id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.477 Rolnummer: A. 155127/X-12026 Zaak: Arrest 144477 - - 17/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 15:04 Fiche Arrest nr 144.477 van 17 mei 2005 - Beslissing : Bevolen bekendmaking Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.477 van 17 mei 2005 in de zaak A. 155.127/X-12.026. In zake : 1. Guy JAMAR, 2. Christine DEMEERSSEMAN, 3. Marc BOVING, 4. Annemie VAN LOOY, 5. Jan SCHOUTEN, 6. Leni DE BOER, 7. Hans DRIES, 8. Arlet BERGERS, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : 1. de provincie ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33, 2. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160. Verzoekende partij in tussenkomst : de gemeente MOL, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LAT, kantoor houdende te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guy JAMAR, Christine DEMEERSSEMAN, Marc BOVING, Annemie VAN LOOY, Jan SCHOUTEN, Leni DE BOER, Hans DRIES en Arlet BERGERS op 27 augustus 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan "Berkenbossen" gelegen in de gemeente Mol en bijhorend onteigeningsplan zoals aangenomen door de provincieraad van de provincie Antwerpen op 25 maart 2004 en goedgekeurd bij besluit van 7 juni 2004 van de X-12.026-1/13 Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2004; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gelet op het verzoek tot tussenkomst van 5 november 2004 ingediend door de gemeente MOL; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 31 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HULPIAU die, loco Advocaat M. VAN PASSEL verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat P. DE MAEYER die, loco Advocaat J. DE LAT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; X-12.026-2/13 I. De feiten. 1. Het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol bestemt de betrokken percelen deels tot natuurgebied en bosgebied en deels agrarisch gebied en woongebied met landelijk karakter. 2. Op 13 september 2001 beslist de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen tot het opmaken van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan tot afbakening van het kleinstedelijk gebied Mol. Deze procedure is tot op heden niet voleindigd. 3. Op 22 augustus 2002 beslist de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen tot het opmaken van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan "Berkenbossen", als "een voorafname van het voorstel tot afbakening van het kleinstedelijk gebied Mol, omwille van de hoogdringendheid in het kader van de Europese doelstellingen II subsidies". 4. Op 5 juni 2003 stelt de provincieraad van de provincie Antwerpen het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Berkenbossen" en bijhorend onteigeningsplan voorlopig vast. Het ontwerp-plan behelst in hoofdzaak de herbestemming van de betrokken percelen tot een gemengd regionaal bedrijventerrein met daar rond een groenscherm, groenbuffer of een reservatie en erfdienstbaarheidsgebied. De stedenbouwkundige voorschriften voor de zone "gemengd regionaal bedrijventerrein" stellen onder meer hetgeen volgt : "Het gemengd regionaal bedrijventerrein is bestemd voor de inplanting van economische activiteiten met een regionale reikwijdte, waarbij een differentiatie aan economische activiteiten wordt vooropgesteld. De precieze inrichting gebeurt in het inrichtingsplan, rekening houdend met onderstaande voorschriften. De zone dient ingericht te worden als een gemengd regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter, waardoor het enkel kan ontwikkeld en beheerd worden hetzij door de overheid, of hetzij onder toezicht van de overheid."; 5. Van 18 augustus 2003 tot 16 oktober 2003 wordt over het ontwerpplan een openbaar onderzoek gehouden. Er worden 68 bezwaarschriften ingediend waaronder door de verzoekende partijen. 6. Op 16 oktober 2003 geeft de gemeenteraad van de gemeente Mol een ongunstig advies over het deel "Berkenbossen-West" van het X-12.026-3/13 ontwerp-uitvoeringsplan, en een gunstig advies over het deel "Berkenbossen-Oost" ervan. 7. Op 19 december 2003 geeft de Provinciale Commissie voor Ruimtelijke Ordening antwoord op de bezwaren en adviezen over het ontwerpplan. 