id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.324 Rolnummer: A. 131109/XII-3729 Zaak: Arrest 144324 - - 12/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 14:53 Fiche Arrest nr 144.324 van 12 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.324 van 12 mei 2005 in de zaak A. 131.109/XII-
- In zake : Johan BRACKEVA, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-72 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 23 Meetjesland, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan Brackeva op 24 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 15 oktober 2002 van de raad van bestuur van de scholengroep 23 Meetjesland waarbij hij wordt verwijderd uit het ambt van directeur in proeftijd van het KA Zelzate; Gelet op het arrest nr. 120.271 van 6 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; XII-3729-1\22 Gelet op de beschikking van 9 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Vermeire, die loco advocaat P. Devers, verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak.
- Overwegende dat verzoeker op 1 mei 2001 toegelaten wordt tot de proeftijd in het ambt van directeur aan het koninklijk atheneum Zelzate; Overwegende dat verzoeker een 25 maart 2002 gedateerd, eerder negatief begeleidingsverslag -of, volgens verzoeker, ontwerp van begeleidingsverslag- opstelt over S. van den B., tijdelijk personeelslid van het atheneum; Overwegende dat S. van den B. op 28 maart 2002 klacht indient tegen verzoeker wegens ongewenste intimiteiten op het werk; Overwegende dat de algemeen directeur van Scholengroep 23 verzoeker op 2 april 2002 meedeelt dat hem bij hoogdringendheid een preventieve schorsing wordt opgelegd; dat de algemeen directeur onder meer overweegt dat de klacht van S. van den B. “en eventuele gelijkaardige klachten het voorwerp van een XII-3729-2\22 onderzoek zullen moeten uitmaken”, dat “de hoger vermelde klachten slechts de illustratie zijn van uw betwistbaar beleid als directeur van het KA Zelzate, dat teneinde uw algemeen beleid als directeur van het KA Zelzate te duiden en te definiëren een algemeen onderzoek of audit zich opdringt” en dat de verwijdering van verzoeker voor de duur van dit onderzoek zich opdringt om het in alle objectiviteit en sereniteit te kunnen voeren; Overwegende dat de raad van bestuur van Scholengroep 23, verzoeker gehoord, op 25 april 2002 besluit de beslissing van de algemeen directeur te bevestigen en te bekrachtigen; Overwegende dat de algemeen directeur ondertussen aan de administrateur-generaal van het Gemeenschapsonderwijs vraagt om een onderzoek naar het “waarheidsgehalte” van de klacht van S. van den B. en naar eventuele gelijkaardige klachten die anderen te formuleren zouden hebben ten aanzien van verzoeker; dat hij vraagt “ook het algemeen beleid van de heer Brackeva als directeur van het KA Zelzate aan een onderzoek te onderwerpen”; Overwegende dat een team van twee onderzoekers zijn bevindin- gen meedeelt in een rapport van 10 juli 2002; dat het team tot de volgende conclusies komt : “De meeste feiten uit de klacht van mevrouw van den B[...] zijn niet te verifiëren omdat er geen bewijzen of getuigen zijn. Wel is het duidelijk dat het verhaal van mevrouw van den B[...] consistent is en gespeend van tegenstrijdig- heden. Haar verhaal wordt in de feiten trouwens grotendeels bevestigd door de heer Brackeva, die evenwel de draagwijdte ervan betwist. Eén getuigenis bevestigt een ongewenste aanraking van de heer Brackeva ten aanzien van mevrouw van den B[...]. Uit een grondige analyse van de gebeurtenissen van het voorbije schooljaar en uit de verschillende getuigenissen, in het bijzonder die van mevrouw Bauwens, kunnen we afleiden dat de heer Brackeva tot over zijn oren verliefd was op mevrouw van den B[...]. Mevrouw van den B[...] leek zich lange tijd van geen kwaad bewust en heeft zeker in het begin het 'spelletje' meegespeeld. Die houding is allicht te wijten aan een zekere naïviteit. Het is duidelijk dat de heer Brackeva zich steeds opdring- eriger heeft gedragen tot hij, wellicht vanaf 26 november 2001 en zeker in de periode tussen 3 en 10 december een bepaalde grens heeft overschreden. Er kan geen twijfel over bestaan dat mevrouw van den B[...] vanaf dat moment ondubbelzinnig verveeld zat met de opdringerige houding van haar directeur en die houding afwees. Dat blijkt opnieuw vooral uit de verklaring van mevrouw Bauwens. De heer Brackeva is echter iemand die de draagwijdte van zijn handelingen moeilijk kan inschatten. Zijn limiet van gewenst en ongewenst intiem gedrag ligt duidelijk helemaal anders dan bij mevrouw van den B[...]. Dat hij die grenzen steeds verlegt, past volledig in zijn persoonlijkheid. Hij is niet of XII-3729-3\22 nauwelijks vatbaar voor signalen die niet 'in zijn kraam passen'. En als hij dan toch even gas terugneemt, heeft hij, het principe van 'de aanhouder wint' indachtig, aan een klein signaal genoeg om weer toenadering te zoeken. Zijn gedrag komt in de buurt van stalking. De geloofwaardigheid van mevrouw van den B[...] in dit dossier is groot en staat in sterk contrast tot de geloofwaardigheid van de heer Brackeva. Dat de heer Brackeva als 'ladies man' een zekere reputatie torst, is daar niet vreemd aan. Bovendien zit zijn verhaal vol tegenstrijdigheden. Maar meer nog is zijn ongeloofwaardigheid te verklaren door zijn stijl en zijn persoonlijkheid. We kregen uit dit onderzoek het beeld van een directeur die narcistisch is ingesteld en steeds redeneert vanuit een machtspositie, een positie waar hij op 'kickt', maar waarmee hij niet altijd even goed kan omgaan. De reputatie van de heer Brackeva als 'ladies man' is een restant uit het verleden en is in se niet erg problematisch. Van een ander gehalte is de reputatie van de heer Brackeva op vlak van alcoholgebruik. Hoewel het uiteraard moeilijk is om uitspraken te doen over de omvang van het 'probleem', kunnen we gerust stellen dat uit de getuigenissen blijkt dat het drinken van alcohol tijdens het werk voor de heer Brackeva een dagelijks gebruik was. Dat de klacht van mevrouw van den B[...] het gevolg zou zijn van de kritiek van de heer Brackeva op haar functioneren en meer in het bijzonder van een mogelijke negatieve beoordeling is totaal ongeloofwaardig. Veel geloofwaardiger is voor ons dat de heer Brackeva een uitschuiver van mevrouw van den B[...] aangrijpt om zijn frustratie uit te werken over haar -aanhoudende- afwijzing, die stilaan ook tot de heer Brackeva is doorgedrongen. Dat haar functioneren plots zo sterk in vraag gesteld wordt, terwijl hij al die tijd openlijk de loftrompet over haar had gestoken, mist elke geloofwaardigheid. Het natrappen naar mevrouw van den B[...], ook in de privé-sfeer, staat in schril contrast tot de waardige en professionele manier waarop mevrouw van den B[...] zich opstelt, ook na de klacht. Het functioneren van de heer Brackeva zit complex in mekaar. Hij profileert zich als een manager maar is in feite heel sterk met zichzelf bezig. Zijn inzet is voorbeeldig maar zijn prioriteiten liggen sterk bij het materieel-financiële en minder bij het pedagogisch-didactische en bij de leerlingbegeleiding. Zijn eigenzinnigheid is af en toe een pluspunt voor de school maar maakt het samenwerken met hem wel bijzonder moeilijk. Een verdere samenwerking tussen mevrouw van den B[...] en de heer Brackeva is zonder meer uitgesloten. De heer Brackeva heeft zonder twijfel de waardigheid van zijn ambt geschonden”; Overwegende dat de algemeen directeur verzoeker op 30 augustus 2002 in een uitgebreid schrijven uitnodigt voor een hoorzitting op 16 september 2002, in het kader van de verwijdering uit het ambt van directeur in proeftijd én in het kader van een schorsing bij tuchtmaatregel; dat hij verzoeker daarbij in verband met de onderzoeksopdracht laat weten : “De onderzoeksopdracht was tweevoudig: - enerzijds moest het onderzoek uitsluitsel bieden omtrent het waardheidsgehalte van de klacht van mevrouw van den B[...] waarbij diende onderzocht te worden of ook andere personeelsleden gelijkaardige klachten formuleren t.a.v. u; XII-3729-4\22 - anderzijds diende ook uw algemeen directiebeleid aan een onderzoek te worden onderworpen aangezien de omgang van een directeur met zijn personeel een wezenlijk deel uitmaakt van het totale directiebeleid”; dat hij in dezelfde brief de hiervoor aangehaalde conclusies van het onderzoeksrapport meedeelt; dat dit hem tot twee conclusies brengt, die hij verwoordt als volgt : “
- uw ongeschiktheid als directeur van het KA Zelzate. De Raad van Bestuur is van oordeel dat het gezien de conclusies van het onderzoeksteam totaal uitgesloten is dat u nog langer het ambt van directeur van het KA Zelzate zou 'invullen'. De Raad van Bestuur spreekt zich niet uit over uw geschiktheid en bekwaamheid als directeur an sich. De Raad meent wel dat u ongeschikt is als directeur van het KA Zelzate. De Raad is van oordeel dat u het vertrouwen van de participanten in het lokale Gemeenschapsonderwijs ontbeert. Deze vertrouwensbreuk is definitief.
