id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.485 Rolnummer: A. 107865/XIV-5708 Zaak: Arrest 144485 - - 17/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 15:06 Fiche Arrest nr 144.485 van 17 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.485 van 17 mei 2005 in de zaak A. 107.865/XIV-5708. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 22 november 1978 en XXX, geboren op 21 mei 1978, beiden van Slowaakse nationaliteit, op 23 juli 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 juni 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 september 2000 en van 21 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-5708-1/7 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 april 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché V. HOEFNA- GELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De eerste verzoekende partij komt België binnen op 12 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 17 augustus 2000, de tweede verzoekende partij komt België binnen op 11 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 16 augustus 2000. 1.2. Op 21 augustus 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, ten opzichte van de tweede verzoekende partij. Op 25 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, ten opzichte van de eerste verzoekende partij. 1.3. Op 21 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten opzichte van de eerste verzoekende partij, XXX, is als volgt gemotiveerd: “(...) Betrokkene werd verhoord op 5 december 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Slov(w)aakse taal machtig is. Betrokkene, een Slov(w)aaks staatsburger van Roma origine, verliet zijn land van oorsprong op 10 augustus 2000. Betrokkene zou op 14 augustus 2000 in België aangekomen zijn alwaar hij zijn echtgenote, XXX, en hun minderjarig kind vervoegde. Betrokkene heeft op 17 augustus 2000 een asielaanvraag ingediend te (
- in)België. Betrokkene zou zijn land van oorsprong XIV-5708-2/7 verlaten hebben omwille van de problemen die hij er kende met een ex-vriend van zijn echtgenote. Betrokkenes echtgenote zou in oktober 1998 naar betrokkenes tante in Michaelovce getrokken zijn omdat ze in haar eigen geboortestad, Kosice, problemen kende met haar ex- vriend, M. K.. Op 17 oktober 1998 zou betrokkene dan met zijn huidige echtgenote in het huwelijk getreden zijn. In april 2000 zou de neef van betrokkenes echtgenote, R. P., met zijn auto naar Michaelovce gekomen zijn om betrokkene en zijn echtgenote naar haar zieke grootmoeder in Kosice te brengen. Onderweg zou M. K. de auto van R. klemgereden hebben. Robert zou uitgestapt zijn en op M. geroepen hebben. Hierop zou M. een pistool getrokken hebben en Robert door het hoofd geschoten hebben, waarna hij wegreed. Betrokkene zou dan een auto gestopt hebben waarvan de bestuurder de politie gebeld zou hebben. Wanneer de politie kwam zou betrokkenes echtgenote de naam en beschrijving van M. gegeven hebben, waarop de politie hen naar huis bracht. Betrokkene zou niets meer van de politie gehoord hebben. In juli 2000 zou M. K. betrokkenes echtgenote thuis opgezocht hebben wanneer betrokkene afwezig was. Marek zou op (naar) betrokkenes echtgenote geroepen hebben en gedreigd hebben dat ze van betrokkene diende te scheiden. Een buurvrouw zou op het lawaai afgekomen zijn en gezegd hebben de politie te bellen, waarop M. vertrokken zou zijn. Er zou later politie gekomen zijn aan wie betrokkenes vrouw opnieuw M. naam opgaf. Betrokkene zou echter niets meer van de politie gehoord hebben. Betrokkenes echtgenote en kind zouden dan op 10 augustus 2000 ’s ochtends Slov(w)akije verlaten hebben en betrokkene zou hen dezelfde dag ’s avonds achterna gegaan zijn. Er dient te worden opgemerkt dat de problemen die betrokkene in zijn land van oorsprong gekend zou hebben verbonden waren met een privépersoon, M. K., de ex-vriend van zijn echtgenote. Deze problemen waren louter het gevolg van een persoonlijk conflict (ontstaan na het beëindigen van een relatie) en kunnen bijgevolg niet als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden bestempeld. Betrokkene verklaart weliswaar nog dat hun klachten bij de politie niets opleverden, en dat M. K. als maffia-lid mogelijk invloed had bij de politie waardoor zij niet op bescherming konden rekenen. Hierbij dient echter (