8. Op 25 maart 2004 stelt de provincieraad van de provincie Antwerpen het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan "Berkenbossen" gelegen in de gemeente Mol en bijhorend onteigeningsplan definitief vast. 9. Op 7 juni 2004 keurt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan "Berkenbossen" gelegen in de gemeente Mol en bijhorend onteigeningsplan goed. Dit besluit verschijnt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2004. II. De rechtspleging. 1. De tussenkomst. Overwegende dat het bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State voorgeschreven bericht tot bekendmaking van onderhavig beroep is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 22 september 2004; Overwegende dat het verzoekschrift tot tussenkomst van de gemeente Mol werd ingesteld op 5 november 2004; dat artikel 10, derde lid, van voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat in het geval bedoeld in artikel 7 door een persoon die door de hoofdgriffier niet op de hoogte is gebracht, alleen binnen vijftien dagen na de bekendmaking een vordering tot tussenkomst kan worden ingesteld; dat de tussenkomst van de gemeente Mol wegens laattijdigheid niet kan worden toegelaten; X-12.026-4/13 2. Het belang van de verzoekende partijen. Overwegende dat zevende en achtste verzoekende partijen eigenaar zijn van percelen die in het plangebied gelegen zijn; dat zij daardoor doen blijken van het rechtens vereiste belang; dat het bijgevolg in de huidige stand van het geding onnodig is de excepties te onderzoeken die eerste verwerende partij aanvoert ten aanzien van de overige verzoekende partijen; III. Beoordeling. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoekers als eerste middel de schending aanvoeren van het bij besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 vastgestelde en bij het decreet van 17 december 1997 bekrachtigde Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; dat zij onder meer het volgende stellen : "Zoals hierboven reeds vermeld, wordt het PRUB Berkenbossen voorgesteld als een voorafname in het kader van de afbakening van het KSG Mol. Hoewel de afbakening van het KSG Mol nog lang niet definitief werd goedgekeurd, en de vaststellingsprocedure ervan zelfs werd stilgelegd na de terechte kritiek van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Ruimtelijke Planning, vormde de voorgestelde opname van Berkenbossen-Oost binnen de perimeter van het kleinstedelijk gebied wél de basis voor de thans geplande oostelijke uitbreiding van het bedrijventerrein Berkenbossen. (...) De conclusie is duidelijk : de opname van Berkenbossen-Oost in het PRUP Berkenbossen als oostelijke uitbreiding van het bestaand bedrijventerrein is onwettig aangezien deze opname gebaseerd is op de onwettige, en thans zelfs nog lang niet definitief goedgekeurde afbakening van Berkenbossen-Oost binnen de perimeter van het KSG Mol."; Overwegende dat de eerste verwerende partij in hoofdorde de exceptio obscuri libelli aanvoert en in bijkomende orde uiteenzet waarom zij van oordeel is dat het eerste middel niet ernstig is; dat zij met betrekking tot de juridische waarde van de bindende bepalingen van ruimtelijke structuurplannen het volgende betoogt : X-12.026-5/13 "42. Verzoekers pogen in hun eerste middel aan te tonen dat de bestreden beslissing de bindende bepalingen van het RSV zou miskennen. Een eerste vraag die in deze context dient te worden beantwoord, behelst de vraag naar de juridische waarde van de bindende bepalingen van de structuurplannen. Meer in het bijzonder moet worden nagegaan in hoeverre dergelijke bindende bepalingen afdwingbaar zijn. (...) 44. De burger kan zich dus op de bindende bepalingen van een structuurplan beroepen indien hij/zij zou te maken hebben met een ongeoorloofd stilzitten van het bestuur om het ruimtelijk structuurplan uit te voeren of indien de betrokken overheid afwijkt van de bindende bepalingen bij het vaststellen van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. 45. De eerste hypothese is evident niet van toepassing in onderhavig geval. Door het opstellen van het PRUP 'Berkenbossen' is tweede verwerende partij immers overgegaan tot het uitvoeren van het RSV en het RSPA. Onderstaand zal tweede verwerende partij daarenboven aantonen dat zij bij het opstellen van het PRUP 'Berkenbossen' evenmin is afgeweken van de bindende bepalingen van het RSV of het RSPA."; dat zij niet ingaat op de problematiek van de chronologie tussen de afbakening van het kleinstedelijk gebied en de afbakening van het regionaal bedrijventerrein; Overwegende dat de tweede verwerende partij stelt hetgeen volgt : "De mogelijkheid van voorafnames wordt door het RSV niet uitgesloten; Er kunnen versneld PRUP's worden opgemaakt ofwel indien een consensus bestaat over het inhoudelijk voorstel van voorafname, ofwel indien een voorafname noodzakelijk is om een dringend knelpunt uit het afbakeningsproces te lichten ten einde een verder gunstig verloop van de afbakening te bewerkstellingen; In dit geval kan deze voorafname aanvaard worden aangezien (
