← België

Arrest 144471 - - 17/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.471 Rolnummer: A. 120922/XIV-9967 Zaak: Arrest 144471 - - 17/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 15:03 Fiche Arrest nr 144.471 van 17 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 144.471 van 17 mei 2005 in de zaak A. 120.922/XIV-9.967 In zake : XXX, wonende te 2140 BORGERHOUT, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 13 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 17 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 november 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-9.967-1/6 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 15 juni 2000 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 9 oktober 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 25 april 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Volgens uw verklaringen bent u een moslim uit, Prijepolje, Servië Na uw legerdienst in 1988-1989 zou u op 24 maart 1999 een convocatie voor het Joegoslavische leger gekregen hebben en opgeroepen geweest zijn als reservist. Uw echtgenote, die de convocatie in ontvangst zou hebben genomen, zou u hiervan op de hoogte gesteld hebben. U zou niet willen deelnemen aan het conflict in Kosovo en met uw familie naar Sarajevo gevlucht zijn, waar jullie 5 á 6 maanden zouden verbleven hebben bij uw oma, tot de oorlog gedaan was. Op 28 augustus 1999 zouden jullie beslist hebben om terug te keren naar Prijepolje, maar aan de grens zou u zijn aangehouden te Uvac, grenspost Bosnië en Servië, door de politie van Prijepoije die u dan zou hebben overgedragen aan de staatsveiligheid. U zou aangehouden zijn geweest omwille van een interview dat u zou hebben afgelegd in Bosnië over mensen die gevlucht waren uit Servië. Deze beelden zouden te zien zijn geweest op CNN. U zou twintig uur ondervraagd zijn geweest en geslagen. Bij uw vrijlating zeiden ze u gezegd hebben u dagelijks aan te melden, omdat ze nog vragen voor u zouden gehad hebben. Diezelfde dag, 29 augustus 1999, zou u besloten hebben om terug naar Sarajevo te vertrekken, maar uw echtgenote zou in Prejepolje gebleven zijn. In die periode zou de politie nog regelmatig bij uw echtgenote zijn geweest, waarbij ze de convocatie en de paspoorten zouden hebben afgenomen en zou uw echtgenote beledigd geweest zijn door de Servische bevolking en zouden uw kinderen gepest geweest zijn op schoot. Op 10 juni 2000 zou uw echtgenote naar Sarajevo gekomen zijn en besloot u Bosnië te verlaten. U reisde via Kroatië, Hongarije en Duitsland naar België. U kwam België binnen op 15 juni 2000 en u diende hier op dezelfde dag een asielaanvraag in. U bent in het bezit van uw identiteitskaart, een huwelijksakte en geboorteaktes van uw twee kinderen. Er dient opgemerkt te worden dat u in uw verklaringen geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u anno 2002 een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Conventie van Genève dient te koesteren bij een eventuele terugkeer naar Joegoslavië. De door u aangehaalde kortstondige aanhouding in augustus 1999, de politiebezoeken bij uw echtgenote en de anonieme telefoons achteraf dienen immers gekaderd te worden in het vijandige anti-westerse klimaat dat tijdens en direct na de NAVO-bombardementen in Joegoslavië heerste. Sindsdien is de situatie in Joegoslavië fundamenteel gewijzigd, in september 2000 werd er een nieuwe president verkozen. De gewijzigde houding van de Joegoslavische autoriteiten uitte zich eveneens in een amnestiewet die van kracht ging op 3 maart
  2. Deze wet voorziet in amnestie voor dienstweigeraars en deserteurs tot 7 oktober
  3. Uit niets blijkt dat deze wet niet op u van toepassing zouden zijn, temeer daar uit de informatie van het Commissariaat-generaal blijkt dat meerdere personen, ook behorend tot etnische minderheden, werden vrijgelaten uit de gevangenis. Een gegronde vrees voor vervolging vanwege uw dienstweigering in maart 1999 kan dan ook niet weerhouden worden. Verder dient erop gewezen te worden dat de overige door u aangehaalde problemen (beledigingen omwille van uw moslimafkomst door Servische burgers en pesterijen van uw kinderen op school) niet van die aard zijn dat uw vrijheid, leven of fysieke integriteit erdoor in het gevaar komt en aldus geen aanleiding geven tot een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.”; XIV-9.967-2/6 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Eerste middel: Middel van machtsoverschrijding afgeleid uit de schending van art. 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dat conform art. 62 van de vreemdelingenwet de administratieve beslissingen met redenen omkleed dienen te worden; Dat uit de rechtspraak van de Raad van State volgt dat het de wil van wetgever geweest is te eisen dat een individuele bestuurshandeling duidelijk, nauwkeurig en rechtsgeldig zou worden gemotiveerd; Dat geen rekening gehouden werd met al de grieven van verzoeker en hierop niet geantwoord werd; Dat de problemen gewoon als onvoldoende zwaarwichtig beschouwd worden; Dat hieruit zeer duidelijk blijkt dat de beslissing op onvoldoende wijze gemotiveerd is; Dat het C.G.V.S. hier niet consequent opgetreden is; Dat er wel degelijk sprake is van een systematische vervolging omwille van de etnische afkomst in de zin van de Vluchtelingenconventie;”; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie verwijst naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.1.
