← België

Arrest 144314 - - 11/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.314 Rolnummer: A. 162251/XIV-22454 Zaak: Arrest 144314 - - 11/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 14:50 Fiche Arrest nr 144.314 van 11 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.314 van 11 mei 2005 in de zaak A. 162.251/XIV-22.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen :
  4. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  5. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Russische nationaliteit, op 6 mei 2005 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 april 2005 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 februari 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 9 mei 2005 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 9 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-22.454-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid afwijkt van het gemeen recht; dat ze de uitoefening van de rechten van verdediging, die nochtans de sluitsteen vormt van een billijk proces, tot een minimum herleidt; dat ze het lid van het auditoraat niet in de mogelijkheid stelt de zaak echt te onderzoeken; dat zij de beide partijen het voordeel van het dubbel onderzoek van het verzoekschrift ontneemt en hen aldus belet om met kennis van zaken aan de administratieve rechter een doordachte uiteenzetting te geven; dat daarom het gebruik van die procedure uitzonderlijk moet blijven; Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid alleen kan worden toegestaan wanneer is voldaan aan de voorwaarde bepaald in artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedurere- geling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die luidt: “Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”; dat de vereiste uiteenzetting, wil ze deugdelijk zijn, het bewijs moet bevatten dat een gewone schorsingsprocedure de realisatie van het aangevoerde ernstig nadeel niet op doeltreffende wijze zal kunnen beletten en zulks rekening houdend met de door artikel 9, tweede lid, 6/ van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000 aan de betrokkene verleende mogelijkheid om hangende dat geding, volgens de procedure van de uiterst XIV-22.454-2/5 dringende noodzakelijkheid een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen in te stellen, in welk geval de beide vorderingen dan overeenkomstig artikel 12 van hetzelfde besluit tezamen onderzocht worden; dat binnen het bestaande wettelijk kader, dat geen schorsende werking verleent aan de vordering tot schorsing, deze -in voorkomend geval samen toe te passen- reglementaire bepalingen aan een verzoekende partij een zo volledig mogelijke rechtsbescherming verleent; dat het vereiste dat artikel 8, § 1, eerste lid, van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000 strikt nageleefd moet worden, des te minder als een onaanvaardbare beperking van het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming kan worden gezien, daar de verwerping van een vordering tot schorsing om de loutere reden dat de aangevoerde dringende noodzakelijkheid niet aangetoond is, de verzoekende partij niet belet een vordering tot schorsing van dezelfde beslissing in te dienen volgens de gewone procedure en later, in voorkomend geval, gebruik te maken van het mechanisme bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Overwegende dat de tweede verwerende partij niet systematisch blijkt na te gaan of de afgegeven bevelen om het grondgebied te verlaten daadwerkelijk worden uitgevoerd, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin er een dwangmaatregel aan wordt gekoppeld met het oog op de repatriëring; dat in die omstandigheden de loutere verwijzing naar het afgegeven bevel om het grondgebied te verlaten niet volstaat om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen; Overwegende dat de verzoekende partijen ter adstructie van hun vordering de uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt toelichten: “Een gewone procedure tot schorsing of tot nietigverklaring is, gelet op de lange duur van de procedure, niet geschikt voor de behandeling van deze aanvraag om volgende redenen: Het bevel om het grondgebied te verlaten kan op elk ogenblik manu militari uitgevoerd worden. Dit bevel is op zich genoeg om te beslissen dat de zaak als uiterst dringend moet beschouwd worden. Het leven van verzoekers is in hun land van herkomst in gevaar. Hun bezittingen zijn verzegeld en in beslag genomen en verzoeker werd beschoten met de duidelijke bedoeling gedood te worden. Zijn vrouw en kinderen zijn met de dood bedreigd. In deze omstandigheden kan en mag er niet geaarzeld worden. Het feit dat er geen stappen zijn ondernomen om de beslissingen uit te voeren, is op zich geen argument om de zaak niet uiterst dringend te behandelen. De verwerende partij kan geen garantie geven dat zij niet zal overgaan tot uitvoering, indien uw Raad zal oordelen dat er in casu geen dringende noodzakelijkheid bestaat. Verzoekende partijen doen afstand van hun vordering van schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indien verwerende partij de verbintenis zal aangaan dat zij niet overgaat tot uitvoering van de bestreden beslissing vooraleer een beslissing is genomen door Uw Raad in het kader van de gewone procedure. Het feit dat er geen zekerheid bestaat omtrent de datum van de uitvoering en omdat deze onderworpen is aan de willekeur van de verwerende partij, betekent dat de zaak uiterst dringend moet behandeld worden. b. Verzoekers hebben een asielaanvraag ingediend niet alleen omdat zij een veilige haven zoeken voor hunzelf en hun kinderen maar bovendien wensen zij door een erkenning als vluchteling opkomen voor hun rechten, die door de autoriteiten van Rusland geschonden zijn. Het terugvorderen van hun bezittingen waarvoor zij jarenlang hebben gewerkt en die ten onrechte in beslag werden genomen door de Russische XIV-22.454-3/5 autoriteiten, is eveneens een prioriteit voor verzoekers. Een gewone procedure, die jarenlang kan duren, zal een nefast gevolg hebben voor de verzoekers daar zij alle mogelijkheden kunnen verliezen voor hun eventuele eisen. Het geheel van deze elementen toont aan dat de zaak uiterst dringend moet behandeld worden.”; Overwegende dat, in het onderhavige geval, de verzoekende partijen niet aanvoeren dat tegen hun een dwangmaatregel is uitgevaardigd met het oog op hun repatriëring; dat de loutere vrees dat de bestreden beslissingen op ieder ogenblik uitgevoerd kunnen worden het bewijs niet bevat dat over een schorsing van de bevelen om het grondgebied te verlaten volgens de gewone procedure slechts uitspraak zal worden gedaan nadat de verzoekende partijen daadwerkelijk verwijderd zijn; dat, bovendien, de verantwoording die de verzoekende partijen geven voor de uiterst dringende noodzakelijk- heid, grotendeels samenvalt met hun betoog over het nadeel dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen hen zou berokkenen; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet bewezen is; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-22.454-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei tweeduizend en vijf, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-22.454-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.