- i)de opties kaderen binnen het afbakeningsvoorstel, voortkomend uit het tot dan toe doorlopen overlegproces, (
- ii)de timing voor de resterende opties van het stedelijk gebiedbeleid niet in het gedrang word(
- t)gebracht"; Overwegende dat het bestreden uitvoeringsplan tot afbakening van het regionaal bedrijventerrein - zoals het in het goedkeuringsbesluit van 7 juni 2004 wordt uitgedrukt - beschouwd moet worden als "voorafname op een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van het kleinstedelijk gebied Mol"; dat krachtens artikel 19, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de "bindende bepalingen" van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen bindend zijn voor de besturen, die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest, dus ook voor de eerste verwerende partij; dat in die "bindende bepalingen" de gemeente Mol wordt aangeduid als structuurondersteunend kleinstedelijk gebied; dat één van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in verband met de stedelijke gebieden onder de hoofding "Afbakening van de stedelijke gebieden" luidt als volgt : X-12.026-6/13 "De structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden (...) worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend (...)"; dat een andere van de bindende bepalingen van dit Ruimtelijk Structuurplan in verband met de gebieden voor economische activiteiten onder de hoofding "Afbakening van bedrijventerreinen" de volgende is : "De regionale bedrijventerreinen in de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden (...) worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend (...)"; dat op het eerste gezicht de geciteerde bindende bepalingen een chronologie impliceren waarbij in een eerste stap het structuurondersteunend kleinstedelijk gebied wordt afgebakend, om dan in een tweede stap binnen het aldus afgebakende gebied bedrijventerreinen af te bakenen; dat het bestreden uitvoeringsplan deze chronologie niet respecteert; dat de noodzaak om de chronologie te respecteren ook wordt bevestigd door het richtinggevende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen - dat samenhangt met het bindende gedeelte : "Het afbakeningsproces voor de kleinstedelijke gebieden wordt door de provincie gestuurd. In de eerste stap van het afbakeningsproces worden voor het kleinstedelijk gebied de structuurbepalende elementen van bovenlokaal belang, de rol en de positie in de bestaande en de gewenste ruimtelijke structuur van de provincie beschreven. De tweede stap die vertrekt vanuit het denken op provinciaal schaalniveau, omvat het uitwerken van twee onderdelen : 1) de grenzen uit de natuurlijke structuur, de agrarische structuur en de landschappelijke elementen van Vlaams belang die aan de stedelijke ontwikkeling worden gesteld; 2) de kwantitatieve taakstellingen inzake woningbouw en bedrijventerreinen die vanuit respectievelijk het provinciaal schaalniveau voor het betrokken stedelijk gebied worden gesteld. (...) In de derde stap, die gelijktijdig verloopt met de tweede stap maar vertrekt vanuit het denken op het schaalniveau van het stedelijk gebied, wordt een hypothese opgesteld met betrekking tot de gewenste ruimtelijke structuur van het stedelijk gebied. Het betreft hier een hypothese vermits het niet tot de bevoegdheid behoort van respectievelijk de Vlaamse en provinciale overheid om een ruimtelijk structuurplan voor een stedelijk gebied op te maken. De hypothese kan zich daarom beperken tot de elementen die nodig zijn voor de afbakening. Ze wordt ontwikkeld binnen het afbakeningsproces en vereist een optimale samenwerking tussen de betrokkenen van Vlaams niveau, provinciaal niveau en het