- te)worden vastgesteld dat de politie wel degelijk een onderzoek naar de moord op betrokkenes neef opende, en dat betrokkene -indien hij daadwerkelijk niets meer over het onderzoek vernam- zelf ook geen enkel initiatief nam om bij de politie te informeren naar de stand van het onderzoek. Na de bedreigingen die Kopco in juli 2000 tegen betrokkenes echtgenote uitte zou de politie opnieuw een onderzoek beloofd hebben, maar betrokkene verliet 10 dagen later Slov(w)akije zonder nog naar dit onderzoek te informeren en zonder een formele klacht in te dienen (CGVS p. 7). Op grond hiervan moet worden besloten dat betrokkene niet aannemelijk maakt dat hij in zijn land van oorsprong niet kon rekenen op bescherming van zijn autoriteiten omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. Uit bovenstaande dient te worden besloten dat er in hoofde van betrokkene niet gesproken kan worden van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het paspoort dat betrokkene voorlegde ter ondersteuning van zijn asielrelaas kan deze conclusie niet wijzigen aangezien het enkel betrekking heeft op betrokkenes identiteit waaraan niet getwijfeld dient te worden. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 25 september 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. De bevestigende beslissing ten opzichte van de tweede verzoekende partij, XXX, is als volgt gemotiveerd: “(...) Betrokkene werd verhoord op 25 oktober 2000 en op 5 december 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Slov(w)aakse taal machtig is. XIV-5708-3/7 Betrokkene, een Slov(w)aaks staatsburger van Roma origine, heeft haar land van oorsprong verlaten op 10 augustus 2000 in het gezelschap van haar minderjarig kind. Betrokkene kwam aan te België op 11 augustus 2000, alwaar ze op 16 augustus 2000 een asielaanvraag indiende. Betrokkene werd op 14 augustus 2000 te België vervoegd door haar echtgenoot, XXX. Betrokkene is in het bezit van een geldig paspoort. Betrokkene zou haar land van oorsprong verlaten hebben omwille van de problemen die ze er gekend zou hebben met een ex-vriend. In 1998 zou betrokkene de blanke M. K. hebben leren kennen en er een relatie mee begonnen zijn. Betrokkene zou na een tijd vernomen hebben dat M. lid van de maffia was en met hem gebroken hebben. Omdat M. haar bleef opzoeken zou betrokkene naar een kennis in Michaelovce verhuisd zijn, waar ze op 17 oktober 1998 getrouwd zou zijn met XXX. In april 2000 zou betrokkenes neef, R. P., betrokkene en haar echtgenoot naar Kosice gebracht hebben om betrokkenes zieke grootmoeder te bezoeken. Onderweg zou de auto van Robert klemgereden zijn door M. K.. R. zou uitgestapt zijn om K. uitleg te vragen, maar K. zou R. ter plaatse door het hoofd geschoten hebben en weggereden zijn. Een voorbijganger zou de politie gebeld hebben. De politie zou ter plekke zijn gekomen en betrokkene zou de naam van K. hebben doorgegeven. Hierna zou de politie betrokkene en haar echtgenoot naar Michaelovce gevoerd hebben. Betrokkene zou verder niets van de politie gehoord hebben. In juli 2000 zou betrokkene thuis opgezocht zijn door K. die haar met een geweer bedreigde en zei dat ze haar huidige man moest verlaten. Een buurvrouw van betrokkene zou op het lawaai afgekomen zijn en gedreigd hebben (naar) de politie te telefoneren, waarop K. weggereden zou zijn. Later zou er politie gekomen zijn die beloofd zou hebben een onderzoek te openen. Betrokkene zou opnieuw K. naam vermeld hebben. Betrokkene zou dan besloten hebben om met haar kind Slov(w)akije te verlaten. Er dient te worden opgemerkt dat de problemen die betrokkene gekend zou hebben in Slov(w)akije verbonden waren met een privépersoon, namelijk haar ex-vriend, M. K.. Deze problemen waren louter het gevolg van een persoonlijk conflict (ontstaan na het beëindigen van een relatie) en kunnen bijgevolg niet als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden bestempeld. Betrokkene verklaart weliswaar nog dat haar klachten bij de politie niets opleverden, en dat M. K. als maffia-lid mogelijk invloed had bij de politie waardoor zij niet op bescherming kon rekenen. Hierbij dient echter (
