id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.455 Rolnummer: A. 108071/XIV-5799 Zaak: Arrest 144455 - - 17/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 15:02 Fiche Arrest nr 144.455 van 17 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.455 van 17 mei 2005 in de zaak A. 108.071/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213 bus 15 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 augustus 1981 en van Bhutaanse nationaliteit, op 25 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 28 juni 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-5799-1/7 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 april 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. DIRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker komt België binnen op 5 juli 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 30 mei 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnen- landse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 26 april 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Nepalese taal machtig is. Betrokkene, die verklaart de Bhutaanse nationaliteit te bezitten, beweert afkomstig te zijn uit Upallo Suraij Gaan. Betrokkenes vader zou op 20/10/1990 tijdens een demonstratie, georganiseerd door de “Bhutan People’s Party” (BPP), gedood zijn. Sinds 1996 zou betrokkene actief zijn geweest voor de “BPP”. Op 3/1/1996 zou de politie betrokkenes huis omsingeld hebben, op zoek naar betrokkenes broer. Betrokkenes broer zou hebben kunnen ontsnappen, zijn moeder en zuster zouden zijn verkracht (zijn zuster zou daarna gestorven zijn) en betrokkene zelf zou geslagen en zijn meegenomen naar de “Sarbang Jail” waar hij gedurende 1 maand zou zijn opgesloten. Hij zou na het ondertekenen van een papier, waarin hij afzag van deelname aan activiteiten georganiseerd door de “BPP”, zijn vrijgelaten. Betrokkene zou daarna voor medische behandeling (problemen met zijn oog) naar Delhi gegaan zijn. Op 23 maart 1997 zou betrokkene dan lid van de “BPP” zijn geworden. Het leger zou regelmatig betrokkenes huis XIV-5799-2/7 onderzocht (hebben), de graanvoorraden vernietigd hebben en hem gezegd hebben het land te verlaten. Op 2/6/1999 zouden een aantal leden van de “BPP” in betrokkenes huis zijn samengekomen om het 10-jarig bestaan van de partij te vieren. Twaalf à dertien soldaten zouden het huis zijn binnengevallen en iedereen hebben gearresteerd. Ze zouden zijn overgebracht naar de “Sarbang Jail”. Op 17/6/1999 zou betrokkene gedwongen zijn geweest een papier te ondertekenen waarin geschreven stond dat hij ermee instemde het land te verlaten. Daarna zou betrokkene zijn geboeid en naar Bangai, aan de Indische grens zijn gebracht. Betrokkene zou daarop naar Guhati gegaan zijn waar zijn oom, Balaram, een agent voor hem zou gecontacteerd hebben die betrokkenes reis naar België zou geregeld hebben. Op 5 juli 1999 heeft betrokkene asiel aangevraagd. Vooreerst dient er te worden opgemerkt dat betrokkenes relaas niet wars is van tegenstrijdig- heden en dat hij een aantal elementen aan zijn relaas heeft toegevoegd. Zo verklaart betrokkene bij DVZ immers dat, tijdens de samenkomst om de verjaardag van de partij te vieren, sommige mensen zouden zijn ontsnapt. In DB daarentegen verklaart betrokkene dat iedereen zou zijn gearresteerd (CGVS, p.5). Vervolgens heeft betrokkene bij DVZ nooit vermeld dat het leger, gedurende de periode januari 1997 tot 1999, regelmatig huiszoekingen zou hebben gedaan, daarbij de graanvoorraden zou hebben vernietigd, betrokkene hebben geslagen en hem gezegd hebben het land te verlaten (CGVS, p.5,6). Daarenboven blijkt betrokkenes kennis betreffende Buthan onvoldoende te zijn. Zo beweert betrokkene dat Hindoes hun festivals niet in het openbaar zouden hebben mogen vieren. Ze zouden dit enkel binnenshuis hebben mogen doen (CGVS, p.6b). Dit in tegenstelling tot het feit dat de Buthanen hun geloof vrij mogen belijden en de koning heeft zelfs, begin van de jaren negentig, fondsen vrijgemaakt voor het bouwen van nieuwe tempels en voor renovaties van reeds bestaande tempels (1999 Country Reports on Human Rights Practises). Bovendien worden de belangrijkste religieuze feesten van de hindoes, net zoals die van de boeddhisten, gevierd (Landenrapport 1995, p.3). Verder beweert betrokkene dat “Losar” (nieuwjaar) op 1 maart zou vallen (CGVS, p.6b). Nieuwjaar valt echter rond februari/maart, steeds op een andere dag. Wat betreft de traditionele kleding beweert betrokkene dat de riem waarmee de “gho” samengebonden wordt “thaka” zou noemen (CGVS, p.7). Deze wordt echter “kera” genoemd (Lonely Planet, Bhutan). Vervolgens verklaart betrokkene dat de gezouten boterthee die door veel Bhutanen gedronken wordt “tchei” zou heten (CGVS, p.11), terwijl deze bekend staat onder de naam “sudja” (Lonely Planet, p.121/The Jesuit and the Dragon, p.203). De nationale dag van Bhutaan zou volgens betrokkene op 8 of 9 mei vallen (CGVS, p.7), deze vindt echter op 17 december plaats (The Europa World Year Book, 1998, Volume I). Daarenboven is betrokkene niet in staat de betekenis van de kleuren en de draak op de Bhutaanse vlag te verklaren (CGVS, p.7). Tenslotte beweert betrokkene foutief dat er geldbiljetten van 25, 500 en 1000 Ngultrum in omloop zouden zijn (Landenrapport februari 1996, p.7). Uit wat voorafgaat blijkt dat betrokkene niet voldoende met Bhutaan vertrouwd is waardoor er ernstig kan getwijfeld worden aan betrokkenes beweerde Bhutaanse nationaliteit en de daaruit voortvloeiende problemen. Bovendien beschikt betrokkene over geen reis- en of identiteits- documenten waardoor zijn reisweg en/of identiteit niet kunnen worden gecontroleerd. Hieruit volgt dat betrokkenes asielaanvraag bedrieglijk is. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 30 mei
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandig- heden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren." (...).”.