lokaal niveau. De hypothese met betrekking tot de gewenste ruimtelijke structuur is een essentieel onderdeel bij de afbakening van het stedelijk gebied. Op die manier kan rekening worden gehouden met de toekomstige ontwikkeling van het stedelijk gebied vertrekkende vanuit het denken op het schaalniveau van het stedelijk gebied. Er wordt m.a.w. ruimte voor ontwikkeling opgenomen in de afbakening. Het opstellen van de hypothese op de gewenste ruimtelijke structuur voor het stedelijk gebied gebeurt uitgaande van de volgende analyses. In de vierde stap - het voorstel van afbakening - wordt een vertaling gemaakt van de hypothese met betrekking tot de gewenste ruimtelijke structuur naar X-12.026-7/13 concrete acties inzake het ruimtelijk beleid voor het stedelijk gebied. Het bevat het engagement van de betrokken bestuursniveaus en partners om de in het voorstel van afbakening opgenomen acties en het programma uit te voeren, conform de hypothese voor de gewenste ruimtelijke structuur van het stedelijke gebied. (...) De afbakening moet omzichtig, restrictief en nauwkeurig gebeuren en steunen op een gedegen proces van visievorming op het betrokken stedelijk gebied dat wordt gedragen door de verschillende partners. Daarom moet het afbakeningsproces gebeuren in nauwe samenwerking met de bestuursniveaus, met name het Vlaams Gewest, de provincie en de gemeenten, en in structureel overleg met de betrokken overheidssectoren. Intergemeentelijk overleg is daarbij aan te bevelen. Het afbakeningsproces is niet denkbaar zonder een betrokkenheid en gelijkwaardige inbreng van de verschillende maatschappelijke groepen en geledingen die in het stedelijk gebied actief zijn. Vandaar dat nieuwe vormen van samenwerking nodig zijn om tot een uitspraak over het te voeren beleid voor het stedelijk gebied te komen. Om die reden moet worden geopteerd om tegelijkertijd met het proces van de afbakening een communicatieproces uit te bouwen. (...) De economische knooppunten hebben niet allemaal eenzelfde uitstraling en eenzelfde economisch belang. Niet in alle gemeenten leidt dit automatisch tot een groter aanbod aan bedrijventerreinen. Bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen moet een gedifferentieerd beleid gevoerd worden waarbij gesteld wordt dat : - binnen een afgebakend stedelijk gebied (dat op zich (een) economisch knooppunt
- is)de ontwikkeling van bijkomende bedrijventerreinen mogelijk is. Dit op voorwaarde dat het bedrijventerrein aansluitend gelegen is in een gemeente direct aansluitend bij het stedelijk gebied maar niet geselecteerd als economisch knooppunt. Basis hiervoor is de visie op de ontwikkeling van het stedelijk gebied als geheel. - het voorzien van een bijkomend aanbod aan regionale bedrijventerreinen in een economisch knooppunt moet worden afgewogen op basis van een ruimtelijke visie en een gewenste ruimtelijke structuur voor het economisch knooppunt (o.a. voor het stedelijk gebied bij de afbakening). De ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit, de bestaande woonfunctie, de bestaande ruimtelijk-economische structuur, de ruimtelijke en economische potenties, de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur en de mobiliteitsproblematiek zijn daarbij de uitgangspunten voor het formuleren van de visie en voor het uittekenen van een gewenste ruimtelijke structuur op het economisch knooppunt. - de bedrijventerreinen gelegen buiten de geselecteerde economische knooppunten, die reeds zijn vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan (c.q. gewestplan, B.P.A.) en vandaag worden ontwikkeld, als vaststaand gegeven worden beschouwd (...)."; dat het middel ernstig is; Overwegende dat verzoekers met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel de volgende uiteenzetting geven : "50. Zoals reeds vermeld, zijn verzoekers eigenaar van de meeste percelen die binnen de oostelijke uitbreidingszone van het bestaande bedrijfsterrein werden opgenomen ingevolge het PRUP Berkenbossen. Gelet op het feit dat deze percelen de bestemming natuurgebied of bosgebied hadden, is het nadeel dat verzoekers aanvoeren zeker en vast niet pecuniair. X-12.026-8/13 Verzoekers hebben nooit bijzondere ontwikkelingsplannen met deze percelen gehad. Deze percelen grond hebben voor verzoekers een loutere morele waarde omwille van het feit dat zij samen een prachtig groengebied vormen. Verzoekers zijn uitermate gehecht aan dit uitgestrekte bosgebied, dat voor hen persoonlijk een bijzondere waarde heeft. De heer Guy JAMAR, één van de verzoekers, is tevens reeds zeer vele jaren lid van natuurvereniging Natuurpunt! Verzoekers putten een uitzonderlijk innerlijke gemoedsrust uit dit prachtige gebied. De bescherming en het behoud van dit groene gebied, en zelfs de openstelling ervan voor wandelaars en fietsers scheppen een bijzondere beleving van deze eigendom, en schenken verzoekers een enorme morele voldoening. 