- te)worden vastgesteld dat de politie wel degelijk een onderzoek naar de moord op betrokkenes neef opende, en dat betrokkene -indien zij daadwerkelijk niets meer over het onderzoek vernam- zelf ook geen enkel initiatief nam om bij de politie te informeren naar het onderzoek naar de moord (zie CGVS 05.12.00. p. 3). Betrokkene weet zelfs niet of andere familieleden elders nog klacht indienden betreffende de moord op Robert (zie CGVS 05.12.00. p. 3-4), en verklaart dat de politie ook na de bedreiging- en van K. in juli 2000 een onderzoek beloofde maar dat zij 10 dagen later Slov(w)akije verliet zonder nog naar dit onderzoek te informeren (zie CGVS 05.12.00 p. 4). Op grond hiervan moet worden besloten dat betrokkene niet aannemelijk maakt dat ze in haar land van oorsprong niet kon rekenen op bescherming van haar overheid omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. Uit bovenstaande dient te worden besloten dat er in hoofde van betrokkene niet gesproken kan worden van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het paspoort dat betrokkene voorlegde ter ondersteuning van haar asielrelaas kan deze conclusie niet wijzigen aangezien het enkel betrekking heeft op betrokkenes identiteit waaraan niet getwijfeld dient te worden. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 21 augustus 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2. Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel; dat verzoekers betogen dat zij in hun land van herkomst worden gediscrimineerd en dat zij de bescherming XIV-5708-4/7 van de Slowaakse autoriteiten niet kunnen inroepen omwille van hun origine en omwille van de goede contacten van M. K. met de Slowaakse autoriteiten; dat zij tevens verwijzen naar een rapport van het US Department of State; dat zij besluiten dat de Commissaris-generaal “de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer deze weigert de vluchtelingenstatus aan verzoekers toe te kennen”; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van Vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissing niet aanvechten; dat dit onderdeel van het middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat verzoekers verwijzen naar het rapport van het U.S. Department of State “Human Rights Report for 1999, Slovak Republic” dd. 25.02.2000, aangaande de mensenrechten in Bulgarije anno 1999, om aan te tonen dat hun “vrees voor vervolging wegens hun origine bevestigd wordt”; dat deze verwijzing naar een rapport aangaande de algemene situatie in het land van herkomst van verzoekers geen afbreuk doet aan de vaststellingen en overwegingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die steunen op een individueel onderzoek van de verklaringen die verzoekers hebben afgelegd in het kader van hun asielaanvraag; dat in dit verband tevens wordt verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State waarin wordt overwogen dat het niet volstaat te verwijzen naar rapporten van algemene aard, zonder deze te betrekken op de persoonlijke toestand van de kandidaat-vluchteling; Overwegende dat verzoekers in het middel doen gelden dat de “zorgvuldigheidsverplichting” wordt geschonden; dat zij zelf aangeven dat zij hiermee doelen op het feit dat zij menen dat het onzorgvuldig is dat hen de vluchtelingenstatus werd geweigerd; dat een dergelijke redenering niets te maken heeft met de zorgvuldigheidsplicht; dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen niet aanvechten maar desalniettemin vinden dat hen de status van vluchteling moest worden toegekend; dat uit het asielrelaas van verzoekers blijkt dat dit niet valt onder één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de procedures ingeleid door verzoekers enkel beogen hun feitelijke verblijfstoestand zo lang mogelijk te bestendigen, vermits uit de bestreden beslissingen blijkt dat hun relaas niets te maken heeft met het statuut van kandidaat- vluchteling, en enkel betrekking heeft op moeilijkheden die uitsluitend het privé-leven van XIV-5708-5/7 verzoekers betreffen; dat dergelijke procedures een oneigenlijk gebruik uitmaken van het Vreemdelingenrecht en zeer dicht in de buurt komen van tergende en roekeloze procedures; Overwegende dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-5708-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5708-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.485 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div