Grondwet, waarbij bepaald is dat de rechters onafhankelijk zijn in de uitoefening van hun rechterlijke functie; dat hij dienaangaande uiteenzet dat in het bestreden besluit de integriteit van de rechters als evaluatiecriterium gehanteerd wordt volgens een puntensysteem dat kan evolueren van + 6 tot - 3, dat derhalve wordt aangenomen dat een rechter niet volledig of niet altijd integer is en op dat gebied zelfs “onder nul” kan komen, dat als indicatoren voor de integriteit de onpartijdigheid, de onafhankelijkheid en de aandacht voor de rechten van de mens worden aangegeven, dat het puntensysteem zo is uitgewerkt dat een magistraat die voor integriteit - 3 krijgt toch nog de eindbeoordeling “zeer goed” kan krijgen en dat het bijgevolg mogelijk is “dat een partijdige magistraat die zijn bevoegdheden uitoefent volgens instructies die hij krijgt van een bepaalde belangengroep en die niet de minste aandacht heeft voor de rechten van de mens de beoordeling ‘zeer goed’ krijgt, met zelf nog een overschot van punten”; dat verzoeker besluit dat een rechter die de instructies volgt van een belangengroep niet onafhankelijk is en niet beantwoordt aan een wezenlijke grondwettelijke vereiste, dat het strijdig is met de Grondwet dat dergelijke IX-2551-12/30 rechter de beoordeling “zeer goed” kan behalen en dat hij, verzoeker, als rechter een moreel belang heeft bij de vernietiging van een reglementair besluit dat aanneemt dat iemand rechter kan zijn zonder integer te zijn; 2.2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien verzoeker niet op een voldoende duidelijke en precieze wijze aangeeft wat onder de “onafhankelijkheid” die hij geschonden acht moet worden begrepen; dat voor zover verzoeker daarmee zou bedoelen dat magistraten zich bij de uitoefening van hun ambt niet mogen laten leiden door instructies van belangengroepen, hij volgens de verwerende partij geenszins aantoont dat dit een verplichting zou zijn die voortvloeit uit artikel 151, § 1, van de Grondwet; dat zij verder van oordeel is dat verzoeker niet aangeeft op welke wijze het bestreden besluit het niet gespecifieerde beginsel van artikel 151, § 1 van de Grondwet zou schenden aangezien enkel wordt gesuggereerd dat in een bepaalde louter theoretische constructie de concrete toepassing van het bestreden besluit tot een schending van artikel 151, § 1, van de Grondwet zou leiden, in die zin dat een magistraat die niet integer is een positieve beoordeling zou krijgen, terwijl er tal van andere hypothesen zijn waarin er door de concrete toepassing van het bestreden besluit geen schending zal zijn van hetgeen volgens zijn interpretatie wordt bepaald in artikel 151, § 1, van de Grondwet; dat zij besluit dat het middel gebaseerd is op “een theoretische constructie die louter hypothetisch, toekomstig, onzeker, vaag en abstract is” en er derhalve redelijkerwijze geen sprake kan zijn van een ontvankelijk of gegrond middel; 2.2.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat uit de bepaling van artikel 151, § 1, van de Grondwet, volgens welk de rechters onafhankelijk zijn in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden, uiteraard volgt dat de onafhankelijkheid een verplichting is voor de rechters; dat hij verduidelijkt dat hij in het middel niet aanvoert dat hij zijn onafhankelijkheid geschonden acht, maar dat hij een moreel belang heeft bij de vernietiging van een reglementair besluit dat aanneemt dat iemand rechter kan zijn zonder onafhankelijk te zijn, dat hij duidelijk heeft aangevoerd dat een rechter die instructies volgt niet onafhankelijk is, en dat de verwerende partij dus ten onrechte beweert dat hij niet op voldoende duidelijke en precieze wijze aangeeft IX-2551-13/30 wat onder onafhankelijkheid moet worden begrepen; dat hij voorts benadrukt dat het middel geen betrekking heeft op een onrechtmatige wijze van tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, zoals de verwerende partij laat voorkomen, maar op het bestaan zelf van een reglementair besluit dat aanneemt dat een magistraat, die zijn bevoegdheid uitoefent volgens instructies van een bepaalde belangengroep en die niet de minste aandacht heeft voor de rechten van de mens, de beoordeling “zeer goed” kan krijgen, zelfs met een overschot aan punten; dat hij meent dat hij dan ook een moreel belang heeft om een dergelijk besluit uit de rechtsorde te doen verdwijnen; 2.2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog laat gelden : “Het middel heeft betrekking op het bestaan van een reglementair besluit dat aanneemt dat iemand rechter kan zijn zonder integer te zijn, zulks gelet op de gedragsindicatoren aan de hand waarvan de integriteit beoordeeld moet worden, met name de onpartijdigheid, de onafhankelijkheid en de aandacht voor de rechten van de mens. Ondergetekende doet een moreel belang gelden om het bestreden besluit, dat zoiets aanneemt, uit de rechtsorde te doen verdwijnen. In het auditoraatsverslag wordt aangenomen dat een moreel belang in aanmerking kan worden genomen, in geval de vernietiging gevorderd wordt van een beslissing die duidelijk de morele integriteit, de faam of de eer van de verzoeker in het gedrang brengt; het is duidelijk dat een reglementair besluit dat aanneemt dat iemand rechter kan zijn zonder integer te zijn, de morele integriteit, de faam en de eer van al de rechters in het gedrang brengt. Ondergetekende is rechter, zodat de bewering in het auditoraatsverslag dat die hoedanigheid van rechter niet volstaat om aan te nemen dat ondergetekende een moreel belang heeft bij de vernietiging van het besluit, onjuist is.