51. Daarenboven zijn verzoekers eigenaar van vele percelen die rechtstreeks palen aan de oostelijke uitbreidingszone van het bestaand bedrijventerrein. Gelet op het verdwijnen van de percelen binnen de uitbreidingszone wordt tevens de bijzondere beleving van de aangrenzende groene percelen aangetast. Waar zij thans een ongerept zicht genieten op het geheel van deze percelen, zal dit zicht volledig aangetast worden door de aanleg van de geplande uitbreiding van het bedrijventerrein. Deze manifeste landschapsverontreiniging, waardoor ook de volledige vallei van de Scheppelijke Nete zal worden aangetast (waarbinnen verzoekers eveneens percelen grond bezitten), schept niet alleen een moreel nadeel, doch tevens evidente visuele hinder én geluidshinder. Ondanks de zogenaamde bufferfunctie die de vallei van de Scheppelijke Nete zou vervullen volgens het PRUP, mag niet uit het oog verloren worden dat het terrein met name gericht zal worden op verkeersgenererende bedrijven. Dit laatste is des te prangender gelet op het feit dat er wel degelijk problemen qua ontsluiting van het bedrijventerrein bestaan. De ontsluiting via de N71 is verre van optimaal, en in het PRUP worden geen concrete oplossingen voor dit knelpunt voorgesteld. Met name het uitgestrekte bosgebied van 30 ha (!!!) dat zal dienen te verdwijnen voor de aanleg van het bedrijventerrein is een doorn in het oog voor verzoekers. Te meer gelet op wat verzoekers hierboven uiteengezet hebben in verband met de onwettige totstandkomingsprocedure van het PRUP, is het toch wel wraakroepend voor verzoekers dat hun uitgestrekte groengebied opgeofferd wordt voor de uitbreiding van een bedrijventerrein. Hierbij benadrukken verzoekers tevens dat hun leefkwaliteit tevens significant zal aangetast worden ingevolge de slechtere luchtkwaliteit die het gevolg zal zijn van het verdwijnen van de 30 ha bosgebied. Het behoeft geen betoog dat boslucht uitermate zuiverend werkt). De boslucht zal door de uitvoering van het PRUP onvermijdelijk vervangen worden door industrielucht (ingevolge de bedrijventoename, en de verkeerstoename). 52. Met het PRUP wordt het vereiste planningskader geschapen waardoor de ongerepte natuurwaarden en met name de bijzondere beleving ervan door verzoekers, onherroepelijk zullen verdwijnen ten voordele van een bedrijventerrein waarvan geenszins beleidsmatig verantwoord werd dat de geplande bijkomende hectaren noodzakelijk zijn. Het enorme morele nadeel dat verzoekers dienen te ondergaan ingevolge het planningskader dat thans geschapen werd, is wel degelijk ernstig en moeilijk te herstellen. Zoals verzoekers meerdere malen hebben benadrukt, is het PRUP eigenlijk enkel en alleen bij hoogdringendheid tot stand gekomen met het oog op de tijdsgebonden Europese subsidieregeling in het kader van het Doelstellingen 2-programma. Om diezelfde reden is in het PRUP bepaald dat voor het aansnijden van de uitbreidingszone beleidsmatig geopteerd werd om geen fasering in te bouwen X-12.026-9/13 zodat tijdig kan ingespeeld worden op het Europese Doelstellingen 2-programma. Thans is de IOK (Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen) reeds volop bezig met de samenstelling van de concrete vergunningsaanvragendossiers voor de concrete inrichting van het bedrijventerrein. Hét cruciale onderdeel van deze aanleg vormt het rooien van de 30 ha bosgebied in Berkenbossen-Oost. Zonder het vereiste planningskader dat thans door het PRUP, zij het volstrekt onwettig, geschapen werd, wordt a.h.w. carte blanche gegeven voor het verdwijnen van het bosgebied. Beleidsmatig werd immers manifest onredelijk besloten dat de natuurwaarden mogen verdwijnen ten voordele van het aan te leggen bedrijventerrein. Ook al dient er in het kader van een aanvraag om over te gaan tot rooiing