id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.487 Rolnummer: A. 106705/XIV-5228 Zaak: Arrest 144487 - - 17/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 15:06 Fiche Arrest nr 144.487 van 17 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.487 van 17 mei 2005 in de zaak A. 106.705/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 augustus 1946 en van Armeense nationaliteit, op 30 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 5 juni 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-5228-1/5 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 april 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 9 maart 2000 en verklaart zich vluchteling op 10 maart
- 1.
- Op 22 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 5 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 11 april 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Marx. Betrokkene, van Armeense origine, baseert haar asielaanvraag op dezelfde motieven die werden aangebracht door haar zoon, P. V. .. Betrokkene verklaarde (CG p. 2) zelf geen ernstige problemen te hebben gehad. Betrokkene vroeg op 10 maart 2000 in België asiel aan. Aangezien de asielaanvraag van betrokkenes zoon als bedrieglijk werd beschouwd kan ook in hoofde van betrokkene geen vermoeden weerhouden worden van een vrees voor vervolging omwille van één van de criteria zoals vermeld in de conventie van Genève. De door betrokkene neergelegde documenten, namelijk haar diploma en werkattest kunnen aan hetgeen hierboven werd uiteengezet niets wijzigen aangezien deze louter persoonsgegevens betreffen die niet in twijfel worden getrokken. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem (haar) betreft, ernstige XIV-5228-2/5 aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 22 juni
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en van de hoorplicht; dat verzoekster aanvoert dat zij niet werd gehoord en dat daardoor haar recht op verdediging en haar recht om haar standpunt naar voor te brengen, werden geschonden; dat enkel manifest bedrieglijke aanvragen geweerd kunnen worden in de ontvankelijkheidsfase; dat de aanvraag van haar zoon, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, niet bedrieglijk is omdat deze niet in strijd is met algemeen gekende principes of documenten; dat de informatie waarnaar de Commissaris-generaal verwijst onbekend is; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat verzoekster haar asielaanvraag op dezelfde motieven baseert als deze aangebracht door haar zoon, en dat de asielaanvraag van haar zoon bedrieglijk werd verklaard; Overwegende dat verzoekster niet betwist dat zij haar asielaanvraag steunt op dezelfde feiten en motieven als haar zoon, maar dat zij aanvoert dat zij moest worden gehoord; XIV-5228-3/5 Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat in voorliggend geval verzoekster haar asielrelaas heeft kunnen uiteenzetten tijdens een interview op de Dienst Vreemdelingenzaken, en tijdens een interview op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat bijgevolg de bewering van verzoekster dat zij niet werd gehoord, feitelijke grondslag mist; dat verzoekster een verzoekschrift tot dringend beroep heeft ingediend, waarna zij op het Commissariaat-generaal werd gehoord en haar asielmotieven heeft kunnen toelichten; dat zij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal letterlijk verklaart “zelf geen ernstige problemen te hebben gehad”; dat zij voorts haar asielaanvraag baseert op het asielrelaas van haar zoon, de heer V. P., dat bedrieglijk werd verklaard en waarvan zij de inhoud en de draagwijdte kent; dat de beroepen gericht tegen de beslissing van de Commissaris-generaal genomen inzake de zoon van verzoekster werden verworpen door het arrest nr.122.910 van 17 september 2003 van de VIIde kamer van de Raad van State in de zaak gekend onder het G/A nummer 106.724/VII- 29.716; dat voornoemd arrest inmiddels in kracht van gewijsde is getreden en bijgevolg tegenstelbaar is aan verzoekster; dat hieruit volgt dat de beslissing van de Commissaris- generaal van 5 juni 2001, genomen ten aanzien van de zoon van verzoekster wettig is, wat meebrengt dat de thans bestreden beslissing dat ook is, vermits zij grotendeels steunt op de eerstgenoemde beslissing; dat bijgevolg het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-5228-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5228-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.487 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.