- In het auditoraatsverslag wordt verwezen naar het tuchtrecht om voor te houden dat uit het bestreden besluit niet valt af te leiden ‘dat zou aanvaard zijn’ dat iemand rechter kan zijn zonder integer te zijn. Het spreekt vanzelf dat tuchtrechtelijk kan opgetreden worden tegen een rechter die niet integer is. Ondergetekende heeft in het middel niet aangevoerd dat uit het bestreden besluit valt af te leiden dat door de tuchtoverheden of door eender wie anders aanvaard zou zijn dat iemand rechter kan zijn zonder integer te zijn. Het middel heeft geen betrekking op wat aanvaard wordt door de tuchtoverheden of door eender wie anders. Het middel heeft betrekking op de vaststelling dat door het bestreden besluit aangenomen wordt dat iemand rechter kan zijn zonder integer te zijn.”; 2.2.2.
- Overwegende dat verzoeker de wettigheid betwist van een verordeningsbepaling; dat het belang van wie tegen een verordening opkomt ruimer IX-2551-14/30 geïnterpreteerd dient te worden dan dat van wie een individuele rechtshandeling aanvecht; dat niet vereist is dat zij op hem wordt toegepast, maar volstaat dat zij op hem toegepast kan worden; dat te dezen de artikelen 2 en 3 van het bestreden besluit voorzien in een beoordelingsonderdeel “integriteit”, behorende tot de groep A, van toepassing op alle magistraten; dat aldus niet uitgesloten en zelfs waarschijnlijk is dat verzoeker wanneer hij wordt geëvalueerd, zelf ook op het criterium “integriteit” beoordeeld zal worden en hij wellicht in de functie van evaluator mede op grond van dat criterium andere magistraten zal moeten evalueren; dat die vaststelling volstaat om hem een voldoende, ook moreel, belang bij het aanvoeren van het middel toe te kennen; 2.2.2.
- Overwegende dat uit het bestreden besluit niet zonder meer afgeleid kan worden dat “dat iemand rechter kan zijn zonder integer te zijn”; dat, immers, het bestreden besluit “de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging” bevat; dat bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1998 benadrukt werd “dat de evaluatie in beginsel los staat van de tucht, hetgeen evenwel niet uitsluit dat een bepaalde gedraging zowel op het vlak van de evaluatie als de tucht gevolgen kan hebben”; dat het bestreden besluit derhalve niet uitsluit dat overeenkomstig artikel 404 van het Gerechtelijk Wetboek tuchtrechtelijk wordt opgetreden tegen een magistraat die, door een gebrek aan integriteit zijn ambtsplichten verzuimt of afbreuk doet aan de waardigheid van zijn ambt; dat het bestreden besluit derhalve geenszins stilzwijgend aanvaardt “dat iemand rechter kan zijn zonder integer te zijn”; dat het middel niet gegrond is; 2.3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 259nonies, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek; dat hij daarbij uiteenzet : “Uit artikel 259 nonies lid 6 van het gerechtelijk wetboek blijkt dat de beoordeling van een geëvalueerde voorafgegaan wordt door een functioneringsgesprek. Dat gesprek wordt evenwel onmiddellijk gevolgd door een voorlopige beoordeling uitgaande van de beoordelaars. In de voormelde Preambule van de Hoge Raad wordt overigens bevestigd dat in de wettelijke regeling het functioneringsgesprek een voorlopige beoordeling inhoudt. Door het aangevochten besluit wordt voorgeschreven dat het functioneringsgesprek plaats vindt bij de aanvang van de periode waarover de magistraat dient te worden geëvalueerd (art. 7 § 1 lid 1) en dat de te evalueren IX-2551-15/30 magistraat ten behoeve van zijn beoordelaars een verslag opmaakt van het functioneringsgesprek (art. 7 § 3). Dat functioneringsgesprek is zeer belangrijk omdat het moet dienen voor de vaststelling van specifieke, meetbare, aanvaardbare en realiseerbare doelstellingen ( art. 7 § 2 lid 1). Door het aangevochten besluit wordt verder voorgeschreven dat het na de evaluatieperiode te houden evaluatiegesprek voorafgegaan wordt door een schriftelijke voorbereiding die bezorgd moet worden door de te evalueren magistraat (art. 8 § 1 lid 2) en dat van de voorlopige beoordeling een ontwerp wordt opgemaakt, welk ontwerp besproken moet worden tijdens het evaluatiegesprek ( art. 8 § 1 lid 3). Volgens het aangevochten besluit wordt de voorlopige beoordeling dus voorafgegaan door een tijdsverloop sinds het functioneringsgesprek en door meerdere handelingen die niet voorzien zijn in de wet: een verslag van het functioneringsgesprek, een schriftelijke voorbereiding van het evaluatiegesprek, een ontwerp van de voorlopige beoordeling en een bespreking van dat ontwerp met de te evalueren magistraat. Alhoewel dat tijdsverloop en die handelingen wellicht als een verbetering mogen aangezien worden ten opzichte van de regeling die blijkt uit artikel 259 nonies lid 6 van het gerechtelijk wetboek, moet toch vastgesteld worden dat die verbetering moeilijk verenigbaar is met de tekst van de wet. In dat verband moet ook opgemerkt worden dat de wet niet voorschrijft dat het verloop van de functioneringsgesprekken en de totstandkoming van de voorlopige beoordeling nader uitgewerkt moeten worden bij koninklijk besluit. De wet voorziet enkel dat de Koning nadere