van het grote bosgebied een MER uitgevoerd te worden, blijft voor verzoekers het zeer grote risico bestaan dat wel degelijk toestemming gegeven zal worden om over te gaan tot rooiing. Bij de opmaak van het PRUP zelf werd de impact van het plan op mens en milieu immers ook nauwelijks onderzocht en werd op geen enkel moment naar alternatieven gezocht om de natuurwaarden te vrijwaren. Volgens het PRUP zijn de aanwezige natuurwaarden immers niet belangrijk genoeg om gevrijwaard te blijven, en is de opoffering ervan aan bijkomend bedrijventerrein wel degelijk verantwoord. Het spreekt voor zich dat de kans dan ook quasi nihil is dat een concrete aanvraag voor rooiing van het bosgebied geweigerd zal worden (gelet op de basis die geschapen werd in het PRUP). Dit laatste vormt voor verzoekers dan ook meteen het moeilijk te herstellen karakter van hun ernstig nadeel: een ongerept en waardevol bosgebied van 30 ha kan uiteraard niet meer hersteld worden van zodra de rooiing een feit is! Op dat moment zijn de aanwezige natuurwaarden die voor verzoekers moreel uitermate belangrijk zijn onherroepelijk verloren. Zelfs indien er in het kader van boscompensatie elders bijkomende bossen worden voorzien, zullen deze uiteraard nooit het nadeel dat verzoekers lijden door het verdwijnen van het bosgebied van 30 ha op hun percelen en vlak nabij hun woonomgeving (inclusief de zuivere boslucht die zij thans mogen inademen) kunnen herstellen. 53. Indien het PRUP thans niet geschorst wordt op grond van de door verzoekers aangehaalde middelen die op het eerste zicht wel degelijk ernstig zijn, zullen verzoekers effectief een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 17 §2 Gecoördineerde Wetten Raad van State lijden. Zonder het planningskader dat in het PRUP onwettig geschapen werd, zou een rooiing van het uitgestrekte en ongerepte bosgebied van 30 ha onmogelijk zijn. Thans is wel degelijk beleidsmatig en planningsmatig het vereiste kader voor de rooiing gecreëerd. Er werd reeds geoordeeld dat de bestaande natuurwaarden niet belangrijk genoeg zijn om gevrijwaard te worden. Hierbij dient nogmaals benadrukt te worden dat zeer snel te werk zal worden gegaan bij de concrete aanleg van het bedrijventerrein, gelet op de tijdsgebonden Europese subsidieregeling. De concrete vergunningsaanvragen worden reeds volop voorbereid door het IOK. Aangezien de rooiing van het bosgebied sowieso eerst aan bod zal moeten komen, dringt de tijd wel degelijk. De kans dat de aanvraag voor de rooiing van het bosgebied nog geweigerd zal worden is quasi nihil. Dit laatste zou trouwens regelrecht indruisen tegen het beleidsmatig en planningsmatig in het PRUP geschapen kader. X-12.026-10/13 De inwerkingtreding van het PRUP staat bijgevolg in rechtstreeks verband met de dreiging op zeer korte termijn van het onherroepelijk en onwettig verdwijnen van een uitgestrekt en ongerept natuurgebied. Het PRUP is de conditio sine qua non, de concrete toestemming tot rooiing lijkt in dit stadium nog slechts een formaliteit die op zeer korte termijn vervuld zal worden. Dat het ernstige nadeel van verzoekers bijgevolg moeilijk te herstellen is, spreekt voor zich. Van zodra het bosgebied gerooid is, kan het ernstig nadeel van verzoekers eenvoudigweg niet meer hersteld worden (er is dan zelfs geen sprake van een moeilijkheidsgraad). 54. De middelen van verzoekers zijn ernstig, en zij hebben tevens aangetoond dat zij door de inwerkingtreding van het bestreden besluit (en de concrete uitwerking ervan op zeer korte termijn) een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 17 §2 Gecoördineerde Wetten Raad van State lijden."; Overwegende dat de eerste verwerende partij daartegenover het volgende stelt : "104. In casu beweren verzoekers dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. Dit nadeel zou bestaan uit de dreiging dat op zeer korte termijn een uitgestrekt en ongerept natuurge- bied op onherroepelijke en onwettige wijze zou verdwijnen. Door de goedkeu- ring van het PRUP zou als het ware "carte blanche" gegeven worden voor het rooien van het bosgebied Berkenbossen-Oost. 105. Het spreekt voor zich dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing op zich niet voor gevolg heeft dat hierdoor onmiddellijk zou kunnen worden overgegaan tot het ontbossen van de terreinen "Berkenbossen-Oost". Om over te gaan tot het ontbossen van deze terreinen, moet overeenkomstig art. 99, § 1, 2/ DORO immers een stedenbouwkundige vergunning bekomen worden. 