- uw manifeste inbreuk op de plichten van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. De Raad van Bestuur van de Scholengroep nr. 23 legt u ten laste : - in de loop van het schooljaar 2001-2002 (o.a. op 26 november 2001, op 3 en 4 december 2001, op 10 december 2001, op 15 maart 2002, op 28 maart 2002) mevrouw S[...] van den B[...], tijdelijk aangesteld personeelslid van het KA Zelzate, en als dusdanig aan uw gezag als directeur van het KA Zelzate onderworpen, te hebben benaderd en aangeraakt op een wijze waarvan u zou moeten weten dat het personeelslid dit ongewenst vindt en mevrouw van den B[...] trouwens duidelijk maakte dat u de grens van het aanvaardbare ruim overschreed, waarbij het dossier leert dat u de afwijzende signalen compleet negeerde, zodanig dat er sprake is van ongewenst sexueel of grensover- schrijdend gedrag; - in de loop van het schooljaar 2001-2002 bij herhaling tijdens de diensturen alcoholische dranken te hebben genuttigd; - de waardigheid van uw ambt, rekening houdend het feit dat u een voorbeeldfunctie vervult, op manifeste wijze te hebben geschonden. Elk van deze conclusies geeft aanleiding tot een procedure. Beide procedures staan los van elkaar maar zijn, gezien hun verschillende invalshoek, combineer- baar. Aan uw ongeschiktheid wenst de Raad van Bestuur de beëindiging van uw proeftijd in het ambt van directeur KA Zelzate (artikel 52) te verbinden. Omwille van de door u begane inbreuk op de plichten van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs wenst de Raad van Bestuur aan de Raad van Beroep voor de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs uw schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode van zes maanden voor te stellen”; dat hij tot slot van zijn brief nog preciseert : “Ik wens er u hierbij nogmaals op te wijzen dat de Raad van Bestuur overweegt twee maatregelen te nemen. Enerzijds overweegt de Raad van Bestuur te beslissen u, omwille van uw onbekwaamheid als directeur in proeftijd van het KA Zelzate, uit dit ambt te verwijderen. Anderzijds overweegt de Raad van Bestuur aan de Raad van Beroep de tuchtmaatregel 'schorsing voor 6 maanden' voor te stellen, dit omwille van de door u begane inbreuken op de plichten van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. XII-3729-5\22 Gezien het om twee onderscheiden procedures gaat, zal de Raad van Bestuur u eerst horen in het kader van de procedure 'verwijdering uit het ambt' (artikel 52) en nadien in het kader van de procedure 'schorsing bij tuchtmaatregel' voor een periode van zes maanden. Er zullen dan ook twee verslagen worden gemaakt. Mag ik u verzoeken om bij het formuleren van uw verweer met het hiervoor vermelde rekening te houden. Indien u een schriftelijk verweer wenst neer te leggen verzoeken wij u eveneens rekening te houden met bovenvermelde te onderscheiden procedures en de invalshoek die eraan ten grondslag ligt”; Overwegende dat een lid van het onderzoeksteam op de hoorzitting het rapport toelicht; dat onder meer wordt gesteld : “De onderzoekers hebben, omdat de meeste feiten niet konden geverifieerd worden, de geloofwaardigheid van de beide antagonisten onderzocht. De geloofwaardigheid werd getest op basis van de inhoud van het dossier. Het onderzoeksteam moet hierbij vaststellen dat het relaas van de heer Brackeva vol met tegenstrijdigheid en ongeloofwaardigheden zit. De versie van mevrouw van den B[...] daarentegen wordt zeer geloofwaardig bevonden. Als de onderzoekers de geloofwaardigheid van beide partijen toetsen aan hun reputatie komen zij tot de vaststelling dat mevrouw van den B[...] een goede reputatie heeft. De heer Brackeva, daarentegen, heeft een heel wat betwistere reputatie. Hij is een 'ladies-man', hij nuttigt alcohol tijdens de diensturen. Er kunnen vragen gesteld worden bij zijn voorbeeldfunctie. Als men de geloofwaardigheid van de heer Brackeva bekijkt op basis van zijn stijl en persoonlijkheid stelt men vast dat de heer Brackeva een doordrijver is, niet altijd diplomatisch optreedt, eigenzinnig, impulsief, manistisch, machtsgeil is. Mevrouw van den B[...] heeft zich, ook tijdens het onderzoek uiterst sereen opgesteld. Mevrouw van den B[..] is een sereen iemand, met een goede opvoeding, met een zeker respect voor de hiërarchische meerdere. Dat zij zich door de heer Brackeva in eerste instantie heeft laten meeslepen heeft te maken met haar gebrek aan levenservaring, met een zekere naïviteit. Als het functioneren van de heer Brackeva in kaart gebracht wordt kan vastgesteld worden dat betrokkene zeker een grote inzet betoont. Samenwerken met hem is niet eenvoudig. De geschillen die in dit verband ontstaan hebben vaak te maken met financiële kwesties. Het onderzoeksteam stelde vast dat het beleid van de heer Brackeva sterk het accent legt op het materieel-financieel aspect. De heer Brackeva is daarentegen weinig leerlinggericht. Dat de heer Brackeva in zijn personeelsbeleid een tweesporenbeleid hanteert staat voor het onderzoeksteam vast. Dat de heer Brackeva een schoolvisie zou hebben wordt door het onderzoeksteam betwijfeld. De heer Seynaeve wenst wat dit item betreft te benadrukken dat de heer Brackeva niet tegemoet komt aan de voorbeeldfunctie waaraan elke directie zou moeten voldoen. Volgens de heer Seynaeve werd er met betrekking tot het functioneren van mevrouw van den B[...] nauwelijks enige opmerking gemaakt. De heer Synaeve herhaalt dat het alleszins niet klopt dat mevrouw van den B[...] klacht zou ingediend hebben omdat zij van de heer Brackeva een aantal opmerkingen kreeg. De heer Seynaeve meent dat het bij het incident op 22 maart 2002 voor de heer Brackeva voor het eerst totaal duidelijk werd dat hij door mevrouw van den B[...] afgewezen werd. Hij gedroeg zich op dat moment niet als directeur maar als een afgewezen minnaar. Hij heeft het feit dat mevrouw van XII-3729-6\22 den B[...] een taak niet naar behoren vervulde aangegrepen om met mevrouw van den B[...] persoonlijk af te rekenen. De heer Seynaeve laat er ook geen enkele twijfel over bestaan dat de heer Brackeva tijdens het onderzoek tal van participanten beïnvloed heeft”; Overwegende dat verzoeker op de hoorzitting betoogt dat slechts een zeer beperkte bevraging van het personeelsteam is gebeurd en betwist dat een grondig onderzoek werd gevoerd naar zijn algemeen functioneren; Overwegende dat het lid van het team verduidelijkt “dat de focus van het onderzoek de klacht van [S. van den B.] was”en dat het onderzoek ook ruimer