regels moet vaststellen voor de toepassing en de weging van de evaluatiecriteria (art. 259 nonies lid 6 Ger. Wb.). Wellicht mag aangenomen worden dat ondergetekende in zijn hoedanigheid van te evalueren magistraat geen belang heeft bij de vernietiging van reglementaire bepalingen die op het eerste gezicht voorkomen als een verbetering. In zijn hoedanigheid van evaluator heeft ondergetekende evenwel een functioneel belang bij de vernietiging van reglementaire bepalingen die de uitoefening van zijn functie regelen en die strijdig zijn met de wijze waarop de wet de uitoefening van die functie regelt. De hier vastgestelde strijdigheid steunt op een bestaande verwarring tussen functioneringsgesprekken en evaluatiegesprekken, zoals erkend wordt in de voornoemde preambule van de Hoge Raad. Om onwettige evaluaties te voorkomen moet het onwettige besluit vernietigd worden. Een te evalueren magistraat kan niet verplicht worden verslagen en schriftelijke voorbereidingen te bezorgen. Die verplichting is immers niet voorzien in de wet en vindt ook geen steun in de wet. Maar zonder die verslagen en schriftelijke voorbereidingen kan de procedure die voorzien is in het aangevochten besluit niet gevolgd worden.”; 2.3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 108 van de Grondwet de Koning rechtstreeks de bevoegdheid toekent om de verordeningen te maken en de besluiten te nemen die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn en verzoeker derhalve niet kan worden bijgevallen waar hij stelt dat de machtiging IX-2551-16/30 bedoeld in artikel 259nonies, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet zou volstaan om het bestreden besluit te nemen; dat volgens haar niet kan worden aangenomen dat een uitvoeringsbesluit slechts wettig zou zijn wanneer het zonder meer herneemt wat reeds in de wet is opgenomen; dat zij tenslotte opmerkt dat verzoeker de rechtsgrond van het bestreden besluit ten onrechte tracht te beperken tot artikel 259nonies, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl het verslag van het functioneringsgesprek, de schriftelijke beoordeling van het evaluatiegesprek, het ontwerp van voorlopige beoordeling en de bespreking daarvan terug te brengen zijn tot de verplichting bepaald in artikel 259nonies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij bepaald wordt dat de magistraten onderworpen worden aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie; 2.3.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat de verwerende partij zich niet op artikel 108 van de Grondwet kan beroepen om de reglementering in verband met het verloop van de functioneringsgesprekken en het tot stand komen van de voorlopige beoordeling te verantwoorden, dat artikel 108 van de Grondwet aan de Koning weliswaar de bevoegdheid verleent om de verordeningen te maken en de besluiten te nemen die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, maar dergelijk besluit voor de uitvoering van artikel 259nonies, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet nodig was; dat verzoeker meent dat de verwerende partij zich eveneens ten onrechte beroept op artikel 259nonies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien de bepaling dat de magistraten onderworpen zijn aan “een gemotiveerde schriftelijke evaluatie” op zichzelf noch in samenhang met artikel 108 van de Grondwet een grondslag biedt voor de betwiste reglementering; 2.3.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betoogt : “
- Ondergetekende voert wel degelijk een schending aan van zijn prerogatieven, zoals hierboven reeds verklaard werd bij de bespreking van de ontvankelijkheid. Het derde middel moet dus wel degelijk beoordeeld worden met inachtneming van het functioneel belang dat ondergetekende doet gelden.
- De bevoegdheidsdelegatie die door artikel 259 nonies lid 5 van het gerechtelijk wetboek aan de Koning wordt toegekend is beperkt tot het uitvaardigen van nadere regels voor de toepassing van de evaluatiecriteria en voor de weging daarvan. Door dat artikel 259 nonies lid 5 van het gerechtelijk wetboek wordt aan de Koning geen bevoegdheid verleend om het verloop van de in artikel 259 nonies lid 6 van IX-2551-17/30 dat wetboek voorziene functioneringsgesprekken te regelen en evenmin om de totstandkoming van de in datzelfde wetsartikel voorziene voorlopige beoordeling te regelen. Overigens is het onjuist dat de desbetreffende door het bestreden besluit voorgeschreven regels verenigbaar zijn met de voorschriften van artikel 259 nonies lid 6 van het gerechtelijk wetboek. Dat wetsartikel laat niet toe een te evalueren magistraat te verplichten tot het maken van verslagen en schriftelijke voorbereidingen. Het is een feit dat in het arrondissement Kortrijk en wellicht ook in andere arrondissementen de evaluaties geschied zijn zonder de hier bedoelde met de wet onverenigbare voorschriften van het bestreden besluit na te leven. Van twee zaken één: ofwel zijn de hier bedoelde voorschriften van het bestreden besluit onwettig, ofwel zijn de evaluaties die inmiddels geschied zijn zonder inachtneming van die voorschriften onwettig.”; 2.3.2.