- Overwegende dat uit de brief van 15 maart 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat er op 13 maart 2002 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat deze brief ter openbare terechtzitting van 20 april 2005 aan het tegen- sprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocate van verzoeker ter zitting meedeelt dat zij nog instructies heeft; dat zij dit evenwel niet bewijst; dat, wanneer een Advocaat ter zitting verschijnt voor een partij, zijn mandaat wordt vermoed, tenzij er elementen voorhanden zijn die het mandaat in twijfel trekken; dat in casu blijkt dat verzoeker sedert 13 XIV-5799-3/7 maart 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, de Raad van State de vorderingen kan afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang;
- Overwegende dat verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 62, eerste lid van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder van de plicht tot het voeren van een zorgvuldig en consistent bestuur en van de motiveringsplicht; 3.
- Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet betrekking heeft op de motiveringsplicht van rechtscolleges en bijgevolg enkel kan worden aangevoerd tegen jurisdictionele beslissingen; dat de bestreden beslissing een administratieve beslissing is, zodat voormeld artikel niet dienstig kan worden aangevoerd en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 3.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, zowel artikel 62, eerste lid van de Vreemdelingenwet als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 3.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren XIV-5799-4/7 omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris- generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat: - het relaas van verzoeker tegenstrijdigheden bevat en hij een aantal elementen aan zijn relaas heeft toegevoegd; op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde hij dat sommige mensen zouden zijn ontsnapt, op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde hij dat iedereen werd gearresteerd; - op de Dienst Vreemdelingenzaken verzoeker niet heeft vermeld dat het leger regelmatig huiszoekingen zou hebben gedaan in de periode januari 1997 tot 1999; - verzoeker onvoldoende kennis van Bhutan bezit waardoor er ernstig kan getwijfeld worden aan betrokkenes beweerde Bhutaanse nationaliteit; verzoeker legde foutieve verklaringen af over het vieren van hindoefestivals en het vrij belijden van hun geloof, de datum van nieuwjaar, de kledij en de lokale gedronken boterthee; verzoeker gaf een foutieve datum op voor de nationale dag van Bhutan en hij kon de betekenis van de kleuren en de draak op de Bhutaanse vlag niet verklaren; verzoeker beweerde dat er geldbiljetten van 25, 500 en 1000 Ngultrum in omloop zouden zijn; Overwegende dat verzoeker betreffende zijn onvoldoende kennis van Bhutan verklaart dat de Commissaris-generaal geen onderscheid heeft gemaakt tussen de taal gesproken door de Hindoes en de taal gesproken door de Boeddhisten; dat verzoeker deze stelling echter niet met verwijzingen naar objectieve gegevens onderbouwt; dat de vermeende foutieve bewering van verzoeker dat er geldbiljetten van 25, 500 en 1000 Ngultrum in omloop zijn, door verzoeker wordt weerlegd door de neerlegging van een kopie van een biljet van 500 Ngultrum; dat de Commissaris-generaal in de nota erkent dat er ondertussen misschien zulke biljetten in omloop zijn ten gevolge van inflatiefactoren in Bhutan; dat dit het enige element is betreffende de onvoldoende kennis van Bhutan, dat verzoeker probeert te weerleggen; dat verzoeker in zijn verzoekschriften niet weerlegt dat Hindoes in Bhutan hun geloof vrij mogen belijden, dat verzoeker een verkeerde datum opgaf voor de nationale dag van Bhutan, en dat verzoeker de betekenis van de kleuren en de draak op de Bhutaanse vlag niet kon verklaren; Overwegende dat verzoeker betreffende de tegenstrijdigheden over de invallen door de politie in zijn woning aanvoert dat er geen tegenstrijdigheid is omdat er twee invallen waren, een eerste in 1996 toen zijn broer kon ontsnappen en een tweede in 1999 toen iedereen werd gearresteerd; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers verklaring bij de Dienst Vreemdelingenzaken afwijkt van de verklaring afgelegd op het XIV-5799-5/7 Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker niet betwist dat hij op de Dienst Vreemdelingenzaken nooit heeft vermeld dat het leger regelmatig huiszoekingen zou hebben uitgevoerd in de periode 1997-1999; Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal vastgestelde motieven niet weerlegt; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is, dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-5799-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . D. MOONS. XIV-5799-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.455 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.