← België

Arrest 144323 - - 12/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.323 Rolnummer: A. 106269/XII-3169 Zaak: Arrest 144323 - - 12/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-24 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 14:52 Fiche Arrest nr 144.323 van 12 mei 2005 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.323 van 12 mei 2005 in de zaak A. 106.269/XII-

  1. In zake : Sylvie VANSPEYBROECK, wonende te Gentbrugge, Weidestraat 27 tegen : de SCHOLENGROEP 22 GENT, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
  2. tussenkomende partij : Veerle VERHAEGEN, wonende te Gent, Aannemersstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Sylvie Vanspeybroeck op 20 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “- de beslissing van onbekende datum van de Raad van Bestuur van Scholengroep 22 Gent (Panta Rhei), waarbij deze Raad beslist mevrouw Veerle Verhaegen vast te benoemen in de vacante betrekkingen van enerzijds leraar DKO, 2 uur piano (ambt nr. 56), anderzijds leraar DKO, 6 uur piano (ambt nr. 63) beide aan de Muziekacademie van Gent; en van - de daarmee samenhangende impliciete beslissing om verzoekende partij niet vast te benoemen in de bedoelde betrekkingen”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 2 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3169-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoekster; Gelet op de beschikking van 15 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoekster, lerares piano aan de muziekacademie (deeltijds kunstonderwijs - DKO) te Gent, stelt zich kandidaat voor benoeming in de volgende vier vacant verklaarde betrekkingen en dit in volgorde van voorkeur : - leraar DKO piano, KV L, 6u., SGR22, nr. 63, - leraar DKO piano, KV L, 6u., SGR22, nr. 64, - leraar DKO piano, KV L, 4u., SGR22, nr. 62, - leraar DKO piano, KV H, 2u., SGR22, nr.
  5. Met een schrijven van 28 november 2000 meldt verzoekster aan de directeur van de academie dat zij afstand wenst te doen van benoeming voor het ambt nr. 64 “om persoonlijke redenen”. Op 30 november 2000 schrijft verzoekster de algemeen directeur van de scholengroep aan om aan te klagen dat zij “onder morele druk” van de directeur een door hem opgestelde brief van 28 november 2000 ondertekend heeft XII-3169-2/6 en waarbij zij vraagt “om deze brief nietig te verklaren” omdat zij nog steeds een benoeming beoogt in ambt nr.
  6. Met een schrijven van 4 december 2000 wordt aan verzoekster het resultaat meegedeeld van de door de selectiecommissie opgestelde rangschikking : zo blijkt zij voor elk van de vier betrekkingen als eerste te zijn geplaatst, terwijl de tussenkomende partij telkens tweede is. Op 14 december 2000 richt de directeur van de academie een schrijven aan de raad van bestuur van de scholengroep, waarin hij onder meer op praktische problemen met het uurrooster wijst, beide kandidaten evenwaardig noemt en, “[o]m de goede werking van de school te verzekeren” voorstelt verzoekster te benoemen in de betrekkingen nr. 56 en nr. 63, tussenkomende partij in de betrekking nr. 64 en “Nihil” in de betrekking nr. 62 omdat de twee kandidaten op het tijdstip waarop die betrekking in het uurrooster staat met andere opdrachten belast zijn. Met brieven van 20 december 2000 en van 11 januari 2001, die verzoekster verklaart samen ontvangen te hebben op 12 januari 2001, wordt aan verzoekster meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2001 vast benoemd wordt in de betrekkingen nr. 62 en nr.