- Overwegende dat het middel blijkbaar gericht is tegen de bepalingen van het bestreden besluit in verband met het functioneringsgesprek bij de aanvang van de evaluatieperiode (artikel 7) en het evaluatiegesprek op het einde van de evaluatieperiode (artikel 8), welke in het bestreden besluit opgenomen zijn in “hoofdstuk III-Toepassingsregels”; dat volgens artikel 7, bij de aanvang van de evaluatieperiode een functioneringsgesprek plaats vindt tussen de te evalueren magistraat en zijn beoordelaars, dat daarbij doelstellingen worden vastgesteld , dat de magistraat van het functioneringsgesprek een verslag opstelt, vermeldende over welke punten al dan niet overeenstemming werd bereikt en dat indien nodig bijkomende functioneringsgesprekken gevoerd kunnen worden; dat artikel 8 bepaalt dat de magistraat vooraf van de plaats en het tijdstip van het evaluatiegesprek in kennis wordt gesteld, dat hij een schriftelijke voorbereiding van dat gesprek dient te bezorgen aan de beoordelaars, dat deze daarop een ontwerp van voorlopige beoordeling opstellen dat tijdens het evaluatiegesprek meegedeeld en besproken wordt en daarbij nog kan worden aangepast; dat artikel 259nonies, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, hiervoor weergegeven onder 1.2., enkel spreekt van functioneringsgesprekken; 2.3.2.
- Overwegende dat verzoeker zijn belang om het middel aan te voeren beperkt tot een functioneel belang als evaluator; dat hij daarmee blijkbaar bedoelt dat hij, in zijn functie van evaluator, de betrokken bepalingen van het bestreden besluit IX-2551-18/30 mede zal moeten toepassen, veeleer dan dat het bestreden besluit genomen werd met schending van zijn prerogatieven; dat zulks hem een voldoende belang verleent; 2.3.2.
- Overwegende dat artikel 108 van de Grondwet de Koning weliswaar de bevoegdheid toekent om de verordeningen te maken en de besluiten te nemen die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn; dat artikel 105 van dezelfde Grondwet echter bepaalt dat de Koning geen andere macht heeft dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen; dat bijgevolg de Koning de Hem door artikel 108 toegekende bevoegdheid slechts kan uitoefenen binnen bepaalde perken en inzonderheid voor zover het geen aangelegenheid betreft welke de grondwetgever aan de wetgevende macht heeft voorbehouden en voor zover de wetgever niet laat blijken dat hij de aangelegenheid zelf exhaustief heeft willen regelen; 2.3.2.
- Overwegende dat voorts artikel 151, § 6, van de Grondwet bepaalt: “Op de wijze door de wet bepaald, worden de rechters, de titularissen van de functies bedoeld in § 5, en de ambtenaren van het openbaar ministerie onderworpen aan een evaluatie”; dat die tekst duidelijk blijk geeft van de bedoeling van de grondwetgever om de evaluatie bij de wet zelf geregeld te zien, wat inhoudt dat een verdere delegatie aan de Koning slechts voor zeer bijkomstige zaken aanvaardbaar kan worden geacht; dat overigens volgens het beginsel van de scheiding der machten een inmenging van de uitvoerende macht in organisatie van de rechterlijke macht in principe uitgesloten is; 2.3.2.
- Overwegende dat artikel 259nonies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de Koning de bevoegdheid verleent om op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten te bepalen en Hem eveneens opdraagt “nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen” op te stellen; dat volgens artikel 259nonies, zesde lid, de evaluatie wordt voorafgegaan door een of meerdere functioneringsgesprekken tussen de geëvalueerde en ten minste een van zijn beoordelaars en de korpschef bij gedagtekend ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige IX-2551-19/30 beoordeling aan de betrokkene zendt; dat wijl die laatste bepaling, evenals het zevende lid, zelf reeds een aantal formaliteiten vastleggen en, zoals vermeld, de delegatie aan de Koning uiterst beperkt moet worden opgevat, in het vijfde lid van artikel 259nonies, dat specifiek over de evaluatiecriteria en hun weging handelt, bezwaarlijk een rechtsgrond kan worden gevonden voor de bepaling in de artikelen 7 en 8 van het bestreden besluit waarbij de geëvalueerde opgelegd wordt verslagen van functioneringsgesprekken en schriftelijke voorbereidingen op evaluatiegesprekken te bezorgen aan zijn evaluatoren of reeds een functioneringsgesprek te voeren bij het begin van de evaluatieperiode; dat het middel gegrond is; dat het leidt tot de nietigverklaring van de artikelen 7 en 8 van het bestreden koninklijk besluit; 2.4.1.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 151, § 6, van de Grondwet en van artikel 259nonies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doordat de evaluatiecriteria geen objectieve maatstaven geven ter beoordeling van de ambtsuitoefening van de magistraten, maar slechts nadere beschrijvingen van de ambtsuitoefening en meer bepaald van de vaardigheden die moeten beoordeeld worden; dat volgens verzoeker het niet de bedoeling van de wetgever was om aan de evaluatoren een discretionaire bevoegdheid te verlenen voor het beoordelen van hun collega’s, maar aan de Koning werd opgedragen objectieve criteria te bepalen voor de evaluatie van de ambtsuitoefening en dus van de vaardigheden die behoren tot de ambtsuitoefening; 2.4.