← België

Arrest 144529 - - 18/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.529 Rolnummer: A. 137139/VII-34295 Zaak: Arrest 144529 - - 18/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-01 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 15:07 Fiche Arrest nr 144.529 van 18 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 144.529 van 18 mei 2005 in de zaak A. 137.139/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Soedanese nationaliteit, op 26 mei 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 138.179 van 8 december 2004 waarbij het arrest nr. 135.526 van 29 september 2004 wordt ingetrokken, de debatten worden heropend, en het door de Auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat wordt belast met het onderzoek van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring; Gelet op de beschikking van 13 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling- en; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-15.260-1/6 Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 25 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET die, loco Advocaat R. JESPERS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Soedanese nationaliteit, komt in België binnen op 27 december 2002 waar hij zich op 30 december 2002 vluchteling verklaart. 1.
  4. Op 21 januari 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 18 april 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt : “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u geboren in Kadugli maar werd u op uw vierde ontvoerd, op een moment dat er oorlog in uw streek was. Sindsdien woonde u bij luitenant Omar in Aldebeiba in de oostelijke deelstaat Shark El Nil. Toen op een dag bij Omar de sleutel op de kast zat waarin uw papieren opgeborgen lagen, kwam u op grond hiervan te weten dat u een etnische Nuba bent. Toen u zes was vertelde Omar u dat uw ouders gestorven waren. In Aldebeiba ging u drie jaar naar de lagere school. Daarna werkte u voor Omar en zijn familie als een slaaf: u zorgde voor de dieren en deed huishoudelijk werk. Drie keer ondernam u een mislukte ontsnappingspoging. De eerste toen u twaalf was: u wilde de bus nemen, maar omdat u geen geld had moest u afstappen, waarop u naar Omar terugkeerde; die was XIV-15.260-2/6 ontstemd over uw vluchtpoging, sloeg u en dreigde ermee u naar het leger te sturen als u nog eens zou trachten te vluchten. De tweede vluchtpoging had plaats toen u zeventien was: u ging naar het nabijgelegen dorp Ousseylat, maar werd daar door de inwoners herkend en naar Aldebeiba teruggebracht. In 1998 ondernam u uw derde vluchtpoging: nadat er een dier was gestorven en u daarvan de schuld kreeg en hard geslagen werd, vluchtte u naar Ousseylat, van waaruit u de Nijl overstak; aan de overkant werd u tegengehouden door militairen die u opsloten omdat u geen papieren had; nadat u hen had verteld dat u bij Omar werkte, gaven ze u de volgende dag terug in diens handen. Op 23 november 2002 profiteerde u van een brand om Omars woning en Aldebeiba te verlaten, waarna u naar het buurdorp Dawaban ging. U ging er naar een zekere Meez Bakhit, een Nuba over wie u in Aldebeiba had horen spreken. In ruil voor het miljoen Soedanese "Guinee" dat u bij Omar had meegepikt, was hij bereid u te helpen Soedan te verlaten. Op 5 december 2002 reed u met Meez naar Port Sudan. Na drie dagen vertrouwde hij u toe aan een passeur, met wiens hulp u per schip uw land verliet. Op 27 december 2002 kwam u in België aan en op 30 december 2002 vroeg u er asiel aan. B. Motivering De geloofwaardigheid van uw relaas wordt door onaannemelijke, incoherente en tegenstrijdige verklaringen ondermijnd. Zo stelde u enerzijds dat u tijdens uw verblijf bij Omar niet bijhield welke datum of jaar het was (cf. gehoorverslag Commissariaat-generaal dd. 12 februari 2003, p. 6), maar bleek u anderzijds wel van alle belangrijke gebeurtenissen het jaar en van de feiten in verband met uw uiteindelijke vlucht zelfs de precieze data te kennen (p. 7). Wat uw derde vluchtpoging betreft beweerde u enerzijds dat die op uw achttiende plaatshad (p. 4), anderzijds dat die geschiedde in 1998, toen u ongeveer drieëntwintig was (p. 5). Nog over deze derde vluchtpoging verklaarde u eerst dat u daarbij met de bus naar het dorp Al Ousseylat ging, terwijl u even later vertelde dat Al Ousseylat op vijf à zes minuten loopafstand van Aldebeiba ligt en u er bij deze gelegenheid niet met de bus maar te voet naartoe ging (p. 5). Hoewel u stelde (p. 4 en 6) dat u altijd als slaaf in of bij Omars huis verbleef en daardoor "niemand" en "niets kende", en bijvoorbeeld niet wist wie de buren of de wijkgenoten van Omar waren, verklaarde u desondanks enerzijds dat u bij uw tweede vluchtpoging in het buurdorp Ousseylat door de bewoners herkend werd (p. 6) en anderzijds dat u in Aldebeiba over de Nuba Meez Bakhit hoorde spreken (p. 7) en daarom op 23 november 2002 -bij uw uiteindelijke, geslaagde vluchtpoging- naar hem toeging. Met betrekking tot de genoemde herkenning door de bewoners antwoordde u (p. 6) op de vraag hoe dit mogelijk was als u nooit ergens kwam, dat u eerder al een keer gevlucht was en dat Omar uw beschrijving aan alle buschauffeurs geseind had, terwijl u even tevoren gesteld had dat Omar "bijna alle inwoners van de streek" gewaarschuwd had, verklaringen die onsamenhangend zijn