← België

Arrest 144278 - - 11/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.278 Rolnummer: A. 135399/XIV-14640 Zaak: Arrest 144278 - - 11/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-25 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 14:47 Fiche Arrest nr 144.278 van 11 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.278 van 11 mei 2005 in de zaak A. 135.399/XIV-14.640 In zake : XXX, wonende te A. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 14 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 oktober 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 19 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 24 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-14.640-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat J.-P. VIDICK, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 28 februari 2002 en zich vluchteling verklaart op 30 september 2002; dat op 22 oktober 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 17 maart 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaarde tijdens het gehoor in dringend beroep de Syrische nationaliteit te hebben en afkomstig te zijn uit Alep. In 1993 zou uw echtgenoot gearresteerd zijn, nadat de lijfwachten van Modar Assad (neef van de huidige president), voor wie hij werkzaam was, een boekje van de Loge in zijn bezit ontdekten. Tijdens zijn laatste jaar opsluiting, in 1996, zou u driemaal meegenomen zijn ter ondervraging door de veiligheidsdienst en telkens dezelfde dag terug vrijgelaten zijn. Anderhalve maand na zijn vrijlating zou uw echtgenoot opnieuw zijn opgepakt door agenten van de veiligheidsdienst. Na negen maanden zou hij weer vrijgelaten zijn. Hierna zou hij nog regelmatig meegenomen zijn door de veiligheidsdienst voor verhoor in de gevangenis in Damascus, sectie Palestina genaamd. Hierbij zou hij telkens één á twee dagen zijn vastgehouden. In 2001 zou hij vijftien dagen vastgehouden zijn en in juni 2002 gedurende vijftien dagen in detentie hebben gezeten. Op 20 september 2002 zou u, samen met uw echtgenoot (Fatilian Papken, N.Nr.59022256726), Syrië verlaten hebben. Op 29 september 2002 zou u in België zijn aangekomen. De volgende dag diende u een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u zichzelf en uw echtgenoot tegensprak in uw opeenvolgende verklaringen bij de verschillende asielinstanties waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas volledig in het gedrang komt. Zo beweerde u zowel tijdens het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken als in dringend beroep op het Commissariaat-generaal dat uw echtgenoot bij zijn tweede arrestatie negen maanden vastgehouden werd in de gevangenis van Aboun (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42, p. 13; gehoorverslag CGVS, p. g). Uw echtgenoot stelde daarentegen op de Dienst Vreemdelingenzaken bij zijn tweede arrestatie drie maanden te zijn vastgehouden in de gevangenis van Aboun (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42, p. 13). Tijdens het gehoor in dringend beroep stelde hij dan weer bij zijn tweede arrestatie gedurende een jaar te zijn vastgehouden (zie gehoorverslag CGVS, p. 10-11). Vervolgens verklaarde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat uw echtgenoot een eerste maal gearresteerd werd in 1992 (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Uw echtgenoot verklaarde dan weer op de Dienst Vreemdelingenzaken, vier jaar geleden, voor een eerste maal te zijn gearresteerd, nadat hij betrapt werd met het boekje van zijn vader (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42, p. 12). Tijdens het verhoor in dringend beroep stelde hij dan weer tot tweemaal toe dat deze arrestatie zich voordeed in 1993 (zie gehoorverslag CGVS, p. 5, 8). Tenslotte verklaarde u op het commissariaat-generaal dat uw echtgenoot in juni 2001 gedurende vijftien dagen vastgehouden werd, alsook in juni 2002 vijftien dagen in detentie zat (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Uw echtgenoot daarentegen beweerde op het commissariaat- generaal in 2001 gedurende vijf dagen te zijn vastgehouden en in september 2002 gedurende XIV-14.640-2/5 vijftien dagen. Op de Dienst Vreemdelingenzaken maakte hij dan weer helemaal geen gewag van deze laatste detentie, vlak voor zijn vertrek uit Syrië. Daar stelde hij na zijn twee langdurige detenties nog verschillende malen voor telkens slechts één á twee dagen te zijn vastgehouden (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42, p. 13). Bovendien zijn uw verklaringen in dringend beroep verschillend van deze bij de Dienst Vreemdelingenzaken, namelijk stelde u dat uw echtgenoot, na zijn twee langdurige detenties, nog een vijftal maal voor een dertigtal dagen vastgehouden werd (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42, p. 13) Bovenstaande tegenstrijdigheden doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Verder dient te worden opgemerkt dat u verklaarde uw land te hebben verlaten omwille van de problemen van uw echtgenoot en u baseert uw asielaanvraag op de problemen van uw echtgenoot (zie gehoorverslag CGVS, p. 2). Vermits de Commissaris-generaal besloot tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van uw echtgenoot, wordt eveneens besloten tot de bedrieglijkheid van uw asielrelaas. Verder dient te worden opgemerkt dat u geen enkel reis- of identiteitsdocument voorlegt waardoor noch uw identiteit, noch uw reisweg kunnen gecontroleerd worden. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en) ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).”, 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van het algemeen beginsel dat de administratieve overheid verplicht rekening te houden met alle relevante elementen en de kennelijke appreciatiefout; dat zij aanvoert dat haar verklaring op de dienst Vreemdelingenzaken, dat zij ten tijde van de tweede arrestatie drie maanden werd vastgehouden, betrekking heeft op de geheime gevangenschap gedurende dewelke zij werd gefolterd, dat deze verklaring niet tegenstrijdig is met de verklaring van haar echtgenote dat de verzoekende partij in totaal negen maanden werd vastgehouden, dat het verhoorverslag van het commissariaat-generaal slecht leesbaar is, doorspekt met mysterieuze afkortingen, niet werd voorgelezen en evenmin werd ondertekend, dat met toepassing van artikel 1322 B.W. enkel het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken in aanmerking kan worden genomen en dat de bestreden beslissing derhalve niet afdoende is gemotiveerd; 2.
  3. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij XIV-14.640-3/5 de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende, wat de door commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheid met betrekking tot de duur van de tweede arrestatie betreft, dat het betoog van de verzoekende partij niet kan worden bijgetreden nu uit het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij heeft verklaard dat zij gedurende ongeveer drie maanden in een isoleercel werd verhoord en geslagen, waarna zij werd vrijgelaten; dat zij niet ingaat op de door de commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden betreffende de ondervragingen in de Tadmur-gevangenis, de duur van de arrestaties na de twee langdurige detenties en het tijdstip van de eerste arrestatie en van de overplaatsing naar de gevangenis van Homes; dat de nota’s van het verhoorverslag op het commissariaat- generaal in een specifiek doch zeker niet onleesbaar handschrift zijn opgesteld; dat de passages waarop de bestreden beslissing is gesteund, alleszins leesbaar zijn; dat er geen reden is om het verhoorverslag van het commissariaat-generaal niet in de beoordeling van de asielaanvraag te betrekken, a fortiori nu de verzoekende partij niet eens aangeeft op welke punten dit verslag niet met haar verklaringen zou overeenstemmen; dat de verwijzing door de verzoekende partij naar artikel 1322 B.W. niet dienend is nu deze bepaling enkel betrekking heeft op de bewijskracht van onderhandse akten bij verbintenissen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het enige middel ongegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-14.640-4/5 BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.640-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.278 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.