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de door verzoeker vooropgestelde vereiste niet terug te vinden is in de in het middel aangevoerde bepalingen en dat het middel dient te worden afgewezen wegens manifest gebrek aan iedere vorm van precisering, concretisering en nauwkeurigheid; dat zij voorts opmerkt dat het onduidelijk is hoe een evaluatie zonder enige vorm van discretionaire bevoegdheid aan de kant van de evaluerende instantie zou kunnen worden geconstrueerd en gerealiseerd en verwijst naar de waarborgen die in het bestreden besluit ten voordele van de geëvalueerde magistraat zijn uitgewerkt; dat zij betwist dat een beoordelingscriterium geen nadere en gedetailleerde weergave zou kunnen zijn van IX-2551-20/30 bepaalde vaardigheden die bij de uitoefening van het beroep aanwezig moeten zijn en zich afvraagt wat dan wel een beoordelingscriterium moet zijn; 2.4.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn repliek staande houdt dat de toe te kennen vermeldingen “zeer goed”, “goed”, “voldoende” of “onvoldoende” geheel afhangen van het discretionair oordeel van de evaluatoren en dat de evaluatoren in het aangevochten besluit geen maatstaven of criteria vinden waarop zij kunnen steunen om de vaardigheden van hun collega’s te beoordelen; dat door in de wet te voorzien in de uitvaardiging van “criteria” de wetgever een evaluatiesysteem heeft beoogd waarbij de beroepsbekwaamheid van de magistraten zou worden beoordeeld aan de hand van vaststaande, meetbare, controleerbare en voor iedereen gelijke maatstaven; 2.4.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betoogt : “Er kan niet ernstig betwist worden dat de evaluatoren in de tekst van het bestreden besluit en in de bijlagen bij dat besluit geen enkele objectieve maatstaf vinden waarop zij kunnen steunen om aan de geëvalueerde de vermeldingen ‘zeer goed’, ‘goed’, ‘voldoende’ of ‘onvoldoende’ toe te kennen. Wat de éne evaluator ‘zeer goed’ kan vinden, kan door een andere evaluator als ‘onvoldoende’ beoordeeld worden, zonder dat er enige maatstaf is waaraan die verschillende beoordelingen getoetst kunnen worden. Het enige wat vaststaat is het cijfer dat met het oog op de weging van de verschillende vaardigheden gekoppeld wordt aan de beoordeling van die vaardigheden. Voor bepaalde vaardigheden wordt aan de beoordeling ‘zeer goed’ het cijfer +6 gekoppeld. Voor andere vaardigheden wordt aan de beoordeling ‘zeer goed’ het cijfer +4 of het cijfer + 2 gekoppeld. Maar de beoordeling zelf geschiedt geheel naar het eigen inzicht van de evaluator, zonder dat zijn oordeel getoetst kan worden aan vaststaande, controleerbare en voor iedereen gelijke maatstaven. Door het bestreden besluit werden geen ‘criteria’ voor de evaluatie bepaald, maar vaardigheden die moeten geëvalueerd worden. In het auditoraatsverslag wordt voorgehouden dat artikel 259 nonies lid 5 van het gerechtelijk wetboek (in het verslag wordt vermoedelijk bij misslag gewag gemaakt van lid 6) voor de Koning niet de verplichting inhoudt om ‘evaluatiecriteria te bepalen die iedere appreciatiebevoegdheid van de evaluator uitsluiten’. De kwestie is evenwel dat het bestreden besluit in het geheel geen ‘criteria’ bepaalt in de zin die in het gewone spraakgebruik aan het woord ‘criterium’ wordt gegeven (maatstaf, toetssteen), maar alleen vaardigheden bepaalt die ten onrechte als criteria bestempeld worden. Elke vaardigheid wordt door elke evaluator geheel discretionair beoordeeld. In het auditoraatsverslag wordt ten onrechte voorgehouden dat de toekenning van de eindbeoordeling niet louter discretionair is. De eindbeoordeling is wel degelijk louter discretionair, vermits zij het resultaat is van de optelling van louter IX-2551-21/30 discretionair bepaalde cijfers. Door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie werd op 26 februari 2003 een syntheseverslag over de evaluatie van de magistraten goedgekeurd. In dat verslag staat te lezen: ‘Omdat voor ieder rechtscollege, parket of auditoraat de beoordelaars verschillende personen zijn, is er geen eenvormigheid in het quoteringssysteem en in de toepassing van de regels betreffende de evaluatie. Deze situatie zal waarschijnlijk discriminatie creëren. Tevens wordt hierdoor de onderlinge vergelijking van magistraten uit verschillende rechtscolle- ges/parketten/auditoraten onmogelijk’.De vrees voor die discriminaties is dan ook één van de redenen waarom de Hoge Raad blijkens dat syntheseverslag tot het besluit gekomen is dat het huidige evaluatiesysteem vervangen dient te worden door een systeem van functioneringsgesprekken teneinde de arbeidskwaliteit van de magistraten te verbeteren. Het is evident dat het niet de bedoeling was van de wetgever om discriminaties te doen ontstaan. De gevreesde discriminaties zijn het gevolg van het in dit middel vastgestelde ontbreken van objectieve criteria, zoals bedoeld in artikel 259 nonies lid 5 van het gerechtelijk wetboek. Het bestreden besluit is onwettig omdat het geen objectieve criteria uitvaardigt.”; 2.4.2.