gevoerd is aangezien de raad van bestuur ook het algemeen functioneren van verzoeker wou laten onderzoeken; dat hij verwijst “naar de conclusie van het onderzoeksteam” waarin enkel “in de op twee na laatste conclusie [...] een voorzichtig en genuanceerd oordeel [wordt] geformuleerd over het algemeen functioneren van betrokkene” en dat deze conclusie het resultaat is “van het onderzoek van de relatie tussen de door de onderzoekers bewezen geachte sexuele intimidatie en het algemeen functioneren van [verzoeker]”; Overwegende dat de raad van bestuur in zijn verslag over de zaak de tot hier gerelateerde feiten uitvoerig weergeeft en vervolgens de aard van de maatregel “verwijdering uit het ambt” als ordemaatregel situeert; dat hij onder meer notuleert dat de procedure tot verwijdering uit het ambt “alles te maken heeft met de efficiëntie, de bekwaamheid, de morele integriteit, de geloofwaardigheid of het gebrek [hieraan] vanwege [...] een titularis in proeftijd”, dat er zich omstandigheden kunnen voordoen die het noodzaken de proeftijd vroegtijdig te beëindigen en dat de “eventuele ‘ordeverstoring’ waarbij een directeur in proeftijd betrokken is, en waarbij de betrokken directeur als hoofdverantwoordelijke kan worden aangeduid, [...] indien het nemen van maatregelen zich opdringt, enkel opgelost [kan] worden door de proeftijd van de betrokken directie te beëindigen”; Overwegende dat de raad van bestuur blijkens ditzelfde verslag over de zaak, de onderzoeksresultaten en het verweer van verzoeker als volgt heeft besproken : “De onderzoekers komen dus tot de bevinding, dat de heer Brackeva in zijn relatie tot mevrouw van den B[...] de grens van het toelaatbare heeft overschreden. Hij heeft de diverse signalen die mevrouw van den B[...] uitzond, genegeerd. Toen hij uiteindelijk niet meer om de afwijzende houding van mevrouw van den B[...] heen kon, heeft hij een revanchehouding aangenomen XII-3729-7\22 en haar functioneren als personeelslid ter elfder ure in vraag gesteld. De Raad van Bestuur acht deze aktie van de heer Brackeva, samen met het onderzoeks- team, totaal ongeloofwaardig. Dit blijkt niet alleen uit de chronologie van de gebeurtenissen, maar ook uit het feit dat de heer Brackeva steeds de loftrompet hanteerde m.b.t. het functioneren van mevrouw van den B[...]. Er zijn maar twee mogelijkheden. Ofwel disfunctioneerde mevrouw van den B[...] sinds geruime tijd ondermaats. In dat geval had de heer Brackeva haar functioneren met een 'onvoldoende' dienen te beoordelen of toch minstens haar tekortkomingen hebben geformaliseerd in een reeks persoonlijke nota's. Ofwel functioneerde mevrouw van den B[...] op aanvaardbare wijze. In dat geval moet het begeleidingsverslag dat de heer Brackeva eind maart 2002 formuleerde als natrappen worden betiteld, als de reactie van een afgewezen en dus ontgoochelde 'minnaar'. De Raad van Bestuur deelt de visie van het onderzoeksteam dat de heer Brackeva door te handelen zoals hiervoor beschreven -de grensoverschrijdende houding t.a.v. mevrouw van den B[...], de revanchehouding na zijn afwijzing door mevrouw van den B[...]- de waardigheid van het ambt geschonden heeft. Inderdaad de Raad van Bestuur acht het volstrekt onaanvaardbaar dat een titularis van een directieambt zich niet alleen op een onwaardige wijze gedraagt t.a.v. één van zijn personeelsleden, maar daarbij zijn macht gebruikt om t.a.v. dit personeelslid, waarvan hij de hiërarchische overste is, wraak te nemen door in een verslag haar zogenaamde tekortkomingen, die hij zelf flagrant noemt, maar waar voorheen op geen enkel moment sprake van was, prominent in de kijker te stellen. De Raad van Bestuur meent dat de heer Brackeva zich hier inderdaad als een onwaardig directeur gedraagt. Zoals hiervoor onder 1 vermeld heeft de procedure 'verwijdering uit het ambt' te maken met de efficiëntie, de bekwaamheid, de morele integriteit, de geloofwaardigheid van het personeelslid. Hiervoor werd ook betoogd dat functioneren van een directeur één en ondeelbaar is. Dit betekent dat in tegenstelling tot wat de heer Brackeva beweert, het directieambt niet de optelsom is van een aantal vaardigheden en deelfuncties. Het is uitdrukkelijk niet zo dat het voldoende of goed scoren voor bijna alle deelsaspecten het onvoldoende scoren voor één deelaspect kan neutraliseren. Het functioneren van een directeur is niet te vatten in een eenvoudige optelsom van de diverse deelaspecten. Een directeur dient voor alle aspecten goed gerangschikt te zijn. De Raad van Bestuur is van oordeel dat dit bij de heer Brackeva niet het geval is. Hij ontbeert de morele integriteit, de geloofwaardigheid om directeur te zijn van het KA Zelzate. In het eerste deel van deze bespreking werd ook het verband gelegd tussen de beëindiging van de proeftijd van een directie en de vastgestelde orde- verstoring in de instelling waarvan hij directeur is. Er werd duidelijk gemaakt dat indien een directie als hoofdverantwoordelijke kan aangewezen worden voor een ordeverstoring die als effect heeft dat de minimale verstandhouding nodig voor de goede werking van de dienst blijvend gestoord is, de Raad van Bestuur, gezien een directeur in proeftijd niet kan overgeplaatst worden, de proeftijd van de directeur kan beëindigen. De Raad van Bestuur is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. Immers dat de orde in ernstige mate verstoord is, is zonneklaar. Mevrouw van den B[...] acht iedere verdere samenwerking met de heer Brackeva onmogelijk. Iedere objectieve waarnemer kan niet anders dan deze visie delen. Mevrouw van den B[...] en de heer Brackeva zijn niet handhaafbaar binnen dezelfde school. Eén van beiden moet weg. De vraag wie er weg moet is in wezen een opportuniteitsvraag. Men zou kunnen zeggen, geef mevrouw van den B[...] een andere school en het probleem is opgelost. Het is ook 'eenvoudiger' mevrouw van den B[...]'over te plaatsen' XII-3729-8\22 dan de proeftijd van de heer Brackeva te beëindigen. Indien dit zou gebeuren zou men echter compleet voorbij gaan aan de vraag naar hoe dit kunnen gebeuren is, de vraag naar wie hier de hoofdverantwoordelijkheid draagt. De Raad van Bestuur is ervan overtuigd dat de toestand maar geworden is tot wat hij is door het gedrag van de heer Brackeva. Zijn grensoverschrijdende houding, zijn revanche in zijn begeleidingsverslag van eind maart 2002, hebben een onoplosbaar relatieconflict gecreëerd. Het zou in dit geval volstrekt onrechtvaardig zijn het personeelslid dat het