id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.484 Rolnummer: A. 106594/XIV-5208 Zaak: Arrest 144484 - - 17/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 15:05 Fiche Arrest nr 144.484 van 17 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.484 van 17 mei 2005 in de zaak A. 106.594/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 27 november 1975 en XXX, geboren op 17 mei 1981 en beiden van Tsjechische nationaliteit, op 26 juni 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 mei 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 28 mei 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-5208-1/5 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 april 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché V. HOEFNA- GELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 25 mei 2000 en verklaren zich vluchteling op 26 mei
- 1.
- Op 26 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelin- gen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, genomen ten aanzien van de heer XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, luidt als volgt: “(...) Aan betrokkene werd op 17 april 2000 op zijn gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor zijn asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping noch aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de Commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 26 juli
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. XIV-5208-2/5 De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten aanzien van mevrouw XXX, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, luidt als volgt: “(...) Aan betrokkene werd op 17 april 2000 op haar gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor haar asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping noch aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de Commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 26 juli
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
- Overwegende dat verzoekers een eerste middel afleiden uit de schendingen van de “artikelen 52, § 2, 4/ en 57/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting.”; Overwegende dat verzoekers in essentie aanvoeren dat voornoemde wetsbepalingen en het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden, doordat de eerste verwerende partij geen rekening hield met hun adreswijziging; dat verzoekers sinds begin maart 2001 zouden wonen te 9000 GENT; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de oproepings- brieven van 17 april 2001, houdende uitnodiging voor het interview op het Commissariaat- generaal op 25 april 2001 om 13.30 uur, werden verstuurd naar de laatst gekozen woonplaats van verzoekers gelegen te 3800 Sint-Truiden; dat van het adres te 9000 Gent” geen spoor wordt aangetroffen in het administratief dossier; Overwegende dat overeenkomstig artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemde- lingenwet, de kandidaat-vluchteling verplicht is om elke wijziging van de gekozen woonplaats bij een ter post aangetekend schrijven mee te delen aan het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en aan de Dienst Vreemdelingenzaken; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoekers hun adreswijziging hebben meegedeeld aan het Commissariaat-generaal; dat bijgevolg voornoemde oproepingsbrieven rechtsgeldig werden ter kennisgebracht van verzoekers op hun laatst gekende gekozen woonplaats te 3800 Sint-Truiden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekers een tweede middel afleiden uit de schending van “de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en de rechten van verdediging.”; XIV-5208-3/5 Overwegende dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat verzoekers het voorschrift van artikel 51, alinea 2, 4/ van de Vreemdelingenwet niet hebben nageleefd, zodat zij geen beroep kunnen doen op voornoemde beginselen, omdat hun afwezigheid op het interview aan hun eigen toedoen is te wijten; dat bovendien uit de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 14 maart 2005 blijkt dat er voor wat de woon- of verblijfplaats van verzoekers betreft, een “afvoering van ambtswege” plaatsvond op 24 januari 2002; dat voornoemde brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat tot op heden geen bewijs voorligt van de actuele woon- of verblijfplaats van verzoekers; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-5208-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5208-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.484 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.