← België

Arrest 144319 - - 11/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.319 Rolnummer: A. 162111/VII-34645 Zaak: Arrest 144319 - - 11/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 14:51 Fiche Arrest nr 144.319 van 11 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.319 van 11 mei 2005 in de zaak A. 162.111/XIV-22.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. CHAYA MOGHABI, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Maurice Lemonnierlaan 69 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 12 juni 1959 en van XXX nationaliteit, op 2 mei 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsbero- ving te dien einde van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 april 2005, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 2 mei 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 mei 2005 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-22.418-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. CHAYA MOGHABI, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
  3. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker alert en diligent heeft gehandeld, vermits het bestreden bevel dateert van 26 april 2005 en het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid werd ingediend bij aangetekend schrijven op 2 mei 2005; dat uit de brief van 2 mei 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker van zijn vrijheid werd beroofd, met het oog op zijn repatriëring, hoewel op dit ogenblik nog geen datum van repatriëring is vastgelegd; dat uit wat voorafgaat volgt dat aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, is voldaan; 1.
  4. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van de zorgvuldigheids- plicht, van de motiveringsplicht, waarbij verzoeker ervan uitgaat dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden; Overwegende dat vooreerst de identiteit van verzoeker vaststaat en blijkt uit de gegevens van het administratief dossier; dat in de mate dat het enig middel steunt op de onvolledige identificatie van verzoeker, het feitelijke grondslag mist; XIV-22.418-2/4 Overwegende dat vervolgens uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker een uitgeprocedeerde asielzoeker is; dat dit volgt uit het arrest nr. 142.228 van 17 maart 2005 van de VIIde kamer van de Raad van State, dat de afstand van geding vaststelt in de procedure tot nietigverklaring, aanhangig gemaakt door verzoeker tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 februari 2002, die de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 7 maart 2001 bevestigt; dat dit eindarrest werd gewezen in de procedure gekend bij de Raad van State onder het G/A nummer 118.662/VII - 26.160; dat dit eindarrest in kracht van gewijsde is getreden; dat dit inhoudt dat verzoeker enerzijds in principe gevolg moet geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten van 7 maart 2001 en anderzijds dat de thans bestreden beslissing een herhaald bevel uitmaakt dat niet voor schorsing of nietigverklaring vatbaar is, omdat de eventuele schorsing of nietigverklaring ervan de rechtstoestand van verzoeker niet wijzigt en de verwerende partij normaliter bij schorsing of annulatie dezelfde beslissing zal nemen, omdat de illegale verblijfstoestand van verzoeker blijft bestaan; dat bovendien het verzoekschrift ingediend door verzoeker op 2 februari 2004 op basis van artikel 9, lid 3 van de Vreemdeling- enwet geen schorsend effect heeft en niets afdoet aan het bevel van 7 maart 2001 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken dat inmiddels definitief is geworden; dat samengevat, de thans bestreden beslissing enkel een herhaald bevel uitmaakt van een vooraf bestaand bevel dat voor eventuele tenuitvoerlegging vatbaar is, zodat verzoeker niet getuigt van het rechtens vereiste actueel belang om het bevel van 26 april 2005 te bestrijden, vermits een eventuele schorsing en/of nietigverklaring van dit bevel de rechtstoestand van verzoeker niet wijzigt, aangezien verzoeker onwettig op het grondgebied van het Rijk verblijft, zodat de ingestelde vordering onontvankelijk is, en niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt onontvankelijk verklaard. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-22.418-3/4 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-22.418-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.319 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.