slachtoffer was van een onaanvaardbare houding van haar hiërarchische overste te 'straffen' door haar uit de school waar zij, volgens ieder die hierover ondervraagd werd, goed functioneert er waar zij, volgens eigen zeggen, graag functioneert. De Raad van Bestuur wenst in dit geval ook de debatten bij het tot stand komen van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst sexueel gedrag op het werk te memoreren. Teveel is het in het verleden zo geweest dat hij/zij die het slachtoffer was van geweld, pesterijen en ongewenst sexueel gedrag op het werk 'weggeslachtofferd' werd. Het slachtoffer van geweld, pesterijen en ongewenst sexueel gedrag op het werk werd zo tweemaal het slachtoffer. Het slachtoffer werd verplicht zijn vertrouw- de werkplaats te ruilen voor een nieuwe werkplaats waarbij relaties met vrienden, kennissen verbroken werden, waarbij vaak bijkomende kosten, bijvoorbeeld inzake verplaatsing, dienden te worden gemaakt. De Raad van Bestuur is van oordeel dat niet het slachtoffer van dergelijk gedrag maar de dader de rekening voor zijn gedrag moet worden gepresenteerd. Zonder dat de Raad van Bestuur hiervan het hoofditem van zijn betoog wil maken -de Raad aanvaardt dat ieder personeelslid zijn verweer voert zoals hij dat zelf wil- meent de Raad toch nog even stil te moeten staan bij de aktie die de heer Brackeva opgezet heeft om zijn groot gelijk te bewijzen. De heer Brackeva is er niet voor teruggeschrokken een soort enquête te voeren bij zowat iederen die van ver of van nabij bij de school betrokken is. De Raad van Bestuur kan aan deze bevraging op zich weinig waarde hechten. De manier waarop de heer Brackeva dit georganiseerd heeft bewijst de totale subjectiviteit van deze bevraging. Uiteraard zullen zij die door de heer Brackeva door middel van een subjectieve vraagstelling verzocht werden een zogenaamd eerlijk oordeel over hem uit te spreken zich positief over hem uitlaten. Als de heer Brackeva vond dat deze mensen om hun visie dienden gevraagd te worden had hij de namen moeten doorspelen naar het onderzoeksteam dat op dat moment tot een objectieve bevraging had kunnen overgaan. Het onder- zoeksteam heeft hem daartoe trouwens uitgenodigd. Heeft de heer Brackeva deze mogelijkheid bewust laten voorbijgaan, wel wetende dat hij hen nadien zelf -dus subjectief- zou bevragen ? Wat de Raad van Bestuur wel -en in hoge mate- stoort is het feit dat de heer Brackeva de problematiek ook introduceerde bij mensen die met de zaak volstrekt niets te maken hebben. Wat is de waarde van een bevraging van de heer Schenkels, burgemeester van Zelzate ? Begrijpt de heer Brackeva dan niet dat hij door zo te handelen de reputatie van het KA Zelzate, de Scholengroep Meetjesland, het Gemeenschapsonderwijs schaadt !? Wat is de waarde van de bevraging van de heer Meert, afdelingshoofd van het Departement Onderwijs. De vraag aan de heer Meert om de eventuele fouten van mevrouw van den B[...] aan de heer Brackeva te melden is totaal ondeont- hologisch en schaadt de reputatie van de school”; XII-3729-9\22 Overwegende dat de raad van bestuur als conclusie notuleert : “De Raad van Bestuur van de Scholengroep Meetjesland is van oordeel dat de heer Brackeva niet langer als directeur van het KA Zelzate actief kan zijn. De beëindiging van zijn proeftijd als directeur van deze school dringt zich op. De heer Brackeva beschikt, zoals hiervoor uitvoerig uiteengezet, niet langer over de morele integriteit, de geloofwaardigheid om het ambt van directeur van het KA Zelzate nog langer in te vullen. De Raad is tevens de mening toegedaan data hij als hoofdverantwoordelijke voor het niet meer te herstellen relationeel conflict met mevrouw van den B[...], moet aangeduid worden. De Raad formuleert ook ernstige bedenkingen bij het feit dat de heer Brackeva de problematiek bij tal van buitenstaanders heeft geïntroduceerd en op die manier de naam en de faam van de school, de scholengroep, het Gemeenschaps- onderwijs in het gedrang heeft gebracht. De Raad van Bestuur wenst tenslotte nogmaals op te merken dat het oordeel dat hij uitspreekt enkel het KA Zelzate betreft. De Raad wenst geen oordeel te formuleren over de capaciteiten van de heer Brackeva als directeur. De Raad hoopt zelfs dat de heer Brackeva, die ongetwijfeld over een aantal vaardigheden nodig voor dit moeilijke ambt beschikt, uit deze gebeurtenissen de nodige lessen zal trekken”; Overwegende dat de raad van bestuur op 15 oktober 2002 dan ook beslist : “- gelet op artikel 52 van het Decreet van 27 maart 1991 dat bepaalt dat de Raad van Bestuur van een scholengroep de bevoegdheid heeft personeelsleden die tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt zijn toegelaten, uit hun ambt te verwijderen; - gelet op de brief van 30 augustus 2002 waarin de heer Brackeva uitgenodigd werd voor de hoorzitting door de Scholengroep Meetjesland op 16 september 2002 betreffende de hoger vermelde procedure; - gelet op de hoorzitting op 16 september 2002 waarop de heer Brackeva aanwezig was en waar betrokkene de gelegenheid geboden werd uitvoerig zijn verweer te formuleren; - gelet op het rapport van 10 juli 2002 van het onderzoeksteam bestaande uit mevrouw Van Renterghem, pedagogisch adviseur, de heer J. Seynaeve, adjunct van de directeur bij de onderzoekscel van het Gemeenschapson- derwijs, de heer J. Coole, medewerker dat van de Raad van Bestuur van de Scholengroep Meetjesland de opdracht kreeg het functioneren van de heer Brackeva, directeur KA Zelzate te belichten; - overwegende het feit dat uit dit onderzoeksrapport en uit andere vaststellingen blijkt dat : - de heer Brackeva niet over de morele integriteit, de geloofwaardigheid beschikt om het ambt van directeur van het KA Zelzate op waardige wijze in te vullen; - de heer Brackeva als hoofdverantwoordelijke kan aangeduid worden voor het escalerend conflict met mevrouw van den B[...], waarbij er van verdere samenwerking tussen de heer Brackeva en mevrouw van den B[...] geen sprake meer kan zijn; - de heer Brackeva de problematiek hiervoor vermeld geïntroduceerd heeft bij talloze buitenstaanders en hierdoor de goede naam en faam van het KA Zelzate, de Scholengroep Meetjesland en het Gemeenschapsonderwijs geschaad heeft; XII-3729-10\22 - overwegende het voorafgaand feitenrelaas en de argumenten ontwikkeld in de voorafgaande bespreking; de heer Brackeva uit het ambt van directeur in proeftijd van het KA Zelzate te verwijderen”; De aanwijziging van de verwerende partij. 2.