- Overwegende dat luidens artikel 259nonies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de Koning op voorstel van de Hoge Raad de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria bepaalt; dat, anders dan verzoeker betoogt, die bepaling voor de Koning niet de verplichting inhoudt om evaluatiecriteria te bepalen die iedere appreciatiebevoegdheid van de evaluatoren uitsluiten; dat enerzijds er geen sprake kan zijn van “evaluatie” indien er geen enkele mogelijkheid van discretionair oordeel openstaat, meer bepaald over de mate waarin de criteria gehaald worden; dat de eindbeoordelingen “zeer goed”, “goed”, “voldoende” en “onvoldoende” anderzijds bepaald worden door het totaal van de scores die de magistraat voor elk van de evaluatiecriteria heeft behaald, zodat de toekenning van die eindbeoordeling niet louter discretionair is; dat als aan dezelfde beoordeling een hoger of een lager cijfer gekoppeld wordt, zulks betekent dat een bepaald evaluatiecriterium een hoger of een lagere weging meekrijgt; dat de beoordeling van alle magistraten, welke ook hun functie weze, op volstrekt gelijke wijze door dezelfde of althans op dezelfde wijze oordelende evaluatoren een ideaal is dat zoveel mogelijk nagestreefd moet worden, maar dat in de realiteit wellicht nooit bereikt zal kunnen worden; dat daarom het middel niet gegrond kan worden verklaard; IX-2551-22/30 2.5.1.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van artikel 6 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (EVRM) doordat de evaluatoren geen rechterlijke instantie zijn in de zin van dit verdrag, terwijl dit nochtans het geval zou moeten zijn nu artikel 360ter van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de beoordeling “onvoldoende” aanleiding geeft tot een inhouding van de laatst toegekende weddeverhoging en het recht op wedde en op de weddeverhoging een burgerlijk recht is in de zin van artikel 6 van het verdrag; 2.5.1.
- Overwegende dat de verwerende partij vooreerst antwoordt dat artikel 6 EVRM slechts van toepassing is op de door de wet ingestelde rechterlijke instanties en derhalve niet tot de onregelmatigheid van het bestreden besluit kan worden besloten op basis van een geschonden geachte verdragsbepaling die evenwel niet op koninklijke besluiten van toepassing is; dat zij opmerkt dat volgens het arrest Pellegrin/Frankrijk van 8 december 1999 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de bepalingen van artikel 6 EVRM niet van toepassing zijn op ambtenaren belast met een dienst die karakteristiek is voor specifieke activiteiten van het openbaar gezag, belast met de algemene belangen van de Staat en de geledingen ervan, en dat niet ernstig kan worden betwist dat magistraten als dergelijke ambtenaren moeten gekwalificeerd worden, zodat artikel 6 EVRM in het voorliggend geval niet van toepassing is; 2.5.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn repliek vooreerst betoogt dat de schending van artikel 6 EVRM meebrengt dat het bestreden besluit geen wettelijke grondslag heeft; dat hij meent dat het door de verwerende partij ingeroepen arrest van 8 december 1999 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet van toepassing is op rechters, omdat een rechter geen ambtenaar is die belast is met de algemene belangen van de staat en van de geledingen ervan en rechters niet buiten het toepassingsgebied van de ingeroepen verdragsbepaling geplaatst kunnen worden zonder de rechtsbescherming welke die verdragsbepaling beoogt als een kaartenhuisje te doen ineenstorten; dat de rechtsbescherming immers steunt op het vertrouwen in een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, dat de burgers voor de beslechting IX-2551-23/30 van een geschil geen vertrouwen kunnen hebben in rechters die, wat betreft de beoordeling van de wijze waarop zij het geschil zullen beslechten en meer bepaald wat betreft de gevolgen daarvan op hun recht op weddeverhoging, niet zelf over de rechtsbescherming door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie kunnen beschikken; 2.5.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betoogt : “In het auditoraatsverslag wordt niet betwist dat het in dit middel ingeroepen artikel 6 van het verdrag van 4 november 1950 van toepassing is op een beslissing waardoor een magistraat een inhouding van wedde moet ondergaan. In het auditoraatsverslag wordt evenwel ten onrechte aangenomen dat aan de vereisten van bedoeld artikel 6 voldaan is, omdat een inhouding van wedde, die het gevolg is van een beoordeling "onvoldoende", voor de burgerlijke rechtbank betwist kan worden. Gelet op het discretionair karakter van de beoordeling die aan de evaluatoren toekomt, kan de beslissing van de evaluatoren niet op alle punten, in feite en in rechte, hervormd worden door de rechtbank. De rechtbank kan het discretionair oordeel van de evaluatoren niet hervormen. De rechtbank kan een discretionaire beslissing alleen maar ongedaan maken, indien een rechtsmisbruik wordt vastgesteld of indien wettelijk voorgeschreven vormen niet nageleefd werden. Hetgeen ondergetekende in zijn verzoekschrift uiteengezet heeft in verband met de onmogelijkheid voor de Raad van State om een discretionaire beslissing ongedaan te maken, geldt ook voor de burgerlijke rechtbanken. Inmiddels is komen vast te staan dat de Raad van State niet bevoegd is voor geschillen betreffende de evaluaties van magistraten (RvSt., 22-10-2001, R.W. 2001-2002, 1434), maar de burgerlijke rechtbanken, die wel bevoegd zijn, beschikken evenmin over de macht om hun oordeel in de plaats te stellen van dat van de evaluatoren. In het auditoraatsverslag wordt niet betwist dat de evaluatoren zelf geen rechterlijke instantie zijn in de zin zoals bedoeld in artikel 6 van het verdrag. Indien aangenomen wordt dat het ontbreken van objectieve criteria niet in strijd is met de wet en dat de evaluatoren dus op discretionaire gronden mogen oordelen dat een magistraat een inhouding van wedde moet ondergaan, moet vastgesteld worden dat artikel 6 van het verdrag geschonden wordt door de wet die dat toelaat. Het gevolg daarvan is dan dat het bestreden besluit, dat steunt op die wet, vernietigd moet worden. De inroeping in het auditoraatsverslag van artikel 259 decies § 2 van het gerechtelijk wetboek, welk artikel betrekking heeft op de aanwijzing van de evaluatoren, verandert daar niets aan.”; 2.5.2.