106. Als het ontbossen van deze terreinen al een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou uitmaken in hoofde van verzoekers, dan dient er gelet op het voorgaande te worden op gewezen dat dergelijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet zou voortvloeien uit het ten uitvoerleggen van de bestreden beslissing, maar uit het ten uitvoerleggen van de stedenbouwkundige vergunning voor het ontbossen van de terreinen en door andere te verlenen vergunningen. 107. Er is geen sprake van een moreel nadeel in hoofde van verzoekers. 108. Een zelfde redenering gaat op voor de vermeende visuele en geluidshinder die verzoekers vrezen te zullen ondervinden door de tenuitvoerlegging van het PRUP 'Berkebossen'. Indien er al sprake zou kunnen zijn van dergelijke hinder in hoofde van verzoekers, dan kan deze hinder niet voortvloeien uit het voorliggende PRUP, maar dan zou deze hoogstens kunnen voortvloeien uit de stedenbouwkundige vergunningen en de milieuvergunningen, die in de toekomst zullen worden verleend aan de exploitanten op deze bijkomende bedrijventerreinen. 109. Daarenboven moet meer specifiek m.b.t. vierde verzoekende partij worden vastgesteld dat deze hoe dan ook geen hinder kan ondervinden van de tenuitvoerlegging van het PRUP 'Berkenbossen'. Zijn woning is niet gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied. Daarenboven zullen al zijn gronden die gelegen zijn binnen het plangebied onteigend worden. Hij zal er voor vergoed worden. Van op deze percelen kan verzoeker evenmin nog hinder ondervinden. Door tenuitvoerlegging van de onteigening zullen deze percelen hem immers niet meer toebehoren. 110. De tenuitvoerlegging van de in casu bestreden beslissing kan aan geen van de vier verzoekers visuele of geluidshinder berokkenen. X-12.026-11/13 111. Zodoende kan er dan ook geen sprake zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel."; Overwegende dat de tweede verwerende partij verwijst naar artikel 8, tweede lid, 5/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en het volgende betoogt : "Welnu, de verzoekende partijen komen er in hun verzoekschrift niet toe aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit (hun) een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Verzoekende partijen blijven in gebreke aan de hand van concrete en precieze gegevens een duidelijk beeld te verschaffen; Kortom de uiteenzetting van verzoekende partijen bevat geen concrete en precieze gegevens waaruit zou moeten blijken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het aangevochten besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, par. 2; Het moet voor de Raad van State immers mogelijk zijn met voldoende precisie in te schatten of er al dan niet een moeilijk te herstellen nadeel voorhanden is en het moet voor de verwerende partij mogelijk zijn zich tegen de door verzoekende partijen aangevoerde feiten en argumenten te verweren; Hetgeen verzoekende partijen uiteenzetten wordt op geen enkele manier toegelicht en geconcretiseerd"; Overwegende dat de zevende en achtste verzoekende partijen wonen in een wijk die onmiddellijk paalt aan de wijk "berkenbos" waarop het bestreden besluit betrekking heeft; dat de door de verzoekende partijen gegeven uiteenzetting overtuigt; dat de nadelen die zij inroepen betrekking hebben op het gehele gebied dat door het aangevochten ruimtelijk uitvoeringsplan ingrijpend zal worden gewijzigd, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de gemeente MOL in de vordering tot schorsing wordt afgewezen. X-12.026-12/13 Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan "Berkenbossen" gelegen in de gemeente Mol en bijhorend onteigeningsplan zoals aangenomen door de provincieraad van de provincie Antwerpen op 25 maart 2004 en goedgekeurd bij besluit van 7 juni 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van het verzoek tot tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van verzoekende partij in tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-12.026-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.477 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.462 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div