- Overwegende dat de in voorliggende vordering bestreden beslissing uitgaat van de raad van bestuur van Scholengroep 23 Meetjesland; dat een raad van bestuur van een scholengroep luidens artikel 52, b, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna: rechtspositiedecreet) een personeelslid dat werd toegelaten tot de proeftijd in een bevorderingsambt van het gemeenschapsonderwijs kan verwijderen uit het ambt; dat die toewijzing van bevoegdheid aan de raad van bestuur van de scholengroep ook spoort met de bevoegdheden die de raad van bestuur van de scholengroep ontleent aan het artikel 23 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 2.
- Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift schrijft : “dat hij als tegenpartij aanwijst :
- het Gemeenschapsonderwijs, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, E. Jacqmainlaan, 20 en
- de Scholengroep nr. 23 Meetjesland, inrichtende macht, bij wege van haar raad van bestuur, met secretariaat te 9990 Maldegem, Mevr. Courtmanslaan, 80”; 2.
- Overwegende dat de memorie van antwoord wordt ingediend voor het Gemeenschapsonderwijs én voor de Scholengroep 23-Meetjesland; dat daarin evenwel het beroep niet ontvankelijk wordt geacht “ten overstaan van het Gemeenschapsonderwijs, dat een van de scholengroep onderscheiden rechtspersoonlijkheid bezit”; dat volgens het verweer dit mag blijken uit de lezing van artikel 24, § 2, van de Grondwet met de bepalingen van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; dat de argumentatie is: het begrip “autonome organen” in artikel 24, § 2, van de Grondwet heeft dezelfde betekenis als de notie “gedecentraliseerde diensten” in de zin van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 wat noodzakelijk het voorhanden zijn van rechtspersoonlijkheid impliceert, artikel 24, § 2, van de Grondwet voorziet in de mogelijkheid om de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs op te dragen aan meerdere XII-3729-11\22 autonome organen (meervoud), dit is inderdaad gebeurd bij het bijzonder decreet van 14 juli 1998, dienovereenkomstig spreekt artikel 4, § 2 en § 3, van het bijzonder decreet van “inrichtende machten” daarbij refererend aan de Raad van het Gemeen- schapsonderwijs en de scholengroepen, een en ander maakt duidelijk dat de onderwijsinrichtende machten van de Gemeenschap zijn opgedragen aan meerdere autonome organen, zijnde de Raad én de scholengroepen die alle met rechtspersoonlijkheid zijn bekleed; dat volgens het verweer die argumentatie versterkt wordt, ten eerste, door de bepaling van artikel 5, § 5, van het bijzonder decreet naar luid waarvan de raden van bestuur van de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs elk de juridische aansprakelijkheid dragen voor de hen verleende bevoegdheden, omdat juridische aansprakelijkheid noodzakelijk gedragen wordt door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon en, ten tweede, door de bepaling van artikel 63 van het bijzonder decreet waaruit blijkt dat de scholengroepen daadwerkelijk over een afgezonderd vermogen beschikken; 2.4.
- Overwegende dat de overkoepelende betekenis van “orgaan” als gedecentraliseerde dienst niet mag worden verward met de betekenis van “orgaan” als onderdeel van een bestuurlijk lichaam: bestuursorgaan van een instelling, dienst of bestuur; dat, als voorbeeld buiten de voorliggende onderwijsaangelegenheid, alzo de burgemeester, het schepencollege of de gemeenteraad “organen” van de gemeente zijn met elk toegewezen bevoegdheden; dat echter alleen de gemeente als openbare instelling over rechtspersoonlijkheid beschikt; 2.4.
- Overwegende dat artikel 24, § 2, van de Grondwet de Vlaamse Gemeenschap toestaat “aan een of meer autonome organen” bevoegdheden als inrichtende macht op te dragen bij decreet aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, vulgo bijzonder decreet; dat met verwerende partij wordt ingestemd waar zij beweert dat de grondwetgever met het gebruik van de term “orgaan” een functioneel “gedecentraliseerde dienst” beoogt en dat een Gemeenschap ook over de mogelijkheid beschikt om haar bevoegdheden als inrichtende macht bij bijzonder decreet op te dragen aan méér “gedecentraliseerde diensten” met rechtspersoonlijkheid; dat overigens de bijzondere decreetgever niet heeft nagelaten zulks te doen; dat zo bijvoorbeeld niet enkel de opdracht van bevoegdheden is geschied voor “het gemeenschapsonderwijs”, als bedoeld bij artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998; dat door de Vlaamse Gemeenschap ook aan meer autonome hogescholen bevoegdheden als inrichtende macht is opgedragen bij het bijzonder decreet van 13 juli 1994 betreffende de XII-3729-12\22 Vlaamse Autonome Hogescholen; dat met andere woorden de autonome hogescholen wél onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zijn in de betekenis van artikel 24 van de Grondwet en van het bijzonder decreet van 13 juli 1994, maar geen “gemeenschapsonderwijs” of “onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap” in de definitie van het bijzonder decreet van 14 juli 1998; dat blijkens artikel 61bis, § 1, van het bijzonder decreet van 13 juli 1994 de bedoelde autonome hogescholen ook uitdrukkelijk de rechtspersoonlijkheid bezitten; dat ten slotte luidens artikel 61bis, § 3, de “bestuursorganen” van de bedoelde openbare instellingen zijn: “de raad van bestuur, het bestuurscollege, de algemeen directeur, de departementsraden, de departementshoofden en de andere door de raad van bestuur bepaalde organen”; 2.4.