- Overwegende, vooraf, dat de bevoegdheid van de evaluatoren niet is vastgelegd in het bestreden besluit, maar wel in artikel 259decies, § 2, van het IX-2551-24/30 Gerechtelijk Wetboek, waarbij wordt bepaald dat de evaluatie geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen door de korpschef en twee magistraten, verkozen door de algemene vergadering of de korpsvergadering; dat de eerste vraag derhalve is of het bestreden besluit bijkomende bevoegdheden toekent aan het college van de evaluatoren of, in het algemeen, regels stelt waardoor afbreuk wordt gedaan aan het recht van de geëvalueerde om een eventuele weddevermindering welke zou volgen op een ongunstige evaluatie aan het oordeel van een rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 van het EVRM te onderwerpen; 2.5.2.
- Overwegende dat blijkens artikel 360quater van het Gerechtelijk Wetboek de beoordeling “onvoldoende” gedurende zes maanden bij een periodieke evaluatie leidt tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in de artikelen 360 en 360bis van het Gerechtelijk Wetboek; dat, ook al dient een magistraat beschouwd te worden als een “ambtenaar”, belast met een dienst die karakteristiek is voor specifieke activiteiten van het openbaar gezag, of belast met de algemene belangen van de Staat en de geledingen ervan, de desbetreffende beslissing aldus onmiskenbaar een weerslag heeft op zijn burgerlijk recht op bezoldiging; dat teneinde te voldoen aan artikel 6 van het EVRM, de magistraat die oordeelt dat hem onwettig de beoordeling “onvoldoende” werd toegekend, deze inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging dan ook voor een rechter moet kunnen betwisten; dat verzoeker echter niet aangeeft, en evenmin op het eerste gezicht blijkt, dat het bestreden koninklijk besluit wat dat betreft iets toevoegt of afdoet aan de wet; dat het middel dan ook niet dienstig wordt aangevoerd; 2.6.1.1 Overwegende dat verzoeker in een zesde middel de schending aanvoert van artikel 26 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, waarbij wordt bepaald dat allen aanspraak hebben op bescherming door de wet; dat hij betoogt dat de magistraten wat betreft de wijze van ambtsuitoefening onderworpen zijn aan de discretionaire beoordeling van hun evaluatoren en dat zij tegelijk onderworpen zijn aan de discretionaire beoordeling van de tuchtoverheid, dat die overheden, wegens IX-2551-25/30 het discretionair karakter van hun bevoegdheid, elkaar kunnen en mogen tegenspreken en de wet aan de magistraten geen enkel houvast biedt; 2.6.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de schending van artikel 26 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten enkel in combinatie met één van de in het verdrag vermelde burgerlijke of politieke rechten kan worden aangevoerd, dat dit artikel niet bepaalt dat allen aanspraak hebben op bescherming van de wet, maar enkel dat allen aanspraak hebben op gelijke bescherming door de wet, dat de beweerde ongelijkheid geen gevolg is van het bestreden besluit, maar van de wet zelf, en dat verzoeker op geen enkele wijze aangeeft welke discriminatie door het bestreden besluit is ontstaan; 2.6.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn repliek stelt dat het door het verdrag ingestelde discriminatieverbod een recht op bescherming door de wet impliceert en dat bovendien de schending van de ingeroepen verdragsbepaling meebrengt dat voor het bestreden besluit geen wettelijke grondslag bestaat; 2.6.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betoogt : “In het auditoraatsverslag wordt niet betwist dat het gerechtelijk wetboek en het bestreden besluit voor gevolg hebben dat magistraten onderworpen zijn aan de discretionaire bevoegdheid van twee verschillende overheden die, wegens de aard van hun bevoegdheid, meer bepaald het discretionair karakter ervan, elkaar kunnen en mogen tegenspreken. Evenmin wordt betwist dat daaruit volgt dat de wet geen rechtsbescherming biedt aan de magistraten bij de beoordeling van hun ambtsuitoefening. Het in dat middel ingeroepen artikel 26 van het verdrag van 19 december 1966 wordt hier niet ingeroepen omwille van het in dat artikel voorziene discriminatieverbod, maar omwille van de door dat artikel gewaarborgde aanspraak op bescherming door de wet.”; 2.6.2.