  7. Een beslissing van de raad van bestuur over het lot van de betrekkingen nr. 56 en nr. 63 is aan het administratief dossier niet toegevoegd. Verwerende partij spreekt verzoekster niet tegen dat tussenkomende partij hierin is benoemd. Tussenkomende partij daarentegen verklaart “benoemd [te zijn] in het ambt nr. 63 zijnde 6 uur piano en niet in het ambt nr. 56 zijnde 2 uur piano”, verduidelijkend dat zij voor het ambt nr. 56 mutatie had aangevraagd die “niet [is] doorgegaan omwille van het feit dat ik eerst ontslag moest nemen in de school van waar ik wou muteren”; De ontvankelijkheid van het beroep
  8. Overwegende dat verwerende partij opwerpt dat het verzoekschrift niet tijdig is ingediend aangezien zij op 12 januari 2001 met zekerheid kennis had van de bestreden beslissingen; dat tussenkomende partij zich aansluit bij de exceptie; XII-3169-3/6
  9. Overwegende dat verzoekster repliceert dat de beroepstermijn tegen de bestreden beslissingen eerst begint te lopen zodra die aan haar op regelmatige wijze zijn betekend, dat de beslissing waarbij niet zij maar tussenkomende partij vast benoemd werd in de betrekkingen met de nummers 56 en 63 nooit aan haar werd betekend, dat nochtans volgens de rechtspraak van de Raad van State het resultaat van een benoemingsprocedure wel degelijk aan de verplichting tot betekening onderworpen is - ook aan allen die uitdrukkelijk hun kandidatuur hebben gesteld maar niet benoemd zijn; dat volgens verzoekster die conclusie blijft gelden, zelfs indien aangenomen zou worden dat de brieven van 20 december 2000 en 11 januari 2001 “gekwalificeerd kunnen worden als ‘betekening’ van de beslissing om niet verzoekende partij, maar mevrouw Veerle Verhaegen vast te benoemen in de betrekkingen met de nummers 63 en 56”, omdat, eensdeels, de redenen voor de beslissing haar niet zijn meegedeeld en, anderdeels, de vermelding van de beroepstermijn in strijd met artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ontbreekt;
  10. Overwegende dat de brief van 20 december 2000 is gesteld als volgt : “Vaste benoeming in wervingsambt Mijnheer/mevrouw, In toepassing van het D.R.P. van 27 maart 1991, Hoofdstuk III - Wervingsambten, Afdeling V. Vaste benoeming, artikel 35 tot en met artikel 40ter wordt u met ingang van 01 januari 2001 vastbenoemd in: Betrekking nr. : 64 [...] Betrekking nr. : 62 [...] Gelieve onmiddellijk contact op te nemen [...] Elke benoeming geldt onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 199 van het onderwijsdecreet II [...] Indien door deze benoeming uw opdracht als vastbenoemde het volume van één voltijdse betrekking zou overstijgen, dient [...] Overeenkomstig de bepalingen van artikel 36§1 van het Decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs heeft een betrekking slechts uitwerking wanneer de betrekking vanaf de ingangsdatum van de vaste benoeming wordt uitgeoefend. De nodige informatie met betrekking tot deze vaste benoeming moet uiterlijk op 31 maart 2001 door elk betrokken instellingshoofd medegedeeld worden aan het bevoegde werkstation van het departement onderwijs via de PERS- documenten en/of elektronisch via Edison. Deze documenten moeten door uzelf medeondertekend worden.”; Overwegende dat de brief van 11 januari 2001 is gesteld als volgt : “De Raad van Bestuur heeft kennis genomen van uw schrijven d.d. 30.11.2000 en heeft uw kandidatuur voor de ambten 56, 62, 63 en 64 weerhouden. XII-3169-4/6 De Raad heeft tevens geen rekening gehouden met uw schrijven d.d. 28 november, gericht aan de directeur van uw instelling. Na beraadslaging en kennisneming van : 1/ de rangschikking door de Selectiecommissie 2/ het advies van de betrokken directie 3/ de door alle kandidaten aangehaalde argumenten heeft de Raad beslist u te benoemen in de ambten 62 en 64, nl. Voor een totaal van 10 u”;
  11. Overwegende dat verzoekster met recht kan verwijzen naar rechtspraak van de Raad van State volgens welke het resultaat van een benoemingsprocedure in principe door de benoemende overheid ook aan al de niet- benoemde gegadigden die uitdrukkelijk hun kandidatuur voor de vacante betrekking hebben gesteld individueel moet worden meegedeeld, zelfs indien geen uitdrukkelijk voorschrift dit oplegt; dat verwerende partij geen redenen doet gelden en de Raad er geen ziet waarom te dezen van dit principe mocht worden afgeweken; dat, daargelaten nog dat verzoekster nooit uitdrukkelijk is gemeld of en wie in de twee betrekkingen is benoemd, of zelfs niet dat zij is afgewezen voor die betrekkingen en zonder te onderzoeken of de aangehaalde brieven mochten volstaan als vereiste kennisgeving, door verwerende partij hoe dan ook geen bewijs wordt overgelegd van een aanzegging die de vermeldingen bevat, voorgeschreven bij het artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat, zoals bij arrest nr. 134.024, Lecocq, van 19 juli 2004 van de algemene vergadering van de afdeling administratie is gesteld, dit artikel 19, tweede lid, afwijkt van de regels betreffende de verjaring van beroepen en net als die regels van openbare orde is; dat voor die bepaling geen uitzondering geldt; dat verzoekster zich bijgevolg op goede grond beroept op de bescherming die haar door bedoeld artikel 19, tweede lid, wordt geboden; dat de exceptie wordt verworpen; dat het beroep niet laattijdig is;
  12. Overwegende dat het onderzoek van de zaak in het auditoraatsverslag beperkt bleef tot de besproken exceptie; dat er reden is de overige ontvankelijkheidsvereisten en, in voorkomend geval, de grond van de zaak te onderzoeken in een aanvullend verslag, BESLUIT: Artikel
  13. De debatten worden heropend. XII-3169-5/6 Artikel
  14. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf mei 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3169-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.323 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.266 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.