- Overwegende dat evenzo voor het gemeenschapsonderwijs bedoeld bij artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 onderscheid moet worden gemaakt tussen de gedecentraliseerde instelling en haar bestuursorganen; dat de Vlaamse Gemeenschap bij artikel 3 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs bij de Vlaamse regering “een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid” heeft opgericht onder de thans gehoofdletterde benaming “het Gemeenschapsonderwijs”; dat die instelling met rechtspersoonlijkheid blijkens artikel 5, § 1, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 drie “bestuursni- veaus” heeft: het “lokale niveau”, het “meso-niveau: de scholengroepen” en het “centrale niveau”; dat het centrale niveau luidens artikel 5, § 4, van het bijzonder decreet wordt bestuurd door twee organen: de “Raad van het Gemeenschapsonderwijs” en de “afgevaardigd bestuurder”, terwijl het niveau “scholengroepen” luidens artikel 5, § 2, wordt bestuurd door vier bestuursorganen: “een algemene vergadering, een raad van bestuur, een college van directeurs en een algemeen directeur”; dat de “scholengroepen” - een bestuursniveau - en de “Raad van het Gemeenschapsonderwijs” - een orgaan van een bestuursniveau - luidens artikel 4, § 1, van het bijzonder decreet met uitsluiting van ieder ander orgaan de “inrichtende macht” zijn van het in het bijzonder decreet bedoelde gemeenschapsonderwijs, binnen de bevoegdheden die door en krachtens het bijzonder decreet worden toegekend; Overwegende dat de raden van bestuur van de scholengroepen en de “Raad van het Gemeenschapsonderwijs” luidens artikel 5, § 5, van het bijzonder decreet de op hun door het bijzonder decreet verleende bevoegdheden betrekking hebbende gedingen voeren, terwijl artikel 30, § 3, van hetzelfde bijzonder decreet bepaalt dat de algemeen directeur “het Gemeenschapsonderwijs” vertegenwoordigt XII-3729-13\22 “in en buiten rechte”, “voor alle aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de scholengroep of de scholen” en artikel 44, § 3, bepaalt dat de afgevaardigd- bestuurder van het centrale niveau “het Gemeenschapsonderwijs” vertegenwoordigt “in en buiten rechte”, “voor alle aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de Raad en van de afgevaardigd-bestuurder”; Overwegende dat in een geding voor de Raad van State de verwerende partij in de regel een rechtspersoon is; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de scholengroepen geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid hebben, die is afgeschei- den van de instelling welke is opgericht onder de benaming “het Gemeenschapsonderwijs”; dat integendeel “het Gemeenschapsonderwijs” de rechtspersoon is die als verwerende partij moet worden beschouwd wanneer een beslissing van één van zijn organen wordt aangevochten voor de Raad van State; dat de scholengroep een bestuursniveau is, en zijn raad van bestuur een orgaan van het Gemeenschapsonderwijs en dat zij derhalve niet als een (afzonderlijke) verwerende partij kan worden beschouwd; Overwegende dat artikel 63 van het bijzonder decreet die conclusie niet ontkracht; dat dit artikel slechts voorschrijft dat de middelen rechtstreeks gestort worden aan de scholengroepen; dat het afzonderlijk financieel beheer van een deel van het vermogen van het Gemeenschapsonderwijs niet het bewijs van een afgezonderde rechtspersoonlijkheid levert; Overwegende, ten overvloede, dat lezing van de parlementaire voorbereiding wat voorafgaat slechts bevestigt; dat de indieners van het voorstel in hun algemene toelichting (Parl. St. Vl. P. 1997-1998, nr. 1095/1) het bijzonder decreet zien als de “overdracht van bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap naar het Gemeenschapsonderwijs” en “de toewijzing van de aldus overgedragen bevoegdheden aan de verschillende bestuursniveaus en -organen” waarbij zij opteren voor “de installatie van een nieuw beleidsniveau, de scholengroep”, “met de Raad van Bestuur en de Algemene Vergadering als beslissingniveaus en het college van directeurs en de algemeen directeur die beleidsvoorbereidend werken, maar ook een aantal autonome bevoegdheden hebben”; dat de artikelsgewijze bespreking nog preciseert dat de Vlaamse Gemeenschap “een deel van haar bevoegdheden als inrichtende macht op[draagt] aan een autonoom orgaan met rechtspersoonlijkheid”, terwijl de scholengroepen en de Raad “inrichtende macht [zijn] van het Gemeenschapsonderwijs, en delen deze opdracht conform de door het bijzonder XII-3729-14\22 decreet bepaalde bevoegdheidsverdeling”; dat verder, artikel 5 volgens de auteurs van het voorstel in de eerste paragraaf “de drie bestuursniveaus van het Gemeenschapsonderwijs [bepaalt]” en de volgende paragrafen “bepalen de bestuurs- en adviesorganen van de diverse bestuursniveaus”; dat, kortom, nergens een spoor is te vinden van de stelling die verwerende partij thans verdedigt, maar integendeel de scholengroepen duidelijk zijn geconcipieerd als een bestuursniveau van de ene door de bijzondere decreetgever in het leven geroepen instelling met rechtspersoonlijkheid, het gehoofdletterde Gemeenschapsonderwijs; 2.4.
- Overwegende dat uit de in herinnering gebrachte decreets- bepalingen wel blijkt dat de decreetgever de verdediging in rechte van de beslissingen van het Gemeenschapsonderwijs heeft willen toevertrouwen aan het bestuursniveau dat de bedoelde beslissing effectief heeft genomen; dat bijgevolg met het oog op de procesvertegenwoordiging de scholengroep, zijnde het bestuursniveau dat krachtens het bijzonder decreet “het Gemeenschapsonderwijs” als verwerende partij vertegenwoordigt, er mee belast is om in de huidige procedure voor de Raad van State de belangen van die instelling te verdedigen; dat dit uiteraard de rechtspersoon zelve niet buiten de zaak stelt; dat een verzoek om het beroep te verwerpen “in zoverre het is gericht tegen het Gemeenschapsonderwijs” dan ook niet kan worden aangenomen; De gegrondheid van het beroep. 3.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel de schending aanvoert “van artikel 52 b), samen gelezen met artikelen 61 en 62, §§ 2 en 3 (en met artikel 48)” van het rechtspositiedecreet; 3.1.
- Overwegende dat hij in een eerste middelonderdeel toelicht dat wie zoals de raad van bestuur slechts bevoegd is, bij toepassing van artikel 62 van het rechtspositiedecreet, om tuchtstraffen voor te stellen terwijl over die tuchtfeiten uitspraak wordt gedaan door de raad van beroep, een ander orgaan, dan ook onbevoegd is om de strafmaat te bepalen “maar tevens om zich uit te spreken over de gegrondheid van zulke tuchtfeiten”, dat het aangevochten besluit blijkens de oproepingsbrief van 30 augustus 2002 evenwel gestoeld is op drie beweerde tuchtfeiten en dat de raad van bestuur niet tot zijn beslissing van verwijdering uit het ambt kon komen zonder de tuchtfeiten gegrond te vinden; XII-3729-15\22 Overwegende dat hij in een tweede middelonderdeel uiteenzet, met een citaat uit de parlementaire voorbereiding, dat de beslissing om deze maatregel toe te passen “ligt op het vlak van leidinggeven, positionering t.o.v. de school”; dat hij voorts betoogt dat de school aan de hand van een “globale beoordeling van het functioneren van de betrokkene tot dan” haar bevoegdheid uit te oefenen heeft, maar dat uit twee van de determinerende motieven van het bestreden besluit blijkt dat de raad van bestuur “alleen aandacht heeft gehad voor feiten die in verband staan met het gedrag van verzoeker ten opzichte van S. van den B[...] en dat ze elke globale beoordeling van het functioneren van de verzoeker (waaromtrent het onderzoeksrapport overigens slechts zeer fragmentair handelt, dit in strijd met de haar toebedeelde opdracht) tijdens de proeftijd bewust achterwege heeft gelaten”; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord meent dat er niet aan voorbij gegaan kan worden dat de raad van bestuur zijn handelen gestart is nadat hem een klacht bereikt heeft, dat een afgescheiden onderzoek aangewezen was ten einde enige ordemaatregel waarbij geen rekening gehouden wordt met de schuldvraag geloofwaardig te kunnen maken, dat in casu “op basis van hetzelfde onderzoek, dat alleen maar uitging van een onderzoek naar de schuldvraag van verzoeker, twee verschillende, van elkaar onafhankelijke sancties, worden opgelegd met een ander achterliggend motief”, dat derhalve de raad van bestuur bij het nemen van de voorliggende ordemaatregel “wel degelijk de gegrondheid van de feiten als uitgangsbasis [heeft] moeten nemen” en daarom niet bevoegd was om de maatregel van de verwijdering uit het ambt uit te spreken; dat hij voor wat het tweede middelonderdeel betreft ook argumenteert dat de parlementaire bespreking bij de invoering, bij decreet van 18 mei 1999, van de maatregel “verwijdering uit het ambt” in het rechtspositiedecreet “duidelijk stelt dat de te nemen beslissing niet in de tuchtsfeer ligt, maar op het vlak van leidinggeven”, dat het nieuwe artikel 73septies over het evaluatieverslag het volledige functioneren van het personeelslid noemt terwijl het onderzoeksrapport slechts zeer fragmentarisch over zijn “globale functioneren” handelt; dat hij in de laatste memorie dit nogmaals herhaalt; 3.1.2.