- Overwegende dat artikel 26 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten als volgt luidt : “Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen IX-2551-26/30 discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.”; 2.6.2.
- Overwegende dat de ongelijke behandeling op het vlak van de bescherming door de wet slechts kan worden aangevoerd, indien de verzoeker aantoont dat hij desbetreffend zonder objectieve en redelijke verantwoording minder gunstig wordt behandeld dan een vergelijkbare categorie van personen; dat te dezen uit de uiteenzetting van het middel niet begrepen kan worden in vergelijking met welke categorie van personen verzoekers aanspraak op gelijke bescherming door de wet geschonden werd; dat in zoverre verzoeker aanvoert dat evaluatoren en tuchtoverheden uiteenlopende uitspraken kunnen doen, de verwerende partij terecht aanvoert dat de beweerde ongelijkheid reeds in de wet zelf besloten is en de evaluatie zowel wat haar doel als haar gevolgen betreft te onderscheiden is van de tuchtvordering; dat het middel niet gegrond is; 2.7.1.
- Overwegende dat verzoeker in een zevende middel de schending aanvoert van artikel 11 van de Grondwet, doordat “alleen de Belgische magistraten, met uitsluiting van alle andere Belgen die een openbare dienst vervullen, voor de beoordeling van de wijze van hun ambtsuitoefening onderworpen zijn aan twee verschillende overheden die elkaar mogen tegenspreken” en “men geen enkele verantwoording kan vinden voor zulke discriminatie”; dat volgens verzoeker hierover desgevallend een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof gesteld dient te worden; 2.7.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de opsplitsing van de tuchtbevoegdheid en de evaluatiebevoegdheid over onderscheiden organen die elkaar zouden kunnen tegenspreken, volgt uit het Gerechtelijk Wetboek, waarin enerzijds bepaald wordt welke tuchtstraffen door de aldaar vermelde tuchtorganen kunnen worden opgelegd en anderzijds bepaald wordt dat magistraten moeten geëvalueerd worden en is aangegeven welke de verantwoordelijken zijn voor deze evaluatie; dat volgens haar verzoeker geen belang heeft bij het middel, aangezien de eventuele vernietiging van het bestreden besluit de desbetreffende wettelijke bepalingen ongemoeid zou laten; IX-2551-27/30 2.7.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat de schending van artikel 11 van de Grondwet meebrengt dat voor het aangevochten besluit geen wettelijke grondslag meer bestaat; 2.7.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betoogt : “In dat middel heeft ondergetekende aangevoerd dat bij zijn weten alleen de Belgische magistraten, met uitsluiting van alle andere Belgen die een openbare dienst vervullen, voor de beoordeling van de wijze van hun ambtsuitoefening onderworpen zijn aan twee verschillende overheden ‘die elkaar mogen tegenspreken’. In het auditoraatsverslag wordt verkeerdelijk voorgehouden dat dit middel berust op de stelling dat, met uitsluiting van de magistraten, alle andere Belgen die een openbare dienst vervullen zowel wat betreft de tucht als wat betreft hun evaluatie aan dezelfde overheden onderworpen zijn. Het middel steunt niet op die stelling, maar op de stelling dat alleen de magistraten onderworpen zijn aan tuchtoverheden en aan evaluatoren ‘die elkaar mogen tegenspreken’. Uit het auditoraatsverslag blijkt niet dat in andere personeelsstatuten de evaluatoren een discretionaire bevoegdheid hebben waardoor zij in tegenspraak kunnen komen met de tuchtoverheden. Daarenboven blijkt evenmin dat in die andere personeelsstatuten de evaluatoren een beslissing kunnen nemen waardoor het betrokken personeel een inhouding op wedde moet ondergaan. Het middel kan dus niet als ongegrond afgewezen worden, zodat desbetreffend wel degelijk een prejudiciële vraag dient gesteld aan het Arbitragehof, indien althans het bestreden besluit niet op andere gronden vernietigd moet worden.”; 2.7.2.
- Overwegende dat het middel berust op de stelling dat, met uitzondering van de magistraten, alle andere Belgen die een openbare dienst vervullen zowel wat betreft de tucht als wat betreft hun evaluatie aan dezelfde overheden onderworpen zijn; dat dit standpunt feitelijk onjuist is aangezien tal van personeelsstatuten, zoals het statuut van het Rijkspersoneel, de bevoegdheid om tuchtsancties op te leggen en de bevoegdheid om de personeelsleden te evalueren aan verschillende overheden toewijzen; dat geen algemene regel bestaat volgens welke de personeelsleden in overheidsdienst zowel wat betreft de tucht als wat betreft hun evaluatie aan dezelfde overheden onderworpen zijn; dat wat betreft het argument dat alleen de magistraten onderworpen zijn aan tuchtoverheden en aan evaluatoren "die elkaar mogen tegenspreken", verwezen dient te worden naar de bespreking van het zesde middel; IX-2551-28/30 dat de door verzoeker aangeklaagde discriminatie en de desbetreffende door verzoeker gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof zonder voorwerp zijn, BESLUIT: Artikel
- De artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging worden nietig verklaard. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen mei 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. IX-2551-29/30 De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2551-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div