  6. Overwegende dat de in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de betrokken beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat in het eerste deel van de bestreden beslissing op uitgebreide wijze de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, worden uiteengezet en dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan de hand van deze vaststellingen tenslotte besluit dat de asielaanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is; dat de bestreden beslissing is genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat deze de bestreden beslissing kunnen dragen en derhalve afdoende en deugdelijk zijn; dat de verzoekende partij zich bovendien beperkt tot louter algemene beweringen, zonder deze evenwel te staven met concrete elementen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Tweede middel: Middel van machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. XIV-9.967-3/6 Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen bij het uitoefenen van enige weigeringsbevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moet gaan; Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen; Dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen; Dat nogmaals dient opgemerkt te worden dat het C.G.V.S. niet consequent opgetreden is; Dat verzoeker wenst te verwijzen naar het hierboven vermelde; Dat indien verzoeker dient terug te keren hij het voorwerp uitmaakt van discriminaties en vervolgingen; Dat verzoeker aldus een actueel belang laat gelden daar het voor hem bijzonder nadelig zou zijn indien hij dient terug te keren;”; 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie verwijst naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.2.
  9. Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid welke haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling; dat de verzoekende partij niet het minste element aanvoert waaruit zou kunnen blijken dat een ongeoorloofd oogmerk het enige doel is van de bestreden beslissing en dat zij evenmin aanvoert om welk ander oogmerk dan het algemeen belang het daarbij zou gaan; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat de commissaris-generaal zijn beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding; dat de verzoekende partij niet aantoont waarom de bestreden beslissing op onjuiste gegevens zou zijn gesteund; dat zij zich beperkt tot vage veronderstellingen, zonder deze evenwel op concrete wijze aannemelijk te maken; dat zij daarmee niet aantoont dat de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Derde middel: Inbreuk op de Conventie van Genève: Het komt verzoeker voor dat zowel op grond van de omstandigheden waarvan de commissaris-generaal op het ogenblik van het nemen van de omstreden beslissing kennis had, als op grond van de overige omstandigheden die verzoeker thans laat gelden, tot de kennelijk en volkomen en kennelijke onredelijkheid minstens onwettigheid van de weigeringsbeslissing dient te worden besloten en dit wegens schending van de ingeroepen wetsartikelen en algemene rechtsbeginselen; Dat alle toepassingsvoorwaarden van art. 1 van het Verdrag van Genève vervuld zijn; Dat er een subjectieve vrees in hoofde van verzoeker aanwezig is voor zijn leven, zijn fysieke integriteit en zijn vrijheid in het land van herkomst; Dat indien het bevel om België te verlaten uitgevoerd zou worden zulks een moeilijk te herstellen nadeel zou teweegbrengen. Dat verzoeker niet wenst terug te keren naar het land van herkomst, gelet op de problemen tussen de verschillende bevolkingsgroepen en de inbreuken van de mensenrechten aldaar;”; XIV-9.967-4/6 2.3.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie verwijst naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.3.
  12. Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van artikel 1, (A) 2, van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) inroept, dat dient te worden herhaald dat artikel 1, (A) 2, van de Vluchtelingenconventie geen directe werking heeft en dat de schending ervan derhalve niet op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd; dat het derde middel niet-ontvankelijk is; 2.4.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Vierde middel: Inbreuk op art. 3 en 8 van het E.V.R.M. Dat niemand mag onderworpen worden aan een mensonterende en mensonwaardige behandeling; Dat op deze manier het Recht op het gezinsleven geschonden wordt;”; 2.4.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie verwijst naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 2.4.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot één algemene stelling zonder het minste element aan te voeren waaruit kan blijken op welke wijze de kwestieuze bepalingen met de bestreden beslissing zouden zijn geschonden; dat dergelijke summiere stelling niet als een middel kan worden beschouwd; dat het vierde middel niet- ontvankelijk is;
  16. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-9.967-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9.967-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.471 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.