- Overwegende, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat de referentie aan artikel 73septies van het rechtspositiedecreet niet pertinent is, aangezien het onderzoeksrapport waarvan sprake niet opgesteld is met het oog op de driejaarlijkse evaluatie, bedoeld in artikel 73quinquies van het rechtspositiedecreet, maar voorafgaat aan en gebruikt is in een procedure waarbij met XII-3729-16\22 toepassing van artikel 52, eerste lid, b, van het rechtspositiedecreet beslist wordt over de verwijdering uit het ambt van een personeelslid dat tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt werd toegelaten; Overwegende dat tot die verwijdering uit het ambt kan worden besloten “na toepassing van de in artikel 53, b), bepaalde procedure”, die inhoudt dat de raad van bestuur beslist bij een met redenen omklede beslissing; Overwegende dat de bestreden beslissing uitgaat van de raad van bestuur, die daartoe door de geschonden genoemde bepaling wel degelijk als het bevoegde orgaan is aangewezen; dat de grief van verzoeker niet is dat het niet dit orgaan, maar een ander orgaan toekomt om de verwijdering uit het ambt op te leggen; dat hij ook niet beweert dat de bestreden beslissing in feite een verdoken tuchtstraf is; dat zijn grief wel is dat om tot zijn besluit te komen, blijkens de er aan gegeven motivering, die raad van bestuur, eensdeels, zich heeft uitgesproken over de gegrondheid van tuchtfeiten terwijl dit oordeel niet hem maar een ander toekomt en, anderdeels, zich heeft uitgesproken op een te enge basis, zonder namelijk het gehele functioneren van verzoeker te hebben beoordeeld; Overwegende dat er niets mis is met een bestuur dat, als het klachten ontvangt en alvorens op te treden en de klacht ernstig te nemen, beslist aanvullend onderzoek naar de vermeende feiten te doen; Overwegende dat de verwijdering uit het ambt een ordemaatregel is; dat beide partijen refereren aan dezelfde parlementaire totstandkoming van het decreet van 18 mei 1999 en niet betwisten dat de maatregel niet in de tuchtsfeer ligt, maar op het vlak van leidinggeven en wijze van functioneren in de school; Overwegende dat aan een tuchtmaatregel en aan een ordemaatregel dezelfde feiten ten grondslag kunnen liggen; Overwegende dat die feiten een bestuur kunnen nopen om door gepaste ordemaatregelen de verstoorde goede werking van de dienst die zij veroorzaken, te herstellen alsook om, zo die feiten volgens het bestuur deontologisch laakbaar zijn, door een tuchtrechtelijk optreden de persoon of personen die zij ervoor schuldig acht, te bestraffen of te doen bestraffen; XII-3729-17\22 Overwegende dat de decreetgever de raad van bestuur in beide procedures een rol toebedeelt : als orgaan om de eindbeslissing te nemen in de procedure van de bestreden ordemaatregel en in de tuchtprocedure insgelijks, ingeval enkel een blaam wordt gegeven, of als orgaan om een voorstel te formuleren voor de andere tuchtstraffen; dat verzoeker blijkbaar kritiek heeft op die dubbele rol; Overwegende evenwel dat de raad van bestuur niet, enkel door bepaalde feiten in overweging te nemen voor het opleggen van een ordemaatregel, stelling neemt over het op tuchtgebied laakbare karakter van die feiten; dat de raad van bestuur, als hij de bedoelde feiten genoegzaam bewezen acht voor het opleggen van een ordemaatregel, evenmin de raad van beroep bindt in diens feitenvinding bij de beoordeling van de tuchtzaak of om zich uit te spreken over de gegrondheid van zulke tuchtfeiten; dat in de oproepingsbrief duidelijk en van den beginne is uiteengezet dat uit de feiten “twee conclusies getrokken [kunnen] worden”, doelend op de ordemaatregel én op de tuchtmaatregel; dat verzoeker werd meegedeeld dat de onderzoeksopdracht mede werd aangevraagd voor het algemeen directiebeleid “aangezien de omgang van een directeur met zijn personeel een wezenlijk deel uitmaakt van het totale directiebeleid”; dat de raad van bestuur op die ingeslagen weg is verder gegaan en in de bestreden beslissing heeft uiteengezet waarom, zonder zich over de geschiktheid van verzoeker als directeur “an sich” uit te spreken, het vertrouwen in zijn geschiktheid als directeur van het KTA Zelzate verbroken is; dat de raad van bestuur zich in de bestreden maatregel tot het nemen van de ordemaatregel heeft beperkt; dat hij zich daarvoor inderdaad heeft gesteund op een klacht die ook aanleiding heeft gegeven tot een tuchtprocedure; dat het ene het andere niet uitsluit; Overwegende dat het eerste middelonderdeel ongegrond is; 3.1.2.