en weinig geloofwaardig voorkomen. Bovendien bleek u ondanks het feit dat u bij de genoemde vluchtpoging volgens uw zeggen "onmiddellijk" herkend werd (p. 6), bij uw uiteindelijke vlucht in november 2002 in het buurdorp Dawaban gewoon "links en rechts" aan de bewoners te hebben gevraagd waar u Meez Bakhit kon vinden en daarbij door niemand lastiggevallen te zijn (p. 7). Met betrekking tot uw ouders stelde u dat Omar u wel gezegd had dat zij dood waren maar dat u niet zeker wist of dat zo was (p. 3), en dat u zes was toen hij u dat vertelde maar dat u niet wist wanneer hun overlijden plaatsgevonden had, terwijl u voor de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde (cf. gehoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken dd. 21 januari 2003, punt 42) dat zij twee jaar na uw ontvoering (effectief) stierven. Daarnaast verklaarde u in uw antwoord op de vraag wat u zou overkomen bij een eventuele terugkeer naar uw land, enerzijds dat u misschien wel naar uw ouders terug zou gaan mocht u weten dat die nog leven, een verklaring die de door u ingeroepen vrees ernstig relativeert, anderzijds dat u misschien opgepakt en naar het oorlogsfront in het zuiden gestuurd zou worden en dat u vreesde dat Omar u daar naartoe zou sturen (p. 7 en 8), een vrees waarvan de gegrondheid echter niet uit uw relaas blijkt aangezien Omar al sinds uw eerste vluchtpoging op uw twaalfde dit dreigement tegenover u uitte (p. 4 en 6) maar kennelijk nooit aanstalten maakte het uit te voeren, zelfs niet na uw twee latere vluchtpogingen. Bij gebrek aan documenten kunnen uw identiteit en reisweg niet worden nagegaan. XIV-15.260-3/6 Ten slotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
  6. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. 2.
  7. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  8. Overwegende dat artikel 3, tweede lid, 5/ van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting dient te bevatten van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat deze bepaling zo moet worden opgevat dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel zeer concrete gegevens moet aanvoeren waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of kan ondergaan; XIV-15.260-4/6 2.
  9. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende uiteenzet : “IV. MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL De uitvoering van de bestreden beslissing (die een bevel om het grondgebied te verlaten impliceert) zou betekenen dat verzoeker naar Soedan kan gerepatrieerd worden. Dit land staat evenwel op de I.O.M.-lijst van de landen waarnaar niet mag gerepatrieerd worden. Soedan is een onveilig land. Verzoeker stelt dat zijn leven er in gevaar is. Wanneer hij terug naar Soedan zou geleid worden komt hij onmiddellijk in handen van luitenant Omar en van het leger en is zijn leven, minstens zijn veiligheid, ernstig in gevaar. Ondanks de korte verblijfsduur in België heeft verzoeker al diverse sociale contacten in dit land; hij zou deze verliezen door de niet schorsing van de beslissing. Hij wenst de procedure voor de Raad van State te kunnen opvolgen vanuit België in het kader van het adequaat uitoefenen van haar rechten van verdediging.”; dat verzoeker vooreerst stelt dat de uitvoering van de bestreden beslissing (en meer bepaald van het bevel om het grondgebied te verlaten) een terugkeer naar Soedan zou betekenen, waar volgens verzoeker de situatie dermate onveilig is dat zijn leven er in gevaar zou zijn; dat er dient opgemerkt dat deze uiteenzetting niet beantwoordt aan de vereiste van precisie en nauwkeurigheid, die noodzakelijk is om het de Raad van State mogelijk te maken de ernst van het aangevoerde nadeel te beoordelen; dat de uiteenzetting van het nadeel, zoals door verzoeker geformuleerd, te algemeen en te summier is; dat verzoeker immers met geen enkel concreet element aannemelijk maakt dat daadwerkelijk zal worden overgegaan tot een onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat, waar verzoeker erop wijst dat hij de tijdens zijn korte verblijfsduur opgebouwde sociale contacten in België zal verliezen, dient opgemerkt dat verzoeker wist, of minstens diende te weten, dat hij slechts tot verblijf in het Rijk werd toegelaten voor de duur van de behandeling van zijn asielaanvraag, en dat hij, bij een eventuele negatieve beslissing, het land zou dienen te verlaten; dat het verlies van de in België tijdens een precair verblijf aangegane menselijke contacten dan ook niet in aanmerking kan worden genomen; dat, waar verzoeker ten slotte stelt dat hij “de procedure voor de Raad van State (wenst) te kunnen opvolgen vanuit België in het kader van het adequaat uitoefenen van (zijn) rechten van verdediging”, erop dient gewezen dat een (eventuele) verwijdering van het grondgebied verzoeker geenszins belet zijn verdediging voor de Raad van State te laten waarnemen door een raadsman of raadsvrouw van zijn keuze vermits op hem niet de wettelijke verplichting rust persoonlijk te verschijnen;
  10. Overwegende dat niet is voldaan aan één van de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, XIV-15.260-5/6 BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.260-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.529 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.526 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.