id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.454 Rolnummer: A. 106562/XIV-5189 Zaak: Arrest 144454 - - 17/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 15:02 Fiche Arrest nr 144.454 van 17 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.454 van 17 mei 2005 in de zaak A. 106.562/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DELFORGE, kantoor houdende te 5000 NAMEN, rue des Tanneries 13 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 september 1978 en van Somalische nationaliteit, op 28 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 juni 2001 waarbij het beroep tegen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, niet in aanmerking wordt genomen wegens laattijdigheid, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 8 juni 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-5189-1/5 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 april 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HENDRICKX die, loco Advocaat M. DELFORGE, verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker komt België binnen op 12 december 2000 en verklaart zich vluchteling op 13 december
- 1.
- Op 24 april 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 30 mei 2001 dient verzoeker een dringend beroep in tegen deze beslissing. 1.
- Op 8 juni 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing dat het dringend beroep van verzoeker niet in aanmerking wordt genomen wegens laattijdigheid. Dit is de bestreden beslissing die als volgt luidt: “(...) Op 30 mei 2001 heeft u een dringend beroep ingediend tegen de beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van de gemachtigde van de Minister inzake uw aanvraag tot het bekomen van het statuut van vluchteling. De beslissing van de gemachtigde van de Minister werd u op 4 mei 2001 ter kennis gebracht. Uw beroep werd niet binnen de drie werkdagen ingediend zoals voorgeschreven door artikel 63/2, 2/ van de Vreemdelingenwet van 15 december
- U brengt evenmin een geldige reden aan die de laattijdigheid kan verklaren. Bijgevolg wordt uw beroep niet in aanmerking genomen en blijft de termijn om het grondgebied te verlaten die desgevallend werd vermeld in de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken geldig. (...).”. XIV-5189-2/5
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 63/2, §2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing uiteenzet dat de beslissing tot weigering van verblijf aan verzoeker ter kennis werd gebracht op 4 mei 2001; dat verzoeker zijn beroep niet heeft ingediend binnen de drie werkdagen zoals voorgeschreven door artikel 63/2, § 2 van de Vreemdelingenwet en dat hij evenmin een geldige reden aanbrengt die de laattijdigheid kan verklaren; Overwegende dat verzoeker betwist dat hij het dringend beroep niet zou hebben ingesteld binnen de termijn van drie dagen na de kennisgeving; dat hij stelt dat hij van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 april 2001 kennis heeft gekregen op 30 mei 2001 en dezelfde dag dringend beroep heeft ingediend; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker bij zijn asielaanvraag van 13 december 2000 ervan in kennis werd gesteld dat hij, bij gebrek aan woonplaatskeuze, overeenkomstig artikel 51/2 van de Vreemdelingenwet geacht werd woonplaats te hebben gekozen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, Koning Albert II-laan 6 te 1000 Brussel; dat de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 april 2001 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten op 4 mei 2001 per bode aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd ter kennis gebracht; dat de kennisgeving derhalve rechtsgeldig is gebeurd en dat verzoeker bijgevolg overeenkomstig artikel 63/2, §2 van de Vreemdelingenwet, binnen drie werkdagen na de kennisgeving van voormelde beslissing dringend beroep dient in te stellen; dat verzoeker zich pas op 30 mei 2001 aanbood op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, om dringend beroep in te stellen; dat zijn op dezelfde dag ingesteld dringend beroep derhalve XIV-5189-3/5 laattijdig werd ingediend, zodat de bestreden beslissing op goede gronden besluit dat het dringend beroep van verzoeker wegens laattijdigheid niet in aanmerking wordt genomen; dat een schending van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginsel niet kan worden aangenomen; dat het middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-5189-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . D. MOONS. XIV-5189-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.454 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.