- Overwegende, wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift aanvaardt dat het rapport óók over zijn algemene functioneren handelt, al verwijt hij die bespreking wel “zeer fragmenta[risch]” te zijn; dat verzoeker globaal beoordelen van in den beginne de bedoeling was, zoals blijkt uit de aanvraag voor een tweeledige onderzoeksopdracht en zoals ook bij het naar voor brengen van de onderzoeksresultaten door een der leden van het onderzoeksteam herhaaldelijk werd bevestigd; dat op de hoorzitting van 16 september 2002 door het team onder meer gesteld werd dat verzoeker een grote inzet betoont, dat samenwerken met hem niet eenvoudig is, dat het beleid van XII-3729-18\22 verzoeker sterk het accent legt op het materieel-financieel aspect, dat verzoeker daarentegen weinig leerlinggericht is, dat hij in zijn personeelsbeleid een tweesporenbeleid hanteert, dat betwijfeld wordt of verzoeker een schoolvisie heeft en dat verzoeker niet tegemoet komt aan de voorbeeldfunctie waaraan elke directie zou moeten voldoen; dat bijgevolg het onderzoeksrapport aandacht besteedt aan de leerlingengerichtheid van verzoeker, zijn personeelsbeleid en zijn schoolvisie; dat hoe dan ook, zelfs al zou die aandacht fragmentarisch zijn en al steunt de bestreden beslissing enkel of hoofdzakelijk op feiten die in verband staan met het grensoverschrijdend gedrag van verzoeker ten opzichte van slechts één van zijn ondergeschikten, zulk gedrag zo emblematisch kan zijn voor zijn functioneren -of beter : disfunctioneren- in het ambt van directeur, dat het bestuur er bij wijze van “globale beoordeling” uit mag afleiden -en te dezen afleidt- dat verzoeker niet beschikt over de gewenste leidinggevende capaciteiten en dat hem handhaven in het ambt van directeur niet langer ingepast kan worden in een goed verloop van het schoolgebeuren te Zelzate; dat verzoeker niet concretiseert welke onderzoeksverrichtingen dan wel nagelaten werden die een ander licht op de zaak konden werpen; Overwegende dat het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel put uit de schending van de artikelen 52, b), en 53, in fine, van het rechtspositiedecreet, van de rechten van de verdediging en van de motiveringsplicht; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middelonderdeel uiteenzet dat artikel 53 van het rechtspositiedecreet afwijkt van de regel dat de tegensprekelijkheid van de procedure niet geldt in het stadium van het voorafgaand onderzoek, nu dit artikel bepaalt dat het betrokken personeelslid “in elke fase” van de procedure moet worden gehoord; dat hij vervolgens stelt wel ondervraagd te zijn door het onderzoeksteam, maar voorts buiten elke andere onderzoeksverrichting te zijn gehouden, niet met de andere ondervraagde personeelsleden in confrontatie te zijn gebracht, niet geraadpleegd te zijn omtrent eventueel andere te ondervragen personeelsleden of andere te stellen onderzoeksdaden; XII-3729-19\22 Overwegende dat hij in een tweede middelonderdeel aanvoert dat de hem verweten “introductie bij buitenstaanders” zich louter en alleen heeft voorgedaan in het kader van het door hem gevoerde en vrij te voeren verweer voor de raad van bestuur, dat dit hem niet euvel mag worden geduid en geen geldig motief vormt om hem een maatregel op te leggen zodat het, als mede determinerend motief van de beslissing, die beslissing vitieert; dat zulks volgens verzoeker des te meer zo is nu blijkbaar de schepen van onderwijs van de gemeente Zelzate, ook buitenstaander zijnde, “reeds ab initio door de klaagster zelf bij de zaak werd betrokken [...] en bovendien nog het voorrecht genoot o.m. door de algemeen directeur te worden gehoord, en daarbij blijkbaar de klacht heeft ondersteund” zodat van “introductie” van de problematiek bij buitenstaanders door verzoeker zelfs geen sprake is; Overwegende dat verwerende partij op het eerste middelonderdeel repliceert dat verzoeker “[in] de verschillende fases van de procedure van artikel 53 [...] wel degelijk [is] gehoord” en dat het voorafgaand administratief onderzoek, waarin verzoeker overigens ook is gehoord, van die procedure geen deel uitmaakt; dat zij daar nog aan toevoegt dat een hoorrecht “in elke fase van elke fase”, “bij elke onderzoeksverrichting”, elk ernstig onderzoek uitsluit; dat zij bij het tweede middelonderdeel vaststelt dat verzoeker niet betwist dat hij buitenstaanders betrokken heeft; dat zij verwijst naar de eis dat de verdediging niet beledigend mag zijn voor de overheid en naar de plichten van de personeelsleden zoals vastgelegd in de artikelen 6 tot 8 van het rechtspositiedecreet, waaraan een personeelslid zich volgens haar ook bij zijn verdediging te houden heeft; dat zij opmerkt dat verzoeker niet minder dan 41 personen schriftelijke verklaringen heeft laten afleggen, dat hij door alzo zelf een enquête te voeren een groot aantal mensen bij de zaak heeft betrokken die er niets mee te maken hadden en dat hij de goede naam van de school in het gedrang heeft gebracht; dat zij nog opmerkt dat verzoeker de naam van de personen van wie hij het belangrijk vond dat ze een verklaring aflegden aan de onderzoekers had kunnen meedelen; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord herneemt, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat het voorafgaand onderzoek moet deel uitmaken van de procedure bedoeld in artikel 53 van het rechtspositiedecreet; dat hij voorts het tweede middelonderdeel onbesproken laat; dat hij in de laatste memorie verwijst naar zijn eerdere uiteenzettingen; XII-3729-20\22 3.2.2.
- Overwegende dat het betrokken personeelslid luidens artikel 53, tweede lid, van het rechtspositiedecreet “in elke fase van de procedure [moet] gehoord, ten minste behoorlijk opgeroepen worden”; Overwegende dat het onderzoeksteam met een administratief onderzoek is gelast als gevolg van de vraag, door de algemeen directeur aan de administrateur-generaal van het Gemeenschapsonderwijs, naar “een grondig onderzoek [omtrent] het waarheidsgehalte van de klacht”, naar het bestaan van eventuele “gelijkaardige klachten” en naar “het algemeen beleid” van verzoeker als directeur; dat de finaliteit van dergelijk verricht onderzoek is, ter voorlichting van de overheid een voldoende geheel van feiten en inlichtingen te verzamelen dat haar in staat stelt uit te maken of en welke maatregelen tegen verzoeker -of tegen derden, bijvoorbeeld zo het “waarheidsgehalte” van de klacht onbestaand zou lijken- te overwegen zijn; dat dergelijk onderzoek geen “fase van de procedure”, maar een “fase vóór een procedure” is, nu zij aan het daadwerkelijk instellen van enige beslissende procedure voorafgaat; dat de eigenlijke in artikel 52 en 53 van het rechtspositiedecreet bedoelde procedure om verzoeker uit het ambt te verwijderen eerst is gestart met de brief van 30 augustus 2002; dat het betrokken personeelslid dan ook eerst vanaf die procedurehandeling rechten kan putten uit het artikel 53, tweede lid, van het rechtspositiedecreet; dat overigens wordt vastgesteld dat verzoeker zijn standpunt over het gebeuren aan het onderzoeksteam heeft kunnen toelichten, dat hij kennis heeft gekregen van het eindrapport en er zich op de hoorzitting van 16 september 2002 over heeft kunnen uitspreken, dat hij op geen enkel ogenblik van het voorafgaand onderzoek of van de eigenlijke procedure om bijkomende onderzoeksmaatregelen heeft gevraagd en dat hij voor de Raad van State op geen enkele wijze concreet maakt hoe, laat staan overtuigt dat het voorafgaand feitenonderzoek zijn rechten van verdediging tijdens de procedure heeft aangetast; dat het eerste middelonderdeel faalt; 3.2.2.
- Overwegende dat blijkens de bestreden beslissing de raad van bestuur niet zozeer aanstoot nam aan de door verzoeker gevoerde “enquête” -die wel “subjectieve vraagstelling” wordt aangewreven- als wel aan “het feit dat [verzoeker] de problematiek ook introduceerde bij mensen die met de zaak volstrekt niets te maken hebben”, waarbij concreet de burgemeester van Zelzate wordt genoemd; dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dit precieze verwijt niet tegenspreekt en als verantwoording van het concreet gegeven voorbeeld enkel de burgemeester kwalificeert als “lokale notabele”; dat dit geenszins volstaat om diens XII-3729-21\22 band met het atheneum aan te tonen of, meer algemeen, om het nut van een hem afgenomen verklaring in het kader van verzoekers verdediging te verduidelijken; dat evenwel een nader onderzoek achterwege kan blijven naar de vraag of de handelwijze van verzoeker eerbaar is geweest in het licht van zijn recht van verdediging; dat immers het beweerd determinerend karakter van dit motief niet wordt aangenomen; dat de raad van bestuur er wel “ernstige bedenkingen” bij heeft en het inderdaad ook vermeldt als een overweging van zijn besluit; dat uit het geheel van de beslissing evenwel blijkt dat deze handelwijze van verzoeker slechts als illustratie te meer is bedoeld van de door de raad van bestuur reeds op grond van andere vaststellingen tot stand gekomen conclusie over de ontoereikende integriteit en geloofwaardigheid van verzoeker “om het ambt van directeur van het KA Zelzate op waardige wijze in te vullen”; dat het tweede middelonderdeel niet tot nietigverklaring kan leiden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf mei 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3729-22\22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.324 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.271 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.